PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02370
Zitting 10 november 2023
Aanvullende CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
[eiser]
eiser tot cassatieadv.: mr. P.A. Fruytier
tegen
Dennestaete B.V. verweerster in cassatieadv.: mr. J. Streefkerk
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk Dennestaete.
1. Inleiding en samenvatting
In deze betwistingsprocedure op de voet van art. 477a lid 2 Rv heb ik op 12 mei 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:497) geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang. In deze aanvullende conclusie zal het cassatiemiddel inhoudelijk worden worden behandeld.
Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat derde-beslagene [eiser] zijn verklaring dat de beslagschuldenaar niets van hem te vorderen heeft onvoldoende met gegevens en bescheiden heeft gestaafd, waardoor de verklaring niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt (art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv). Het hof heeft [eiser] daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 266.660 aan Dennestaete.
[eiser] komt in cassatie met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel op. In de kern wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op het betoog dat [eiser] met de beslagene is overeengekomen dat alle zijdens hem ten behoeve van beslagene verrichte uitgaven resulteren in een schuld van beslagene uit hoofde van lening. De gestelde uitgaven laten zich onderscheiden in twee categorieën: (i) betalingen door [eiser] in privé aan beslagene in privé of haar schuldeisers, en (ii) zogenoemde ‘indirecte betalingen’, verricht dóór een aan [eiser] gelieerde vennootschap en/of áán een aan beslagene gelieerde vennootschap. Met betrekking tot de eerste categorie zijn de klachten terecht voorgesteld. Aangaande de tweede categorie stuiten zij af op de omstandigheid dat [eiser] ter zake een andere grondslag voor schuldplichtigheid van beslagene heeft aangevoerd, te weten een meerpartijenovereenkomst met de betrokken vennootschap(pen). Ik meen echter dat het beroep faalt bij gebrek aan belang.
2. Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) Tussen Dennestaete en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) heeft een geschil bestaan met betrekking tot een door [betrokkene 1] in juli 2011 van Dennestaete gekochte, gerenoveerde woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . [betrokkene 1] heeft hangende de bodemprocedure, waarbij zij werd bijgestaan door advocatenkantoor Vlaskamp, conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken en bankrekeningen van Dennestaete. Ter opheffing van deze beslagen heeft Dennestaete twee bankgaranties van ABN AMRO Bank (hierna te noemen: de bank) gesteld van in totaal € 266.660,-, die konden worden uitgewonnen bij een onherroepelijke uitspraak.
(ii) Tot de in eerste aanleg overgelegde producties behoort een viertal “overeenkomsten van geldlening” met als partijen [eiser] als schuldeiser en [betrokkene 1] als schuldenaar. Deze zijn gedateerd op respectievelijk 27 december 2011 (hierna: lening 1), 29 juni 2012 (hierna: lening 2), 1 juli 2013 (hierna: lening 3) en 29 april 2014 (hierna: lening 4).
(iii) Artikel 1.2 van lening 1 en 2 luidt:
“Het door Schuldeiser conform artikel 1 lid 1 verstrekte bedrag is (gedeeltelijk) aangewend ter voldoening van de kosten van Vlaskamp Advocaten, die zij in rekening heeft gebracht in de procedure van Schuldenaar tegen Dennestaete B.V. gevestigd te Den Haag.”
(iv) Artikel 1.2 van lening 3 luidt:
“Het door Schuldeiser conform artikel 1 lid 1 verstrekte bedrag is (gedeeltelijk) aangewend ter voldoening van de kosten van Vlaskamp Advocaten en andere deskundigen, die zij in rekening hebben gebracht in de procedure van Schuldenaar tegen Dennestaete B.V. gevestigd te Den Haag.”
(v) Artikel 1.2 van lening 4 luidt:
“Het door Schuldeiser conform artikel 1 lid 1 verstrekte bedrag is (gedeeltelijk) aangewend ter voldoening van de kosten van Vlaskamp Advocaten en andere deskundigen, die zij in rekening hebben gebracht in de procedure van Schuldenaar tegen Dennestaete B.V. gevestigd te Den Haag. Tevens zal dit bedrag worden aangewend voor het uitvoeren van noodzakelijke woningverbeteringen aan het pand, gelegen aan de [a-straat 1] ( [postcode] ) te [plaats 1].”
(vi) Bij vonnissen van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2014 en 4 april 2014 is Dennestaete, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [betrokkene 1] van € 230.384,83.
(vii) Op 8 april 2014 heeft [betrokkene 1] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de bank. Op 11 augustus 2014 heeft [betrokkene 1] de bankgaranties geretourneerd, waarna de bank € 266.660,- onder het executoriaal derdenbeslag heeft afgedragen ten behoeve van [betrokkene 1] . Dit bedrag is door de bank gestort op de bankrekening van [eiser] .
(viii) Bij arrest van 9 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 april 2014 vernietigd en is [betrokkene 1] veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen Dennestaete ter uitvoering van het bestreden vonnis (al dan niet door middel van executie) aan haar had voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van voldoening (executie) tot aan de dag van terugbetaling, met veroordeling van [betrokkene 1] in de proceskosten. [betrokkene 1] heeft aan die veroordeling niet voldaan.
(ix) [eiser] is sinds 16 februari 2016 enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Esan Holding BV (hierna: Esan). De aandelen in deze vennootschap behoorden daarvoor toe aan [betrokkene 1] .
(x) Op 18 februari 2016 heeft [betrokkene 1] het eigen faillissement aangevraagd bij de rechtbank Den Haag.
(xi) Op 23 februari 2016 is [betrokkene 1] door genoemde rechtbank failliet verklaard, met benoeming van mr. Libosan als curator.
(xii) [betrokkene 1] heeft bij e-mail van 28 februari 2016 aan mr. Libosan meegedeeld:
“In bijgaand spreadsheet treft u het overzicht aan van de proceskosten die ik heb gemaakt in de procedures tegen Dennestaete. De kopie van de facturen (met specificatie) heb ik gescand en deze zal ik u in separate e-mails toezenden, zonder begeleidend schrijven.
Al met al heeft de procedure meer dan euro 188.000 gekost. Achmea heeft een deel van deze kosten vergoed, maar de uitkering van Achmea is pas gedaan toen het hoger beroep al liep. (…)”
(xiii) Bij e-mail van 7 april 2016 heeft de advocaat van [eiser] aan mr. Libosan meegedeeld (voor zover van belang):
“Tussen [eiser] als geldgever en [betrokkene 1] als geldnemer zijn vier overeenkomsten van geldlening gesloten en wel op 27 december 2011 ( bijlage 1 ), 29 juni 2012 ( bijlage 2 ), 1 juli 2013 ( bijlage 3 ) en 29 april/1 mei 2014 ( bijlage 4 ). De contractuele rente bedraagt 5%. In de overeenkomsten is een verplichting opgenomen om op de eerste afroep van [eiser] zekerheden te verschaffen. In dat kader is er onder meer op 30 juni 2015 een 1e pandrecht gevestigd op de 100% aandelen op naam die [betrokkene 1] houdt in Esan Holding B. V. ("Esan") en op 2 februari 2016 een eerste pandrecht op de inboedel van [betrokkene 1] . Een afschrift van die notariële akten heb ik bijgesloten als bijlagen 5 en 6 . Naar ik heb begrepen heeft u van [betrokkene 1] al de originelen van die akten ontvangen.
Uit hoofde van de u welbekende procedure tussen Dennestaete B. V. ("Dennestaete") en [betrokkene 1] is er op 12 augustus 2014 € 266.660,- van Dennestaete ten behoeve van [betrokkene 1] voldaan op een rekening van [eiser] . [eiser] hield dat geld dus toen voor [betrokkene 1] . Op dat moment bedroeg de opeisbare vordering van [eiser] op [betrokkene 1] € 206.599,48 exclusief de contractuele rente van 5%. Dat bedrag is toen, dus 1 ½ jaar voor het faillissement van [betrokkene 1] , aan [eiser] voldaan ter aflossing van de leningen. Het resterende bedrag bedroeg toen € 60.060,52. Met dat bedrag van [betrokkene 1] zijn vervolgens op verzoek van [betrokkene 1] betalingen gedaan zoals nader gespecificeerd in bijgaand overzicht ( bijlage 7 ).
Op datum faillissement van [betrokkene 1] bedroeg de vordering van [eiser] op [betrokkene 1] € 71.178, 75, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% (ook t.a.v. de uitgeleende gelden uit het verleden) en te vermeerderen met kosten.”
(xiv) Het faillissement van [betrokkene 1] is op 10 maart 2017 opgeheven wegens gebrek aan baten.
(xv) Bij e-mail van 28 september 2017 heeft mr. Libosan aan de advocaat van [betrokkene 1] (met een cc aan de advocaat van Dennestaete) meegedeeld (voor zover van belang):
“Anders dan U beweert ook is nimmer aan de hand van verificatoire bescheiden kunnen worden nagegaan en vastgesteld op welke wijze het bedrag van EUR 266.000,- precies is besteed. Ik wijs U in dat verband op de mededeling van de heer Mr Janssens , dat dit bedrag, overigens naar eigen zeggen van Uw cliënten ter veiligstelling voor verhaal, door de bank, op hun aanwijzing, rechtstreeks is gestort op de bankrekening van [eiser] , en dat slechts aan de hand van afschriften van die rekening de precieze geldstromen in kaart zouden kunnen worden gebracht. Noch U noch uw cliënt heeft evenwel bereidheid getoond die inzage te verschaffen.
Eveneens anders dan U beweert heeft de failliet nimmer, aan de hand van verificatoire bescheiden, inzage verstrekt. (...)”
(xvi) Dennestaete heeft [betrokkene 1] in kort geding gedagvaard en op de voet van artikel 475g Rv gevorderd dat [betrokkene 1] - kort gezegd - opgave verstrekt van haar inkomens- en vermogenspositie. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 6 november 2017 de vorderingen van Dennestaete afgewezen, daartoe overwegende dat [betrokkene 1] voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij reeds volledige openheid van zaken had gegeven over haar bronnen van inkomsten.
(xvii) Dennestaete heeft op 14 augustus 2018 (hierna: de beslagdatum) uit kracht van voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 februari 2016 executoriaal beslag gelegd onder [eiser] op onder andere alle vorderingen die [betrokkene 1] op [eiser] mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen. Per datum beslaglegging bedroeg de vordering van Dennestaete op [betrokkene 1] € 315.127,44 (exclusief P.M. posten).
(xviii) [eiser] heeft op 30 augustus 2018 de verklaring derdenbeslag ondertekend. Daarbij heeft [eiser] verklaard dat er tussen hem en [betrokkene 1] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [betrokkene 1] op het tijdstip van het beslag nog iets van [eiser] had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.
(xix) Bij e-mail van 12 september 2018 heeft de advocaat van Dennestaete aan [eiser] bericht:
“U hebt in augustus 2014 een bedrag ad € 266.660 op uw bankrekening ontvangen (overigens in het kader van het op slinkse wijze feitelijke uitwinnen van een bankgarantie, waarmee u op zijn minst hebt meegewerkt aan een jegens cliënte gepleegde onrechtmatige daad), dat u vanaf dat moment onder u had voor [betrokkene 1] . Ik verzoek u mij binnen vijf dagen na heden uiteen te zetten hoe het mogelijk is dat u thans verklaart niets onder u te hebben/verschuldigd te zijn en hoe en wanneer u die gelden dan aan [betrokkene 1] zou hebben uitgekeerd overgemaakt/betaald, uiteraard voorzien van bewijsstukken ter zake.”
(xx) Bij e-mail van 24 september 2018 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van Dennestaete bericht (voor zover van belang):
“Over de € 266.660,- van meer dan vier jaar geleden is Dennestaete echter al vaker geïnformeerd en ook lang geleden al, zo ook de voormalige curator van [betrokkene 1] , mr. Libosan uit Den Haag. [betrokkene 1] heeft de curator daar volledig rekening en verantwoording over afgelegd (die Dennestaete/u dus al lang en breed bekend is) en wel dat uit hoofde van de procedure van destijds tussen Dennestaete en [betrokkene 1] er op 12 augustus 2014 door de ABN Amro Bank € 266.660,- van Dennestaete ten behoeve van [betrokkene 1] voldaan is op de bankrekening van [eiser] . Ter uitvoering van een executoriaal beslag onder de bank. [eiser] hield dat geld dus toen voor [betrokkene 1] . Op dat moment bedroeg de opeisbare vordering van [eiser] op [betrokkene 1] € 206.599,48 exclusief de contractuele rente van 5%. Dat bedrag is toen, dus 1 ½ jaar voor het faillissement van [betrokkene 1] , aan [eiser] voldaan ter aflossing van opeisbare leningen. Het resterende bedrag bedroeg toen € 60.060,52. Met dat bedrag zijn daarna diverse betalingen gedaan waarover de curator ook volledig is geïnformeerd.”
(xxi) Na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 16 oktober 2018 aan de advocaat van Dennestaete bericht (voor zover van belang):
“Anders gezegd, de onderbouwende stukken hebt u al lang ontvangen van mij (........). De enige mogelijke uitzonderingen hierop zijn de bijlagen bij mijn e-mail van 7 april 2016 aan Libosan waarvan ik nu zie dat ik die bijlagen in de kortgedingprocedure tussen [betrokkene 1] en Dennestaete niet had overgelegd. Mocht uw verzoek daarop zien: had me dat dan gevraagd, dat had een hoop gedoe gescheeld. Als bijlage A bij deze brief stuur ik die e-mail van 7 april 2016 inclusief bijlagen alsnog toe (........). Voor het overige volsta ik met een verwijzing naar mijn pleitnotities en de producties die ik in die kortgedingprocedure heb overgelegd (waaronder mijn e-mail aan Libosan van 28 september 2017 inclusief bijlagen die ik voor het gemak ook als bijlage B aan deze brief heb gehecht).”
(xxii) De advocaat van Dennestaete heeft in reactie hierop aan de advocaat van [eiser] meegedeeld (voor zover van belang):
“Dank voor u e-mail met bijlagen. U stelt dat het bedrag ad € 266.660 zou zijn "aangewend" voor de terugbetaling van leningen en voor het betalen van overige bedragen. Van die leningen zie ik echter alleen maar contracten, en van de overige betalingen slechts een overzicht.
Graag ontvang ik van een en ander binnen twee dagen na heden ook de overschrijvingsbewijzen.”
(xxiii) De advocaat van [eiser] heeft hier niet meer op gereageerd.
3. Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 3 oktober 2018 in de onderhavige betwistingsprocedure (art. 477a lid 2 Rv) heeft Dennestaete – samengevat – gevorderd dat [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld (i) tot het doen van een correcte en volledige verklaring derdenbeslag en (ii) tot afdracht van al wat hij aan [betrokkene 1] verschuldigd is, een en ander met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.
Dennestaete betwist de juistheid van de door [eiser] ex art. 476a Rv afgelegde verklaring van 30 augustus 2018. Volgens Dennestaete dient [eiser] bescheiden over te leggen om aan te tonen dat ten tijde van het uitkeren van het bedrag van € 266.660,- door de bank aan [eiser] een geldlening bestond van € 206.599,48 en hoe het resterende bedrag van € 60.060,52 is besteed. Voorts zal [eiser] moeten aantonen dat er is verrekend en waaruit die verrekening dan blijkt.
[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van Dennestaete dan wel afwijzing van alle vorderingen. Hij heeft aangevoerd dat uit de overeenkomsten van geldlening genoegzaam blijkt dat ten tijde van de uitkering van het bedrag van € 266.660,- [betrokkene 1] hem reeds diverse bedragen verschuldigd was en voorts dat er tussen [eiser] en [betrokkene 1] feitelijk sprake was en is van een rekening-courant-verhouding. Hij heeft de door hem voor [betrokkene 1] gedane betalingen bijgehouden in een Excel-bestand. Op het moment van beslaglegging had hij een vordering op [betrokkene 1] van € 219.770,65 (te vermeerderen met rente), aldus [eiser] . Volgens hem is een verrekeningsverklaring niet vereist.
Op 3 oktober 2019 hebben pleidooien plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij pleitaantekeningen overgelegd.
In haar tussenvonnis van 11 december 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat de gesloten geldleningsovereenkomsten ten bedrage van in totaal € 350.000 op grond van art. 157 Rv jegens Dennestaete geen dwingend bewijs opleveren van de gestelde geldleningen, nu Dennestaete daarbij geen partij is (rov. 4.3). Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de gestelde uitgaven niet met bescheiden zijn onderbouwd. [eiser] heeft daarom onvoldoende gegevens en bescheiden overgelegd ter staving van zijn verklaring dat ten tijde van het derdenbeslag geen rechtsverhouding meer tussen hem en [betrokkene 1] bestond uit hoofde waarvan [eiser] nog gelden aan [betrokkene 1] verschuldigd was, terwijl er in augustus 2014 € 266.660,- ten behoeve van [betrokkene 1] op de bankrekening van [eiser] was gestort (rov. 4.10). De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] vooralsnog niet heeft voldaan aan zijn verklaringsplicht ex art. 477a lid 2 Rv. Overeenkomstig zijn aanbod is [eiser] in de gelegenheid gesteld bij akte schriftelijke stukken (zoals facturen en betalingsbewijzen) in het geding te brengen, ter onderbouwing van de door hem gestelde gedane uitgaven ten behoeve van [betrokkene 1] tot het in geschil zijnde bedrag van € 266.660,-.
[eiser] heeft bij een tweetal akten schriftelijke stukken in het geding gebracht, waaruit volgens hem blijkt dat hij in totaal tenminste € 375.162,62 aan betalingen voor/ten behoeve van/aan [betrokkene 1] heeft verricht. Dennestaete heeft hierop steeds bij akte gereageerd.
Bij eindvonnis van 6 januari 2021 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank vooropgesteld dat [eiser] geen enkel stuk in het geding heeft gebracht ter ondersteuning van zijn, [eiser] , stelling dat alle indirecte betalingen een vordering van [eiser] in privé op [betrokkene 1] in privé opleveren omdat ‘dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen’ (rov. 2.7-2.8). Verder heeft de rechtbank de bij akte aangevoerde (categorieën van) uitgaven beoordeeld en is zij – samengevat – tot het oordeel gekomen dat [eiser] een bedrag van € 199.003,- genoegzaam met verificatoire bescheiden heeft gestaafd, zodat dit bedrag niet onder het beslag valt. Het resterende bedrag van € 67.657,- had [eiser] onder zich voor [betrokkene 1] (rov. 2.32). Nu Dennestaete haar stelling dat [eiser] wel degelijk een groter bedrag van [betrokkene 1] onder zich had niet nader heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen (rov. 2.33). De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 67.657,- aan Dennestaete en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
[eiser] is van de vonnissen in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden met conclusie dat het hof de vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van Dennestaete alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Dennestaete tot terugbetaling van wat [eiser] op grond van de vonnissen heeft betaald. Dennestaete heeft verweer gevoerd.
In incidenteel appel heeft Dennestaete gevorderd dat het hof de vonnissen gedeeltelijk zal vernietigen, haar vorderingen alsnog zal toewijzen en [eiser] als derde-beslagene zal veroordelen tot betaling van € 266.660,-. [eiser] heeft in het incidenteel appel verweer gevoerd.
Bij eindarrest van 12 april 2022 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank (gedeeltelijk) vernietigd en [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om als derde-beslagene een bedrag van € 266.660,- aan Dennestaete te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende overwegingen.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast dat de schuldenaar ( [betrokkene 1] ) een vordering op de derde-beslagene ( [eiser] ) heeft, in beginsel op de executant (Dennestaete) rusten, maar dat de derde-beslagene wel gehouden is zijn verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv). In dit licht zal het hof de stellingen van partijen behandelen (rov. 5.5).
Vervolgens oordeelt het hof dat [eiser] de betwisting van zijn schuldenaarschap niet kan staven met een beroep op dwingende bewijskracht van de in het geding gebrachte leningsovereenkomsten:
“Bewijskracht leningen 1-4
Met zijn eerste grief keert [eiser] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door hem in eerste aanleg overgelegde leningsovereenkomsten geen dwingende bewijskracht hebben in het geding tussen [eiser] en Dennestaete. Bij de behandeling van deze grief heeft [eiser] geen belang, omdat ook indien het hof, al dan niet per analogie, art. 157 lid 2 Rv toepasbaar zou achten in het onderhavige geschil, heeft te gelden dat tegen dwingend bewijs op grond van artikel 151 lid 2 Rv tegenbewijs openstaat en dat dit tegenbewijs in dit geval door Dennestaete is geleverd. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het door de andere partij geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd. Dat heeft Dennestaete gedaan door er - onweersproken - op te wijzen dat zij [eiser] meermaals heeft gevraagd bewijs van overmaking van de geldbedragen te verschaffen, maar dat hij dit heeft nagelaten en door erop te wijzen dat ook uit de stellingen van [eiser] zelf kan worden afgeleid dat er niet - zoals uit de bewoordingen van lening 1-4 zou volgen - in vier tranches geldbedragen door hem aan [betrokkene 1] zijn uitgeleend, maar dat (hij van mening is dat) tussen hem en [betrokkene 1] een soort rekening-courantverhouding heeft bestaan, die ertoe heeft geleid dat [betrokkene 1] bij hem in de loop der jaren een aanzienlijke schuld heeft opgebouwd. In het licht hiervan oordeelt het hof dat ook indien het, al dan niet per analogie, art. 157 lid 2 Rv toepasbaar zou achten in het onderhavige geschil, de in het geding gebrachte leningen 1-4 dwingende bewijskracht ontberen en dat [eiser] zijn betwisting de schuldenaar van [betrokkene 1] te zijn reeds daarom niet kan staven met een beroep op het bepaalde in dat wetsartikel.”
Daarna oordeelt het hof dat [eiser] geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven aan zijn stelling dat tussen [eiser] , [betrokkene 1] en hun respectieve vennootschappen is overeengekomen c.q. de afspraak bestond dat alle betalingen door vennootschappen van [eiser] aan vennootschappen van [betrokkene 1] een vordering van [eiser] in privé op [betrokkene 1] in privé zouden opleveren:
“Afspraak tot indirecte verrekening in rekening-courant?
De tweede grief van [eiser] is ertegen gericht dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van [eiser] dat alle betalingen van door hem beheerste vennootschappen naar een vennootschap van [betrokkene 1] een vordering van [eiser] in privé opleverden op [betrokkene 1] in privé omdat ‘'dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen”. De rechtbank heeft die stelling verworpen omdat [eiser] geen stukken in het geding heeft gebracht, die deze stelling ondersteunen. Het hof constateert dat ook in hoger beroep [eiser] geen stukken in het geding heeft gebracht noch anderszins feiten heeft gesteld, waaruit blijkt dat er tussen [eiser] , [betrokkene 1] en aan hen gelieerde vennootschappen een overeenkomst heeft bestaan, die eruit bestond dat vermogensverschuivingen tussen hun beider vennootschappen steeds juridisch hadden te gelden als betalingen (lees: geldleningen) van [eiser] in privé aan [betrokkene 1] in privé. Uit de door [eiser] in de toelichting op deze grief genoemde grootboekkaarten van [A] ( [A] ) en Esan blijkt deze overeenkomst niet. Bij gebreke daarvan kan niet van de door [eiser] gestelde afspraak worden uitgegaan. Voor (tegen) bewijslevering door [eiser] ziet het hof bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing van deze stelling geen grond. De grief faalt derhalve.”
Vervolgens beoordeelt het hof de verschillende categorieën uitgaven die volgens [eiser] hebben geresulteerd in even zovele vorderingen van hem als derde-beslagene op [betrokkene 1] als schuldenaar. Daarbij volgt het hof de indeling zoals deze door [eiser] in zijn akte overlegging schriftelijke stukken van 22 januari 2020 is gemaakt en ook door de rechtbank is aangehouden. Het hof komt – samengevat – ten aanzien van al deze categorieën tot de conclusie dat uit de door [eiser] in het geding gebrachte gegevens en bescheiden niet van het ontstaan van de gestelde tegenvorderingen is gebleken:
“Facturen Vlaskamp Advocaten
Met zijn derde grief keert [eiser] zich tegen de beslissing van de rechtbank om drie van de 40 facturen van advocatenkantoor Vlaskamp niet aan te merken als betaald ten behoeve van [betrokkene 1] in privé. In incidenteel appel heeft Dennestaete zich op het standpunt gesteld dat van geen enkele factuur van Vlaskamp is duidelijk geworden dat en waarom deze heeft geresulteerd in een vordering van [eiser] in privé op [betrokkene 1] in privé. Het hof is het daarmee eens en licht dit als volgt toe.
Zoals hiervoor al werd overwogen geldt dat het aan [eiser] is zijn verklaring dat hij niets aan [betrokkene 1] verschuldigd is zoveel mogelijk met gegevens en bescheiden te staven. Toegespitst op deze zaak betekent dit dat het aan [eiser] is om met gegevens en bescheiden te laten zien dat [eiser] het (onbetwist) in 2016 voor [betrokkene 1] op zijn bankrekening ontvangen bedrag van € 266.660,- integraal heeft kunnen verrekenen met een geldschuld van [betrokkene 1] aan hem (waarvan de hoogte dus niet lager is dan genoemd bedrag). In dat kader beroept [eiser] zich er onder meer op dat de betaling door aan hem gelieerde vennootschappen van een veertigtal facturen van Vlaskamp in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé heeft geresulteerd. Zoals Dennestaete terecht heeft opgemerkt is, ook indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat een of meer van de facturen van Vlaskamp betrekking hadden op werkzaamheden die ten behoeve van [betrokkene 1] door genoemd advocatenkantoor zijn verricht, dit enkele feit niet voldoende om tot de conclusie te komen dat voldoening daarvan door een of meer door [eiser] beheerste vennootschappen (dus) in een geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé heeft geresulteerd. Daarvoor is nodig dat (uit door [eiser] in het geding gebrachte gegevens en bescheiden) blijkt dat er een afspraak is gemaakt tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betreffende vennootschappen, die inhield dat het aldus betalen van de facturen van Vlaskamp zou resulteren in een (oplopende) geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé. Het overleggen van interne, eerst in 2020 aangemaakte grootboekkaarten van diverse vennootschappen en het wijzen op de daarop voorkomende (concept) mutaties volstaat daarvoor (bij lange na) niet, waarbij het hof nog opmerkt dat het niet meegaat in [eiser] stelling dat het jaartal 2020 steeds enkel betrekking heeft op de printdatum en dus geen datering van de betreffende mutaties betreft; een aanknopingspunt daarvoor ontbreekt, terwijl de grootboekkaarten op elke pagina een in 2020 gelegen datum vermelden met de tekst "Aangemaakt door: Site Supervisor." Ook de overgelegde leningen 1-4 volstaan in dat kader niet, zulks reeds op grond van hetgeen is overwogen in rov. 5.6 van dit arrest, maar ook omdat daaruit niet blijkt dat de betreffende vennootschappen daarbij partij zijn. Verklaringen van de betreffende vennootschappen en [betrokkene 1] die het bestaan van die afspraak ondersteunen heeft [eiser] niet overgelegd. Bij gebreke daarvan valt niet in te zien dat en waarom met de betalingen door bedoelde vennootschappen aan Vlaskamp evenzovele geldschulden van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé zijn ontstaan.
Daarbij komt nog dat het leeuwendeel van de facturen van Vlaskamp ook niet aan [betrokkene 1] gericht is, maar aan vennootschappen van [eiser] . Ook indien en voor zover deze facturen betrekking mochten hebben (dat kan het hof hier in het midden laten) op werkzaamheden ten behoeve van [betrokkene 1] valt zonder deugdelijke toelichting, die [eiser] niet heeft gegeven, niet in te zien waarom betaling van die facturen iets anders is geweest (of in meer heeft geresulteerd) dan het door de betreffende vennootschap (als kantoorcliënt) voldoen van een eigen verplichting jegens het advocatenkantoor. Anders gezegd: het enkele feit dat [betrokkene 1] (mogelijk) was gebaat bij het door het advocatenkantoor uitvoeren van die werkzaamheden maakt nog niet dat de aan de betreffende vennootschap gefactureerde bedragen dus aan [betrokkene 1] konden worden doorbelast. Ook hier geldt dat een overeenkomst tussen [betrokkene 1] , [eiser] en de betreffende vennootschappen waaruit dit mogen/kunnen doorbelasten zou blijken zich niet bij de gedingstukken bevindt. Dit wringt te meer omdat op basis van de gedingstukken bepaald niet valt uit te sluiten dat - nu [eiser] een bevriende relatie was/is van [betrokkene 1] en hij haar ook op andere momenten (bijvoorbeeld bij de eigen aanvraag van haar faillissement) heeft ondersteund - hij, teneinde haar te ondersteunen, heeft beoogd dat door hem beheerste vennootschappen de kosten van juridische ondersteuning van [betrokkene 1] voor hun rekening zouden nemen zonder dat dit in een terugbetalingsplicht aan de zijde van [betrokkene 1] zou resulteren. Die wens om [betrokkene 1] (ook) in financiële zin de helpende hand te reiken lijkt bijvoorbeeld evenzeer voorop te hebben gestaan bij het aangaan van de onderhuurconstructie waarbij een vennootschap van [eiser] , [A] , een prijzig appartement in [plaats 2] heeft gehuurd en dat voor een voordelige huurprijs is gaan onderverhuren aan [betrokkene 1] .
Waar, tot slot, sprake is geweest van facturen van Vlaskamp die aan [betrokkene 1] zelf zijn gericht, is het hof het met Dennestaete eens dat [eiser] niet duidelijk heeft weten te maken door wie die facturen (anders dan door [betrokkene 1] ) zijn voldaan, zodat ook van deze facturen niet kan worden gezegd dat is gebleken dat zij in een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] hebben geresulteerd.
De conclusie van het voorgaande is dat uit de door [eiser] overgelegde gegevens en bescheiden niet is gebleken dat de betaling van de facturen van Vlaskamp in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé heeft geresulteerd. De derde grief van [eiser] faalt dus. De derde grief van Dennestaete slaagt.
Betalingen van [eiser] aan derden
Hiervoor werd al overwogen dat uit de gedingstukken valt af te leiden dat [eiser] herhaaldelijk zijn betrokkenheid bij het financiële reilen en zeilen van [betrokkene 1] heeft getoond en haar, bijvoorbeeld bij de eigen faillissementsaanvraag, maar ook bij het voordelig (onder)huren van een appartement in [plaats 2] de (financieel) helpende hand heeft toegestoken. Tegen deze achtergrond is het hof het met Dennestaete eens dat niet reeds uit het door [eiser] voor een bedrag van € 26.271,- aan derden doen van betalingen of uitgaven ten bate van [betrokkene 1] kan worden opgemaakt dat deze betalingen en uitgaven (dus) in een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] in privé hebben geresulteerd. Veeleer rijst uit (de aard en omvang van) die aan derden gedane betalingen en uitgaven het beeld op dat [eiser] kennelijk over een langere periode bereid is geweest financieel bij te dragen aan een bepaalde levenstandaard van zijn relatie [betrokkene 1] en dat eerst nadat het gerechtshof het vonnis tussen Dennestaete en [betrokkene 1] had vernietigd en [betrokkene 1] gehouden was tot volledige terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis had ontvangen, het standpunt is betrokken dat ten bate van [betrokkene 1] aan derden gedane betalingen en uitgaven een schuld van [betrokkene 1] hebben opgeleverd. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat uit de door [eiser] overgelegde gegevens en bescheiden niet is gebleken dat de ten belope van € 26.271aan derden gedane betalingen en uitgaven in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé heeft geresulteerd. Grief 4 van Dennestaete treft dus doel.
Betalingen door [eiser] aan Esan
Dan komt het hof toe aan de vraag of uit de door [eiser] overgelegde gegevens en bescheiden kan worden afgeleid dat de betalingen aan Esan in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé hebben geresulteerd. Ook die vraag beantwoordt het hof ontkennend. Daarvoor zou nodig zijn dat (uit door [eiser] in het geding gebrachte gegevens en bescheiden) blijkt dat er een afspraak is gemaakt tussen [eiser] , [betrokkene 1] en Esan die inhield of meebracht dat het aldus verrichten van betalingen aan Esan (steeds) zou resulteren in een geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé. Het overleggen van interne grootboekkaarten van Esan en het wijzen op de daarop voorkomende (concept) mutaties volstaat daarvoor (wederom bij lange na) niet. Verklaringen van Esan en [betrokkene 1] die het bestaan van een afspraak als hiervoor bedoeld ondersteunen heeft [eiser] niet overgelegd. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat en waarom met de betalingen aan Esan een geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé is ontstaan. Grief 5 van Dennestaete slaagt dan ook.
Betalingen door [A] aan Esan en anderen
Ook het door [eiser] in productie 21 in eerste aanleg overgelegde overzicht met diverse betalingen die door [A] zijn verricht, ziet het hof niet als afdoende ter staving van het ontstaan zijn van een schuldverhouding tussen [betrokkene 1] in privé en [eiser] in privé. Voor zover die betalingen aan Esan zijn gedaan, oordeelt het hof dat niet is gebleken van het bestaan van een afspraak tussen [eiser] , [betrokkene 1] , [A] en Esan die inhield dat het overboeken van gelden door [A] aan Esan zou resulteren in een (oplopende) geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé. Het overleggen van uit 2020 daterende interne grootboekkaarten van deze vennootschappen en het wijzen op de daarop voorkomende (concept) mutaties volstaat daarvoor (ook hier bij lange na) niet. Verklaringen van de betreffende vennootschappen en [betrokkene 1] die het bestaan van de hiervoor bedoelde afspraak ondersteunen heeft [eiser] niet overgelegd. Ook in de door [eiser] overgelegde leningen 1-4 wordt niet gerept over deze betalingen aan Esan en laatstgenoemde noch [A] zijn daarbij partij. Bij gebreke van dit alles valt niet in te zien dat en waarom met de gestelde vermogensverschuivingen tussen de genoemde vennootschappen er evenzovele geldschulden van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé zijn ontstaan. Om dezelfde reden faalt ook het in grief 7 door [eiser] gevoerde betoog over de vermogensverschuivingen tussen zijn vennootschap [B] en Esan.
Voor zover de in productie 21 genoemde betalingen ten behoeve van [betrokkene 1] (of haar naasten) aan anderen dan Esan zijn gedaan, merkt het hof op dat bij gebreke van een andersluidende verklaring van [betrokkene 1] , evenzo goed denkbaar is dat - net als [eiser] dit op andere momenten heeft gedaan, zie hiervoor - hij het, teneinde een bepaalde door [betrokkene 1] nagestreefde levensstijl mogelijk te maken, ertoe heeft willen leiden dat [A] bepaalde uitgaven ten behoeve van haar (of haar naasten) zou verrichten zonder dat dit in een terugbetalingsplicht aan de zijde van [betrokkene 1] zou resulteren. In die richting wijzen bijvoorbeeld de betaling van de rekeningen van advocatenkantoor Van Schuppen en Van de Water en de voldoening van een Amex rekening, maar ook de bij een Amsterdamse juwelier gedane uitgave van € 1.485,- in 2017. Het hof passeert in het bijzonder de stelling dat ook deze laatste uitgave in een lening van [eiser] aan [betrokkene 1] zou hebben geresulteerd als niet onderbouwd en ongeloofwaardig.
Uit het voorgaande volgt dat grief 4 van [eiser] geen doel treft en dat grief 6 van Dennestaete slaagt.
Betalingen van [eiser] in privé naar [betrokkene 1] in privé en Esan
Met zijn vijfde grief maakt [eiser] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat het door [eiser] aan [betrokkene 1] respectievelijk Esan overmaken van bedragen van in totaal € 26.500,- niet in een schuld van [betrokkene 1] aan hem hebben geresulteerd. In dit kader beroept [eiser] zich erop dat de rechtbank uit het feit dat bij de overboekingen vrijwel steeds het woord “bijdrage” is vermeld ten onrechte heeft afgeleid dat het hier vrijgevigheid zijnerzijds zou hebben betroffen. “Om de partijbedoeling van deze betalingen te achterhalen, had de rechtbank niet mogen volstaan met een zuiver taalkundige uitleg van het enkele woordje "bijdrage", maar had zij aan de hand van de Haviltex-criteria de bedoeling en verwachtingen van partijen bij die betalingen moeten achterhalen”, aldus [eiser] . Met dit betoog miskent [eiser] dat het in een geval als hier aan de orde niet aan de rechter is om de bedoeling van [eiser] en [betrokkene 1] te achterhalen maar aan [eiser] zelf om met door hem in het geding te brengen gegevens en bescheiden duidelijk te maken dat - in weerwil van het (onbetwist) in 2016 door [betrokkene 1] op zijn bankrekening ontvangen van € 266.660,- - geen sprake (meer) is van een schuld zijnerzijds aan [betrokkene 1] . Het oordeel van de rechtbank moet aldus worden verstaan dat niet is gebleken dat de betreffende betalingen hebben geresulteerd in een schuld van [betrokkene 1] , die met het genoemde, door [eiser] ontvangen bedrag kon worden verrekend. Het hof verenigt zich met dat oordeel. Zoals hiervoor al werd opgemerkt wijzen de aard en omvang van de vele betalingen die [eiser] - rechtstreeks dan wel via zijn vennootschappen - over een langere periode ten behoeve van [betrokkene 1] heeft gedaan of laten doen erop dal hij zich heeft ingespannen om een bepaalde door zijn relatie [betrokkene 1] nagestreefde levensstijl mogelijk te maken zonder dat dit in een terugbetalingsplicht aan de zijde van [betrokkene 1] zou resulteren. De onder de noemer “bijdrage” door de rechtbank genoemde betalingen van uiteenlopende aard versterken - bij gebreke van contra-indicaties - dat beeld veeleer dan dat zij dit ondergraven. Voor zover [eiser] in zijn grief het oog heeft op betalingen die niet aan [betrokkene 1] zijn gedaan maar aan Esan, verwijst het hof naar hetgeen hij dienaangaande al in rov. 5.14 heeft opgemerkt. Grief 5 zijdens [eiser] faalt derhalve.
Facturen Oskamp Advocaten
Uit het voorgaande volgt dat ook grief 6 van [eiser] geen doel kan treffen. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [betrokkene 1] was gebaat bij in elk geval een deel van de door het advocatenkantoor Oskamp uitgevoerde en bij [eiser] in rekening gebrachte werkzaamheden, maakt dat nog niet dat de aan [eiser] gefactureerde bedragen dus aan [betrokkene 1] konden worden doorbelast en in een schuld harerzijds resulteerden. Ook hier geldt dat een verklaring van [betrokkene 1] waaruit blijkt dat zij een schuld jegens [eiser] heeft opgebouwd ten belope van de door Oskamp aan [eiser] gefactureerde bedragen ontbreekt. Gelet op dit een en ander maar ook gezien het hiervoor geschetste patroon waarbij [eiser] [betrokkene 1] steeds financieel heeft ondersteund, moet ook hier de conclusie luiden dat niet valt in te zien dat en waarom met de betalingen aan Oskamp een geldschuld ter grootte van die betalingen van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé is ontstaan.”
De slotsom van het hof luidt dat de verklaring van [eiser] niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt (zie ook rov. 2.2):
“6.1 In deze verklaringsprocedure had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn betwisting van de stelling van Dennestaete dat [eiser] ten tijde van de beslaglegging een bedrag van € 266.660.- aan [betrokkene 1] schuldig was nader en afdoende te motiveren. Dit geldt temeer nu de daarvoor benodigde informatie zich bij uitstek in het domein van [eiser] zelf zou moeten bevinden. Nu hij dat niet heeft gedaan, heeft [eiser] de stellingen van Dennestaete onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft daarmee zijn verklaring onvoldoende gestaafd met gegevens en bescheiden, waardoor de verklaring niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Nu [eiser] de stellingen van Dennestaete onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, komt het hof aan (tegen)bewijslevering niet toe. Het bewijsaanbod van [eiser] wordt daarom gepasseerd.
De slotsom is dat het principaal appel niet slaagt en dat de grieven 3-6 en 8 in het incidenteel appel doel treffen. Bij deze stand van zaken heeft Dennestaete geen belang meer bij een (verdere) behandeling van haar grieven 1-2 en 7 en behoeft hetgeen overigens door partijen is aangevoerd evenmin bespreking meer. Het vonnis van 6 januari 2021 zal het hof gedeeltelijk vernietigen.”
[eiser] heeft bij procesinleiding van 28 juni 2022 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof. Dennestaete heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend en haar standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.
In mijn conclusie van 12 mei 2013 heb ik geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang.
[eiser] heeft (op de voet van art. 44 lid 3 Rv) op de conclusie gereageerd.
Op verzoek van uw Raad zal ik thans nader concluderen.
4. Juridisch kader
Nadat executoriaal derdenbeslag is gelegd, is de derde-beslagene verplicht verklaring te doen van de vorderingen die door het beslag zijn getroffen (art. 476a lid 1 Rv). Peilmoment is het moment van beslaglegging. De verklaring moet onder meer bevatten: een met redenen omklede opgave of de derde-beslagene al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is (art. 476a lid 2 sub a Rv), aard en beloop van de door het beslag getroffen vorderingen (art. 476a lid 2 sub b Rv) en verdere ‘gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn’ (art. 476a lid 2 sub f Rv). Verder moet de verklaring zoveel mogelijk vergezeld gaan van afschrift van ‘tot staving dienende bescheiden’ (art. 476b lid 2 Rv). De verklaring doet voor de derde-beslagene de verplichting ontstaan om af te dragen volgens die verklaring (art. 477 lid 1 Rv).
Ook als de derde-beslagene meent dat hij niets verschuldigd is aan de beslagene, moet hij dus een verklaring afleggen (art. 476a lid 2 sub a Rv). De verklaring ‘niets verschuldigd’ kan onder meer als achtergrond hebben dat de derde-beslagene het door de beslaglegger beoogde aanvankelijk wel verschuldigd was, maar hij dit reeds vóór het beslag aan de beslagene (al of niet door verrekening) heeft betaald of ná het beslag maar vóór de verklaring derdenbeslag bevoegd heeft verrekend (art. 6:130 lid 2 BW). Als de derde-beslagene meent niets verschuldigd te zijn wegens betaling of verrekening, moet hij dat vermelden. Deze toelichting valt onder de door hem te vermelden ‘verdere gegevens’ als bedoeld in art. 476a lid 2 sub f Rv.
De beslaglegger is bevoegd de afgelegde verklaring geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen. Daartoe dient hij de derde-beslagene te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling van hetgeen volgens de vaststelling van de rechter aan de beslaglegger zal blijken toe te komen (art. 477a lid 2 Rv).
Als de beslaglegger in deze betwistingsprocedure stelt dat (de verklaring onjuist is omdat) de beslagene – anders dan de derde-beslagene heeft verklaard – op de beslagdatum wel degelijk een vordering op de derde-beslagene had, dan rust de bewijslast van die stelling in beginsel op de beslaglegger. Uw Raad overwoog in zijn arrest van 13 februari 2009 ter zake als volgt:
“3.3 (...) De bewijslast van de stelling dat A. (beslagene, toev. A-G) een vordering op [B] (derde-beslagene, toev. A-G) had, rust op de Ontvanger. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat het hier gaat om een verklaringsprocedure als bedoeld in art. 477a lid 2 Rv. Weliswaar is de derde-beslagene gehouden zijn verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv.), maar het hof heeft niet vastgesteld dat [B] daarin is tekortgeschoten, zodat tot uitgangspunt dient dat [B] zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd. Het hiervoor gegeven bewijsaanbod van [B] dient te worden gekwalificeerd als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs door getuigen. Aan een dergelijk bewijsaanbod mag niet de eis gesteld worden dat het gespecificeerd is. (...)”
In literatuur en rechtspraak wordt hieruit afgeleid dat op de derde-beslagene een verzwaarde stel- of (beter:) motiveringsplicht rust ten aanzien van zijn verweer, in die zin dat hij zijn verklaring zoveel mogelijk moet staven met gegevens en bescheiden als bedoeld in art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv. In het genoemde arrest van 13 februari 2009 hield dit verweer in dat niet de derde-beslagene zelf, maar een derde een schuld had aan de beslagene. Het verweer betrof aldus het bestaan van een (initiële) vordering van de beslagene op de derde-beslagene als zodanig. In een arrest van 25 maart 1994 heeft uw Raad de hier bedoelde verdeling van stelplicht en bewijslast echter ook toegepast op een verweer dat buiten het geval van beslaglegging pleegt te worden gekwalificeerd als een bevrijdend verweer, ten aanzien waarvan de stelplicht en bewijslast op de debiteur rusten: een beroep op bevrijdende betaling aan een onbevoegde derde (art. 6:34 BW). Uw Raad overwoog dat op de beslaglegger de bewijslast rust van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de derde-beslagene niet op redelijke gronden heeft aangenomen dat de derde tot de betaling gerechtigd was, waarbij van de derde-beslagene wel kan worden verlangd dat hij voldoende gegevens verstrekt ter motivering van zijn stelling dat hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat hij de derde als de schuldeiser mocht beschouwen. De verklaring voor deze afwijking c.q. processuele bescherming van de derde-beslagene moet mogelijk worden gezocht in de gedachte dat de derde-beslagene buiten het geschil tussen beslaglegger en beslagene staat en alleen maar een verklaring hoeft af te leggen; het is aan de beslaglegger om te stellen en zo nodig te bewijzen dat die verklaring onjuist is.
De vraag of een partij voldoende gemotiveerd heeft gesteld of betwist, is van feitelijke aard. Een oordeel daarover kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.
In het onderhavige geval is door de derde-beslagene ter staving van zijn verklaring onder meer een beroep gedaan op (het verrekend zijn van tegenvorderingen uit hoofde van) een viertal “overeenkomsten van geldlening”, die alle gedateerd zijn in de periode 2011-2014.
Tot 1 januari 2017 gold de overeenkomst van geldlening als een species van de overeenkomst van verbruiklening (art. 7A:1793 (oud) BW). Op vóór dat tijdstip gesloten overeenkomsten van geldlening blijft de regeling van titel 7A.14 (oud) BW (Verbruiklening) van toepassing. Volgens deze regeling is verbruikleen (waaronder geldlening) een zogenoemde ‘reële’ overeenkomst, die eerst tot stand komt op het moment waarop het goed (de geldsom) wordt afgegeven (art. 7A:1791 (oud) BW). Naast wilsovereenstemming is deze afgifte dus een constitutief vereiste voor het ontstaan van de overeenkomst van verbruikleen. Vóór de afgifte kan hoogstens een als geldig aan te merken voorovereenkomst tot verbruikleen bestaan.
Volgens vaste rechtspraak van uw Raad is ‘afgifte’ in de zin van art. 7A:1791 (oud) BW ruim te interpreteren. Van geldlening kan sprake zijn wanneer het afgeven in de zin van art. 7A:1791 (oud) BW niet bestaat in het daadwerkelijk ter hand stellen of verstrekken van de overeengekomen geldsom aan de lener zelf. Van geldlening kan met name ook sprake zijn in het geval dat de uitlener een geldsom aan een derde heeft betaald met het oog op het leveren van goederen of diensten door deze aan de lener, op basis van een met de lener gemaakte afspraak dat die dit bedrag zal terugbetalen (kort gezegd: in het geval van voorschieten van een geldsom door betaling daarvan aan een schuldeiser van de lener).
De wettelijke regeling voorziet niet, althans niet uitdrukkelijk, in de mogelijkheid dat een overeenkomst van verbruiklening (geldlening) tot stand komt ten gevolge van afgifte door een ander dan de uitlener. Voor zover mij bekend heeft uw Raad zich over deze vraag nooit gebogen.
Het cassatiemiddel neemt tot uitgangspunt dat uitbetaling van een geldlening kan plaatsvinden door een derde op de voet van art. 6:30 BW.
Bij de reële overeenkomst van verbruikleen/geldlening ontstaan de uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenissen pas op het moment van afgifte. De hoofdverbintenis is dan de op de inlener rustende verbintenis tot terugbetaling. Verbruikleen is een eenzijdige overeenkomst: er ontstaat in de regel op geen enkel moment een (betalings)verplichting aan de zijde van de uitlener. In zoverre is geen ruimte voor nakoming van een verbintenis van de uitlener door een derde op de voet van art. 6:30 BW.
Dat kan mijns inziens anders zijn indien de tussen partijen bereikte wilsovereenstemming aldus moet worden uitgelegd dat voordat de toegezegde zaak (geldsom) aan de andere partij is afgegeven – en dus nog geen overeenkomst van verbruikleen (geldlening) tot stand is gekomen – op de uitlener wel de verplichting rust om eraan mee te werken dat de beoogde overeenkomst tot stand wordt gebracht: de verplichting om de handeling te verrichten waardoor de overeenkomst voltrokken wordt. Dan is sprake van een verbintenis van de uitlener die in beginsel kan worden nagekomen door een derde. Daarvoor is van belang of de inhoud of strekking van de verbintenis zich tegen nakoming door een ander verzet. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarin de belangen van de uitlener zowel als die van de inlener meewegen.
Naar mijn mening hoeft de route van art. 6:30 BW echter niet te worden gevolgd. Niet valt in te zien dat partijen niet, spiegelbeeldig aan de in de rechtspraak aanvaarde mogelijkheid dat zij overeenkomen dat afgifte aan een ander dan de inlener kwalificeert als afgifte in de zin van art. 7A:1793 (oud) BW, kunnen overeenkomen dat afgifte door een ander dan de uitlener kwalificeert als afgifte in de zin van die bepaling.
Ten slotte wordt aangenomen dat ‘afgifte’ van de geldsom ook kan worden bewerkstelligd door schuldvernieuwing, waarbij een bestaande schuld – bijvoorbeeld uit koop – wordt vervangen door een schuld uit geldlening. In het verlengde hiervan valt aan te nemen dat het partijen ook vrijstaat een reeds verstrekte geldsom achteraf aan te merken als een in verbruikleen gegeven som.
Tegen deze achtergrond ga ik over tot de bespreking van het cassatiemiddel.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het hof dat, samengevat, [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat hij vóór de beslagdatum een verrekenbare tegenvordering op [betrokkene 1] heeft verkregen die de beslagen vordering overtreft.
De gestelde tegenvordering betreft uitgaven, verricht (a) dóór [eiser] dan wel aan hem gelieerde vennootschappen, (b) áán derden (crediteuren van [betrokkene 1] ) ten behoeve van [betrokkene 1] , en (c) áán [betrokkene 1] dan wel een aan haar gelieerde vennootschap.
Ten betoge dat [betrokkene 1] ter zake van deze uitgaven een (terug)betalingsverplichting heeft aan [eiser] , heeft [eiser] in de loop van de procedure een aantal grondslagen aangevoerd. De rechtbank heeft de volgende grondslagen gedestilleerd:
(i) vier overeenkomsten van geldlening, waarvan de in het geding gebrachte schriftelijke overeenkomsten dwingend bewijs opleveren;(ii) een ‘feitelijke’ of ‘soort’ rekening-courantverhouding;(iii) met betrekking tot indirecte betalingen: een overeenkomst tussen alle betrokkenen ( [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken gelieerde vennootschap(pen)) dat die betalingen een vordering van [eiser] op [betrokkene 1] opleveren.
Kennisneming van de processtukken levert voorts nog de volgende grondslagen op:
(iv) afspraken tussen [betrokkene 1] en [eiser] dat een bepaalde uitgave/post geldt als lening;(v) met betrekking tot indirecte betalingen: een afspraak tussen [eiser] en [betrokkene 1] dat die betalingen gelden als lening.
De stellingen omtrent genoemde grondslagen zijn niet steeds even helder. Met name wordt niet aanstonds duidelijk hoe deze grondslagen zich tot elkaar verhouden (of daartussen wellicht enige overlap bestaat), noch – daarmee samenhangend – welke uitgave (of categorie van uitgaven) op welke grondslag door [betrokkene 1] aan [eiser] zou moeten worden vergoed. Illustratief is dat [eiser] lijkt te stellen dat partijen dóór het sluiten van de vier leningsovereenkomsten (met als bestedingsdoel de Vlaskamp-facturen en woningverbeteringen) ‘feitelijk’ een rekening-courant hebben gecreëerd ter zake van álle ten behoeve van [betrokkene 1] verrichte uitgaven, terwijl dit beperkte bestedingsdoel de rechtbank er juist toe brengt om náást de vier leningsovereenkomsten als zelfstandig gestelde grondslag ‘een soort van rekening-courantverhouding’ te onderscheiden. Dit zou stroken met het feit dat de leningsovereenkomsten een geleend bedrag van in totaal € 350.000 belopen, terwijl de beweerdelijke schulden van [betrokkene 1] een bedrag van (tenminste) ruim € 375.000 belopen.
Voorts is het niet zuiver om het begrip rekening-courant te gebruiken als aanduiding voor een grondslag voor het ontstaan van betalingsverplichtingen. Een rekening-courant schept immers geen vorderingen en schulden, zij veronderstelt juist het bestaan ervan. In het laatste processtuk in appel is toegelicht dat de stelling van [eiser] dat partijen ‘feitelijk een rekening-courantverhouding hebben gecreëerd’ aldus moet worden verstaan dat partijen zijn overeengekomen dat door [eiser] ten behoeve van [betrokkene 1] verrichte en te verrichten betalingen evenzovele schulden van [betrokkene 1] aan [eiser] (zullen) opleveren. Het gaat dan in wezen om een in gedeelten opneembare kredietfaciliteit van € 350.000.
Het cassatiemiddel bestaat uit (een inleiding en) zeven onderdelen. De onderdelen 1 t/m 6 zijn steeds in genummerde subonderdelen onderverdeeld. Onderdeel 7 bevat een voortbouwklacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Onderdeel 1: leningsovereenkomsten en betalingen Vlaskamp-facturen
Onderdeel 1 is gericht tegen de gronden waarop het hof in rov. 5.6-5.11 tot het oordeel komt dat uit de door [eiser] overgelegde gegevens en bescheiden niet is gebleken dat de betaling van de Vlaskamp-facturen heeft geresulteerd in een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] (rov. 5.12). Het is onderverdeeld in zes subonderdelen.
Subonderdeel 1.1 geeft onder (i) t/m (vii) een samenvatting van het bestreden oordeel; het bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof met het onder (i) t/m (vii) samengevatte oordeel miskent dat een leninggever zijn verplichting tot uitbetaling van een aan de leningnemer krachtens overeenkomst geleend bedrag ook kan nakomen door de voldoening door de leninggever dan wel een aan hem gelieerde vennootschap van betalingsverplichtingen van die leningnemer aan derden (in casu: Vlaskamp). Daartoe is volgens het subonderdeel niet vereist dat leninggever, leningnemer en de betalende vennootschap een overeenkomst sluiten met de strekking dat door de betaling aan de derde een lening ontstaat. Evenmin is daartoe vereist dat het in de leningsovereenkomst overeengekomen leningsbedrag in één keer volledig wordt voldaan. Althans zou het hof miskennen dat partijen kunnen overeenkomen dat betalingen die zijn verricht dóór de ene partij dan wel een aan haar gelieerde vennootschap áán of ten behoeve van de andere partij dan wel een aan haar gelieerde vennootschap, kwalificeren als lening. Deze kwalificatie kan volgens het middel ook plaatsvinden nadat de betalingen door de leninggever of de aan deze gelieerde vennootschap zijn verricht.
Deze klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het subonderdeel valt ten eerste kennelijk over de overweging van het hof dat geen bewijs is geleverd van “overmaking van de geldbedragen” en dat er “niet (...) in vier tranches geldbedragen door hem aan [betrokkene 1] zijn uitgeleend.” (zie subonderdeel 1.1 onder (i)).
Deze overwegingen maken deel uit van rov. 5.6 (met als kop “Bewijskracht leningen 1-4”), waarin het hof respondeert op de grief van [eiser] tegen het oordeel van de rechtbank dat de vier overgelegde leningsovereenkomsten op grond van art. 157 Rv jegens Dennestaete geen dwingend bewijs opleveren van de gestelde geldleningen, nu Dennestaete daarbij geen partij was. Het hof oordeelt dat [eiser] bij die grief geen belang heeft. Indien art. 157 lid 2 Rv al van toepassing zou zijn in het onderhavige geschil tussen [eiser] en Dennestaete, heeft volgens het hof te gelden dat Dennestaete het in die bepaling bedoelde dwingend bewijs heeft ontzenuwd door (i) er onweersproken op te wijzen dat zij [eiser] meermaals heeft gevraagd bewijs van overmaking van de geldbedragen te verschaffen, maar [eiser] dit heeft nagelaten en (ii) erop te wijzen dat ook uit de stellingen van [eiser] zelf kan worden afgeleid dat er niet – zoals uit de bewoordingen van lening 1-4 zou volgen – in vier tranches geldbedragen door hem aan [betrokkene 1] zijn uitgeleend. Het hof komt tot het oordeel dat [eiser] zijn betwisting de schuldenaar van [betrokkene 1] te zijn niet kan staven met een beroep op dwingende bewijskracht van de vier overgelegde onderhandse leningsovereenkomsten.
Anders dan de klacht veronderstelt, ligt in de bestreden overweging niet de rechtsopvatting besloten dat een leninggever zijn verplichting tot uitbetaling van het geleende bedrag uitsluitend kan nakomen door overmaking van het gehele bedrag aan de leningnemer, en dat hij dat niet kan doen doordat – kort gezegd – door hem (of een gelieerde vennootschap) schulden van de leningnemer aan derden (in casu: Vlaskamp) worden voldaan. Evenmin ligt daarin de rechtsopvatting besloten dat partijen niet (achteraf) met een leningsovereenkomst kunnen overeenkomen dat dergelijke betalingen kwalificeren als lening. De overweging moet immers worden gelezen in het licht van de door [eiser] gepretendeerde dwingende bewijskracht van de vier leningsovereenkomsten (art. 157 lid 2 Rv). Een oordeel dienaangaande vergt de vaststelling van hetgeen de akte bewijst en daarmee een uitleg van de in de akte afgelegde verklaring. Volgens uw Raad komt het daarbij aan op “(uitleg van) alleen die akte zelf”, waarmee kennelijk gezegd is dat bij de uitleg wat betreft de in aanmerking te nemen omstandigheden alleen mag worden gelet op de akte zelf. Het hof heeft die (taalkundige) uitleg gegeven (“– zoals uit de bewoordingen van lening 1-4 zou volgen –”). Het leest in elk van de vier overeenkomsten de verklaring van [betrokkene 1] dat er een geldbedrag door [eiser] aan [betrokkene 1] is uitgeleend c.q. overgemaakt. Het bestreden oordeel van het hof houdt dus niet méér in dan dat de waarheid van die verklaring door Dennestaete is weerlegd.
In de tweede plaats keert het subonderdeel zich kennelijk tegen de overwegingen van het hof (in rov. 5.9 en 5.10) dat voor het ontstaan van vorderingen van [eiser] op [betrokkene 1] uit hoofde van de voldoening door aan [eiser] gelieerde vennootschappen van de Vlaskamp-facturen nodig is dat (uit door [eiser] in het geding gebrachte gegevens en bescheiden) blijkt dat er een afspraak is gemaakt tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betreffende vennootschappen, die inhield dat het aldus betalen van de facturen van Vlaskamp zou resulteren in een geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé (zie subonderdeel 1.1 onder (ii) en (iii)).
Hieraan ligt niet de rechtsopvatting ten grondslag dat voor het ontstaan van vorderingen van [eiser] op [betrokkene 1] een daartoe strekkende overeenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] niet volstaat maar tevens betrokkenheid van de betreffende vennootschap vereist is. Met die overwegingen grijpt het hof kennelijk terug op de eigen – door de rechtbank gepasseerde en vervolgens in hoger beroep gehandhaafde – stelling van [eiser] dat alle betalingen van door [eiser] beheerste vennootschappen aan (een vennootschap van) [betrokkene 1] een vordering van [eiser] op [betrokkene 1] opleverden omdat “dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen” ofwel “tussen alle betrokkenen is overeengekomen” (zie ook rov. 5.7 van het bestreden arrest). Het hof oordeelt slechts dat [eiser] onvoldoende bescheiden en gegevens heeft overgelegd ter staving van hetgeen hij zelf heeft aangevoerd, te weten het bestaan van een meerpartijenovereenkomst tussen [betrokkene 1] , [eiser] en de betalende vennootschappen.
Subonderdeel 1.3 berust op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat betalingen door een ander dan de leninggever (in casu: de gelieerde vennootschap) niet kunnen worden gekwalificeerd als voldoening van de op deze leninggever rustende verplichting tot uitbetaling van het geleende bedrag. Het klaagt dat het hof in dat geval heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het zou hebben miskend dat een derde op de voet van art. 6:30 BW een verbintenis van de schuldenaar kan nakomen, tenzij de aard of inhoud daarvan zich hiertegen verzet. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de aard of inhoud van de verplichting tot uitbetaling van een geleende geldsom zich tegen voldoening door een derde verzet, is dat oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
Bij deze klacht staat voorop dat, zoals hiervoor is uiteengezet (onder 4.11-4.14), in het kader van geldlening als reële overeenkomst geen ruimte is voor nakoming van een verbintenis van de uitlener door een derde op de voet van art. 6:30 BW. De hier bedoelde kwestie vertaalt zich in de vraag of betaling door een ander dan de uitlener kan worden aangemerkt als ‘afgifte’ van de geleende som als voor de totstandkoming van de overeenkomst vereist is. Ik heb aangeven dat partijen zulks kunnen overeenkomen.
Het hof geeft er geen blijk van de mogelijkheid van ‘afgifte’ door middel van betaling door een derde te hebben miskend. Het heeft in rov. 5.9 geoordeeld dat het bestaan van een meerpartijenafspraak als door [eiser] gesteld (dat de betalingen door de aan [eiser] gelieerde vennootschappen resulteren in een oplopende schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] ) niet voldoende door [eiser] is onderbouwd. Deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag.
Het middel klaagt in subonderdeel 1.4 dat het hof zijn oordeel met betrekking tot de Vlaskamp-facturen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel om een zestal redenen ((a) t/m (f)) niet in te zien waarom de betalingen door (aan) [eiser] (gelieerde vennootschappen) van de Vlaskamp-facturen niet – zoals [eiser] heeft aangevoerd – zijn aan te merken als voldoening van de verplichting van [eiser] tot uitbetaling van de op grond van de leningsovereenkomsten aan [betrokkene 1] geleende bedragen, althans door [eiser] en [betrokkene 1] krachtens de leningsovereenkomsten als lening aan [betrokkene 1] zijn aangemerkt.
In het subonderdeel wordt kennelijk gedoeld op het volgende betoog van [eiser] in zijn conclusie van dupliek:
“3.4 Het was van meet af aan duidelijk dat [betrokkene 1] al die verschillende betalingen door [eiser] moest terugbetalen. Om dat vast te leggen, hebben zij in de loop van de tijd vier leningsovereenkomsten gesloten (productie 1 bij conclusie van antwoord). Feitelijk hebben [eiser] en [betrokkene 1] daardoor een rekening-courantverhouding gecreëerd. Zoals ook in de leningsovereenkomsten is bepaald, zijn de leningen verstrekt door het verrichten van diverse betalingen.3.5 Die betalingen heeft [eiser] altijd bijgehouden in een Excel-bestand met verschillende tabbladen. (...)
In de leningsovereenkomsten hebben partijen namelijk willen vastleggen dat [eiser] de leningen verstrekte door het verrichten van diverse betalingen die op dat moment al deels waren verricht. Zoals gezegd hebben [eiser] en [betrokkene 1] daardoor feitelijk een rekening-courantverhouding gecreëerd.”
welk betoog bij memorie van antwoord in incidenteel appel als volgt is verduidelijkt:
“3.3 Het gaat om de uitleg van de vier overeenkomsten van geldlening (...). De stellingen van [eiser] komen erop neer dat hij vele betalingen heeft verricht voor [betrokkene 1] en dat van meet af aan duidelijk was dat die betalingen geen giften betroffen, maar dat die moesten worden terugbetaald. Ter vastlegging daarvan hebben [eiser] en [betrokkene 1] de vier overeenkomsten van geldlening opgesteld waarin ook met zoveel woorden staat dat het verstrekte bedrag (gedeeltelijk) is aangewend ter voldoening van diverse kosten (door [eiser] voor [betrokkene 1] ). Ook hield [eiser] de vele betalingen bij in Excel-bestanden. Deze handelwijze heeft de advocaat van [eiser] samengevat als een rekening-courantverhouding en nader toegelicht in (paragraaf 3.4 en verder van) de conclusie van dupliek in eerste aanleg.”
Dit betoog komt er in de kern op neer dat [eiser] en [betrokkene 1] een viertal (schriftelijk vastgelegde) leningsovereenkomsten hebben gesloten, welke overeenkomsten – gelet op de partijbedoeling en de tekst – aldus moeten worden uitgelegd dat alle door [eiser] ten behoeve van [betrokkene 1] reeds verrichte en nog te verrichten uitgaven, kort gezegd, geschied(d)en ten titel van lening.
Het subonderdeel verwijt het hof dat het [eiser] ten aanzien van de Vlaskamp-facturen niet in deze stelling is gevolgd, hetgeen onbegrijpelijk zou zijn in het licht van (a) het vermelde bestedingsdoel (de Vlaskamp-facturen) en (c) het bijhouden van een Excel-bestand, terwijl (b) het feit dat geen bewijs is overgelegd van betaling in vier tranches niet meebrengt dat geen lening is verstrekt ter zake van de Vlaskamp-facturen, (d) het op die grond ontzeggen van dwingende bewijskracht aan de leningsovereenkomsten geen begrijpelijke respons is op het betoog van [eiser] , en (f) de tenaamstelling van de facturen juist met deze stelling in lijn is.
Op zichzelf ziet genoemde stelling betreffende de gesloten overeenkomsten en de daaraan te geven uitleg op een ‘gegeven’ dat kan worden aangevoerd ter staving van de verklaring derdenbeslag. Voorts nemen de klachten onder (b) en (d) terecht tot uitgangspunt dat het (op taalkundige uitleg van de schriftelijke verklaring gebaseerde) oordeel van het hof omtrent de dwingende bewijskracht van de schriftelijke contracten (rov. 5.6) moet worden onderscheiden van een oordeel over de uitleg van de daarin opgetekende rechtshandelingen/overeenkomsten aan de hand van (onder meer) de partijbedoelingen (Haviltex-norm). Deze en de overige klachten kunnen [eiser] echter niet baten. Het gaat hier om betaling van de 40 Vlaskamp-facturen dóór aan [eiser] gelieerde vennootschappen (rov. 5.9). In de aangehaalde stellingen van [eiser] valt niet te lezen dat krachtens de leningsovereenkomsten ook betalingen door derden (anderen dan [eiser] in privé) als (uitbetaling van) een lening kwalificeren. Integendeel, in reactie op de betwisting door Dennestaete dat tussen partijen zou zijn afgesproken dat ook indirecte betalingen hebben te gelden als leningen, heeft [eiser] zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat indirecte betalingen wel een vordering van [eiser] op [betrokkene 1] opleveren omdat “dat zo is overeengekomen tussen [eiser] en [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen”. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof de leningsovereenkomsten niet heeft betrokken in zijn oordeel aangaande de Vlaskamp-facturen en in rov. 5.9 uitsluitend heeft onderzocht of het bestaan van een meerpartijenovereenkomst ter zake voldoende is gestaafd.
Hierop stuit ook de klacht in subonderdeel 1.4 onder (e) af.
Subonderdeel 1.5 keert zich tegen de overweging dat [eiser] geen verklaringen heeft overgelegd van de betreffende vennootschappen en [betrokkene 1] die het bestaan van de afspraak dat de betalingen van de Vlaskamp-facturen zijdens [eiser] resulteerden in een lening tussen [eiser] en [betrokkene 1] ondersteunen, bij gebreke waarvan niet valt in te zien dat en waarom de betalingen door die vennootschappen aan Vlaskamp hebben geleid tot een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé (rov. 5.9). Geklaagd wordt dat het hof daarmee miskent dat de derde-beslagene op de voet van art. 166 lid 1 Rv (jo. 353 Rv) steeds toegelaten moet worden tot zijn aanbod tot (tegen)bewijs van stellingen die tot beslissing van de zaak kunnen leiden door middel van het horen van getuigen, waaraan niet afdoet dat de derde-beslagene op de voet van art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv zijn verklaring met zoveel mogelijk gegevens en bescheiden moet staven. Volgens subonderdeel 1.6 is het oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] meermaals (specifiek) te bewijzen heeft aangeboden dat is overeengekomen dat de (indirecte) betalingen (via de gelieerde vennootschappen) zijdens [eiser] van de Vlaskamp-facturen hebben geleid tot een lening van [eiser] aan [betrokkene 1] . Het hof mocht dat (tegen)bewijsaanbod niet passeren, nu (i) het gaat om een stelling die relevant is voor de beslissing van het geschil en (ii) gelet op de op [eiser] rustende betwistingslast aan zijn bewijsaanbod geen specificiteitseis mocht worden gesteld.
Deze klachten falen. Zoals hiervoor (onder 4.4 e.v.) is uiteengezet, rust op de derde-beslagene een verzwaarde stelplicht ten aanzien van zijn verweer, in die zin dat hij zijn verklaring zoveel mogelijk moet staven met gegevens en bescheiden als bedoeld in art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv. In de bestreden overweging ligt besloten dat [eiser] niet aan zijn verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Volgens de rechtspraak van uw Raad is het in een dergelijk geval aan het beleid van de rechter overgelaten welke sanctie c.q. bewijsrechtelijke gevolgen hij daaraan verbindt. Uw Raad noemt als mogelijkheden: (i) de stellingen van de wederpartij worden als onvoldoende betwist op de voet van art. 149 Rv als vaststaand aangenomen, (ii) de stellingen van de wederpartij worden voorshands bewezen geacht, behoudens tegenbewijs door de partij op wie de verzwaarde stelplicht rust, (iii) de bewijslast wordt op de voet van de uitzondering van art. 150 Rv omgekeerd. Daarbij is opgemerkt dat het in de regel meer voor de hand zal liggen dat de rechter kiest voor sancties (i) en (ii) dan voor sanctie (iii). Het hof heeft kennelijk gekozen voor sanctie (i). Daartoe had het de vrijheid.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2: betalingen door [eiser] aan derden ten behoeve van [betrokkene 1]
Onderdeel 2 ziet op het oordeel van het hof in rov. 5.13 met betrekking tot de opgevoerde betalingen door [eiser] aan derden (American Express, Streefkerk Advocaten, een aanslag van de gemeente Wassenaar) ad in totaal € 26.271 (zie ook eindvonnis, rov. 2.16-2.19). Het hof komt tot het oordeel dat uit de overgelegde gegevens en bescheiden niet is gebleken dat die betalingen en uitgaven in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé hebben geresulteerd.
Subonderdeel 2.1 geeft onder (i) t/m (iii) de gronden van de beslissing weer. Deze komen er samengevat op neer dat [eiser] herhaaldelijk zijn betrokkenheid bij het financiële reilen en zeilen van [betrokkene 1] heeft getoond en haar meermaals de (financieel) helpende hand heeft toegestoken, dat (aard en omvang van de) betalingen en uitgaven het beeld geven dat [eiser] over een langere tijd bereid is geweest financieel bij te dragen aan een bepaalde levensstandaard van zijn relatie [betrokkene 1] en dat pas nadat [betrokkene 1] door het hof was veroordeeld tot terugbetaling het standpunt is betrokken dat de betalingen en uitgaven een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] hebben opgeleverd.
Volgens subonderdeel 2.2 miskent het hof met dit oordeel dat een leninggever zijn verplichting tot uitbetaling van het aan de leningnemer geleende bedrag ook kan nakomen door de voldoening door de leninggever van betalingsverplichtingen van de leningnemer jegens derden, althans dat partijen (achteraf) kunnen overeenkomen dat zulke betalingen worden aangemerkt als lening. In ieder geval, zo klaagt subonderdeel 2.3, is het oordeel van het hof in rov. 5.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) ingaat op [eiser] essentiële betoog dat de betalingen geschiedden uit hoofde van de leningsovereenkomsten, althans dat die overeenkomsten zijn gesloten om het leningskarakter daarvan vast te leggen. Indien het hof de overwegingen in rov. 5.6 aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, vormen die geen begrijpelijke reactie op dat betoog, aldus de klacht.
Deze klachten slagen. Zoals uit de hiervoor onder 5.20 geciteerde passages uit de gedingstukken blijkt, heeft [eiser] aangevoerd dat [eiser] en [betrokkene 1] leningsovereenkomsten hebben gesloten welke er naar hun bedoeling toe strekken dat alle door [eiser] verrichte uitgaven moeten worden terugbetaald en dat de leningen worden verstrekt door het verrichten van die betalingen. Het hof is op dat betoog niet ingegaan. Daardoor heeft het hetzij miskend dat betalingen krachtens overeenkomst kunnen kwalificeren als (uitbetaling van) leningen, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 2.4 keert zich tegen de overweging (in rov. 5.13) dat het standpunt dat de betalingen door [eiser] ten bate van [betrokkene 1] een schuld van [betrokkene 1] opleveren, pas is betrokken nadat het hof het vonnis tussen Dennestaete en [betrokkene 1] had vernietigd en [betrokkene 1] gehouden was tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis had ontvangen. Het klaagt dat dit geen begrijpelijke respons op [eiser] betoog vormt. De leningsovereenkomsten stammen – ook volgens de vaststelling van het hof (rov. 3.5) – allemaal uit de periode 2011-2014. Hiermee verhoudt zich niet dat [eiser] de stelling van het leningskarakter van de betalingen pas na het van 9 februari 2016 daterende arrest van het hof zou hebben betrokken.
De bestreden overweging houdt kennelijk rekening met de mogelijkheid (“veeleer rijst het beeld”) dat waar is wat Dennestaete heeft aangevoerd, te weten dat [eiser] en [betrokkene 1] zich in andere procedures, waaronder een WSNP-procedure, juist op het standpunt hebben gesteld dat de betalingen op vrijgevigheid berustten. Zij vormt echter geen begrijpelijke weerlegging van de stelling van [eiser] dat hij en [betrokkene 1] in 2011-2014 vier overeenkomsten hebben gesloten op grond waarvan de door [eiser] verrichte en te verrichten uitgaven hebben te gelden als (uitbetaling van) een lening. De klacht slaagt.
Subonderdeel 2.5 klaagt dat het hof [eiser] in ieder geval ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs dat [eiser] en [betrokkene 1] zijn overeengekomen dat de betalingen in een lening resulteren.
Gelet op het slagen van de subonderdelen 2.2 en 2.3 behoeft deze klacht geen bespreking. Wat betreft de procedure na verwijzing kan worden opgemerkt dat het verwijzingshof zal moeten ingaan op het beroep van [eiser] , in het kader van zijn verzwaarde motiveringsplicht, op het bestaan van (een tegenvordering uit hoofde van) een viertal overeenkomsten die aldus moeten worden uitgelegd dat de door [eiser] verrichte en te verrichten uitgaven hebben te gelden als (uitbetaling van) een lening. Dennestaete heeft dit betoog betwist. Indien het verwijzingshof tot het oordeel zou komen dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is het aan zijn beleid overgelaten welke bewijsrechtelijke gevolgen het daaraan verbindt (zie hiervoor onder 5.26). Indien het verwijzingshof zou oordelen dat [eiser] wel aan zijn stelplicht heeft voldaan maar vervolgens tot het oordeel zou komen dat Dennestaete bewijs heeft geleverd van feiten en omstandigheden die meebrengen dat geen sprake is van overeenkomsten met de gestelde inhoud (vgl. hiervoor onder 4.5), is het gehouden [eiser] toe te laten tot het leveren van het door hem aangeboden tegenbewijs door getuigen ter zake de overeenkomsten en hun inhoud.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 2 gedeeltelijk doel treft.
Onderdeel 3: betalingen door [eiser] aan Esan Holding B.V.
Onderdeel 3 ziet op het oordeel van het hof in rov. 5.14 met betrekking tot de opgevoerde betalingen door [eiser] aan Esan Holding B.V. (een destijds aan [betrokkene 1] gelieerde vennootschap) ad in totaal € 28.000 (zie ook eindvonnis, rov. 2.20-2.21). Het hof komt tot het oordeel dat uit de overgelegde gegevens en bescheiden niet kan worden afgeleid dat die betalingen in een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé hebben geresulteerd.
Subonderdeel 3.1 geeft de gronden van de beslissing weer. Deze houden samengevat in dat (i) niet is gebleken van een daartoe strekkende afspraak tussen [eiser] , [betrokkene 1] en Esan, en (ii) geen verklaringen van Esan en [betrokkene 1] zijn overgelegd die het bestaan van zo’n afspraak ondersteunen.
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat voor het ontstaan van een schuldverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] met betrekking tot de betalingen van [eiser] aan Esan niet vereist is dat een overeenkomst tussen [eiser] , [betrokkene 1] en Esan is gesloten met de strekking dat die betalingen een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] opleveren; een overeenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] volstaat. In ieder geval, zo klaagt subonderdeel 3.3, is het hof niet (voldoende kenbaar) ingegaan op [eiser] essentiële stelling dat de betalingen aan Esan werden gedaan ter nakoming van [eiser] verplichting tot uitbetaling van de geleende bedragen uit hoofde van de leningsovereenkomsten althans de leningsovereenkomsten deze betalingen als lening kwalificeren.
Deze klachten falen mutatis mutandis op de gronden als aangegeven hiervoor onder 5.15 (vgl. ook 5.23): het hof grijpt terug op de eigen stelling van [eiser] dat indirecte betalingen (in casu: aan een vennootschap van [betrokkene 1] ) een vordering op [betrokkene 1] in privé opleveren omdat dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschap.
De subonderdelen 3.4 en 3.5 bevatten een herhaling van de klachten in de subonderdelen 1.5 respectievelijk 1.6. Deze falen op de hiervoor onder 5.26 aangegeven gronden.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 3 tevergeefs is voorgesteld.
Onderdeel 4: betalingen door [A] en [B] aan Esan en anderen
Onderdeel 4 ziet op het oordeel van het hof met betrekking tot de opgevoerde betalingen door [A] B.V. (een aan [eiser] gelieerde vennootschap) aan Esan (rov. 5.15) respectievelijk aan verschillende derden (rov. 5.16), in totaal ten belope van € 77.067,68 (zie ook eindvonnis, rov. 2.22-2.27). Voorts ziet het op betalingen door [B] B.V. aan Esan ad in totaal € 52.500 (zie ook eindvonnis, rov. 2.31). Het hof komt tot het oordeel dat niet voldoende is onderbouwd dat die betalingen een schuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé hebben doen ontstaan.
Subonderdeel 4.1 geeft onder (i) t/m (vi) de gronden van de beslissing weer.
Subonderdeel 4.2 stelt voorop dat de onder (i) t/m (vi) weergegeven oordelen niet in stand kunnen blijven omdat zij mutatis mutandis om dezelfde redenen als in onderdeel 1.2-1.6 en 3.2-3.5 onjuist/en of onbegrijpelijk gemotiveerd zijn. Voor zover nodig worden die klachten in de subonderdelen 4.3 e.v. herhaald en toegespitst op de hier centraal staande betalingen.
Subonderdeel 4.3 berust op de lezing dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.15, eerste volzin, heeft geoordeeld dat productie 21 onvoldoende bewijs oplevert van de betalingen door [A] aan Esan en derden. Het klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat productie 21 een lijst van betalingen en betalingsbewijzen bevat.
De klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat de productie geen bewijs oplevert van de door [A] verrichte betalingen, maar dat het overgelegde overzicht niet voldoet ter staving van het bestaan van een schuldverhouding tussen [betrokkene 1] in privé en [eiser] in privé.
Volgens subonderdeel 4.4 heeft het hof miskend dat voor het ontstaan van een schuldverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] met betrekking tot de door (naar ik begrijp:) [A] respectievelijk [B] aan Esan verrichte betalingen niet is vereist dat een overeenkomst tussen [eiser] , [betrokkene 1] , [A] / [B] en Esan is gesloten met de strekking dat deze betalingen een geldschuld van [betrokkene 1] aan [eiser] opleveren. Daartoe volstaat volgens het subonderdeel een overeenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] .
Deze klacht faalt mutatis mutandis op de gronden als aangegeven hiervoor onder 5.15 (vgl. ook 5.23): het hof grijpt terug op de eigen stelling van [eiser] dat indirecte betalingen c.q. vermogensverschuivingen tussen de betrokken vennootschappen een vordering van [eiser] in privé op [betrokkene 1] in privé opleveren omdat dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen.
Subonderdeel 4.5 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het heeft geoordeeld dat betalingen door een ander dan de uitlener (in dit geval door [A] en [B] ) niet zijn aan te merken als voldoening van de verplichting tot uitbetaling van het geleende bedrag.
Deze klacht vormt een herhaling van de klacht in subonderdeel 1.3. Zij faalt mutatis mutandis op de hiervoor onder 5.17-5.18 vermelde gronden.
Volgens subonderdeel 4.6, eerste klacht, is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de betalingen door [A] en [B] aan Esan en aan de andere derden niet werden gedaan ter nakoming van [eiser] verplichting tot uitbetaling van het op grond van de leningsovereenkomsten uitgeleende bedrag, althans de leningsovereenkomsten deze betalingen als lening kwalificeren, zoals [eiser] heeft aangevoerd. Het ontbreken van een overeenkomst tussen [betrokkene 1] , [eiser] [A] respectievelijk [B] en Esan vormt daarop volgens het subonderdeel geen begrijpelijke respons, aangezien een dergelijke overeenkomst niet vereist is, terwijl de leningsovereenkomsten en [eiser] stellingen daarover wel tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] als gevolg van deze betalingen aan [eiser] . Volgens de tweede klacht is de overweging dat [A] en Esan in de leningsovereenkomsten niet zijn genoemd geen begrijpelijke respons op [eiser] betoog, althans is het oordeel van het hof onjuist. Ook zonder expliciet alle partijen te vermelden door wie of aan wie betalingen zijn gedaan, kunnen partijen immers beoogd hebben te voldoen aan de uitbetalingsverplichting uit de leningsovereenkomst respectievelijk kunnen partijen de betalingen als lening hebben willen betitelen, aldus het subonderdeel. De derde klacht in subonderdeel 4.6 gaat uit van de lezing dat het hof rov. 5.6 aan zijn oordeel ten grondslag heeft willen leggen. Het klaagt dat dit geen voldoende gemotiveerde respons is op [eiser] stellingen.
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De eerste twee klachten falen mutatis mutandis op de gronden aangegeven bij de bespreking van subonderdeel 1.4 (zie hiervoor onder 5.23). Zij zien eraan voorbij dat het [eiser] zelf is geweest die zich uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat indirecte betalingen een vordering van [eiser] op [betrokkene 1] opleveren omdat “dat zo is overeengekomen tussen [eiser] en [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen”. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof in zijn oordeel aangaande de door [A] en [B] verrichte uitgaven uitsluitend heeft onderzocht of het bestaan van een meerpartijenovereenkomst ter zake voldoende is gestaafd. De derde klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag.
De subonderdelen 4.7, 4.8 en 4.9 behelzen in de kern een herhaling van de klachten in de subonderdelen 1-5-1.6 en 3.4-3.5. Zij falen mutatis mutandis op dezelfde gronden als vermeld hiervoor onder 5.26.
Onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5: betalingen door [eiser] in privé aan [betrokkene 1] in privé en Esan
Onderdeel 5 ziet op het oordeel van het hof (rov. 5.18) met betrekking tot de betalingen die [eiser] in privé rechtstreeks aan (i) [betrokkene 1] in privé en (ii) Esan heeft gedaan en die volgens het hof door de rechtbank (eindvonnis, rov. 2.28) zouden zijn vastgesteld op een bedrag van in totaal € 26.500.
Subonderdeel 5.1 vat het bestreden oordeel samen. Dit komt erop neer dat niet is gebleken dat de voor het merendeel onder de vermelding “bijdrage” naar [betrokkene 1] in privé overgeboekte bedragen hebben geresulteerd in een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] . De aard en omvang van de vele betalingen die [eiser] – rechtstreeks dan wel via zijn vennootschappen – over een langere periode ten behoeve van [betrokkene 1] heeft gedaan of laten doen wijzen erop dat hij zich heeft ingespannen om een bepaalde door zijn relatie [betrokkene 1] nagestreefde levensstijl mogelijk te maken zonder dat dit in een terugbetalingsplicht aan de zijde van [betrokkene 1] zou resulteren. De onder de noemer “bijdrage” door de rechtbank genoemde betalingen van uiteenlopende aard versterken volgens het hof bij gebreke van contra-indicaties dat beeld veeleer dan dat zij het ondergraven. Wat de betalingen van [eiser] aan Esan betreft verwijst het hof naar hetgeen het daarover heeft opgemerkt in rov. 5.14.
Subonderdeel 5.2 klaagt dat het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op het betoog van [eiser] dat de betalingen aan [betrokkene 1] op grond van de leningsovereenkomsten kwalificeren als (uitbetaling van) een lening.
Uit hetgeen ik heb betoogd naar aanleiding van de subonderdelen 2.2 en 2.3 (zie hiervoor onder 5.31) volgt dat deze klacht naar mijn mening dient te slagen.
Subonderdeel 5.3 klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het aanbod van [eiser] tot het leveren van (tegen)bewijs door getuigen van de stelling dat [eiser] en [betrokkene 1] zijn overeengekomen dat deze aan [betrokkene 1] en Esan verrichte betalingen in een lening resulteerden.
Ten aanzien van de betalingen aan [betrokkene 1] behoeft deze klacht geen bespreking (zie hiervoor onder 5.35). Voor de betalingen aan Esan geldt dat zij afstuit op de omstandigheid dat [eiser] het leningskarakter van de betalingen heeft gebaseerd op het bestaan van een meerpartijenovereenkomst (vgl. hiervoor onder 5.40 i.v.m. 5.15/5.23).
Subonderdeel 5.4 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.18 onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat de in productie 22 genoemde betalingen van [eiser] aan [betrokkene 1] optellen tot een bedrag van € 27.887,82 en niet tot een bedrag van € 26.500.
De door [eiser] overgelegde productie 22 vermeldt drie met betalingsbewijzen geadstrueerde categorieën betalingen “vanuit privé” ten bedrage van in totaal € 32.488,24: (a) twee betalingen “naar Esan”, in totaal € 4.600,42;(b) een betaling “naar OZB Gem. Wassenaar” ad € 1.637,82; (c) voor het overige: betalingen “naar privé”, in totaal € 26.250.
De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] in totaal € 26.250 naar [betrokkene 1] heeft overgemaakt, ten aanzien waarvan de onbetwiste vermelding “bijdrage” meebrengt dat onvoldoende is onderbouwd dat die betalingen niet onder het beslag zouden moeten vallen (eindvonnis, rov. 2.28). Met zijn grief 5 heeft [eiser] vervolgens (i) bestreden dat de betaling aan [betrokkene 1] van € 26.250 geen vordering van [eiser] op [betrokkene 1] oplevert (MvG, nr. 3.22) en (ii) betoogd dat de rechtbank eraan voorbij heeft gezien dat in productie 22 tevens twee betalingen aan Esan zijn opgenomen (€ 4.600,42), welke kwalificeren als lening (MvG nr. 3.23).
Hieruit volgt dat niet correct is ’s hofs vaststelling dat [eiser] met zijn vijfde grief bezwaar maakt tegen het oordeel van de rechtbank dat het door [eiser] aan [betrokkene 1] respectievelijk Esan overmaken van bedragen van in totaal € 26.500 niet in een schuld van [betrokkene 1] aan hem hebben geresulteerd (rov. 5.18, eerste volzin). Dat is echter niet waarover wordt geklaagd. De klacht dat de betalingen aan [betrokkene 1] optellen tot een bedrag van € 27.887,82 en niet van € 26.500 faalt bij gemis aan feitelijke grondslag, want zij tellen op tot € 26.250. Voor zover daarmee geklaagd wordt dat het hof in rov. 5.18 naast de betalingen aan [betrokkene 1] ad € 26.250 niet ook de OZB-betaling aan de gemeente c.q. Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland ad € 1637,82 (tezamen € 27.887,82) in de beoordeling heeft betrokken, faalt de klacht. Zij ziet eraan voorbij dat het hof deze post reeds heeft beoordeeld in rov. 5.13, waar het respondeert op de incidentele grief 5 van Dennestaete, die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank (eindvonnis, rov. 2.18) dat de betreffende betaling kwalificeert als lening. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 2 (hiervoor onder 5.28).
Subonderdeel 5.5 keert zich tegen de overweging (rov. 5.18, slot) dat voor zover [eiser] in zijn grief 5 het oog heeft op betalingen aan Esan, verwezen wordt naar het oordeel in rov. 5.14. Betoogd wordt dat de overweging voortbouwt op de door middelonderdelen 3 en/of 4 bestreden oordelen en daarvan dus het lot deelt.
Deze klacht faalt in het voetspoor van de tegen rov. 5.14 gerichte klachten van onderdeel 3.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 5 gedeeltelijk terecht is voorgesteld.
Onderdeel 6: betalingen door [eiser] aan Oskamp Advocaten
Onderdeel 6 ziet op het oordeel van het hof in rov. 5.19 met betrekking tot de opgevoerde voldoening door [eiser] van de facturen van Oskamp Advocaten (zie ook eindvonnis, rov. 2.29-2.30). Het hof komt tot het oordeel dat niet valt in te zien dat en waarom met deze betalingen een geldschuld ter grootte van die betalingen van [betrokkene 1] aan [eiser] is ontstaan.
Subonderdeel 6.1 geeft onder (i) t/m (iii) de gronden van de beslissing weer. Deze komen er samengevat op neer dat indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [betrokkene 1] was gebaat bij in elk geval een deel van de door het advocatenkantoor uitgevoerde werkzaamheden, dit nog niet betekent dat de aan [eiser] gefactureerde bedragen aan [betrokkene 1] konden worden doorbelast en in een schuld harerzijds resulteerden. Er ontbreekt een verklaring van [betrokkene 1] waaruit blijkt dat zij ter zake een schuld jegens [eiser] heeft opgebouwd. Zoals eerder overwogen bestaat een patroon van financiële ondersteuning van [betrokkene 1] door [eiser] .
Subonderdeel 6.2 klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van [eiser] dat de betaling van de facturen plaatsvond ter nakoming van zijn verplichtingen tot uitbetaling van het geleende bedrag, althans partijen deze betalingen als lening kwalificeren.
Deze klacht slaagt. Ik verwijs naar hetgeen ik heb opgemerkt hiervoor onder 5.31.
Subonderdeel 6.3 klaagt dat het hof [eiser] ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs door getuigen dat [eiser] en [betrokkene 1] zijn overeengekomen dat de betalingen van de Oskamp-facturen in een lening resulteren. Deze klacht behoeft geen bespreking.
Belang bij de klachten
Ofschoon de subonderdelen 2.2, 2.3, 2.4, 5.2 en 6.2 terecht zijn voorgesteld, kunnen deze naar mijn mening wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
Zoals in mijn eerdere conclusie is vooropgesteld, is voor verrekening een tot de schuldeiser (in casu: [betrokkene 1] ) gerichte verklaring van de schuldenaar vereist (art. 6:127 lid 1 BW). Verrekening doet de verbintenissen met terugwerkende kracht tot het ontstaan van de verrekeningsbevoegdheid tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan (art. 6:129 lid 1 BW).
Dennestaete heeft zich op het standpunt gesteld dat verrekeningsverklaringen ontbreken en dat uit niets blijkt dat er daadwerkelijk verrekening van de vermeende geldleningen heeft plaatsgevonden. Dit is door [eiser] niet betwist; hij heeft slechts gesteld dat verrekening vormvrij is, waaraan hij zelfs de conclusie heeft verbonden dat een verrekeningsverklaring niet vereist is.
[eiser] heeft niet gesteld of te bewijzen aangeboden dat hij in de periode voorafgaande aan de beslagdatum een of meer (al dan niet stilzwijgende) verrekeningsverklaring(en) tot [betrokkene 1] heeft gericht.
Uit de stelling van [eiser] dat partijen met de leningsovereenkomsten ‘feitelijk’ ‘een soort’ rekening-courantverhouding hebben gecreëerd, volgt niet dat hij een beroep heeft gedaan op (doorlopende) contractuele verrekening. Zoals [eiser] heeft toegelicht, heeft hij hiermee slechts willen aangeven dat door [eiser] ten behoeve van [betrokkene 1] verrichte en te verrichten uitgaven even zovele schulden van [betrokkene 1] (zullen) opleveren (zie hiervoor onder 5.5). [eiser] heeft zich voorts (juist) niet beroepen op doorlopende verrekening van rechtswege op de voet van art. 6:140 BW, dat wil zeggen door boeking van de uitgaven c.q. schulden van [betrokkene 1] in een ‘echte’ rekening-courant.
[eiser] heeft verder niet gesteld of te bewijzen aangeboden dat hij ná de beslagdatum een verrekeningsverklaring tot [betrokkene 1] heeft gericht met betrekking tot de voordien ontstane tegenvorderingen (art. 6:130 lid 2 BW).
Ten overvloede merk ik op dat de vereiste verrekeningsverklaring ook niet geacht kan worden besloten te liggen in de onderhavige betwistingsprocedure als zodanig: deze verklaring moet immers zijn gericht tot de schuldeiser (in casu: [betrokkene 1] ), alvorens de verrekening op de voet van art. 6:130 lid 2 BW kan worden tegengeworpen aan de beslaglegger.
Ten slotte meen ik dat in de procedure na verwijzing geen plaats meer is voor het aanpassen van de verklaring derdenbeslag c.q. een beroep op het inmiddels alsnog hebben uitgebracht van een verrekeningsverklaring aan [betrokkene 1] .
Het voorgaande brengt mee dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat [eiser] niet onderbouwd heeft gesteld dat de (eventuele) tegenvorderingen van hem op [betrokkene 1] daadwerkelijk zijn verrekend.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G