3. Het eerste middel
Dit middel klaagt dat art. 48 Sv niet is nageleefd, aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte, R. Dijkstra, toe te zenden.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2021 is daar de verdachte noch een raadsman of -vrouw verschenen. Een afschrift van de appeldagvaarding gericht aan de raadsvrouw R. Dijkstra heb ik niet aangetroffen.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich wel een uitdraai van een emailbericht van R. Dijkstra, van Van Rhijn Dijkstra advocaten, van 9 november 2020, gericht aan de rechtbank Midden-Nederland. De inhoud luidt:
“Edelachtbare heer/vrouwe
Bijgaand treft u het appelschriftuur in de zaken met bovengenoemd parketnummer, van mijn cliënt [verdachte], waar ik kortheidshalve naar verwijs.”
De in deze e-mail genoemde appelschriftuur is eveneens uitgedraaid en bevindt zich bij de stukken, met als stempel binnenkomst ter griffie van de rechtbank 10 november 2020. Deze appelschriftuur houdt in, voor zover hier van belang:
“Geeft eerbiedig te kennen: [verdachte], hierna te noemen appellant, geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], voor deze aangelegenheid domicilie kiezende te Doorn, Dorpsstraat 59 (3941 JL), op het kantoor van Rhijn&Dijkstra advocaten, wie optreedt mw. mr R. Dijkstra, die door hem bepaaldelijk zijn gemachtigd deze appelschriftuur te ondertekenen en in te dienen met recht van substitutie;”
De vraag is of deze e-mail, en de inhoud van de appelschriftuur, kan worden gezien of gelijk kan worden gesteld aan een kennisgeving dat de advocaat zich stelt als raadsman in hoger beroep – de zogenoemde stelbrief. Ik beantwoord die vraag ontkennend. Niet alleen kan worden getwijfeld of het voldoende is als de advocaat spreekt over “mijn cliënt”, de inhoud van de appelschriftuur lijkt het optreden ook te beperken tot het ondertekenen en in te dienen van de appelschriftuur. Er wordt niets gezegd over het stellen in hoger beroep. Maar doorslaggevend acht ik dat de e-mail en de appelschriftuur zijn gericht aan de rechtbank Midden-Nederland. Dat is wel de aangewezen instantie voor het indienen van de appelschriftuur (art. 410 Sv), maar niet de aanwezen instantie voor het zich stellen in hoger beroep. Een daartoe strekkende mededeling moet immers worden gericht aan de griffie van het hof waar de zaak zal dienen. In HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250 heeft de Hoge Raad namelijk aangegeven hoe het stellen als advocaat dient te geschieden, rov 2.5.4, laatste zin:
“Het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven - door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer - op welke zaak het optreden betrekking heeft.”
Voorts heeft de Hoge Raad in 2018 meer specifiek aangegeven dat het stellen ook via de elektronisch weg kan plaatsvinden, maar dan wel op de wijze als in dat arrest aangegeven:
“2.6. Naar aanleiding van de omstandigheid dat de raadsvrouwe zich (in 2015) per e-mail heeft gesteld roept de Hoge Raad in herinnering dat in HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250 is beslist dat onder de tegenwoordige, sedert 1 maart 2017 geldende regeling met betrekking tot het zich stellen als raadsman in een strafzaak alleen een raadsman die schriftelijk - bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven op welke zaak het optreden betrekking heeft - aan de griffie van het desbetreffende gerecht heeft kennisgegeven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, als raadsman moet worden erkend. Het doen van deze kennisgeving aan de griffie kan uitsluitend plaatsvinden met gebruikmaking van e-mail, indien het desbetreffende gerecht een e-mailadres heeft aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake het stellen als raadsman in strafzaken en het genoemde separaat schrijven wordt gevoegd als bijlage bij een aan dat adres gerichte e-mail (vgl. met betrekking tot het instellen van rechtsmiddelen HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119).”
Dat betekent dat in casu geen verplichting bestond om een afschrift van de dagvaarding te zenden aan een advocaat. Het indienen van een appelschriftuur kan niet gelijk worden gesteld aan het kenbaar maken dat een advocaat zich voor de behandeling in hoger beroep stelt en de verdachte zal bijstaan.
Dat het hof kennelijk (i) het arrest naar een raadsman heeft gezonden die zich al eerder heeft teruggetrokken, (ii) aan enkele verzoeken in de appelschriftuur over het toevoegen van stukken gehoor is gegeven en (iii) dat bij navraag bij de griffie van het hof door de raadsvrouw deze raadsvrouw op enig moment wel aan de zaak gekoppeld is geweest (schriftuur onder 11), kan aan de vaststelling dat de raadsvrouw zich niet kenbaar heeft gemaakt bij het hof niet afdoen.
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat niet is gereageerd op de getuigenverzoeken in de appelschriftuur.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het arrest houdt een reactie in op de getuigenverzoeken in de appelschriftuur.
De rechter is niet gehouden op een bij appelschriftuur gedaan verzoek tot oproeping van getuigen te beslissen. Alleen een herhaald, ter terechtzitting gedaan verzoek noopt tot een beslissing. Dat volgt uit art. 287, derde lid, onder a, Sv. Het betreft hier een verstekarrest, zodat er geen verzoeken ter terechtzitting zijn gedaan. Het arrest waar de steller van het middel naar verwijst (“HR 23 maart 2004, LJN AO3254”) betreft verzoeken die ter terechtzitting zijn gedaan.
Het tweede middel slaagt niet.
5. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Ik wijs erop dat de redelijke termijn in de cassatie wel dreigt te worden overschreden, en wel op 18 oktober 2023. In dat geval zal de Hoge Raad gelet op de opgelegde straf, kunnen constateren dat de redelijke termijn is overschreden, en met dat oordeel kunnen volstaan.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG