ECLI:NL:PHR:2024:1014

ECLI:NL:PHR:2024:1014, Parket bij de Hoge Raad, 04-10-2024, 24/01601

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 04-10-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/01601
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1862
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0002656

Samenvatting

Vermogensrecht; procesrecht. Vernietiging vaststellingsovereenkomst door echtgenote (art. 1:88 en 1:89 BW). Handtekeninggeschil? Processuele band verweer in conventie en eis in reconventie.

Uitspraak

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bevat één onderdeel met de klacht dat het hof in rov. 3.12-3.13 niet heeft kunnen oordelen dat [eiser] het bestaan van de vernietigingsbrief niet heeft betwist. In de toelichting op het onderdeel zijn nog tien (sub-)klachten geformuleerd die vooral het karakter van veegklachten hebben.

Volgens de hoofdklacht heeft het hof in rov. 3.12 in samenhang met rov. 3.13 ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, geoordeeld dat het bestaan van de vernietigingsbrief niet is betwist, om daarna, met name in rov. 3.13, te oordelen dat de daar genoemde verweren van [eiser] tegen de vernietiging door [verweerder] ’ echtgenote falen. Het hof heeft daarbij namelijk de reconventionele eis en de in incidenteel appel ingestelde vorderingen niet besproken, die er op neerkomen dat de handtekening onder de vernietigingsbrief door een deskundige op authenticiteit moet worden onderzocht en die daarmee kennelijk de grondslag van de conventionele vordering trachten aan te tasten teneinde die te doen afwijzen, waardoor in het hier bestreden oordeel de processuele band tussen het verweer in conventie, de eis in reconventie en de eisen in incidenteel hoger beroep zijn verbroken. De toelichting op de klacht komt erop neer dat de strekking van de reconventionele eis tot handtekeningenonderzoek is dat de vernietiging door [verweerder] ’ echtgenote op 4 april 2020 wordt betwist. Door de eis in reconventie niet te bespreken en te oordelen dat [eiser] het bestaan van de vernietigingsbrief niet heeft betwist zou de processuele band tussen het verweer in conventie en de reconventionele eis in eerste aanleg en in incidenteel appel nodeloos zijn verbroken.

Deze klacht komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] niet het bestaan van de vernietigingsbrief heeft betwist, nu hij dat wel zou hebben gedaan met zijn eisen in reconventie en in het incidenteel appel, welke laatste eis niet zou zijn besproken door het hof. Dat lijkt mij uit te gaan van een onjuiste lezing van het hofoordeel en dat geeft bovendien een onjuiste draai aan de reconventionele eisen hier. Het hof heeft de handtekeningenkwestie onder de vernietigingsbrief in het midden gelaten en kunnen laten, omdat het heeft geoordeeld en kon oordelen dat de brief aangetekend en per e-mail was verstuurd, [eiser] niet heeft gesteld dat hij die brief niet heeft ontvangen en er bovendien inhoudelijk door [eiser] advocaat op is gereageerd vervolgens met de stelling dat het beroep op art. 1:88 BW wordt verworpen omdat de VSO II niet onder het bereik van dat artikel zou vallen. Nu een vernietiging ex art. 1:88 jo 1:89 BW hier vormvrij is, hoe dan ook met betrekking tot de door het hof onderbouwd aangegeven zes giften in de VSO II ten belope van enkele miljoenen die het hof als ‘evident ongebruikelijk en bovenmatig’ beoordeelt, kon het hof aldus oordelen dat de vernietigingshandeling an sich neergelegd in de brief – dus het bestaan van de betreffende brief – niet is betwist. Dat oordeel valt de klacht tevergeefs aan. De gezocht aandoende handtekeningenkwestie daarover, voorwerp van de reconventionele vordering van [eiser] , is dan niet relevant en kon het hof dus laten rusten, waarbij bovendien heeft te gelden dat het hof op grond van zijn oordeel in conventie oordeelt dat de reconventionele declaratore eisen van [eiser] dat [verweerder] ’ echtgenote geen rechtsgeldig beroep kon doen op vernietiging van de VSO II, althans dat geen sprake zou zijn van bovenmatige giften, niet toewijsbaar zijn. Van ‘nodeloze’ verbreking tussen het verweer in conventie en de eis in reconventie, zoals de klacht het formuleert en wat daar verder van zij, is hier geen sprake; het hof hanteert het bekende stramien dat uit afwijzing van dat verweer in conventie volgt dat de reconventionele eis ook sneuvelt.

Dit laat zich als volgt nader schetsen. Zoals het hof in rov. 3.12 weergeeft, hebben [eiser] en M&M verschillende standpunten ingenomen over de vernietigingsbrief. In eerste aanleg hebben zij aanvankelijk gesteld dat de VSO II niet onder het bereik van art. 1:88 BW zou vallen en dat het beroep op vernietiging verjaard is. Ook hebben zij in eerste aanleg hun eis in reconventie gewijzigd en gevorderd dat de handtekening van [verweerder] ’ echtgenote onder de vernietigingsbrief moet worden onderzocht op authenticiteit. Deze eiswijziging hebben [eiser] en M&M alleen onderbouwd met de stelling dat zij twijfelden aan de geloofwaardigheid van [verweerder] nadat uit het onderzoek naar de authenticiteit van zijn handtekening onder VSO II was gebleken dat deze zeer waarschijnlijk van hem afkomstig was. [eiser] en M&M hebben vervolgens in incidenteel hoger beroep, “al dan niet ex artikel 843a Rv”, onder meer gevorderd dat [verweerder] het origineel van de vernietigingsbrief moet overleggen zodat een schriftdeskundige deze kan onderzoeken op authenticiteit. In tegenstelling tot de eis in reconventie in eerste aanleg hebben [eiser] en M&M in appel dus niet slechts gevorderd dat de authenticiteit van de handtekening van [verweerder] ’ echtgenote onder de vernietigingsbrief moet worden onderzocht, maar dat de hele vernietigingsbrief op authenticiteit moet worden onderzocht. [eiser] en M&M hebben deze vordering onderbouwd met de stelling dat [eiser] aanwezig zou zijn geweest bij een vervalsing van [verweerder] van een financieringsovereenkomst met ABN AMRO Bank N.V. (waarvan [eiser] en M&M eveneens afschrift van het origineel vorderen) en [eiser] (mede om die reden) eveneens twijfels heeft over de echtheid van de vernietigingsbrief van [verweerder] ’ echtgenote. Deze vermeende vervalsing hebben [eiser] en M&M niet nader onderbouwd, waartegenover [verweerder] deze beweerdelijke vervalsing stellig heeft betwist. Hoewel [verweerder] geen bezwaar had tegen een authenticiteitsonderzoek, heeft hij (gemotiveerd) betwist dat [eiser] en M&M daar enig belang bij zouden hebben.

Aldus heeft [eiser] in wezen een bewijskwestie willen maken van de vraag of [verweerder] ’ echtgenote wel bij brief van bedoelde datum althans de zes giften uit VSO II heeft vernietigd. Daar kon het hof aan voorbij gaan op de al aangegeven wijze: nu niet is betwist dat die brief per mail en aangetekend is verstuurd, kort na datering van dat stuk is ontvangen èn er inhoudelijk door de raadsman van [eiser] inhoudelijk afwijzend op is gereageerd, wordt aan die hele kwestie verder niet toegekomen.

Anders gezegd: [eiser] heeft slechts gesteld dat hij vermoedde dat [verweerder] de inhoud en ondertekening van de brief zou hebben gefabriceerd. Zij hebben niet betwist dat de vernietigingsbrief bestaat en evenmin gesteld dat een dergelijke brief aan hen is toegezonden en hen heeft bereikt en zij dus niet zouden weten van het bestaan ervan. Sterker nog: het daarin gedane beroep op art. 1:88 BW wordt in reactie op die brief door de advocaat van [eiser] verworpen. Zodoende kon het hof oordelen dat [eiser] het bestaan zelf van die brief niet heeft bestreden, waarna het hof overweegt dat het die brief “op alle aangevoerde aspecten”, oftewel de in rov. 3.12 genoemde bezwaren van [eiser] en M&M tegen de brief, zal beoordelen.

In dat kader oordeelt het hof eerst gemotiveerd dat in VSO II sprake is van zes separate giften ten belope van enkele miljoenen, door het hof als ‘evident ongebruikelijk en bovenmatig’ beoordeeld, en dat dat [verweerder] ’ echtgenote althans die giften dus rechtens kon vernietigen. Een vernietigingsverklaring op de voet van art. 1:89 BW is vormvrij en heeft dus werking zodra die verklaring de persoon heeft bereikt tot wie deze gericht is (art. 3:37 leden 1 en 3 BW). Een vernietigingsverklaring hoeft dan ook niet schriftelijk en/of ondertekend te geschieden. [eiser] heeft ook begrepen dat een vernietigingsverklaring is uitgebracht en hij heeft deze vernietiging (in eerste instantie) alleen bestreden op inhoudelijke gronden die het hof in rov. 3.13 heeft verworpen. Pas in een laat stadium in de procedure heeft hij de authenticiteit van de vernietigingsbrief in twijfel getrokken, maar dat slechts summierlijk onderbouwd. Ik zou het daarbij kunnen laten; hiermee valt het doek voor de klacht al.

Ten overvloede nog dit daarover: het hof was hier niet gehouden om een onderzoek te gelasten naar de handtekening van [verweerder] ’ echtgenote om de enkele reden dat de authenticiteit van haar handtekening door [eiser] was betwist. Er is geen sprake van een handtekeningenkwestie met de verplichte regeling volgens art. 159 lid 2 Rv, omdat het hier geen onderhandse akte betreft waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, en die geen bewijs oplevert, zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Wanneer degene tegen wie de akte wordt ingeroepen een ander is dan degene die de akte ondertekend zou hebben (een rechtsverkrijger van de beweerdelijk ondertekend hebbende partij tegen wie de akte wordt ingeroepen), dan kan die ander volstaan met de verklaring dat hij de echtheid van de ondertekening niet erkent. Dat speelt hier allemaal niet: de vernietigingsbrief is geen onderhandse akte die door [verweerder] of [eiser] is ondertekend en waarvan die ondertekening door een van hen, of een rechtsverkrijger, is betwist. De vernietigingsbrief bevat een eenzijdige verklaring van en beweerdelijk ondertekend door de echtgenote van [verweerder] , welke onderteking door een [derde] wordt betwist.

De ‘twist’ die de klacht aan de reconventionele handtekeningenkwestie wil geven dat die zou behelzen dat daarmee het bestaan van de brief – en dus het gedane beroep op bovenmatige giften door [verweerder] ’ echtgenote resulterend in een vernietigingshandeling ex art. 1:89 BW – zie ik in het licht van het zo-even besprokene dan ook niet opgaan. En zo dit al zo begrepen zou kunnen worden in de door de klacht bedoelde zin, heeft te gelden dat het hof dat heeft verworpen met de alleszins dragende motivering dat de kennisneming van de per mail en aangetekende post verstuurde vernietigingsbrief niet is bestreden – sterker nog: daar is zijdens de advocaat van [eiser] nota bene inhoudelijk afwijzend op gereageerd.

De klacht kan niet tot cassatie leiden.

Overige klachten – PI 10

In de ‘toelichting’ in de PI onder 10 zijn nog negen (sub-)klachten geformuleerd, maar (zo die al niet op een pure herhaling van zetten neerkomen, zoals de onder 10.d geformuleerde klacht dat het hof in rov. 3.12 niet van het bestaan van de vernietigingsbrief heeft kunnen uitgaan) die voldoen niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen voor zover deze meer zouden behelzen dan ‘veegklachten’ die het lot van de hiervoor afwijzend besproken klacht moeten delen. De bij deze (sub-)klachten gebezigde enkele verwijzing naar de toelichting op de hiervoor besproken klacht (‘[i]n het verlengde van zijn [lees: [eiser] ] toelichting op de klacht en met verwijzing daarnaar…’) is daartoe niet toereikend. Ook deze klachten falen zodoende. Ik meen daarom af te kunnen zien van inhoudelijke bespreking daarvan.

Laatste klacht – PI 11

PI 11 bevat tot slot nog de klacht dat nu het hof de kennelijke stelling van [eiser] niet heeft besproken dat [verweerder] ’ echtgenote de vernietigingsbrief niet heeft ondertekend, er in cassatie veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat zij de VSO II niet op 4 april 2020 heeft vernietigd. Hierom kan het arrest, dat wel van vernietiging per dat moment uitgaat, niet in stand blijven.

Deze klacht is tevergeefs, zoals bij bespreking van de hoofdklacht al is aangegeven: in rov. 3.12 is geoordeeld dat [eiser] de vernietigingsbrief heeft ontvangen en dat hierop zijdens hem door zijn advocaat inhoudelijk afwijzend is gereageerd. Dit oordeel is als zodanig in cassatie niet bestreden. Als dit oordeel in samenhang wordt gelezen met de proceshouding van [eiser] zoals door het hof weergegeven in rov. 3.11 en de summiere onderbouwing van zijn stelling dat [verweerder] ’ echtgenote de vernietigingsbrief niet zou hebben ondertekend, ligt hierin besloten dat het hof deze stelling heeft verworpen. Ik teken daar nog bij aan dat [verweerder] in appel (gemotiveerd) heeft betwist dat zijn echtgenote de vernietigingsbrief niet zou hebben ondertekend. Het betreft hier dus geen stelling die niet of onvoldoende door [verweerder] is betwist, zodat het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv als vaststaand had moeten aannemen dat [verweerder] ’ echtgenote de vernietigingsbrief niet heeft ondertekend. Op dit een en ander ketst deze klacht af.

4. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?