Nummer22/03646
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
3. Het eerste middel bevat een klacht over de strafmotivering. Het tweede middel klaagt over de bewijsvoering van feit 1. Het derde middel bevat klachten over de verwerping van het beroep op noodweerexces en psychische overmacht. Ik bespreek eerst het tweede middel, dan het derde middel en ten slotte het eerste middel. Daaraan voorafgaand geef ik de bewezenverklaring, een deel van de bewijsmiddelen, een deel van ’s hofs overwegingen en delen van het proces-verbaal van de terechtzitting en in hoger beroep weer. Aanvullend vermeld ik kort iets over het procesverloop in eerste aanleg en citeer ik enkele passages uit het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling die niet tot het bewijs zijn gebezigd.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, overwegingen van het hof en delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij op 27 april 2021 te Woerden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen een kogel in de richting van en nabij die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1) Het stamproces-verbaal (…), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 mei 2021 door [verbalisant 1], brigadier, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 27 april 2021, om 16:36 uur is er bij de politie Woerden een melding binnengekomen van een schietpartij op de openbare weg het Tournoysveld in Woerden.
Nadat [verdachte] zich bij de politie gemeld had, is hij aangehouden en is het vuurwapen dat hij meegebracht had, in beslag genomen. Dit ingeleverde vuurwapen, met een patroonhouder met daarin patronen, is door de forensische opsporing van de politie geclassificeerd.
2) Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 december 2021, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als verklaring van verdachte:
Het is allemaal begonnen omdat ik onenigheid kreeg met mijn oom [betrokkene 1], de president van Caloh Wagoh Spijkenisse, over een hennepplantage. Vanaf die tijd ontving ik dreigementen, werd ik opgewacht en werd ‘s nachts aan mijn deur gebeld. Op het moment dat [slachtoffer] er bij kwam, had ik door dat het serieus was.
Ik heb toen een wapen gekocht. Ik kon niets anders bedenken waarmee ik mijzelf wilde verdedigen. Als ik naar buiten ging of naar mijn werk, dan had ik het wapen bij mij.
Op 27 april 2021 stond ik op straat bij het balkon van mijn moeder. Ik stond op het punt om weg te gaan en kreeg in een keer een vuistslag. Ik zag gelijk dat het [slachtoffer] was. In de auto zat een vriend van [slachtoffer]. Ik verdedigde mij tegen [slachtoffer]. Op een moment dat hij iets van mij af stond heb ik het pistool gepakt.
Van de eerste twee schoten ben ik zeker dat ik niemand had kunnen raken. Met mijn derde schot had ik wel iemand kunnen raken. Ik heb toen ik een paar dagen later mijzelf meldde op het bureau het pistool meegenomen. Ik gebruikte een pistool met kaliber .45.
3) Het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling (…), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 september 2021 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden werkzaam bij het Expert Team Visualisatie en Reconstructie, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als relaas van voornoemde verbalisanten:
Aanleiding en verzoek
Op 27 april 2021 rond 16:36 uur heeft er een gewelds-/schietincident plaatsgevonden ter hoogte van het kruispunt Rembrandtlaan met het Tournoysveld te Woerden. Een beveiligingscamerasysteem op [adres] te Woerden heeft het incident geregistreerd. Op de beelden is te zien dat de verdachte wordt aangevallen en geslagen door een geweldpleger. De verdachte trekt op enig moment een vuurwapen en schiet driemaal om zich heen.
4 Resultaten beeldmeting
Positiebepaling schot 3
Direct na het derde schot is op de camerabeelden te zien dat het glas van de linker achterportier van de blauwe geparkeerde auto (Suzuki) barst en verstuift in westelijke richting. In de onderstaande weergaven is een visuele relatie gelegd tussen het derde schot en de aangetroffen in- en uitschoten in de reclamezuil. De paarse lijn geeft het schottraject weer van het wapen (verdachte) via de aangetroffen in- en uitschoten in de reclamezuil en in de blauwe auto. De groene lijn geeft een direct schottraject weer van het wapen (verdachte) in de blauwe auto.
(…)
7) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 19 september 2022, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als verklaring van verdachte:
U, voorzitter, houdt mij van pagina 167 afbeelding 29 voor.
U, voorzitter, houdt mij voor dat u mij daar ziet als de oranje persoon.
Dat klopt.
U houdt mij tevens voor dat ik degene ben die daar stond en geschoten heeft en dat de politie de lijn van de kogel heeft willen aangeven die vanuit het door mij gehanteerde wapen door het reclamebord gaat en naar de Suzuki.
Dat klopt.
Het klopt dat ik rechtshandig heb geschoten.
U, voorzitter, houdt mij voor dat het om een zwaar wapen ging, kaliber punt 45.
Ja, dat klopt.
U houdt mij voor dat ik gezegd heb dat als je gericht moet schieten je dat met twee handen moet doen.
Ja. Als je echt gericht wil schieten, dan moet je met twee handen schieten, want het heeft een terugslag. Als je echt iets wil raken moet je met twee handen schieten.
U vraagt mij wat er gebeurt als je met één hand met zo’n wapen schiet.
Met één hand kun je niet richten.
U vraagt mij of ik vaker geschoten heb met dat wapen.
Ik heb wel vaker geschoten, maar niet met dat wapen.
U houdt mij voor dat [slachtoffer] liep terwijl ik schoot.
Dat klopt.
U houdt mij voor u op de beelden hebt gezien dat terwijl ik schiet ik ook beweeg richting [slachtoffer].
Dat kan kloppen.
(…)
8) De eigen waarneming van het hof in raadkamer naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende:
- dat op de bewegende beelden te zien is dat verdachte liep terwijl hij het derde schot loste.’
6. Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 heeft het hof het volgende overwogen:
‘De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair (…) tenlastegelegde. Zij heeft daartoe (…) aangevoerd dat er door de wijze waarop verdachte geschoten heeft sprake is van voorwaardelijk opzet.
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte de intentie had om [slachtoffer] te verwonden of te doden, maar dat hij juist heeft geschoten om hem weg te jagen. Volgens de raadsman is er geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel omdat verdachte bewust mis heeft geschoten. De raadsman heeft daarbij gewezen op de afstand tussen verdachte en [slachtoffer], die minstens vier meter was, en de omstandigheid dat het derde schot minstens een halve meter naast [slachtoffer] was. Over de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangegeven dat er een bewezenverklaring kan volgen.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier en op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is vast komen te staan dat verdachte op 27 april 2021 te Woerden fysiek werd aangevallen door [slachtoffer] en dat verdachte vervolgens een vuurwapen heeft gepakt en daarmee driemaal geschoten heeft.
Verdachte heeft daarover verklaard dat hij een conflict had met [slachtoffer], dat hij door hem bedreigd werd en dat hij om die reden een wapen had gekocht dat hij altijd bij zich had om zich te kunnen verdedigen als hij de deur uit ging.
Volgens verdachte bevond hij zich op 27 april 2021 op straat toen hij ineens werd aangevallen door [slachtoffer] en van hem een vuistslag kreeg. Vervolgens heeft verdachte het pistool gepakt en heeft hij geschoten.
Uit het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling dat op 27 september 2021 is opgemaakt leidt het hof af dat er driemaal is geschoten en dat bij de eerste twee schoten geen directe relatie gelegd kan worden tussen wat op de beelden van de beveiligingscamera te zien en te horen is en de aangetroffen in- en uitschotsporen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op basis van de analyse van de schietlijnen van deze twee schoten geen schietrichting bepaald kan worden en dat het hof daarom ook niet kan beoordelen of verdachte op dat moment (voorwaardelijk) opzet had op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer].
Dat is anders wat betreft het derde geloste schot. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt immers dat verdachte het derde schot met gestrekte arm in de looprichting van [slachtoffer] heeft afgevuurd, dat de kogelbaan van de betreffende kogel ter hoogte en op korte afstand van het bovenlichaam van [slachtoffer] liep en dat de kogel aldus vitale lichaamsdelen van [slachtoffer] had kunnen raken. Het derde schot werd gelost terwijl verdachte en [slachtoffer] in beweging waren. De verdachte heeft ter zitting bij het hof aangegeven dat hij niet eerder met dit wapen had geschoten.
Naar het oordeel van het hof bestond onder deze omstandigheden dan ook naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door de kogel dodelijk getroffen werd. Het hof heeft daarbij ook gelet op de omstandigheid dat verdachte met één hand heeft geschoten en dat hij daar zelf over heeft aangegeven dat je met één hand niet kunt richten.
Het handelen van verdachte − lopend, vanaf enkele meters afstand met gestrekte arm met een vuurwapen in één hand schieten in de richting van (het bovenlichaam van) de wegrennende [slachtoffer] − is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het daadwerkelijk (dodelijk) raken van die [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat dodelijke gevolg heeft aanvaard. Hierbij betrekt het hof ook de verklaring van verdachte dat je met één hand niet kunt richten; dit betekent immers dat je aldus schietend ook niet bewust kunt mis schieten.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Net als de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Het hof is dan ook − anders dan de raadsman − van oordeel dat het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.’
7. Inzake de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof het volgende overwogen:
‘Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) dan wel psychische overmacht toekomt.
Kort gezegd heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte een conflict had met [slachtoffer], een evident gevaarlijk individu, die ook verantwoordelijk is voor de aanslag op de Panorama, en die verdachte al eerder met de dood bedreigd had. Verdachte voelde zich dan ook genoodzaakt zich te beveiligen door een vuurwapen aan te schaffen.
Toen verdachte op straat werd aangevallen door deze [slachtoffer] verwezenlijkte zich hetgeen waar verdachte bang voor was en daarom was het handelen van verdachte gerechtvaardigd, begrijpelijk en proportioneel. Wat betreft de hevige gemoedsbeweging heeft de raadsman nog aangevoerd dat ook kordaat en enigszins planmatig handelen kan samengaan met een hevige gemoedsbeweging.
Het hof overweegt met betrekking tot deze verweren het volgende.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die uit het dossier en het verhandelde ter zitting zijn komen vast te staan.
Verdachte bevindt zich op de openbare weg als [slachtoffer] uit een nog langzaam rijdende Mercedes stapt en op verdachte afrent. [slachtoffer] geeft verdachte direct een of meerdere vuistslagen. Er volgt een korte worsteling tussen [slachtoffer] en verdachte. Tijdens het vechten pakt verdachte een vuurwapen uit zijn jas. Met dit vuurwapen lost hij een eerste schot. Direct daarna probeert een derde persoon tussenbeide te komen. Van een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] is op dat moment geen sprake meer.
Vervolgens lost verdachte een tweede schot. [slachtoffer] loopt dan een rondje om een geparkeerde auto en verdachte volgt hem achter de auto langs. Uiteindelijk loopt [slachtoffer] met versnelde pas in de richting van de Mercedes. Terwijl [slachtoffer] richting de Mercedes gaat strekt verdachte zijn arm uit en lost een derde schot, met de schietarm wijzend in de looprichting van [slachtoffer]. Op de bewegende beelden heeft het hof vastgesteld dat zowel [slachtoffer] als verdachte op dat moment in beweging zijn. Voorts is op de beelden zichtbaar dat verdachte het wapen met één hand hanteert.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof acht aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] toen deze uit de auto stapte, direct op verdachte afstapte en verdachte een of meerdere vuistslagen gaf.
Het hof acht evenwel niet aannemelijk geworden dat er nog sprake was van een wederrechtelijke aanranding door voornoemde [slachtoffer] of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor op het moment dat verdachte het hiervoor besproken en beoordeelde derde, potentieel dodelijke schot loste. Verdachte had immers toen al twee schoten gelost waarna [slachtoffer] van verdachte wegliep richting de Mercedes waar hij mee gekomen was. Hieruit leidt het hof af dat op het moment dat verdachte het derde schot loste van een noodweersituatie geen sprake meer was.
Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer.
Wat betreft het beroep op noodweerexces geldt (…) in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was (intensief noodweerexces), dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (extensief noodweerexces).
Het hof heeft hierboven bij de bespreking van het noodweer verweer al vastgesteld dat de noodzaak tot verdediging op het moment van het lossen van het derde schot niet langer bestond, zodat een beroep op het onder a omschreven zogenoemde intensief noodweerexces op grond daarvan wordt verworpen.
Dat sluit echter een geslaagd beroep op het onder b omschreven zogenoemde extensief noodweerexces niet uit. Om te kunnen spreken van extensief noodweerexces moet het handelen van verdachte wel het onmiddellijk gevolg zijn van een door de eerdere noodweersituatie veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat verdachte betrokken is geraakt in een hennep-gerelateerd conflict met [slachtoffer]. Dit conflict bestond al enige tijd en verdachte was hierdoor naar eigen zeggen heel bang voor [slachtoffer]; zo bang dat hij zich met het oog op een mogelijke confrontatie met [slachtoffer] kennelijk voorzag van een geladen vuurwapen.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat er bij verdachte op het moment dat hij het derde schot loste, sprake was van een hevige gemoedsbeweging die uitsluitend dan wel in overwegende mate haar oorzaak vond in de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], kort voorafgaand aan het derde schot. Zo bevat het dossier immers − anders dan de verklaring van verdachte − geen aanknopingspunten voor de door verdachte gestelde aard en heftigheid van zijn gemoedsbeweging. Er zijn eerder aanwijzingen voor het tegendeel. Uit het handelen van verdachte op het moment van het derde schot lijkt immers een zekere rationaliteit en verdachte heeft daarover ook verklaard dat hij zich in staat achtte om gericht te vuren. Ook indien er sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging in die zin dat verdachte erg bang was voor [slachtoffer], is naar het oordeel van het hof de hiervoor geschetste voorgeschiedenis veel bepalender geweest voor deze gemoedsbeweging dan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] direct voorafgaand aan het derde schot.
Het hof verwerpt om die redenen het beroep op noodweerexces.
Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht stelt het hof voorop dat dit slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstond kon en ook niet behoefde te bieden.
Het hof acht − mede gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot het beroep op noodweerexces is overwogen en de omstandigheid dat de raadsman geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd om het beroep op psychische overmacht nader te onderbouwen − niet aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het begaan van het feit onder zodanige druk stond dat niet van hem gevergd kon worden dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan.
Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.’
8. Het hof heeft onder het kopje ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ onder meer het volgende overwogen:
‘Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een illegaal voorhanden hebbend vuurwapen vanaf korte afstand in de richting van [slachtoffer] te schieten. Daarbij is een reclamebord geraakt en is de kogel vervolgens terechtgekomen in een auto. Zowel het reclamebord als de auto zijn daarbij beschadigd. Het incident vond op klaarlichte dag plaats midden in een woonwijk en op straat waren op dat moment meerdere personen aanwezig. En hoezeer verdachte ook geprovoceerd werd en zich al langer door [slachtoffer] bedreigd voelde vanwege een conflict over hennep, het was verdachte die al enige tijd met een geladen vuurwapen op zak rondliep. Dat geeft volgens het hof een beeld van de wijze waarop verdachte meende te moeten handelen in geval van een mogelijke confrontatie met [slachtoffer] en het sluit ook aan bij de incidenten rondom de wereld van de zware criminaliteit, waar de handel in hennep deel van uitmaakt en waar vuurwapengeweld meer en meer als een geoorloofd middel wordt gezien om gestelde doelen te bereiken.
De verdachte heeft met zijn handelen bovendien een groot en onaanvaardbaar gevaar voor anderen in het leven geroepen door op klaarlichte dag op een drukkere straat met een vuurwapen te schieten. Dergelijk levensgevaarlijk gedrag veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Bovendien had niet alleen de persoon op wie verdachte zijn schoten heeft gelost het slachtoffer kunnen worden van deze schietpartij, maar ook toevallige (en volstrekt onschuldige) omstanders. Dit is gelukkig niet gebeurd, maar dat is geenszins aan de verdachte te danken.
(…)
Gelet op de aard en ernst van met name het onder feit 1 bewezenverklaarde feit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof acht het van belang dat uit het oogpunt van zowel generale als speciale preventie een duidelijk en krachtig signaal wordt afgegeven dat schietincidenten als deze − die plaatsvinden tegen de achtergrond van een onderwereldconflict − niet worden geaccepteerd.’
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 19 september 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De raadsman voert het woord tot verdediging, waarbij hij het op schrift gestelde pleidooi dat aan het hof is overgelegd niet heeft voorgedragen. Het stuk is wel door de griffier gewaarmerkt en aan het dossier toegevoegd. Daarbij voert de raadsman het volgende aan:
Voor de aanslag op de Panorama zijn drie mannen veroordeeld die lid waren van de Woerdense afdeling van de Caloh Wagoh. Er is met een bazooka geschoten op het kantoor van de krant. Dat is het type figuur die [slachtoffer] is.
Het is belangrijk dat voor ogen te houden. Hem is een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd.
Ik was naïef in het vertrouwen in het openbaar ministerie. Ik dacht dat [slachtoffer] echt aangepakt zou worden en dat mijn cliënt een douw zou krijgen, want niemand wil wild west in Woerden, maar er gebeurde helemaal niets. Hoe kun je nou niets doen als je ziet wat hier gebeurt? Er is sprake van zware criminaliteit, motorclubs, afpersingen en een bomaanslag op een krant. En wat doet de politie in deze zaak? Ze bellen hem of hij wil komen praten en dan is [slachtoffer] buiten beeld. Mijn conclusie is dat het openbaar ministerie er niet is voor de burger die in de knel zit. Het openbaar ministerie is er boos over dat mijn cliënt zich heeft willen verdedigen tegen levensgevaarlijke criminelen. Ze zien mijn cliënt als een schurk met een strafblad, maar in mijn beleving is hij slachtoffer. Hij is weliswaar ook dader, want hij heeft zich misdragen, maar primair is hij het slachtoffer van een zware crimineel.
De advocaat-generaal komt met jurisprudentie die niet relevant is. Het verhaal dat iemand zestien keer gestoken is met allerlei criteria van noodweer en noodweerexces is appels met peren vergelijken. Hier is geschoten, maar er is niemand geraakt. En dit was schieten om weg te jagen en niet om te verwonden of te doden. Ik blijf me toch ergeren aan studeerkamerwijsheden van magistraten die achteraf met een vergrootglas denken te kunnen beoordelen dat iemand die voor zijn leven heeft gevreesd anders had moeten handelen. Er is een grote kloof hoe magistraten tegen dit soort dingen aankijken en mensen in de samenleving. Mijn cliënt dacht dat hij daar ter plekke in de auto gegooid zou worden en dat zijn vingers er in een loods afgeknipt zouden worden. Dat is wat er gebeurt met mensen die durven op te treden tegen mensen van motorclubs.
En dan zegt de advocaat-generaal dat je beter zus en zo had moeten doen, maar dat krijg je alleen uit je mond als je nog nooit voor je leven hebt gevreesd. Dit gaat over zware criminelen die met een antitankwapen op een gebouw schieten. Dit is de bovenste categorie criminelen. Dat is [slachtoffer].
Het is een lange inleiding, maar mijn conclusie is dat mijn cliënt grotendeels moet worden vrijgesproken of ontslagen worden van alle rechtsvervolging en uiterst subsidiair dat hij niet terug hoeft naar de gevangenis.
Mijn cliënt is bij de politie geweest met een conflict, maar daar kon de politie niets mee. [slachtoffer] was niet alleen, hij had iemand bij zich in de auto en het is aannemelijk dat het niet alleen om een klap gaat en dat als je terugslaat het gevecht niet voorbij is. Wat hier beoordeeld moet worden is hoe het handelen van mijn cliënt gekwalificeerd moet worden. Over voorbedachte rade zijn we het wel eens dat dat niet aan de orde is.
Dan is de vraag wat mijn cliënt nou eigenlijk wilde. Wilde hij hem raken of missen of interesseerde het hem niet? De getuigen die verklaard hebben maken wel duidelijk dat hij hem niet probeerde te raken. De vraag is hoe je kunt zien of iemand de ander wel of niet wil raken. De voorzitter stelde de vraag vanuit het perspectief van [slachtoffer], maar de vraag is of je dat wel kunt beoordelen. Nee. Alleen iemand die mikt weet waar hij op mikt. Die ander kan dat niet beoordelen. We moeten het dus doen met wat mijn cliënt daarover heeft gezegd en waar de kogel terecht is gekomen. De eerste twee schoten kunnen we buiten beschouwing laten, dat heeft de rechtbank ook expliciet gedaan. En ik wil die kant ook op. Het gaat eigenlijk alleen om het derde schot.
Maar het zegt iets over de intentie van mijn cliënt als de eerste twee schoten geen serieuze pogingen waren om hem te doden, terwijl het wel kon. Mijn cliënt had hem makkelijk tussen zijn ogen kunnen raken. Waarom zou hij hem dan later wel willen raken? Als het je echt niets kan schelen of je iemand raakt, hoe gedraag je je dan? Daarbij is van belang of je wel of niet kunt schieten en wel eens een wapen in handen hebt gehad.
Het derde schot was bedoeld om [slachtoffer] op te laten donderen. De vraag waarom dat derde schot nodig was, begrijp ik wel. Daar kom ik op terug bij noodweerexces. Als je iemand wegjaagt is het dan voldoende dat hij wegloopt of moet je vrezen dat hij weer terugloopt? Als je iemand effectief weg wil jagen, dan mag je er best een schepje bovenop doen. Het is geen onlogische stap die niet past bij het wegjagen.
Een bedreiging is dan ook wat kan worden bewezen verklaard.
Van het schotbaanonderzoek ben ik zowel onder de indruk als teleurgesteld. Het lijkt allemaal heel grondig door de berekeningen over de kromming van het beeld van de camera en de uiteindelijke mooie tekening van bovenaf. Maar er blijkt niet uit hoe hoog het schot in de zuil was en ook niet wat de afstand was tussen mijn cliënt en [slachtoffer] ten tijde van het derde schot. En ik heb ook niks gehoord over foutmarges. Ik heb in een zeer grijs verleden natuurkunde gestudeerd en het eerste wat je doet bij conclusies is foutmarges weergeven. En met een matige camera op tientallen meters afstand heb je een grote foutmarge, maar dat wordt niet eens genoemd. Er staat ook niet in dat het tussen die en die grens in zit. Het lijkt dus heel secuur, maar dat is het niet. Ik ben dus niet zo onder de indruk, dus we moeten ons daar niet te blind op staren.
Wat je op het plaatje van bovenaf met de schotslijnen wel ziet, is dat het niet rakelings langs [slachtoffer] heen ging. En dan kun je een discussie voeren over wat rakelings is, maar ik zie dat cliënt op vier meter afstand staat en dat hij minstens een halve meter naast hem schiet. Met andere woorden: als ik zeg dat ik u, jongste raadsheer, zou kunnen raken, maar ik raak u niet en schiet een halve meter van u af, had u dan makkelijk geraakt kunnen worden? En als ik een geoefend schutter ben, wat zegt die afstand dan? Ik houd het erop dat je echt goed moet kunnen mikken om iemand te raken. Mijn cliënt wist dus wel wat hij deed. Hij heeft geschoten om [slachtoffer] weg te jagen. Hij was er ook niet bij gebaat om iemand te raken. Zit daar dan toch het accepteren van een risico in dat hij zo dicht langs hem schiet? Dat hangt er vanaf. Hij heeft echt niet gewild om iemand te raken. De vraag is dan hoe scherp je het criterium van voorwaardelijk opzet gaat nemen. Als ik alles bij elkaar optel, dan denk ik dat we kunnen en moeten concluderen dat mijn cliënt bewust mis heeft geschoten en er is een verschil tussen mikken om te raken en mikken om niet te raken. Als je iemand wil raken, moet je goed mikken. Ik denk dat we dat niet kunnen construeren met deze afstand. [slachtoffer] liep in rechte lijn van mijn cliënt af en het was niet zo chaotisch dat de kogel elke kant uit had kunnen gaan.
Per saldo zie ik geen valide redenering waarom je zou kunnen zeggen dat hij een zeer aanmerkelijk risico heeft genomen dat het schot raak zou kunnen zijn. Het is veel aannemelijker dat hij bewust en dus opzettelijk mis heeft geschoten om hem weg te jagen. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet ten aanzien van feit 1 primair. De redenering van de rechtbank over de foutmarge en het schieten van zo dichtbij volg ik dan ook niet. De rechtbank heeft het ook over de uiterlijke verschijningsvorm, maar de vraag is wat dat betekent.
Mijn cliënt stond in zijn richting te schieten, maar dat miskent dat je ook gericht naast kunt schieten en moet je dan bij de uiterlijke verschijningsvorm over iemands schouder meekijken waar hij op mikt? Je krijgt dat niet goed beredeneerd.
Per saldo denk ik dat er een bewezenverklaring mogelijk is van het onder feit 1 meest subsidiair tenlastegelegde, het voorhanden hebben van een vuurwapen en de vernieling van een reclamebord.
Naar mijn mening dient mijn cliënt ontslagen te worden van alle rechtsvervolging. Dat er een conflict was, weerspreekt niemand. Er is ook geen eigen schuld van mijn cliënt aan te wijzen. Het blijft schimmig, maar de politie weet ook wel dat [betrokkene 3] wordt afgeperst door [slachtoffer] en dat mijn cliënt voor die [betrokkene 3] is opgekomen. Dus hij heeft eigenlijk het slachtoffer van afpersing willen steunen en dat heeft geleid tot de reactie van [slachtoffer] op dat moment. Het is allemaal niet de wens van mijn cliënt geweest dat het zo gegaan is. De politie wist ervan en heeft niet ingegrepen. Mijn cliënt is bedreigd met de dood en hij heeft gevreesd voor de dood of voor zijn veiligheid. In die situatie dacht mijn cliënt zich te moeten beveiligen. Je neemt dan het risico dat je 42 maanden de bak in moet, maar neem je dan maar het risico dat je wordt mishandeld of ontvoerd? Ik volg dat niet. Ik denk dat mijn cliënt, die toen het gebeurde een nette, hardwerkende burger was, in deze situatie geen alternatief zag dan zich met een vuurwapen op zak te beveiligen. Ik denk niet dat dat disproportioneel is als je ziet wat voor figuren dit zijn. Hij werd ook aangevallen op de openbare weg door [slachtoffer] en een handlanger in de auto. Dus waar mijn cliënt bang voor was, verwezenlijkt zich ook. In die situatie was sprake van een noodweersituatie, maar van zowel het zich bewapen als het schieten met het wapen kun je ook zeggen dat er sprake was van psychische overmacht. En als je vindt dat het laatste schot niet nodig was, dan kom je bij noodweerexces terecht. Bij de bedreiging door dit soort figuren die zo groot is, is de stress navenant. Dat vind ik een aannemelijk verhaal. Als iemand verantwoordelijk is voor een bomaanslag op de Panorama dan is de situatie dusdanig ernstig dat het handelen van mijn cliënt gerechtvaardigd, begrijpelijk en proportioneel was. En als het disproportioneel was, dan was het te wijten aan de te verwachten logische stress die cliënt had.
De rechtbank heeft overwogen dat verdachte planmatig lijkt te handelen, maar de vraag is of die redenering wel klopt. Verwacht de rechtbank dan echt dat als er sprake is van een hevige gemoedsbeweging je gillend aan het rondrennen bent? Ik zie niet in waarom je niet ook gedreven kan worden door een hevige gemoedsbeweging als je kordaat handelt en enigszins planmatig. Ook met het hart in de keel en volgepompt met stress en angst voor je lijfsbehoud kun je nog enigszins rationeel handelen. Ik denk dat de rechtbank daar een verkeerde invulling geeft van wat de verschijningsvorm zou moeten zijn van een hevige gemoedsbeweging.
Dus de conclusie is dat mijn cliënt moet worden vrijgesproken, dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Wat er dan overblijft is de vernieling en ik snap dat wat mijn cliënt heeft gedaan niet volledig straffeloos mag blijven, maar het moet wel eerlijk en redelijk en gematigd zijn. Mijn cliënt heeft een half jaar vastgezeten en dat vind ik voldoende. Ik begrijp de eis van de advocaat-generaal van 42 maanden niet. Mijn cliënt is iemand die de situatie niet heeft opgezocht en hij is zelf slachtoffer. Hij heeft van zich afgebeten op een manier die misschien iets te ver ging, maar hij zou niet terug moeten keren naar de gevangenis.
De door de rechtbank opgelegde straf van 12 maanden is niet bizar hoog, maar gezien de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt en zijn kinderen denk ik dat het rechtvaardig zou zijn als u zou komen tot een strafoplegging waarbij hij niet naar de gevangenis hoeft terug te keren. U zou het met een taakstraf of iets dergelijks kunnen afhandelen.’
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg gehouden op 6 augustus 2021 houdt onder meer in dat de officier van justitie verklaart: ‘Het einddossier is nog niet gereed. Het is nog wachten op het zogeheten visualisatie onderzoek naar aanleiding van de 3D-scan’. Het inhoudelijke onderzoek in eerste aanleg vindt plaats op 28 december 2021. Het proces-verbaal van die zitting houdt onder meer in: ‘Vervolgens worden ter terechtzitting de beelden van het schietincident afgespeeld vanaf het moment dat de zwarte Mercedes in beeld komt rijden’. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de beelden daar zijn afgespeeld of dat daar door de raadsman om is verzocht.
11. Het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 september 2021 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden werkzaam bij het Expert Team Visualisatie en Reconstructie, houdt naast de tot het bewijs gebezigde passages onder meer het volgende in:
‘2. Eigenschappen van de brongegevens
(…)
Videobeelden (bestand)
De Tactische Recherche Midden-Nederland heeft de incidentbeelden gevorderd (…) en beschikbaar gesteld voor het onderzoek. De beelden hebben de volgende eigenschappen:
• Camerabeeld registratie vanaf [adres]
• Te zien zijn de omgeving Tournoysveld − Rembrandtlaan, de verdachte, de geweldpleger, getuigen, geparkeerde voertuigen, voorbijrijdend verkeer.
• De beelden zijn ter beschikking gesteld in MP4 video-formaat.
• De datum en tijd van het incident zijn in de videobeelden zichtbaar. Voor alle tijdsaanduidingen in relatie tot de videobeelden in dit proces-verbaal geldt dat het gaat om systeemtijden.
Op dinsdag 25 mei 2021 zijn door ons referentiebeelden gemaakt op de locatie [adres]. Deze beelden zijn door mij, [verbalisant 2], veiliggesteld en opgeslagen.
Onderzoekbeelden
Op de videobeelden was te zien dat er op dinsdag 27 april 2021 in de seconde van 16:35:32 uur een donkere Mercedes cabriolet komt aanrijden over de Tournoysveld en stopt voor het kruispunt met de Rembrandtlaan. Vanuit de bijrijderspositie van de Mercedes stapt een persoon (geweldpleger) uit die richting de verdachte en twee omstanders rent die zich ophouden op het trottoir bij het kruispunt Tournoysveld - Rembrandtlaan ter hoogte van het reclamebord 'Winkelcentrum Tournoysveld’. Vanaf de parkeerplaats links (vanuit camerabeeld bekeken) naast het Tournoysveld vertrekt op dat moment een donkere Volkswagen bus. De bus draait de parkeerplaats af en gaat links (vanuit camerabeeld bekeken) naast de Mercedes staan. De geweldpleger begint de verdachte te slaan, te schoppen en duwt hem richting de geparkeerde rode Fiat Punto op de parkeerplaats parallel aan de Rembrandtlaan. De geweldpleger slaat de verdachte meerdere malen terwijl ze duwend en trekkend om elkaar heen draaien. Een van de twee omstanders volgt de vechtpartij op korte afstand, terwijl de ander wegloopt in de richting van het winkelcentrum Tournoysveld. De verdachte probeert zich te verweren en grijpt in de seconde van 16:35:50 uur naar een vuurwapen dat hij bij zich draagt. In de seconde van 16:35:51 uur lost de verdachte een eerste schot. Daarna gaat de verdachte met getrokken vuurwapen achter de geweldpleger aan. In de seconde van 16:35:55 uur wordt een tweede schot gelost. Het derde schot wordt gelost in de seconde van 16:36:06 uur, terwijl de geweldpleger terug rent richting de Mercedes bij het kruispunt Tournoysveld - Rembrandtlaan. Direct na het derde schot is te zien dat het glas van de linker achterportier barst en verstuift in westelijke richting. De Volkswagen bus verlaat het kruispunt in oostelijke richting over de Rembrandtlaan. De geweldpleger stapt in bij de bestuurder van de Mercedes en samen rijden ze weg in westelijke richting over de Rembrandtlaan. De getuige verlaat na enige tijd het kruispunt op zijn scooter in de richting van winkelcentrum Tournoysveld. De verdachte vertrekt na de getuige op zijn driewieler motor in dezelfde richting als de getuige op de scooter.’
Bespreking van het tweede middel
12. Het tweede middel betreft ‘de bewezenverklaring van poging doodslag op [slachtoffer] op grond van de aanname dat er aanzienlijk risico was dat [slachtoffer] om het leven had kunnen komen door het derde schot’. In de toelichting op dit middel zijn enkele deelklachten te ontwaren.
13. De eerste deelklacht houdt in dat uit de afbeeldingen uit het schotlijnonderzoek blijkt dat de paarse lijn (de schotlijn die de kogel van het derde schot via de reclamezuil in de auto erachter heeft doen belanden) [slachtoffer] op 80-100 cm afstand heeft gepasseerd. Dat zou bezwaarlijk zijn ‘te duiden als rakelings naast [slachtoffer]’.
14. Het hof heeft overwogen dat uit het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling blijkt ‘dat verdachte het derde schot met gestrekte arm in de looprichting van [slachtoffer] heeft afgevuurd, dat de kogelbaan van de betreffende kogel ter hoogte en op korte afstand van het bovenlichaam van [slachtoffer] liep en dat de kogel aldus vitale lichaamsdelen van [slachtoffer] had kunnen raken’.
15. Nu de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft overwogen dat de kogel ‘rakelings’ langs [slachtoffer] ging, faalt zij reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat de kogel van het derde schot [slachtoffer] op 80-100 cm heeft gepasseerd, is door het hof niet vastgesteld; daarbij is deze aanname niet in strijd met ’s hofs overweging.
16. De tweede deelklacht houdt in dat uit de afbeeldingen uit het schotlijnonderzoek en de foto van de inschotbeschadiging blijkt dat het derde schot [slachtoffer] niet ter hoogte van het bovenlijf heeft gepasseerd maar iets boven de rechterknie en ‘dus niet dichtbij vitale lichaamsdelen van [slachtoffer] als het hof stelt’.
17. Het oordeel van het hof, op basis van (tekst en afbeeldingen in) het proces-verbaal Beeldmeting en positiebepaling, voor zover onder de bewijsmiddelen opgenomen, dat blijkt ‘dat de kogelbaan van de betreffende kogel ter hoogte en op korte afstand van het bovenlichaam van [slachtoffer] liep en dat de kogel aldus vitale lichaamsdelen van [slachtoffer] had kunnen raken’, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Ik wijs daarbij in het bijzonder op afbeelding 28; daarin is een paarse streep getrokken van de (oranje) man voor de eerste auto ter rechterzijde naar de (gele) man achter de dichtstbijzijnde auto; het hof heeft uit deze afbeelding kunnen afleiden dat de paarse schotbaan boven de heupen van [slachtoffer] loopt, en hem daarmee ‘op korte afstand van het bovenlichaam’ heeft gepasseerd. Ik merk daarbij nog op dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep slechts heeft aangevoerd dat niet blijkt ‘hoe hoog het schot in de zuil was’.
18. De derde deelklacht houdt in dat het hof heeft miskend ‘dat er een verschil is tussen schieten om te raken en schieten om niet te raken’. Het oordeel van het hof zou erop neerkomen dat het meent dat de verdachte ‘zeer bewust en gericht op [slachtoffer] heeft geschoten (en) dat aangenomen moet worden dat hij hem heeft willen raken’. Dat oordeel zou onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van de vastgestelde feiten.
19. In een uitspraak van 14 mei 2024 heeft Uw Raad het volgende overwogen:
‘2.3.1 (…) Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (…) is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
2.3.2 De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
2.3.3 Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)’
20. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het bewuste schot ‘met gestrekte arm in de looprichting van [slachtoffer] heeft afgevuurd, dat de kogelbaan van de betreffende kogel ter hoogte en op korte afstand van het bovenlichaam van [slachtoffer] liep en dat de kogel aldus vitale lichaamsdelen van [slachtoffer] had kunnen raken’. Verder heeft het hof vastgesteld dat dit schot werd gelost terwijl de verdachte en [slachtoffer] in beweging waren en dat de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet eerder met dit wapen had geschoten. Het hof heeft geoordeeld dat onder deze omstandigheden naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] door de kogel dodelijk getroffen werd. Daarbij heeft het hof ook gelet op de omstandigheid dat verdachte met één hand heeft geschoten en dat hij daar zelf over heeft aangegeven dat je met één hand niet kunt richten. Het hof heeft voorts geoordeeld dat het handelen van de verdachte − lopend, vanaf enkele meters afstand met gestrekte arm met een vuurwapen in één hand schieten in de richting van (het bovenlichaam van) de wegrennende [slachtoffer] − naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het daadwerkelijk (dodelijk) raken van die [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat dodelijke gevolg heeft aanvaard. Hierbij heeft het hof ook de verklaring van de verdachte betrokken dat je met één hand niet kunt richten; het hof leidt daaruit af ‘dat je aldus schietend ook niet bewust kunt mis schieten’. ’s Hofs conclusie is dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven.
21. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat het hof in de bewijsoverwegingen heeft miskend ‘dat er een verschil is tussen schieten om te raken en schieten om niet te raken’ faalt het middel naar het mij voorkomt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
22. Voor zover de steller van het middel tot uitgangspunt neemt dat het oordeel van het hof erop neerkomt dat de verdachte zeer bewust en gericht op [slachtoffer] heeft geschoten en dat aangenomen moet worden dat hij hem heeft willen raken, berust die opvatting op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat de verdachte opzet in de vorm van een bedoeling op de dood van [slachtoffer] heeft gehad, maar dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van het derde schot zou komen te overlijden. Het middel faalt ook in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag.
23. In de toelichting kan ook een (deel)klacht worden gelezen die is gericht tegen de overweging van het hof dat, nu de verdachte heeft verklaard dat je met één hand niet kunt richten, dit betekent dat je aldus schietend ook niet bewust mis kunt schieten. Met de steller van het middel meen ik dat die stelling in zijn algemeenheid geen stand houdt; ik wijs daarbij op de overwegingen inzake de eerste twee schoten. Uit ‘s hofs overwegingen, in hun geheel bezien, kan evenwel ook worden afgeleid dat het hof dat niet heeft willen beweren. Deze overweging moet worden bezien in het licht van het verweer dat het schot ‘was bedoeld om [slachtoffer] op te laten donderen’ en dat de verdachte ‘bewust mis heeft geschoten’. ‘s Hofs overweging moet voorts worden gelezen in het licht van zijn overige vaststellingen, inhoudende dat de verdachte lopend, vanaf enkele meters afstand heeft geschoten in de richting van (het bovenlichaam van) de wegrennende [slachtoffer]. Het hof heeft met de overweging slechts extra tot uitdrukking willen brengen, zo begrijp ik, dat de verklaring van de verdachte dat je met één hand niet kunt richten naar ‘s hofs oordeel impliceert dat de verdachte de kans op een fataal gevolg bewust heeft aanvaard. Dat het hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat de verdachte wist dat het schieten met één hand de accuraatheid van het schot negatief beïnvloedde, is niet onbegrijpelijk.
24. Ook overigens is het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik wijs er in het bijzonder op dat in ’s hofs vaststellingen besloten ligt dat het schieten in een dynamische situatie is gebeurd.
25. De steller van het middel formuleert in de toelichting de hoop dat Uw Raad ‘het filmpje van het schietincident zal bekijken nu het erg inzichtelijk is bij de duiding van wat zich heeft afgespeeld’. De verdachte zou menen dat uit het filmpje ‘duidelijk naar voren komt dat de eerste twee schoten bedoeld waren om [slachtoffer] van hem af te krijgen, en dat het derde schot de lading had ‘en nu oprotten jij’.’ Naar aanleiding van deze passage in de toelichting merk ik nog het volgende op.
26. Ingevolge art. 79, eerste lid, Wet RO vernietigt de Hoge Raad arresten ‘wegens verzuim van vormen voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de niet in acht genomen vorm’ en ‘wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten’. Uitgangspunt is derhalve dat de zaak niet meer in volle omvang wordt onderzocht. Bij het onderzoek in cassatie staan de bestreden uitspraak en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep centraal. Van Dorst en Borgers laten zien dat in de ‘papieren muur’ die vroeger door deze gedingstukken werd gevormd vensters zijn aangebracht die Uw Raad ‘een riant uitzicht bieden op hetgeen in feitelijke aanleg is gebeurd’. Maar zij stellen ook vast dat dit niet impliceert dat Uw Raad vrijelijk gebruikmaakt van alles wat hij in het dossier waarneemt. Het is ‘nog steeds de taak en de bevoegdheid van de feitenrechter om alle materiële en processuele feiten vast te stellen. Daarom is hij toegerust met tal van bevoegdheden teneinde na een grondig onderzoek te kunnen oordelen welke feiten in rechte als vaststaand moeten worden aangemerkt en welke niet. Dat instrumentarium is de Hoge Raad onthouden. Bewust onthouden, omdat onze wetgever is uitgegaan van de gedachte dat de feitenrechter de feiten vaststelt en op basis daarvan juridische oordelen geeft, terwijl de Hoge Raad slechts mag en moet controleren of die juridische oordelen juist zijn’.
27. Doordat de papieren muur niet elke waarneming meer verhindert, is de mogelijkheid tot controle op de juistheid van feitelijke vaststellingen volgens Van Dorst en Borgers ‘sterk vergroot’. Van die mogelijkheid wordt, zo geven zij aan, gebruik gemaakt bij rechtspraak inzake fouten bij het aanwenden van rechtsmiddelen en inzake de betekening van dagvaardingen; Uw Raad neemt kennis van ‘het geschrift waarmee het rechtsmiddel was ingesteld’ en ‘de akte van uitreiking van de dagvaarding’. Illustratief is ook een arrest van 5 december 2000. De verdachte was in hoger beroep bij verstek veroordeeld wegens het niet inleveren van zijn rijbewijs binnen drie weken nadat hem de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen was ontzegd. Uw Raad leidde uit een aantal stukken van het geding af dat ‘het rechtstreeks en ernstig vermoeden’ rees dat het rijbewijs al voor de in de bewezenverklaring genoemde datum ongeldig was verklaard en was ingeleverd’. Daarom had de rechter de bewezenverklaring nader moeten motiveren. De doorbreking van de papieren muur biedt derhalve mogelijkheden tot correctie ingeval de feitenrechter uit gegevens die uit de stukken blijken niet de consequenties heeft getrokken die daar (zonder nadere informatie) uit volgen. Zij heeft er niet toe geleid dat Uw Raad een eigen feitelijke waardering van voorhanden informatie voor die van de feitenrechter in de plaats is gaan stellen.
28. Achter de hoop die de steller van het middel uitspreekt dat Uw Raad ‘het filmpje van het schietincident’ zal bekijken, schuilt wellicht de gedachte dat bij audiovisuele opnamen minder strak behoeft te worden vastgehouden aan de taakverdeling tussen feitenrechter en Hoge Raad. De ‘bevoegdheden’ waar Van Dorst en Borgers over spreken (te denken valt aan het verhoren van de verdachte, getuigen en deskundigen) spelen bij deze opnamen op het eerste gezicht minder een rol. Ook Uw Raad en de leden van het parket kunnen een filmpje bekijken of een opname beluisteren. Toch meen ik dat er aanleiding is ook bij deze bron van informatie aan de bestaande taakverdeling vast te houden. Het grondige onderzoek waar Van Dorst en Borgers over spreken is bij de feitenrechter een onderzoek ter terechtzitting, waar de opnamen kunnen worden afgespeeld, waar over de inhoud daarvan vragen kunnen worden gesteld aan de verdachte, getuigen en deskundigen, en waar procespartijen opmerkingen kunnen maken en indrukken verwoorden over hetgeen zij hebben gezien en gehoord. Die mogelijkheden ontbreken in cassatie.
29. Zie ik het goed, dan gaat het voorstel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering van de bestaande taakverdeling uit. Mogelijk wordt gemaakt dat opsporingsambtenaren het opmaken van een proces-verbaal uitstellen ‘indien op een geluids- of beeldopname is vastgelegd wat door hen tot opsporing is verricht of bevonden’ (art. 2.1.10, derde lid). De procesinleiding bevat ‘een opgave van geluids- of beeldopnamen waarvan geen volledig proces-verbaal is opgemaakt’ (art. 4.1.1, derde lid, onder d); dat voorschrift ziet ook op andere opnamen. De voorzitter van de rechtbank kan vervolgens ter voorbereiding van de terechtzitting bevelen dat van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt (art. 4.1.7). Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan de rechtbank dat bevelen (art. 4.2.34). In hoger beroep zijn deze bevoegdheden van overeenkomstige toepassing (artikelen 5.4.13 en 5.4.16). In de voorgestelde regeling van het beroep in cassatie is niet in een vergelijkbare bevoegdheid voorzien en dat ligt ook niet in de rede: een alsnog opgemaakt proces-verbaal heeft niet aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegen. In die regeling is echter wel vastgelegd dat de voorzitter van het gerechtshof niet kan bepalen dat een verkort proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wordt opgemaakt indien beroep in cassatie is ingesteld (art. 5.4.24). De toelichting op die bepaling houdt in: ‘De wijze van procesvoering in cassatie laat niet toe dat met een verkort proces-verbaal en een opname van geluid of van beeld en geluid wordt volstaan’. Daar kan, meen ik, uit worden afgeleid dat de wetgever niet een wijziging van die wijze van procesvoering voorstaat waarin de Hoge Raad op basis van hetgeen in een audiovisuele opname is vastgelegd, een eigen waardering in de plaats stelt van die van de feitenrechter of, bij het proces-verbaal van de zitting, voorzitter en griffier.
30. Bij de bestaande taakverdeling sluit aan dat een middel voor zover het een beroep doet op feiten en omstandigheden die het hof niet heeft vastgesteld afstuit op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. En dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn, en dat dit ook geldt voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. De schriftuur stelt enkel dat naar het oordeel van verdachte ‘het derde schot de lading had van ‘en nu oprotten jij’’; daaruit volgt niet dat en waarom hetgeen het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vaststelt onbegrijpelijk is. Dat brengt mee dat aan dit onderdeel van de schriftuur voorbij kan worden gegaan.
31. Het tweede middel faalt.
Bespreking van het derde middel
32. Het derde middel bevat klachten over ‘de verwerping van het beroep op noodweer-exces c.q. psychische overmacht’. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de noodweersituatie beëindigd was toen [slachtoffer] wegliep richting de Mercedes waar hij mee gekomen was, onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd.
33. In een arrest van 7 september 2021 heeft Uw Raad het volgende overwogen:
‘2.4 Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging alleen sprake kan zijn als:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel als
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), maar zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de op die wijze veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan als de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Verder kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)’
34. In een uitspraak van 30 november 2004 heeft Uw Raad het volgende overwogen:
‘3.5. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.’
35. Het hof heeft blijkens de aan de strafbaarheid van de verdachte gewijde overwegingen aannemelijk geacht dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] ‘toen deze uit de auto stapte, direct op verdachte afstapte en verdachte een of meerdere vuistslagen gaf’. Het hof acht evenwel niet aannemelijk geworden dat er nog sprake was van een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor ‘op het moment dat verdachte het hiervoor besproken en beoordeelde derde, potentieel dodelijke schot loste’. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte toen al twee schoten had gelost waarna [slachtoffer] van verdachte wegliep richting de Mercedes waar hij mee gekomen was. Het hof heeft hieruit afgeleid dat op het moment dat de verdachte het derde schot loste van een noodweersituatie geen sprake meer was.
36. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en, gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat de gestelde vrees van de verdachte dat de (mogelijk bewapende) metgezel van [slachtoffer], die nog in de Mercedes zat, zich zou gaan bemoeien met de situatie – de steller van het middel voert dat in de toelichting op het middel aan − voor het aannemen van een (nieuwe) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet voldoende is. Het middel faalt in zoverre.
37. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ‘de term hevige gemoedsbeweging te beperkt uitlegt’ en dat de verwerping van het beroep op noodweerexces onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel attendeert erop dat het hof in zijn overwegingen verwijst naar ‘een zekere rationaliteit’ in het handelen van de verdachte en de mogelijkheid om nog te mikken bij het schieten. Dat zou het bestaan van een hevige gemoedsbeweging evenwel niet uitsluiten.
38. Het hof heeft in het kader van het beroep op extensief noodweerexces vastgesteld dat verdachte betrokken is geraakt in een hennep-gerelateerd conflict met [slachtoffer], dat dit conflict al enige tijd bestond en dat verdachte hierdoor naar eigen zeggen heel bang was voor [slachtoffer], zo bang dat hij zich met het oog op een mogelijke confrontatie kennelijk voorzag van een geladen vuurwapen. Het hof acht evenwel niet aannemelijk geworden dat bij verdachte ‘op het moment dat hij het derde schot loste, sprake was van een hevige gemoedsbeweging die uitsluitend dan wel in overwegende mate haar oorzaak vond in de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], kort voorafgaand aan het derde schot’. Het hof overweegt daarbij in de eerste plaats dat het dossier geen aanknopingspunten bevat ‘voor de door verdachte gestelde aard en heftigheid van zijn gemoedsbeweging’ maar dat er eerder ‘aanwijzingen voor het tegendeel’ zijn. In dat kader wijst het hof erop dat uit het handelen van de verdachte op het moment van het derde schot ‘een zekere rationaliteit’ blijkt en dat verdachte daarover heeft ‘verklaard dat hij zich in staat achtte om gericht te vuren’.
39. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof het bestaan van een hevige gemoedsbeweging (enkel) uitsluit op basis van de vaststelling van ‘een zekere rationaliteit’ en de verklaring van de verdachte dat hij zich in staat achtte om gericht te vuren berust het middel derhalve op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Het hof heeft overwogen dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de door de verdachte gestelde aard en heftigheid van zijn gemoedsbeweging en dat het dossier aanknopingspunten bevat voor het tegendeel. In dat kader is het hof vervolgens op de ‘rationaliteit’ in het handelen en het zich in staat achten om te vuren. Het middel faalt in zoverre derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
40. ’s Hofs feitelijke oordeel dat bij de verdachte geen sprake is van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de wederrechtelijke aanranding is voorts niet onbegrijpelijk. Bij dat oordeel heeft het hof voorts in aanmerking mogen nemen dat het handelen van de verdachte getuigt van een zekere rationaliteit.
41. Het hof heeft in de tweede plaats overwogen dat ook indien sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging in die zin dat de verdachte erg bang was voor [slachtoffer], naar het oordeel van het hof de geschetste voorgeschiedenis veel bepalender is geweest voor de gemoedsbeweging ‘dan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] direct voorafgaand aan het derde schot’. In deze overweging ligt besloten dat het hof het beroep op noodweerexces eveneens verwerpt op grond van het oordeel dat de aanranding niet van doorslaggevend belang is geweest voor het ontstaan van de gestelde (hevige) gemoedsbeweging en dat deze aldus niet door de aanranding is veroorzaakt. Deze grond, die de verwerping van het beroep op noodweerexces zelfstandig draagt, wordt in cassatie als ik het goed zie niet bestreden. Ook dat brengt mee dat de deelklacht inzake de verwerping van het beroep op noodweerexces faalt.
42. Ten slotte klaagt het middel dat de verwerping van het beroep op psychische overmacht onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
43. In hoger beroep is door de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verdachte ‘is bedreigd met de dood’, dat hij ‘heeft gevreesd voor de dood of voor zijn veiligheid’, dat de politie ervan wist en niet heeft ingegrepen, dat de verdachte ‘in deze situatie geen alternatief zag dan zich met een vuurwapen op zak te beveiligen’, dat hij werd ‘aangevallen op de openbare weg door [slachtoffer] en een handlanger in de auto’, en dat in die situatie sprake was van een noodweersituatie, ‘maar van zowel het zich bewapen als het schieten met het wapen kun je ook zeggen dat er sprake was van psychische overmacht’.
44. Het hof heeft overwogen dat het beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit onder zodanige druk stond dat niet van hem gevergd kon worden dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan. Het hof daaraan mede ten grondslag gelegd hetgeen het met betrekking tot het beroep op noodweerexces heeft overwogen en heeft gewezen op de omstandigheid dat de raadsman geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd om het beroep op psychische overmacht nader te onderbouwen.
45. In aanmerking genomen dat het hof heeft overwogen dat − nu [slachtoffer] ten tijde van het bewuste schot wegliep naar de Mercedes − er geen sprake meer was van een noodweersituatie waarin verdediging geboden was en dat er geen aanknopingspunten zijn voor de door de verdachte gestelde aard en heftigheid van zijn gemoedsbeweging, maar dat er eerder aanwijzingen zijn voor het tegendeel nu uit het handelen van de verdachte een zekere rationaliteit is gebleken en de verdachte ook heeft verklaard dat hij zich in staat achtte om gericht te vuren, meen ik dat ’s hofs oordeel, dat ik aldus begrijp dat niet (aannemelijk is geworden dat) sprake was van een drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand behoefde te bieden niet onbegrijpelijk en, gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ook deze deelklacht faalt.
46. Het derde middel faalt.
Bespreking van het eerste middel
47. Het eerste middel klaagt over de motivering van de strafoplegging. De steller van het middel voert aan dat het hof de opgelegde straf heeft gegrond op ‘een heel ander scenario dan zich feitelijk heeft afgespeeld’. Kort gezegd zou de aanval op de verdachte door [slachtoffer] niet voortkomen uit ‘een onderwereldconflict over drugs waarbij men met vuurwapens het eigen gelijk wil halen, zoals het hof stelt’, maar uit de ergernis van [betrokkene 2] en [slachtoffer] dat de verdachte ‘hen in de wielen durfde te rijden bij de afpersing van een ondernemer’. Daarom zou de opgelegde straf onbegrijpelijk zijn en niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
48. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg van 28 december 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:
Het is allemaal begonnen omdat ik onenigheid kreeg met mijn oom [betrokkene 1], de president van Caloh Wagoh Spijkenisse, over een hennepplantage. Vanaf die tijd ontving ik dreigementen, werd ik opgewacht en werd ’s nachts aan mijn deur gebeld. Dat kan alleen van zijn kant komen, van wie anders? Op het moment dat [slachtoffer] er bij kwam had ik door dat het serieus was. Dat was denk ik vanaf februari 2021. Zij wilden toen een vriend van mij, [betrokkene 3], afpersen. Dat had ook te maken met die hennepkwekerij. Ik kwam bij [betrokkene 3] toen mijn oom net weg was. Vervolgens kwam [slachtoffer] en die vertelde dat [betrokkene 3] beter kon betalen. Ik zei tegen [betrokkene 3] dat hij dat niet moest doen omdat zij onder één hoedje speelden. [slachtoffer] wilde toen met mij vechten, maar dat werd gesust. Daarna escaleerden de bedreigingen alleen maar.’
49. Het arrest van het hof houdt onder meer in dat het is gewezen ‘naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg’.
50. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval ligt, zo heeft Uw Raad in een arrest van 5 juli 2022 overwogen, in belangrijke mate bij de feitenrechter. Verder geldt dat omstandigheden die de feitenrechter gebruikt ter motivering van de straf niet behoeven te worden ontleend aan de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsmiddelen dan wel aan nader aangeduide bewijsmiddelen; voldoende is dat van die omstandigheden ter terechtzitting is gebleken.
51. Het hof heeft in het kader van de strafoplegging vastgesteld dat het schietincident heeft plaatsgevonden ‘tegen de achtergrond van een onderwereldconflict’. Gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 december 2021 acht ik die vaststelling niet onbegrijpelijk. Uit die verklaring blijkt dat het volgens verdachte ‘allemaal’ is begonnen met onenigheid over een hennepplantage. De afpersing van een vriend speelde volgens diezelfde verklaring pas later (en hield kennelijk eveneens verband met die hennepkwekerij). Daarbij heeft het hof niet overwogen dat sprake is van een onderwereldconflict over drugs ‘waarbij men met vuurwapens het eigen gelijk wil halen’; in zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag. Ten overvloede merk ik op dat het hof in de strafmotivering ook vaststelt dat ‘verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor geweldsdelicten’. De opgelegde straf is niet onbegrijpelijk en voorts toereikend gemotiveerd.
52. Het eerste middel faalt.
Afronding
53. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende motivering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad mogelijk niet arrest zal wijzen binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld; daar ga ik in het volgende randnummer evenwel niet van uit. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
54. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG