PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03766
Zitting 23 mei 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 september 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, na daartoe door de rolraadsheer bij verlenging van de termijn tot 8 mei 2023 voor het indienen van een schriftuur in de gelegenheid te zijn gesteld, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Aan de raadsman van de verdachte is op 9 mei 2023 een nadere termijn verleend om desgewenst op deze, namens de benadeelde partij ingediende, schriftuur inhoudelijk te reageren. Uit het bericht van de raadsman van de verdachte van 10 mei 2023 in het webportaal kan worden opgemaakt dat hij daaraan geen behoefte heeft.
Om cassatie-technische redenen begin ik met bespreking van het derde namens de verdachte voorgestelde middel.
II. Het derde namens de verdachte voorgestelde middel en de bespreking daarvan
4. Het derde middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat de pleitnota, een kennelijk daarvan onderdeel uitmakende powerpoint-presentatie en een (in dupliek) getoonde foto die op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2021 door de raadsman van de verdachte aan het hof zijn overgelegd, zich niet bij de stukken van het geding bevinden.
5. Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman […] voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota (bijlage 4). Voorts toont de raadsman tijdens zijn pleidooi een PowerPointpresentatie, die als bijlage 5 aan dit proces-verbaal is gehecht.
[…]
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt mede:
[…]
Ik wil het hof nog iets uitleggen over de locatie van het tongbeen. Ik toon u een foto via Google (opmerking griffier: de getoonde foto is door de raadsman na afloop van de zitting aan de griffier gemaild en als bijlage 6 aan dit proces-verbaal gehecht).”
6. Ik merk nog op dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 september 2021, na de volzin dat de voorzitter het arrest ter openbare terechtzitting uitspreekt, het volgende vermeld staat:
“Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en ondertekend.
Opmerking griffier: de inhoud van de hierboven weergegeven processen-verbaal is conform de originele processen-verbaal welke zijn zoekgeraakt. Deze processen-verbaal zijn opnieuw uitgeprint zonder de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 augustus 2021 vermelde bijlagen en niet opnieuw ondertekend. De inhoud van de originele processen-verbaal zijn in februari 2022 vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier(s).”
7. Overeenkomstig het bepaalde in art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de raadsman van de verdachte bij bericht in het webportaal van de Hoge Raad van 25 januari 2023 (tijdig) verzocht om aanvullende stukken, waaronder de genoemde bijlagen. Naar aanleiding hiervan is bij schrijven van 27 januari 2023 het gerechtshof Den Haag door de medewerker dossierbehandeling verzocht om de door de raadsman opgevraagde stukken te doen toekomen aan de strafadministratie van de Hoge Raad. In reactie hierop hebben de voorzitter en de griffier van de strafkamer van het hof in een schrijven van 2 februari 2023 aan de Hoge Raad bericht dat de opgevraagde stukken, waaronder de hierboven genoemde bijlagen 4, 5 en 6, in het ongerede zijn geraakt en niet kunnen worden aangeleverd. Op 7 februari 2023 is namens de Griffier van de Hoge Raad aan de raadsman van de verdachte bericht dat de reactie van het hof in het digitaal dossier is geplaatst.
8. Uit het vorenstaande volgt dat de Hoge Raad daardoor niet kan nagaan of op de terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan die in de uitspraak van het hof zijn vermeld, dan wel of daar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht die niet in deze uitspraak zijn vermeld. Dit strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.
9. Het middel slaagt derhalve.
10. In aanmerking genomen dat het derde middel slaagt en tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof en terugwijzing van de zaak naar dit hof zal leiden, behoeven de overige middelen, waaronder het namens de benadeelde partij voorgestelde middel, geen bespreking.
III. Slotsom
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. onder meer HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:999, HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243 en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1138. Opgemerkt zij slechts dat de inzendtermijn in cassatie is verstreken op 3 maart 2023 en dat het zevende namens de verdachte voorgestelde middel daarover terecht klaagt.