3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bevat een onderdeel gericht tegen rov. 3.8.
Het hof heeft in rov. 3.8 de vierde grief verworpen, omdat de vaststellingsovereenkomst waar [eiser] rechten aan wil ontlenen door [verweerder] ’ echtgenote rechtsgeldig is vernietigd, zoals het hof in de parallelle zaak tussen partijen daarover heeft geoordeeld. Gelet op die vernietiging, kunnen uit die VSO II geen rechtsgevolgen voortvloeien, althans niet voor de vorderingen en/of verweren in deze incassozaak. Dit oordeel kan volgens de klacht niet in stand blijven, gelet op [eiser] gelijktijdige cassatieberoep in de parallelle zaak die het oordeel over de nietigheid van de VSO II bestrijdt. Nu het hofoordeel in de parallelle zaak niet definitief is, kan dat niet als grondslag voor de verwerping van de vierde grief in deze incassozaak dienen.
Nu de klacht in de parallelle zaak tegen het oordeel dat [verweerder] ’ echtgenote de VSO II rechtsgeldig heeft vernietigd blijkens mijn bespreking in de ook vandaag genomen conclusie van de betreffende cassatieklacht in de parallelle procedure (24/01601) niet tot cassatie kan leiden in mijn optiek, treft de klacht in de onderhavige zaak (24/01604) evenmin doel: het oordeel over de vernietiging van VSO II blijft in stand, zodat de daarop rustende afwijzing van de vierde grief door het hof in deze incassoprocedure tevergeefs wordt bestreden met deze klacht.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G