PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01914
Zitting 11 juli 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verzoeker
1. Inleiding
Bij beschikking van 24 maart 2022 heeft de penitentiaire kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 augustus 2021 vernietigd en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten aanzien van verzoeker met een termijn van twee jaren verlengd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verzoeker. H.C. Ingelse, advocaat te Maastricht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, sectie jeugdrechtbank in België van 8 juli 2019 is de verzoeker “residentieel toevertrouwd aan een beveiligde gesloten infrastructuur, waar hij een intensieve en langdurige psychiatrische behandeling krijgt, desgevallend in de aangezochte voorzieningen in Nederland.” Uit het certificaat van de procureur des konings Limburg van 14 augustus 2019 blijkt dat overdracht is aangevraagd naar de bevoegde instanties in Nederland. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 januari 2020 geoordeeld dat op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (verder: WETS) geen gronden zijn om de erkenning van de uitspraak van de rechtbank Tongeren te weigeren. Voorts heeft het hof geoordeeld dat het feit waarvoor de ten uitvoer gelegde vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd ook naar Nederlands recht strafbaar is en het strafbare feit “verkrachting” oplevert, dat er wettelijke gronden zijn tot wijziging van de opgelegde vrijheidsbenemende maatregel en dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbenemende maatregel dient te worden aangepast tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel). Middels een erkenningsbeslissing van de Minister voor Rechtsbescherming van 10 februari 2020 is conform het oordeel van het hof het Belgische strafvonnis erkend.
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft bij beschikking van 30 augustus 2021 de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met 2 jaren toegewezen. Bij beschikking van 24 maart 2022 heeft de penitentiaire kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden de voornoemde beslissing van de rechtbank Limburg vernietigd, omdat de door de rechtbank in het dictum genoemde einddatum van de PIJ-maatregel niet juist is. Het hof heeft de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van twee jaren verlengd en daarbij overwogen dat deze voorwaardelijk zal eindigen op 4 maart 2024 en onvoorwaardelijk zal eindigen op 4 maart 2025.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De eerste vraag die moet worden beantwoord betreft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Uitgangspunt is dat tegen een beslissing tot verlenging van een PIJ-maatregel als bedoeld in art. 6:6:31 Sv ingevolge art. 6:6:37 lid 2 onder a jo. art. 6:6:7 Sv beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden openstaat, maar geen cassatieberoep. In de cassatieschriftuur wordt in verband hiermee een beroep gedaan op de zogenaamde ‘doorbrekingsleer’. Volgens de steller van het middel zou de door het Belgisch gerecht opgelegde maatregel hoe dan ook zijn geëindigd op het moment dat de verzoeker op 31 augustus 2021 20 jaar werd. De verlenging van de maatregel door het hof Arnhem-Leeuwarden komt dus neer op een verzwaring van de sanctie, hetgeen in strijd is met art. 2:11 lid 6 WETS. Dientengevolge is de vrijheidsbeneming van de verzoeker in strijd met onder meer art. 5 EVRM, hetgeen een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigt.
De civiele kamer van de Hoge Raad heeft aanvaard dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken als de rechter (a) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte heeft toegepast, (b) het desbetreffende wetsartikel ten onrechte niet heeft toegepast, of (c) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Deze doorbrekingsleer heeft echter geen navolging gevonden bij de strafkamer van de Hoge Raad.
Het voorgaande brengt mee dat het cassatieberoep tegen de beslissing tot verlenging van de PIJ-maatregel van het hof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten overvloede merk ik nog op dat een gang naar de civiele rechter als restrechter wel openstaat voor de verzoeker.
4. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG