ECLI:NL:PHR:2023:533

ECLI:NL:PHR:2023:533, Parket bij de Hoge Raad, 30-05-2023, 21/04285

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-05-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/04285
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:1014
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, beslag. Klager is n-o in zijn beroep voor zover aan de beslagene een last tot teruggave a.b.i. art. 116.1 Sv is gegeven. De Rb heeft haar oordeel dat de trouwring, 2 telefoons en de europallets niet in beslag zijn genomen toereikend gemotiveerd (vgl. ECLI:2018:949). De overige motiveringsklachten falen eveneens. De conclusie strekt tot gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

4. Het eerste middel

Het middel klaagt dat de beslissing tot het niet-ontvankelijk verklaren van de klager in zijn beklag strekkende tot teruggave van de trouwring, twee overige Samsungtelefoons en de europallets ontoereikend is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat met de verantwoordelijkheid van de justitiële autoriteiten om bij een doorzoeking de eigendomsrechten van klager te beschermen en te waarborgen samenhangt dat indien een burger stelt dat goederen tijdens een doorzoeking zijn weggenomen en de autoriteiten dat betwisten, sprake dient te zijn van een redelijke bewijslastverdeling voor de vaststelling of die goederen zijn weggenomen. Daarbij is het niet doorslaggevend dat die goederen niet zijn opgenomen in een kennisgeving van beslaglegging. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank in haar oordeel dat de goederen niet in beslag zijn genomen geen blijk gegeven van een afweging over genoemde redelijke bewijslastverdeling ten aanzien van de vaststelling of die goederen zijn weggenomen en daarmee in beslag zijn genomen. Daarom zou sprake zijn van een motiveringsgebrek.

De rechtbank heeft aan haar conclusie dat de gewraakte goederen niet in beslag zijn genomen ten grondslag gelegd dat er met betrekking tot genoemde goederen zich geen kennisgevingen van inbeslagneming in het dossier bevinden en ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze goederen onder de klager in beslag zijn genomen, omdat de enkele stelling van de klager dat de goederen zijn weggenomen daarvoor onvoldoende is.

Hoewel uit eerstgenoemde omstandigheid niet zonder meer kan volgen dat geen inbeslagneming van de desbetreffende goederen heeft plaatsgevonden, meen ik dat de rechtbank, door te overwegen dat gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd ook niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze goederen onder de klager in beslag zijn genomen, haar oordeel dat de gewraakte goederen niet in beslag zijn genomen toereikend heeft gemotiveerd. Daarbij wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949 waarin de rechtbank op soortgelijke gronden had geconcludeerd dat de laptop met toebehoren niet is beslag was genomen, maar waarin door en namens de klager was aangevoerd dat hij over dit goed reeds tijdens het politieverhoor had gesproken in die zin dat de laptop met toebehoren ook in de inbeslaggenomen auto lagen en dat hij op het moment van inbeslagneming geen woning had en al zijn spullen om die reden in zijn auto lagen. Ook had de klager aankoopbonnen van deze voorwerpen overgelegd en had hij ook bij de behandeling van de strafzaak om teruggave van de desbetreffende goederen verzocht, terwijl de rechtbank daarnaast niet alleen de juistheid van de bewering van de klager dat hij op het moment van de inbeslagneming geen woning had en dat al zijn spullen daarom in de auto lagen in het midden had gelaten, maar ook de juistheid van de door de klager reeds bij zijn verhoor door de politie gedane bewering dat de laptop met toebehoren van hem was. Tegen deze achtergrond oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van de Rechtbank dat de klager onvoldoende heeft kunnen aantonen dat deze voorwerpen in beslag zijn genomen, ontoereikend was gemotiveerd. Met andere woorden: daar was door de klager bepaald meer aangevoerd dan in het onderhavige geval.

Dat de rechtbank in het onderhavige geval de enkele stelling van de klager dat de goederen zijn weggenomen ontoereikend heeft geacht voor het oordeel dat de goederen niet in beslag zijn genomen, is daarom allerminst onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel

Het middel klaagt dat de beslissing tot het niet-ontvankelijk verklaren van de klager in zijn beklag strekkende tot teruggave van de 11 USB-sticks, de 15 SD-kaarten, de laptops, de camerarecorders, de GSM Samsung, de iPhones en het buitenlandse geld, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ontoereikend is gemotiveerd.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de officier van justitie de last tot teruggave van genoemde goederen aan de beslagene - niet zijnde de klager - heeft gegeven, zodat het oordeel van de rechtbank dat de klager terzake genoemde goederen niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beklag blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Ik meen dat dit middel buiten bespreking kan blijven. Immers, indien een last tot teruggave als bedoeld in art. 116, eerste lid, Sv aan de beslagene is gegeven, dan eindigt het beslag op grond van het bepaalde in art. 134, tweede lid onder a, Sv, ongeacht of dat voorwerp feitelijk is teruggegeven. In het wetboek is niet voorzien in de mogelijkheid te klagen - ook niet in cassatie - over een last tot teruggave aan degene onder wie in beslag werd genomen.

6. Het derde middel

Het middel komt op tegen de beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag wat betreft de steekwagens, pompwagens, autobanden en de complete garage-uitrusting bestaande uit gereedschappen.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de motivering van de rechtbank niet duidelijk blijkt welke feiten en omstandigheden tot welk oordeel hebben geleid. Voorts zou het oordeel onbegrijpelijk zijn, omdat de rechtbank stelt dat er aanwijzingen zijn dat de goederen ook aan [betrokkene 1] in eigendom toebehoren. Daarmee zou geen helder oordeel worden gegeven over de vraag of klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Ook zou de rechtbank haar oordeel kennelijk mede hebben gebaseerd op een eerder oordeel van de rechtbank in de zaak van [betrokkene 1] , terwijl die beslissing geen deel zou uitmaken van de processtukken in de onderhavige zaak. Dat de klager bij de politie heeft verklaard dat de huishoudelijke-en witgoedartikelen van hem zijn kan hem niet worden tegengeworpen, omdat de klager in zijn verhoor in het geheel niet is geconfronteerd met de inbeslagname van de onderhavige goederen en daarom in zijn verhoren ook niet heeft kunnen stellen waarom hij redelijkerwijs als rechthebbende op deze goederen is te beschouwen. Ten slotte zou het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van een deugdelijke administratie onbegrijpelijk zijn, omdat de goederen in beslag zijn genomen in een pand dat aan klager toebehoort, het werkplaatsonderdelen betreft en de klager een gehele garage, inclusief inboedel, aan [betrokkene 1] heeft verhuurd. Daarbij komt dat de klager ook bij de politie heeft verklaard dat de in het verhuurde gedeelte aanwezige vierpoots-hefbrug (aard en nagelvast) van hem is en is bij het klaagschrift een verklaring van [betrokkene 1] gevoegd waarin hij verklaart dat de goederen van de klager zijn (hem in eigendom toebehoren).

De rechtbank heeft vastgesteld dat op 16 april 2019 en 21 april 2019 een groot aantal goederen in beslag is genomen vanuit het pand dat op naam staat van klager. De broer van klager, [betrokkene 1] , huurde in dat pand een ruimte. Naar hem is een strafrechtelijk onderzoek gaande, ten behoeve waarvan onder andere de goederen genoemd in het klaagschrift in beslag zijn genomen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat [betrokkene 1] wordt verdacht van het (de)monteren van gestolen voertuigonderdelen met behulp van de gewraakte goederen.

Alvorens verder in te gaan op de bespreking van deze deelklachten geef ik eerst de relevante inhoud weer van de beslissing op het klaagschrift van [betrokkene 1] van 3 december 2019, waarnaar de rechtbank in haar overwegingen verwijst en welke beslissing zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt. Deze beslissing houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Inleiding

Het beklag strekt tot teruggave van alle goederen die in beslag zijn genomen in de loods van klager op 16 april 2019 en in woning van klager op 21 april 2019 (hierna: de goederen).

Tegen klager is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen dan wel heling.

(…)

Het standpunt van klager

Klager heeft aangevoerd dat er onderzoek is gedaan naar de inbeslaggenomen goederen. Daaruit is gebleken dat bepaalde auto-onderdelen te herleiden zijn naar gestolen voertuigen, maar ook dat een heel aantal goederen niet te herleiden is naar gestolen voertuigen. Deze goederen zijn overgedragen aan het Verbond van verzekeraars om uit te zoeken of zij deze wel konden herleiden naar gestolen voertuigen. De beslaglijst van deze goederen heeft de officier van justitie toegestuurd. Op deze beslaglijst staan maar 71 (van de 3449) goederen waarvan kenmerken zijn veranderd. Alle overige goederen kunnen dus niet worden herleid naar gestolen voertuigen en zouden aan klager moeten worden teruggegeven. (…) Ten slotte wordt verzocht om de inbeslaggenomen gereedschappen terug te geven aan klager, omdat niet kan worden gezegd dat al deze gereedschappen zijn gebruikt om – gestolen – auto’s uit elkaar te halen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van alle goederen nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechtbank, later oordelend, zal bepalen dat de voertuigen, voertuigonderdelen en gereedschappen verbeurd zullen worden verklaard of worden onttrokken aan het verkeer (…) Door vermenging van het grote aantal inbeslaggenomen goederen, waarvan een aantal te herleiden is naar gestolen goederen of doorgekraste nummers heeft, kan niet meer geïndividualiseerd worden welke goederen welke herkomst hebben. De gereedschappen zijn gebruikt om de auto’s te demonteren, dus ook die zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. (…) De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft in raadkamer verklaard klager vanwege de verdenking van witwassen dan wel heling te vervolgen en de verbeurdverklaring van de verschillende goederen te vorderen.

Het oordeel van de rechtbank

Inhoudelijke beoordeling

Zoals ook weergegeven in het standpunt van de officier van justitie zijn de inbeslaggenomen goederen in een aantal categorieën te verdelen, namelijk: (1) voertuigen en voertuigonderdelen, (2) gereedschappen, (…). Er ligt klassiek beslag ex artikel 94 Sv op de goederen.

De goederen zijn op 16 april 2019 en 21 april 2019 onder klager in beslag genomen en behoren hem in eigendom toe.

Voertuigen en voertuigonderdelen, gereedschappen (…)

Vastgesteld kan worden dat een heel groot aantal voertuigen en voertuigonderdelen in beslag genomen is, waaraan nog onderzoek wordt verricht. Een groot deel van de voertuigonderdelen blijkt afkomstig te zijn van gestolen voertuigen. Nu een groot aantal illegale voertuigonderdelen vermengd is geraakt met een groot aantal legale voertuigonderdelen, kan van het openbaar ministerie niet worden verwacht dat al deze goederen geïndividualiseerd worden en dat zo doende wordt bepaald welke onderdelen welke herkomst hebben. Dit zou alleen van het openbaar ministerie kunnen worden verwacht als een degelijke administratie zou zijn gevoerd, maar daar is in casu geen sprake van.

Ditzelfde geldt voor de aangetroffen gereedschappen: van het openbaar ministerie kan bij gebrek aan een degelijke administratie niet worden verwacht dat geïndividualiseerd wordt welke gereedschappen gebruikt zijn voor het (de)monteren van (gestolen) auto’s en welke niet.

(…)

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verschillende goederen in beginsel vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu er aanwijzingen zijn dat de voorwerpen aan klager toebehoren en:

- ten aanzien van de voertuigen en voertuigonderdelen: het voorwerpen betreft met betrekking tot welke een strafbaar feit is gepleegd, te weten – kort gezegd – witwassen c.q. heling (artikel 420bis cq 416 van het Wetboek van Strafrecht);

- ten aanzien van de gereedschappen: het voorwerpen betreft met behulp van welke een strafbaar feit is begaan of voorbereid;

(…)

De rechtbank acht het niet hoogst onwaarschijnlijk, dat de strafrechter, later oordelend, de goederen verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

(…)

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat het wat betreft dit onderdeel van het beklag gaat om op de voet van art. 94 Sv onder [betrokkene 1] in beslag genomen goederen.

Voor de beoordeling van de deelklachten is het volgende van belang. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv. Indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en een derde op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

De in cassatie opgeworpen klachten richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank over de vraag of de klager (een derde) redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de goederen moet worden beschouwd. Die vraag komt blijkens het onder 6.6 genoemde beoordelingskader echter pas aan de orde wanneer de vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet ontkennend is beantwoord. In het onderhavige geval is de rechtbank echter tot een bevestigende beantwoording van die vraag gekomen. Volgens de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de goederen zal bevelen.

Verbeurdverklaring van voorwerpen met betrekking tot welke een strafbaar feit is gepleegd of voorwerpen met behulp van welke een strafbaar feit is begaan of voorbereid is in beginsel slechts mogelijk als deze voorwerpen aan de veroordeelde toebehoren. Het tweede lid van art. 33a Sr maakt verbeurdverklaring van dergelijke voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren in twee gevallen mogelijk, namelijk als degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden of niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. Kortom: bij verbeurdverklaring moet uitdrukkelijk worden vastgesteld of het voorwerp toebehoort aan de veroordeelde of aan een ander. Dat verklaart waarom de rechtbank bij haar beoordeling of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de goederen verbeurd zal verklaren ingaat op de vraag aan wie de voorwerpen toebehoren.

De rechtbank overweegt dat uit de beslissing op het klaagschrift van [betrokkene 1] van 3 december 2019 en uit de dossierstukken aanwijzingen naar voren komen dat de gewraakte goederen [betrokkene 1] in eigendom toebehoren. Kennelijk heeft de rechtbank bij de aanwijzingen uit het dossier het oog op de verklaring die de klager in zijn verhoor op 23 april 2019 heeft afgelegd - waaraan ook door de officier van justitie in raadkamer wordt gerefereerd (dossierpagina 661) - welke verklaring inhoudt dat de politie is geweest in een gezamenlijk gedeelte waarin meerdere huurders zitten en de huishoudelijke- en witgoedartikelen van hem zijn. De klager heeft toen dus verklaard dat alleen de huishoudelijke- en witgoedartikelen in de gezamenlijke ruimte van hem zijn. Uit de beslissing van 3 december 2019 volgt voorts dat de gewraakte gereedschappen in de loods van [betrokkene 1] in beslag zijn genomen.

Het oordeel van de rechtbank dat de (enkele) stelling van de klager dat een deel van de goederen (steekwagen, pompwagens, autobanden) is weggenomen uit een ruimte van het pand die niet door [betrokkene 1] werd gehuurd (magazijn), onvoldoende is om op dit moment aan te nemen dat de goederen aan de klager in eigendom toebehoren, is gelet op de onder 6.9 weergegeven vaststellingen niet onbegrijpelijk. Dat aan het klaagschrift een schrijven van [betrokkene 1] is gehecht, inhoudende dat de steekwagen, de pompwagens en de autobanden uit het magazijn van klager zijn weggenomen en de omstandigheid dat de klager bij de politie zou hebben verklaard dat de in het aan [betrokkene 1] verhuurde gedeelte aanwezige vierpoots-hefbrug (aard- en nagelvast) van hem is, maken het voorgaande niet anders. Daarbij komt nog dat voorwerpen in de zin van art. 33a, eerste lid, onder b en c Sr die niet aan de veroordeelde toebehoren, ingevolge art. 33a, tweede lid onder b, Sr ook verbeurd kunnen worden verklaard indien niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren. Daar lijkt de rechtbank (mede) op te koersen waar het de gereedschappen betreft.

Het middel faalt.

7. Het vierde middel

Het middel komt op tegen de beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag ten aanzien van de Volkswagen Golf.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, anders dan de rechtbank overweegt, de auto niet onder [betrokkene 1] in beslag is genomen, nu de auto op de openbare weg stond geparkeerd. Verder zou de overweging dat de klager niets heeft aangedragen wat het vermeende houderschap van [betrokkene 1] zou weerspreken onbegrijpelijk zijn, omdat de klager kentekenhouder is van de auto en door de rechtbank slechts gesteld wordt dat [betrokkene 1] houder is van de auto. De kentekenhouder is volgens de steller van het middel, ondanks houderschap van een ander op die auto, degene die redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden beschouwd. De rechtbank zou daarom uit zijn gegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het zijn van “rechthebbende” op een goed. Ook zou uit het oordeel van de rechtbank niet blijken of daarbij de door de klager bij de politie afgelegde verklaring dat hij de eigenaar is en de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring zoals gehecht aan het klaagschrift zijn betrokken, terwijl de verklaring van de klager door de rechtbank kennelijk van belang wordt geacht voor het oordeel of klager als rechthebbende op enig goed kan worden aangemerkt. Ten slotte wordt ook hier nog geklaagd dat uit de motivering van de rechtbank niet duidelijk blijkt welke feiten en omstandigheden tot welk oordeel hebben geleid.

Voor zover wordt geklaagd dat de auto niet onder [betrokkene 1] in beslag is genomen, merk ik op dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een kennisgeving van inbeslagneming bevindt inhoudende dat de Volkswagen Golf in beslag is genomen tijdens een doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] , waarbij de autosleutel werd aangetroffen op de tafel in de woonkamer. Deze kennisgeving vermeldt [betrokkene 1] als beslagene. De vaststelling van de rechtbank dat de Volkswagen Golf onder [betrokkene 1] in beslag is genomen vindt derhalve voldoende steun in genoemde kennisgeving.

Ik merk op dat de rechtbank ten aanzien van het “overige beklag” - waaronder de VW Golf met kenteken [kenteken] valt - heeft overwogen dat de toetsingsmaatstaf behorende bij een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag van toepassing is. Daarmee strookt niet dat de rechtbank overweegt dat “niet buiten redelijke twijfel” staat dat de VW Golf in feite aan klager toebehoort, nu dit de toetsingsmaatstaf betreft die geldt voor een op grond van art. 94a Sv gelegd beslag. Uit de bestreden beschikking leid ik af dat het hier om een kennelijke misslag gaat en de rechtbank zal hebben bedoeld dat de klager “niet redelijkerwijs als rechthebbende” op de VW Golf kan worden aangemerkt. Daarbij wijs ik er voorts op dat de rechter de mogelijke onttrekking aan het verkeer lijkt te gronden op art. 36d Sr, nu voor de daar genoemde onttrekking immers als vereiste geldt dat de voorwerpen aan de dader of de verdachte (in het onderhavige geval [betrokkene 1] ) toebehoren. Dat de rechtbank de omstandigheid dat [betrokkene 1] in 2019 feitelijk gebruik maakte van de Golf en de auto is opgebouwd uit gestolen onderdelen (het feit waarvan [betrokkene 1] wordt verdacht) bij de beoordeling van de vraag of de klaagster als rechthebbende kan worden aangemerkt zwaarder heeft laten wegen dan het enkel op naam van de klager staan van de VW Golf, acht ik evenmin onbegrijpelijk. Dat aan het klaagschrift een schrijven van [betrokkene 1] is gehecht, inhoudende dat hij de VW Golf destijds van de klager heeft geleend en de omstandigheid dat de klager bij de politie zou hebben verklaard dat de VW Golf van hem is, maken het voorgaande niet anders.

Het oordeel van de rechtbank dat de auto zich leent voor onttrekking aan het verkeer wordt in cassatie verder niet bestreden.

Het middel faalt.

8. Het eerste, derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep voor zover gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag ten aanzien van de 11 USB-sticks, de 15 SD-kaarten, de laptops, de camerarecorders, de GSM Samsung, de iPhones en het buitenlandse geld en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?