ECLI:NL:PHR:2023:731

ECLI:NL:PHR:2023:731, Parket bij de Hoge Raad, 05-09-2023, 22/04436

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04436
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:1467
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag. Beslag ex art. 94a Sv. Het kennelijke oordeel van de Rb dat sprake is van een tot het einde gekomen vervolgde zaak a.b.i. art. 552a, derde lid, Sv is onjuist, nu de bestreden beschikking niets inhoudt over of de vervolging van de beslagene tot een einde is gekomen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04436 B

Zitting 5 september 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

hierna: de klager

Het middel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift wegens overschrijding van de termijn van art. 552a, derde lid, Sv.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Feiten

Uit de stukken in het dossier blijkt dat op 8 december 2020 op grond van artikel 94 Sv, onder [betrokkene] (onderzoek: [naam] ) een Audi A3, kenteken [kenteken] , in beslag is genomen.

Voorts blijkt uit het dossier dat de rechter-commissaris op 6 januari 2021 een machtiging tot conservatoir beslag op voornoemd voertuig heeft afgegeven na vordering van de officier van justitie, d.d. 5 januari 2021, ter verhaal van een eventueel op te leggen geldboete tot (maximaal) € 87,000 en/of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 78.255,- wegens verdenking terzake artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (witwassen).

Tegen klager bestond de verdenking van medeplichtigheid aan witwassen c.q. schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020.

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 30 maart 2022 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd met als reden ‘onvoldoende bewijs'.

Procedure

Het klaagschrift is op 9 september 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 7 november 2022 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft mr. S. Mabrouk, namens mr. A. Kiliç voornoemd, en de officier van justitie op zitting gehoord.

Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Evenmin is de belanghebbende [betrokkene] , hoewel daartoe goed opgeroepen, in raadkamer verschenen.

Namens belanghebbende, [betrokkene] , heeft mr. M. Jonk - kort samengevat - per e-mail d.d. 2 november 2022 aangegeven dat de Audi met kenteken [kenteken] van de [klager] is en dat [klager] in de auto aanwezig was ten tijde van de beslaglegging. Nu de verdenking tegen de [klager] is geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs (code 02), impliceert dit dat het voertuig niet van misdrijf afkomstig is, waardoor het beslag op het voertuig dient te worden opgeheven. Om juridische redenen, gelegen in het bepaalde van art. 116 lid 1 Sv, geeft [betrokkene] voor de volledigheid aan geen afstand te doen van het voertuig.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp

De raadsvrouw is in de gelegenheid gesteld het klaagschrift nader toe te lichten. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank het klaagschrift ontvankelijk te verklaren, nu door uitblijven van een reactie van het Openbaar Ministerie op alle verstuurde e-mailberichten door de verdediging, onderhavig klaagschrift zo laat is ingediend. Tot op heden heeft de verdediging geen reactie gehad. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank voorts het klaagschrift gegrond te verklaren. Klager heeft tijdens zijn verhoor, d.d. 13 april 2021, uitvoerig verklaard over de aanschaf van de auto. Nu de strafzaak tegen klager is geseponeerd, ontbreekt het strafvorderlijk belang tot handhaving van het beslag.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank primair het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren nu de inbeslagname van 20 december 2020 dateert en het klaagschrift pas in september 2022, en derhalve buiten de termijn is ingediend. Subsidiar verzoekt de officier van justitie het klaagschrift ongegrond te verklaren.

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat de de zaak tegen de medeverdachte, [betrokkene] , niet geseponeerd is. [betrokkene] wordt meerdere malen in de auto aangetroffen en betaalt ook de boetes. Daarnaast heeft de garage-eigenaar verklaard dat [betrokkene] de auto contant heeft afgerekend, maar dat de auto op naam van klager gezet moest worden. Dit suggereert een katvangerconstructie. Het Openbaar Ministerie gaat er van uit dat de auto aan [betrokkene] toebehoort en [betrokkene] is ook de beslagene.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.

De rechtbank stelt voorts vast dat de strafzaak tegen klager op 30 maart 2022 tot een einde is gekomen door de betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Het op 9 september 2022 ingediende beklag is dus buiten de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend.

De raadsvrouw stelt dat door toedoen van het Openbaar Ministerie de termijn is overschreden, maar het had op de weg van de verdediging gelegen om een klaagschrift in te dienen ondanks uitblijven van reactie van het Openbaar Ministerie.

De klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag.

Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk.”

In de toelichting op het middel wordt, onder verwijzing naar onder meer de beschikking van de Hoge Raad van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8949, aangevoerd dat tegen de belanghebbende, de [betrokkene] , wel vervolging is ingesteld en deze vervolging nog niet ten einde is gekomen. Volgens de steller van het middel is er daarom nog sprake van een vervolgde zaak, waardoor de termijn als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv nog niet is aangevangen. Het klaagschrift zou dan ook tijdig zijn ingediend.

Art. 552a, derde lid, Sv luidt:

“Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens of het bevel, bedoeld in de artikelen 125k en 125p, ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”

De rechtbank heeft vastgesteld dat de strafzaak tegen de klager op 30 maart 2022 tot een einde is gekomen door betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Nu het klaagschrift eerst op 9 september 2022 is ingediend, is volgens de rechtbank sprake van een buiten de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend klaagschrift. Volgens de rechtbank is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, nu het op de weg van de verdediging had gelegen om - ondanks het uitblijven van een reactie van het Openbaar Ministerie - het klaagschrift tijdig in te dienen, hetgeen meebrengt dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.

De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat sprake is van een tot het einde gekomen vervolgde zaak als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv. De vraag is of dit juist is.

Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8949 heeft overwogen dat indien het beslag is gelegd in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, aan de vervolgde zaak pas een einde is gekomen, indien de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is daarom gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde strafvervolgingen dan wel ingediende ontnemingsvorderingen tot een einde zijn gekomen. In de beschikking van 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135 heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de in genoemde beschikking gegeven uitleg aan art. 552a, derde lid, Sv is toegesneden op en beperkt tot het geval waarin een voorwerp op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen. Ingeval een voorwerp op de voet van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is echter voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd tot een einde is gekomen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat wanneer de termijn voor het doen van beklag op grond van art. 552a Sv is verlopen, tegen het treffen van verhaalsmaatregelen ter zake van een voorwerp dat op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, bij de burgerlijke rechter kan worden opgekomen (vgl. art. 574, eerste en derde lid, Sv en art. 438 Rv).

De rechtbank heeft op basis van de dossierstukken vastgesteld dat de betreffende Audi A3 op 8 december 2020 op grond van art. 94 Sv onder [betrokkene] (onderzoek: [naam] ) in beslag is genomen. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de rechter-commissaris op 6 januari 2021 een machtiging tot conservatoir beslag op genoemd voertuig heeft afgegeven ter verhaal van een eventueel op te leggen geldboete tot (maximaal) € 87.000,- en/of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 78.255,- wegens verdenking terzake artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (witwassen). Verder is vastgesteld dat tegen de klager de verdenking van medeplichtigheid aan witwassen c.q. schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 bestond en dat de strafzaak tegen de klager op 30 maart 2022 is geëindigd door een brief van de officier van justitie inhoudende dat de strafzaak is geseponeerd wegens “onvoldoende bewijs”. Uit het door de officier van justitie ingenomen standpunt volgt dat de zaak tegen voornoemde [betrokkene] niet geseponeerd is.

Gelet op de onder 3.8 weergegeven vaststellingen over de grondslag van de inbeslagneming en het onder 3.7 weergegeven beoordelingskader, heeft de rechtbank miskend dat in het onderhavige geval voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv, beoordeeld had moeten worden of de vervolging van [betrokkene] - de beslagene - tot een einde is gekomen. Nu de bestreden beschikking daarover niets inhoudt, is het middel terecht voorgesteld.

Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, teneinde de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?