Nummer22/00908
Zitting 10 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het middel
3. Het middel klaagt onder meer over het (impliciete) oordeel van het hof dat de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing (2021R005) van het College van procureurs-generaal (hierna: Richtlijn 2021) in de voorliggende zaak van toepassing is en over het daarop gebaseerde oordeel dat het openbaar ministerie in strijd daarmee tot vervolging is overgegaan wegens overtreding van art. 2.10 Wet dieren.
4. Met het oog op de bespreking van het middel geef ik hieronder eerst de tenlastelegging en de beslissing van het hof weer.
5. Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 november 2018, te Den Haag, Nederland, een dier, behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën, te weten: een hond, heeft gedood”.
6. Het hof heeft over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende overwogen:
“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat de Wet Dieren (hierna: ‘WD’) ziet op het doden van een eigen dier en artikel 350 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’) het doden van een dier van een ander, althans dat dit onderscheid wordt gemaakt in de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing 2015R017 en 2021R005 van het College van procureurs-generaal (laatstgenoemde Richtlijn hierna: ‘de Richtlijn’). De rechtbank had het Openbaar Ministerie derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaring. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit in hoger beroep alsnog dient te gebeuren.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De Richtlijn bepaalt met zoveel woorden dat bij het doden van een gehouden dier artikel 2.10 WD van toepassing is. Bij het doden van een dier van een ander is artikel 350 lid 2 Sr van toepassing. Nu de verdachte wordt verweten de hond van zijn buurman gedood te hebben, is het hof, zoals bepleit door de raadsman, van oordeel dat niet artikel 2.10 WD tenlastegelegd had moeten worden maar artikel 350 lid 2 Sr.
Het hof stelt vast dat van de zijde van het Openbaar Ministerie iedere motivering is uitgebleven dat sprake is bijzondere omstandigheden die meebrengen, althans rechtvaardigen dat van het bepaalde in de Richtlijn zou moeten worden afgeweken. Van het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden is het hof ook overigens niets gebleken.
Gelet op het voorgaande zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.”
7. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 350 lid 2 Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.”
- Art. 2.10 lid 1 Wet dieren:
“Het is verboden om dieren behorend tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën te doden, behoudens in gevallen waarin een dier wordt gedood voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten of in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.”
- Art. 8.12 lid 1 Wet dieren:
“Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.10 eerste lid, […] worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”
- Art. 1.9 Besluit houders van dieren:
“Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet [Wet dieren, D.P.] worden aangewezen ganzen, honden en katten.”
8. Verder is voor de beoordeling van het middel van belang de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing.
- Deze Richtlijn hield van 1 maart 2015 tot en met 30 november 2021 – voor zover hier van belang – in:
“Beschrijving
Deze richtlijn heeft betrekking op het zonder aanleiding mishandelen of verwaarlozen van dieren door particulieren (art 2.1 lid 1 WD, dus niet op het (structureel) niet nakomen van dierenwelzijnsregels door bedrijven. […]
Ook het beschadigen, onbruikbaar maken, wegmaken of doden van een dier, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort (art. 350, lid 2 Sr) valt onder deze richtlijn. […]
Basiscasus/delict
Dierenmishandeling of verwaarlozing, alleen gepleegd door een particulier of (particuliere) houder van dieren of het beschadigen/wegmaken of doden van andermans dier.
[…]”
- Deze Richtlijn houdt sinds 1 december 2021 – voor zover hier van belang – in:
“Beschrijving
[…]
Bij het doden van een gehouden dier is artikel 2.10 WD van toepassing. Bij het doden van een dier van een ander is artikel 350 lid 2 Sr van toepassing. Artikel 350 lid 1 Sr ziet op het beschadigen, onbruikbaar maken, wegmaken of doden van een dier, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort. Artikel 2.1 lid 1 Wet dieren is van toepassing bij zowel het doden van een gehouden als een niet-gehouden dier.
[…]
Art. 2.1* en artikel 2.10 WD en 350 lid 2 Sr dierenmishandeling en dierendoding
”
8. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het hof in de voorliggende zaak ten onrechte Richtlijn 2021 heeft toegepast, omdat de eerste zitting in eerste aanleg plaatsvond op 7 maart 2019 en de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 17 juni 2019, waaruit volgt dat de vervolgingsbeslissing in deze zaak is genomen vóór 1 december 2021. Volgens de steller van het middel betekent het voorgaande dat in deze zaak Richtlijn 2015 van toepassing is en niet Richtlijn 2021.
9. Bij de beoordeling van deze klacht stel ik het volgende voorop. De Richtlijn 2021 is – net als zijn voorganger uit 2015 – een aanwijzing in de zin van art. 130 lid 6 Wet op de rechterlijke organisatie. Op grond van deze bepaling kan het College van procureurs-generaal algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. Uit de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen, die sinds 1 april 2019 geldt, alsook uit de voorganger hiervan, de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen die per 1 april 2019 is vervallen, volgt dat richtlijnen deel uitmaken van deze aanwijzingen en dwingende, normatieve regels inzake de strafvordering bevatten. De richtlijnen worden gepubliceerd en hebben daarmee de status van ‘recht’ in de zin van art. 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Zij dienen ter ondersteuning bij de afdoening van strafzaken als tot strafvervolging is besloten. In de richtlijnen is per feit zichtbaar welke sanctie als landelijk uitgangspunt geldt voor soortgelijke zaken. Strafverzwarende of strafverminderende factoren in de specifieke strafzaak kunnen vervolgens maken dat daarvan bij de strafeis wordt afgeweken.
10. Volgens de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003), waarnaar in Richtlijn 2021 wordt verwezen als “relevante beleidsregels OM”, hanteert het openbaar ministerie als uitgangspunt dat nieuwe richtlijnen worden toegepast op strafbare feiten gepleegd vanaf de datum van inwerkingtreding van de richtlijn. Alleen wanneer een nieuwe richtlijn voor de verdachte gunstigere afdoeningsregels geeft, zal de richtlijn ook van toepassing zijn op feiten gepleegd voor de datum van inwerkingtreding.
11. In de onderhavige zaak wordt de verdachte ervan verdacht op 27 november 2018 in Den Haag een hond te hebben gedood. Uit het vonnis in eerste aanleg maak ik op dat de hond aan een ander toebehoorde en dat de verdachte de hond vermoedelijk met een smal steekvoorwerp (een schroevendraaier) heeft verwond, ten gevolge waarvan dit dier is overleden. De rechtbank heeft de verdachte wegens dit feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis in eerste aanleg gevorderd.
12. Gelet op hetgeen onder 11 is overwogen, dient het openbaar ministerie in de onderhavige zaak Richtlijn 2015 toe te passen, tenzij Richtlijn 2021 gunstigere afdoeningsregels geeft. Een vergelijking van hetgeen hierboven onder 8 is weergegeven, wijst uit dat dit niet het geval is.
13. Het hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging gebaseerd op zijn oordeel dat het openbaar ministerie in strijd met Richtlijn 2021 tot vervolging is overgegaan voor overtreding van art. 2.10 Wet Dieren. Het heeft geoordeeld dat de ‘Richtlijn’ – waarmee het hof uitdrukkelijk Richtlijn 2021 bedoelt – “met zoveel woorden [bepaalt] dat bij het doden van een gehouden dier artikel 2.10 WD van toepassing is” en dat “Bij het doden van een dier van een ander […] artikel 350 lid 2 Sr van toepassing [is]”.
14. Voor zover het middel klaagt dat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat Richtlijn 2021 in de onderhavige zaak van toepassing is, is het gelet op het voorgaande terecht voorgesteld. Reeds daarom slaagt ook de klacht over het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie in strijd met die richtlijn tot vervolging is overgegaan wegens overtreding van art. 2.10 Wet Dieren. Een en ander dient te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.
15. Ten behoeve van een nieuwe behandeling van de zaak merk ik ten overvloede nog het volgende op.
16. De schriftuur werpt de vraag op of het openbaar ministerie in deze zaak heeft vervolgd op basis van de juiste strafbepaling. Nu de verdachte wordt verweten de hond van een ander te hebben gedood, is de vraag of art. 2.10 Wet dieren van toepassing is in plaats van of naast art. 350 lid 2 Sr.
17. De reikwijdte van wettelijke bepalingen – en een eventuele lex-specialisverhouding tussen wettelijke bepalingen – kan niet worden afgeleid uit richtlijnen van het openbaar ministerie, ook niet als die richtlijnen kunnen worden aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Ook in dat geval zijn die richtlijnen immers van lagere rang in de normenhiërarchie dan de wet. De reikwijdte van rechtsnormen kan uitsluitend worden afgeleid uit normen van hogere of gelijke rang. Daarom moet in dit geval worden gekeken naar de tekst van de wet en de geschiedenis daarvan.
18. De wetstekst geeft niet aan dat slechts één van beide bepalingen kan worden toegepast. Ook in de wetsgeschiedenis van de Wet dieren is niets te vinden over de verhouding tussen art. 2.10 Wet dieren en art. 350 lid 2 Sr. Wel heeft de minister in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende vermeld over de reikwijdte van art. 2.10 Wet dieren:
“Het doden van dieren wordt in het wetsvoorstel geregeld in artikel 2.10. Artikel 2.10 heeft slechts betrekking op gehouden dieren, waardoor bijvoorbeeld de jacht op in het wild levende dieren niet onder de reikwijdte van deze bepaling valt, maar onder de Flora- en Faunawet.”
19. Art. 2.10 Wet dieren lijkt dus alleen van toepassing bij het doden van een ‘gehouden dier’. Gelet op art. 1.9 Besluit houders van dieren gaat het daarbij om ganzen, honden en katten. Daarbij staat nergens dat deze dieren ook ‘gehouden’ moeten worden door diegene die ze doodt. Bij het doden van de hond van een ander lijkt dus niet alleen art. 350 lid 2 Sr van toepassing, maar ook art. 2.10 Wet dieren.
20. Het voorgaande past bij het doel van de wetgever. Art. 350 lid 2 Sr beschermt het eigendomsrecht van de eigenaar van het dier (daarom staat de bepaling in het artikel over zaaksbeschadiging), terwijl de Wet dieren waar het gezelschapsdieren zoals honden betreft vooral ziet op het dierenwelzijn. Indien iemand dus de hond van de buren doodt met toestemming van die buren, is het eigendomsrecht niet in het geding (en dient vrijspraak te volgen bij een tenlastelegging op basis van art. 350 lid 2 Sr omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt), maar kan wel degelijk sprake zijn van overtreding van de Wet dieren omdat het dierenwelzijn wordt geraakt. Evengoed kunnen de bepalingen (eendaads) samenlopen als zowel het eigendomsrecht als het dierenwelzijn in het geding is.
Slotsom
21. Het middel slaagt.
22. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG