PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00793
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden. De verdachte is daarbij de bijkomende straf van ontzetting uit een beroep zoals in het arrest bepaald opgelegd voor de duur van vijf jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel klaagt over de opgelegde ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen
De door de rechtbank opgelegde ontzetting uit een beroep, die door het hof is bevestigd, is als volgt geformuleerd:
“Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk, voor 5 (vijf) jaar.”
De motivering van de rechtbank daarvan, die door het hof is bevestigd, luidt als volgt:
“Verdachte is in 2013 door de Kamer voor het Notariaat ontzet uit het ambt van notaris. Desondanks is verdachte opnieuw en tegen de beroepsregels in tóch bij een notariskantoor gaan werken. Er zijn bovendien aanwijzingen dat verdachte ook na het aan het licht komen van deze zaak nog notariële werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het daarom van belang dat aan verdachte het door de officier van justitie gevraagde beroepsverbod wordt opgelegd, zodat hij op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook voor 5 jaar ontzetten uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk. De wettelijke grondslag voor dit verbod is te vinden in de artikelen artikel 28, eerste lid, onder 5°, 235 en 325 van het Wetboek van Strafrecht.”
Het hof heeft in zijn arrest deze motivering als volgt aangevuld:
“De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde voor een periode van vijf jaar ontzet uit het recht in enige hoedanigheid werkzaam te zijn in het notariaat. Het hof verenigt zich met die beslissing, sluit zich aan bij de motivering daarvan op pagina 6 van het vonnis en voegt daar het volgende aan toe. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de wens uitgesproken om op enig moment weer aan het werk te kunnen in het notariaat. Nu de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor, is de oplegging van een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden. Op die manier wordt de verdachte, in elk geval in de eerste precaire periode, niet blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte binnen zijn juridische advieskantoor niet raakt. Het is niet de bedoeling met het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte te doorkruisen, omdat die werkzaamheden uitsluitend het bieden van advies en geen notariële activiteiten behelzen.”
In de schriftuur wordt allereerst geklaagd dat het hof in het midden heeft gelaten in de uitoefening van welk beroep de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Deze klacht lijkt mij ongegrond, nu het hof heeft vastgesteld dat “de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor”.
In de schriftuur wordt verder geklaagd dat de opgelegde beroepsontzetting zo ruim is geformuleerd dat daaronder alle werkzaamheden op een notariskantoor vallen, ook werkzaamheden die op geen enkele manier verband houden met het strafbare feit. In dat kader wordt in de schriftuur gewezen op “de functie van telefonist, receptionist, IT-specialist en schoonmaker op een notariskantoor of in de notariële adviespraktijk”.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 28 lid 1 Sr:
“De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
(…)
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”
- Art. 235 lid 1 Sr:
“Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.”
Een verdachte kan op grond van art. 28 lid 1 Sr worden ontzet uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Daarvoor moet het strafbare feit zijn begaan in de uitoefening van dat beroep. De ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan.
Uit de door het hof bevestigde motivering van de rechtbank blijkt dat het doel van het beroepsverbod is dat de verdachte “op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn”. Het hof heeft daaraan in zijn arrest toegevoegd dat “een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden” is, zodat de verdachte “in elk geval in de eerste precaire periode, niet [wordt] blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen”. Ik meen dat uit die motivering kan worden afgeleid dat het hof heeft beoogd een beroepsverbod op te leggen voor alle notariële activiteiten.
Het beroepsverbod is dan inderdaad te ruim geformuleerd voor zover daarmee “het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk” wordt verboden. Dat omvat immers ook werkzaamheden die geen verband houden met de gedragingen die de verdachte worden verweten. De Hoge Raad heeft een eerdere zaak over zo’n te ruim geformuleerd beroepsverbod zelf afgedaan door het verbod anders te verstaan. Ik zal daarom overeenkomstig concluderen, te weten dat het verbod zo worde verstaan dat daaronder valt de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker “of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk”.
3. Slotsom
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de bijkomende straf verder strekt dan de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk;
- verstaan dat de bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk betreft;
- verwerping het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG