2
op 2 mei 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 2 mei 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in de richting van de door [slachtoffer 4] bestuurde auto heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
58. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen met betrekking tot voorbedachte raad:
“Voorbedachte raad feit 1, 2 en 3
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
Uit de hiervoor door het hof vermelde feiten en omstandigheden, in het bijzonder ook de weergegeven tijdlijn, leidt het hof het volgende af:
[betrokkene 2] zag de gestolen Vito op 2 mei 2018 rijden en belde meteen, om 22:52 uur, de verdachte (en daarna [betrokkene 1] , nummer 2), met als doel de bus terug te pakken.
De verdachte bevond zich op dat moment op (enige) afstand van de plek waar de Vito reed, getuige het feit dat [betrokkene 2] hem een aantal keren belde (om 22:56 uur en 23:01 uur) om de locatie van de Vito door te geven en de verdachte aldus naar de juiste locatie te geleiden; op laatstgenoemd tijdstip straalde het nummer [telefoonnummer 1] van de verdachte een zendmast van de latere plaats delict aan, zodat ervan mag worden uitgegaan dat de verdachte zich op dat moment in de nabijheid van de plaats delict bevond;
Om 23:06 uur werd een 112-melding gedaan omtrent de schietpartij, waarin de melder aangaf dat zij een man had zien wegrennen; het hof neemt op grond hiervan aan dat de schietpartij kort daarvoor heeft plaatsgevonden.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte in een tijdsbestek van ongeveer 10 minuten, gerekend vanaf het eerste telefoontje van [betrokkene 2] aan de verdachte om 22:52 uur met het verzoek ter plaatse te komen tot aan de 112-melding om 23:06 uur en onder aftrek van enkele minuten die met het uit de auto stappen, schieten en wegrennen gemoeid zullen zijn geweest, naar de plaats delict is gereden. De verdachte was daarbij bewapend: hij had een vuurwapen en munitie bij zich en heeft vrijwel onmiddellijk na aankomst ter plaatse op de Toyota Aygo geschoten, zonder enige verdere aanleiding, omdat hij kennelijk dacht dat de zich daarin bevindende [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een connectie hadden met de Vito. Het hof is van oordeel dat deze handelwijze, bij gebrek aan enige verklaring van de verdachte daaromtrent, geen andere conclusie laat dan dat de verdachte voornemens was de Vito met niets en niemand ontziend vuurwapengeweld terug te pakken. Zijn handelwijze na de beschieting van de Aygo, waarbij hij de hoek om is gelopen, naar de Renault is gelopen en de zich daarin bevindende [slachtoffer 2] heeft beschoten, eerst in een been en daarna in de borst, gevolgd door het dodelijke schot op [slachtoffer 1] in de Vito, is daarmee in lijn. Het betreft naar de uiterlijke verschijningsvorm een gerichte, doelmatige actie, waarbij de in de ogen van de verdachte bij de diefstal betrokken personen kennelijk uit de weg moesten worden geruimd, teneinde de Vito te bemachtigen. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat in de Vito verdovende middelen aanwezig waren, dat de verdachte belang had bij het terugpakken daarvan, of bij het verhullen van het feit dat in de Vito een (voor het vervoer van verdovende middelen geschikte) verborgen ruimte was aangebracht, en dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat de handel in verdovende middelen veelal gepaard gaat met (zeer) ernstige vormen van geweldscriminaliteit. Het hof betrekt hierbij ook dat de Vito al enkele dagen tevoren was ontvreemd; [betrokkene 2] gaf in dit verband aan te zijn geript en dat in dat kader al op 28 april 2018 overleg heeft plaatsgevonden tussen onder meer [betrokkene 2] en de verdachte. Dit gegeven, in combinatie met het feit dat volgens de verklaring van [betrokkene 2] het logisch was de verdachte te bellen met als doel de Vito terug te pakken, duidt er naar het oordeel van het hof op dat deze actie voor de verdachte ook niet als een verrassing kwam of in een opwelling is geschied.
Het hof is van oordeel dat, gelet op dit samenstel van omstandigheden, de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte is kennelijk doelgericht op pad gegaan om de Vito met vuurwapengeweld terug te pakken en heeft tijdens de rit van 10 minuten naar de plaats delict ruim gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte heeft meteen bij aankomst ter plaatse zonder enige verdere aanleiding geschoten op de Aygo, is gericht naar de Renault van [slachtoffer 2] gelopen en vervolgens de Vito waarin [slachtoffer 1] zich bevond en heeft beiden na elkaar gericht (in de borst) beschoten. Deze omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm te kwalificeren als poging tot moord en moord. Het hof leidt uit deze omstandigheden af dat sprake is geweest van planmatig optreden.
Dat in het onderhavige geval zou zijn gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of sprake is van enige andere contra-indicatie is niet gesteld en ook anderszins niet aannemelijk geworden.”
59. De vaste jurisprudentie over de betekenis en de bewijsvoering van het bestanddeel voorbedachte raad is door het hof op juiste wijze weergegeven in de eerste twee alinea’s in het hierboven weergegeven citaat. In zoverre is het hof dus uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
60. Het middel (en de toelichting daarop) bevat verschillende klachten, die door de stellers van het middel zijn verpakt in zeer veel herhalingen van vaststellingen van het hof en algemene vooropstellingen. Deze ontnemen het zicht aan de klachten, die daardoor niet scherp te identificeren en/of onderscheiden vallen. Als ik het goed zie, gaat het de stellers van het middel om het volgende (nummering mijnerzijds): (i) de vaststelling van het hof dat de verdachte na aankomst op de plek van de schietincidenten “vrijwel onmiddellijk” is gaan schieten, valt niet te rijmen met het oordeel dat hij heeft gehandeld met voorbedachte raad; (ii) het gegeven dat een en ander zich heeft afgespeeld in een tijdsbestek van 10 minuten na het eerste telefoontje van [betrokkene 2] is als zodanig een (te) kort tijdsbestek voor het vellen van dit oordeel; (iii) de vaststelling van het hof dat de verdachte van plan was de Vito “met niets en niemand ontziend vuurwapengeweld terug te pakken” volgt niet uit de bewijsmiddelen en is niet zonder meer begrijpelijk, nu het enkele voorhanden hebben van een vuurwapen niet zonder meer inhoudt dat dat wapen ook daadwerkelijk zal worden gebruikt. Ten slotte lijken de stellers van het middel nog afzonderlijke aandacht te vragen voor (iv) de voorbedachte raad ten aanzien van de pogingen tot moord op [slachtoffer 2] (feit 2) alsmede [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (feit 3). Dit betreffen personen die niet in de Vito zaten maar in onderscheidenlijk de ter plaatse ook aanwezige Renault en Toyota Aygo.
61. Met betrekking tot de hierboven als (i) en (ii) aangeduide klachten, merk ik het volgende op. Het hof heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat op 28 april 2018 overleg heeft plaatsgevonden tussen onder meer [betrokkene 2] en de verdachte naar aanleiding van de ‘rip’ van de Mercedes Vito. Dit gegeven, in combinatie met het feit dat het volgens de verklaring van [betrokkene 2] “heel logisch” was om de verdachte te bellen nadat hij de Vito had gelokaliseerd, duidt er volgens het hof op dat de actie voor de verdachte niet als een verrassing kwam of in een opwelling is geschied. In deze overwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat het plan al op 28 april 2018, of in elk geval ruim voor het uiteindelijke schietincident, bestond. Het hiervoor door mij als onderdeel (ii) genummerde onderdeel van het middel faalt daarom. Hiermee samenhangend, zie ik ook niet in waarom de vaststelling van het hof dat de verdachte na aankomst op de plek van de schietincidenten “vrijwel onmiddellijk” is gaan schieten, niet zou samengaan met het oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Juist wanneer men vooraf een plan heeft beraamd, is het zeer goed denkbaar dat op het moment dat de kans zich voordoet, onmiddellijk tot actie wordt overgegaan. De door mij als (i) aangeduide deelklacht faalt daarmee eveneens.
62. Dan de klacht over vaststelling van het hof dat de verdachte van plan was “de Vito met niets en niemand ontziend vuurwapengeweld terug te pakken”. Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat er vooraf een plan was gemaakt om de Vito terug te pakken, dat de verdachte ter uitvoering van dit plan naar de plaats delict is gegaan met een vuurwapen en munitie en dat hij vrijwel onmiddellijk na aankomst ter plaatse, zonder enige verdere aanleiding, is gaan schieten. Dat het hof op basis van deze vaststellingen en bij gebrek aan enige verklaring van de verdachte daaromtrent, de conclusie heeft getrokken dat het plan van de verdachte mede het gebruik van vuurwapengeweld omvatte, acht ik niet onbegrijpelijk. Deelklacht (iii) treft dan ook geen doel.
63. Met de begrijpelijkheid van de vaststelling van het hof dat het plan inhield “de Vito met niets en niemand ontziend vuurwapengeweld [mijn cursivering, D.P.] terug te pakken”, is het lot van de laatste deelklacht (iv), waarin het oordeel over voorbedachte raad ten aanzien van feit 2 en 3 aan de kaak wordt gesteld, eveneens bezegeld. Het hof heeft met deze vaststelling namelijk tot uitdrukking gebracht dat het voornemen van de verdachte mede de bereidheid omvatte om niets en niemand te ontzien in het gebruik van vuurwapengeweld, met andere woorden: indien nodig met een vuurwapen te schieten op een ieder die in de weg staat aan het terugnemen van de Vito. Dit impliceert minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van die personen. Nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte dit plan enkele dagen eerder gemaakt had, is de begrijpelijkheid van het oordeel dat ook ten aanzien van feit 2 en 3 sprake is van voorbedachte raad wat mij betreft gegeven.
64. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het zesde middel
65. Het zesde middel gaat over samenloop en valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op het kennelijke oordeel van het hof dat de feiten 1, 2, 3 en 4 meerdaadse samenloop opleveren en klaarblijkelijk geen eendaadse samenloop. De tweede deelklacht ziet op de kwalificatiebeslissing van feit 3. De derde deelklacht richt zich tegen het kennelijke oordeel van het hof dat de feiten 6 en 7 meerdaadse samenloop opleveren en klaarblijkelijk geen eendaadse samenloop, althans voortgezette handeling.
66. Voordat ik de deelklachten bespreek, herhaal ik eerst de bewezenverklaring, alsmede de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop het hof de straf heeft gegrond en sta ik stil bij het toepasselijke juridisch kader voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling. Voor de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten verwijs ik naar randnummer 1 van deze conclusie.
67. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 2 mei 2018 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen te schieten op [slachtoffer 1] ;
2.
hij op 2 mei 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 2 mei 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in de richting van de door [slachtoffer 4] bestuurde auto heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op 2 mei 2018 te Amsterdam een vuurwapen van categorie II en/of III, te weten een onbekend gebleven vuurwapen, en munitie van categorie III, te weten vier patronen, kaliber 9mm, S&B, type volmantel, voorhanden heeft gehad;
5.
hij op 21 mei 2019 te Lelystad een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Amadeo Rossi, type 88, kaliber.38 special en munitie van categorie III te weten vijf, kaliber.38 special, S&B, model loden projectiel, voorhanden heeft gehad;
6.
hij in de periode van 16 april 2018 tot en met 28 april 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk 1090 gram cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad;
7.
hij op tijdstippen in de periode van 16 april 2018 tot en met 21 mei 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en vervoeren van een onbekend gebleven grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en te bevorderen telkens voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en diens mededaders wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van die delicten, immers heeft verdachte met zijn mededaders in de pleegperiode en op de pleegplaats contacten onderhouden met personen in Nederland inzake vervoer van harddrugs en grondstoffen en apparatuur voor het terugwinproces van harddrugs (cocaïne) uit die grondstoffen en de productie van harddrugs, voorhanden gehad, waaronder twee containers aan de Nikkelstraat te Lelystad, inhoudende:
(Container 1)
- twee zakken met elk ongeveer 20 kilo Norit Activated Carbon en
- een vacuümmachine en
- een etiketteermachine en
- een zak met ongeveer 10,82 kilo levamisol en
(Container 2)
- een steekwagen en
- een opengesneden 5 literjerrycan en
- vier 200 liter dopvaten, gevuld met ethylacetaat en/of met daarin een lage concentratie aan cocaïne en
- een 220 liter schroefdekselvat met een restant vloeistof met onder andere een lage concentratie aan cocaïne en
- achtenzeventig 20 literjerrycans en
- een houten zeef en droogrek en
- een 300 liter container met daarin onder meer een 120 liter emmer en drie 75 liter emmers en een metalen plaat met een slang en een luchtslang en
- drie 300 liter containers met daarin onder meer één grote witte emmer van 120 liter en een plastic tas met daarin zes lampen van 250 Watt en een tas met daarin glaswerk (waaronder maatcilinders, tape en een weegschaal) en een tas met daarin een rol krimpfolie en acht emmers en
- een magnetron en een zak met opschrift “Soda Polska 20 kg” en een 20 liter jerrycan en
- twee 300 liter containers met daarin onder andere drie deksels en vuile lakens en een bak met een blauwe opengesneden 20 literjerrycan en stokken en een stampertje en
- twee koolstoffilters en
- een 200 liter klemdekselvat en
- een 200 liter vat met daarin onder meer emmers en een maatbeker en een trechter en
- een 200 liter vat met daarin onder meer drie drukhouders van gasflessen en maatbekers en een zeefbakje en een 20 literjerrycan met filterdoek en een slang en
- 200 liter vaten en
- 200 liter dopvaten en
- twee aan elkaar gemaakte vaten met drie cirkelvormige openingen daarin gemaakt en aan beide uiteinden een verwarmingsspiraal en
- een RVS ketel en
- een droogkast en
- een isolatiekast met onder meer afzuigslangen en magnetrons en
- een afzuigkast en
- vijf 500 liter speciekuipen met daarin onder meer een 220 liter klemdekselvat en een ventilator, sealzakken en zeef en zeventien zakken zilver fijn soda en
- persmallen met daarin de indruk SPA en
- vaten en zakken met verschillende stoffen waaronder: ethylacetaat en kaliumpermanganaat en methanol en zoutzuur en
- stoffen bevattende een concentratie aan cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en
- een auto (Mercedes Vito) voorzien van een verborgen ruimte
waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten.
8.
hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 21 mei 2019 in Nederland een Volkswagen Golf (ter waarde van 7200 euro) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
68. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “toepasselijke wettelijke voorschriften" wel art. 57 Sr vermeld (meerdaadse samenloop), maar niet art. art. 55 lid 1 Sr (eendaadse samenloop) of art. 56 Sr (voortgezette handeling).
69. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen relevant:
- art. 55 Sr (eendaadse samenloop), dat luidt:
“1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”
- art. 56 Sr (voorgezette handeling), dat luidt:
“1. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
2. Insgelijks wordt slechts één strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valsheid of muntschennis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsheid of muntschennis gepleegd is.”
- art. 57 Sr (meerdaadse samenloop), dat luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
70. Verder moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad op 20 juni 2017 een vijf overzichtsarresten heeft gewezen over de regelingen van art. 55 en 56 Sr. Uit deze arresten volgt dat het leerstuk van samenloop beoogt onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten te voorkomen. Voor de eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het ene feit gaat dan als het ware op in het andere. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. In dat geval is sprake van een sterke feitelijke en chronologische samenhang. Zowel bij eendaadse samenloop als bij toepassing van de regeling van de voortgezette handeling wordt slechts één strafbepaling toegepast – en wel die met het zwaarste strafmaximum.
71. Uit deze jurisprudentie kan verder worden afgeleid dat het toepassingsbereik van art. 55 en 56 Sr wat ruimer moet worden opgevat dan door feitenrechters werd aangenomen op basis van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. In het bijzonder geldt voortaan dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de toepasselijke strafbepalingen (bijvoorbeeld bij poging doodslag (287 Sr) en zware mishandeling (302 Sr)) niet (meer) in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.
72. Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop heeft de Hoge Raad in voormelde jurisprudentie bevestigd dat het in beginsel aan de feitenrechter is om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting.
De eerste deelklacht
73. De eerste deelklacht houdt in dat het kennelijke oordeel van het hof dat de feiten 1, 2, 3 en 4 meerdaadse samenloop opleveren en geen eendaadse samenloop, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat er met betrekking tot de moord en de pogingen tot moord en het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie sprake is van gedragingen die in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
74. In de onderhavige zaak is het hof ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 t/m 4 (kennelijk) niet uitgegaan van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr. In dit opzicht heeft het hof dezelfde lijn gevolgd als de rechtbank in eerste aanleg. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging met betrekking tot het (kennelijke) oordeel van de rechtbank geen verweer gevoerd.
75. Het oordeel van het hof geeft naar mijn oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, nu bij de feiten 1, 2 en 3 sprake is van uiteenlopende slachtoffers, terwijl daarnaast de strekking van de toepasselijke strafbepalingen bij (poging tot) moord enerzijds en handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie anderzijds meer dan enigszins uiteenloopt.
76. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
77. De tweede deelklacht houdt in dat de kwalificatiebeslissing van feit 3 (poging tot moord, meermalen gepleegd) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ik vat deze klacht zo op dat hiermee geklaagd wordt dat het hof aan de kwalificatie van feit 3 ten onrechte “meermalen gepleegd” heeft toegevoegd. Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat er met het schieten in de richting van een auto waarin zich twee personen bevinden, sprake is van gedragingen die in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt moet worden gemaakt.
78. Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat het uitgangspunt bij gevolgdelicten is dat elk gevolg – ook indien de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien – een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van voortgezette handeling geen sprake is.
79. In de onderhavige zaak heeft de verdachte geschoten op een auto waarin zich twee verschillende personen bevonden. Nu uit dit feit twee gevolgen voortvloeien (poging tot moord op [slachtoffer 4] en poging tot moord op [slachtoffer 3] ) die een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving opleveren, getuigt het oordeel van het hof dat in zoverre sprake is van meerdaadse samenloop, niet van een onjuiste rechtsopvatting.
80. De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
81. Met de derde deelklacht worden de pijlen gericht op feit 6 en 7. Volgens de stellers van het middel geeft het kennelijke oordeel van het hof dat deze feiten meerdaadse samenloop opleveren, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk.
82. De bewezenverklaring van feit 6 betreft – kort gezegd – het vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 16 april 2018 t/m 28 april 2018. De bewezenverklaring van feit 7 omvat samengevat het in de periode van 16 april 2018 t/m 21 mei 2019 voorhanden hebben van voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen, om een feit bedoeld in art. 10 lid 4 Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en vervoeren van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen.
83. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen van het bestreden arrest het volgende overwogen met betrekking tot feiten 6 en 7, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel:
“Feiten 6 en 7
Het hof bespreekt deze feiten gezamenlijk vanwege het onderlinge verband en de samenhang.
[…]
Uit al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt:
dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 16 tot en met 28 april 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen 1090 gram cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, zodat het hof het ten laste gelegde onder feit 6 wettig en overtuigend bewezen acht;
alsmede dat de verdachte op tijdstippen in de periode van 16 april 2018 tot en met 21 mei 2019 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet heeft verricht, zodat het hof ook het ten laste gelegde onder feit 7 wettig en overtuigend bewezen acht.
Het hof merkt hierbij op dat deze bewezen verklaarde periode aanvangt bij de aanvangsdatum van het bewezen verklaarde onder feit 6, nu dat feit het eveneens in het kader van de voorbereidingshandelingen ten laste gelegde vervoer van cocaïne in de Vito bus behelst.”
Uit deze overwegingen volgt volgens de stellers van het middel – als ik het goed begrijp – dat het vervoeren van cocaïne in de Vito (feit 6) eveneens is bewezenverklaard in het kader van de voorbereidingshandelingen (feit 7). Feit 6 zou in hun lezing betrekking hebben op een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex over een gezamenlijkheid van voorwerpen als een onderdeel van feit 7. Ik kan hen hierin niet volgen. De bewezenverklaring van feit 6 betreft het vervoeren en aanwezig hebben van 1090 gram cocaïne. In de bewezenverklaring van feit 7 keert weliswaar wel het voorhanden hebben van de Vito met verborgen ruimte terug (onder het laatste gedachtestreepje), maar niet de 1090 gram cocaïne (maar slechts “stoffen bevattende een concentratie aan cocaïne”). Het gaat dus in wezen om twee te onderscheiden delicten, die niet alleen deels naar tijd (gelet op het verschil in periode in de bewezenverklaring), maar ook naar aard (voorbereidingsproducten versus het “voltooide” product) verschillen. Dat het in abstracto denkbaar is dat de strekking van de bewezenverklaarde strafbepalingen (art. 2 onder B en C Opiumwet ten aanzien van feit 6 en art. 10a Opiumwet ten aanzien van feit 7), niet zodanig uiteenlopen dat niet zou kunnen worden geoordeeld dat de verdachte van die handelingen (in wezen) één verwijt wordt gemaakt, maakt dit niet anders nu hier gelet op de feiten van de onderhavige zaak geen sprake van is.
84. De derde deelklacht moet hierom falen.
85. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Slotsom
86. Alle middelen falen. In ieder geval de middelen 2, 3 en 4 en 6 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
87. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
88. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG