ECLI:NL:PHR:2024:1057

ECLI:NL:PHR:2024:1057, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 22/02094

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02094
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1404
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0006622

Samenvatting

Conclusie AG. Overtreding van art. 6 WVW 1994, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Met te hoge snelheid (voor de ter plaatse geldende situatie) rijden, een doorgetrokken streep overschrijden en vervolgens tegen een de weg oprijdende scooter botsen. 1. Bewijsklacht 2. Strafmotivering, rekening houden met eerdere veroordeling. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

Nummer22/02094

Zitting 27 augustus 2024

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte

Bespreking van het eerste middel

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling van de schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 heeft meegewogen dat de verdachte de doorgetrokken streep overschreed, terwijl – mede in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht – gezien de richting waar de scooterrijder vandaan kwam, het oordeel dat die gedraging in rechtstreeks verband staat met het ongeval onbegrijpelijk is, zodat de bewezenverklaring ook als geheel onbegrijpelijk is

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘hij op 25 juni 2018 te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een Audi A3 met kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende over de openbare weg, de Van Zijstweg, in de richting van de Croeselaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in aanzienlijke mate onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend te rijden, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

 met een te hoge snelheid, heeft gereden en

 met zijn, verdachtes, voertuig (gezien zijn rijrichting) op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden, alwaar een doorgetrokken streep lag (aanduidende: "bestuurders mogen de streep niet overschrijden”) en

 met onverminderde snelheid de kruising met de Veilinghavenkade is genaderd en is opgereden, terwijl deze snelheid voor de ter plaatse geldende situatie (gelet op het drukke verkeersbeeld) te hoog lag waardoor hij, verdachte, onvoldoende voorzorgsmaatregel heeft getroffen en onvoldoende overzicht op de verkeerssituatie heeft gehad en heeft kunnen hebben, en

 (gelet op voornoemde omstandigheden) het door hem, verdachtes, bestuurde motorvoertuig niet (tijdig) tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze weg vrij was, en

 (vervolgens) door voornoemde positie en/of voornoemde snelheid een scooter (te weten een Iva Jet 50 met kenteken [kenteken 2] ) dusdanig dicht was genaderd, terwijl die Iva Jet scooter de weg aan het oprijden was, komende uit de richting van de Veilinghavenkade, waarna hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorvoertuig tegen die genoemde scooter is gebotst/gereden, waardoor de bestuurder van die scooter, genaamd [slachtoffer ] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of een gebroken sleutelbeen, een (open) (rechter)(boven)beenfractuur en een (open) (linker)(onder)beenfractuur en een gebroken bot in de (linker)voet, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.’

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende Promis-bewijsvoering (met weglating van verwijzingen):

‘Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet vastgesteld kunnen worden dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat een ander wordt gedood, dan wel dat iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor schuld in het kader van artikel 6 WVW is vereist dat verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen.

Voor de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW zijn verschillende factoren van belang. Het komt aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de genoemde bepaling. In dit verband zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hiervoor bedoelde zin.

Bij de beoordeling in de onderhavige zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 25 juni 2018, omstreeks 17:10 uur, dus tijdens spitsuur, reed verdachte in zijn auto op de Van Zijstweg te Utrecht, komende uit de richting van de Doctor M.A. Tellegenlaan en gaande in de richting van de Croeselaan. De weg in de rijrichting van verdachte bestond uit twee rijstroken. Eén van deze rijstroken was voorzien van een rechtdoor wijzende pijl, de andere rijstrook van een pijl die linksaf wees met de tekst "P JAARBEURS" daaronder. De weg in de rijrichting voor tegemoetkomend verkeer bestond uit één rijbaan en was van de hiervoor genoemde rijbanen gescheiden door een doorgetrokken streep.

Verdachte heeft verklaard dat hij rechtdoor op de Van Zijstweg reed, in de baan voor links afslaand verkeer, omdat hij aan het einde van de Van Zijstweg links af wilde slaan. De bestuurder van de scooter, [slachtoffer ] (hierna: het slachtoffer) reed op de Veilinghavenkade, komende uit de richting van de Veilingstraat. Het slachtoffer wilde bij de kruising met de Van Zijstweg linksaf slaan, de Van Zijstweg op in de rijrichting die vanuit het perspectief van verdachte gezien voor tegemoetkomend verkeer was bestemd. Vanuit het oogpunt van verdachte kwam het slachtoffer van rechts. Het verkeer op de Van Zijstweg had voorrang op het verkeer komende vanaf de Veilinghavenkade. Ter hoogte van de kruising van de Van Zijstweg en de Veilinghavenkade kwam verdachte in botsing met het slachtoffer. Ten gevolge van de botsing heeft het slachtoffer een schedelfractuur en een sleutelbeen-, een open bovenbeen-, een open onderbeen- en een voetbreuk opgelopen.

Snelheid:

Door de Forensische Opsporing (hierna: de FO) is onderzoek gedaan naar de door verdachte gereden snelheid. Op grond van camerabeelden heeft de FO een indicatieve snelheid berekend waarmee verdachte vlak voor de aanrijding reed en welke gelegen zou zijn tussen de 70 en 82 km per uur. Deze berekening past bij wat diverse getuigen met betrekking tot de snelheid van het voertuig van verdachte vlak voor de aanrijding hebben verklaard. Zo heeft getuige [betrokkene 1] verklaard dat hij ongeveer 45 km per uur in dezelfde rijrichting als verdachte reed toen verdachte hem, vlak voor de aanrijding, hard inhaalde. Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op zijn fiets in dezelfde rijrichting als verdachte reed toen deze hem hard inhaalde met een snelheid van zeker 60 km/uur. Getuige [betrokkene 3] stak te voet de Van Zijstweg over toen verdachte daar op hem af reed. Deze getuige moest zijn pas versnellen om nog veilig de overkant van de straat te halen. Vlak daarop hoort en ziet hij de aanrijding. Deze getuige schat de snelheid die verdachte reed op ten minste 70 km per uur. Getuige [betrokkene 4] reed met zijn auto in dezelfde rijrichting als verdachte en zag hoe de auto van verdachte hem vlak voor de aanrijding inhaalde. De auto van verdachte reed daarbij aanmerkelijk sneller dan het overige verkeer. Getuige [betrokkene 4] schat die snelheid op 60 of 70 kilometer per uur.

Plaats op de weg

Uit de Verkeers Ongevallen Analyse blijkt dat de aanrijding plaatsvond op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer. Dit past bij wat getuige [betrokkene 4] heeft verklaard. Hij reed in dezelfde rijrichting als verdachte, in de rijstrook voor rechtdoor gaand verkeer, toen hij zag hoe een auto voor hem van de rijstrook voor rechtdoor gaand verkeer wilde wisselen naar de rijstrook voor links af slaand verkeer. De bestuurder van deze auto maakte daarvoor een stuurbeweging naar links. De auto van verdachte kwam op dat moment van achteren, rijdend op de rijstrook voor links afslaand verkeer en week voor genoemde, van rijstrook wisselende auto uit, door de baan voor tegemoet komend verkeer op te rijden. Getuige [betrokkene 2] heeft niet verklaard dat hij zag hoe verdachte op de baan voor tegemoetkomend verkeer reed, maar wel dat het leek of verdachte niet de intentie had om te remmen en achter de file aan te sluiten, maar dat hij naar links uitweek om de file in te halen.

Ter terechtzitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat het mogelijk zou kunnen zijn dat hij kort op de rijstrook voor tegemoet komend verkeer terecht is gekomen.

Conclusie

Gezien het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat verdachte op het moment van de botsing in ieder geval harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Ook stelt het hof vast dat verdachte flink harder heeft gereden dan in de specifieke verkeerssituatie ter plaatse – gelet op de file op de rechter rijbaan en het vanwege die file gebrekkige zicht voor verdachte op de Veilinghavenkade die aan de rechterzijde op de Van Zijstweg uitkwam – verantwoord was. Verdachte had geen goed overzicht over het geheel van de verkeerssituatie waarin hij zich bevond en heeft zichzelf in een situatie gebracht waarin hij niet meer op veilige wijze kon reageren op onverwachte verkeersbewegingen waarop hij vanwege de drukte en het langzaam rijdende verkeer bedacht moest zijn. Voorts ziet het hof het overschrijden van de doorgetrokken streep bij het uitwijken voor de naar links komende auto vóór verdachte als een gedraging die ook ten minste voor een belangrijk deel door de fors te hoge snelheid van verdachte werd veroorzaakt. Deze gedraging vormt derhalve een nadere aan verdachte te verwijten verkeersovertreding die in rechtstreeks verband staat met het ongeval. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de hierboven genoemde gedragingen van verdachte en de mate van gevaarzetting die deze gedragingen onder de gegeven omstandigheden meebrachten, is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en daarmee schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW1994.

Dat het slachtoffer komend vanuit de Veilinghavenkade geen voorrang heeft verleend aan (al) het verkeer op de Van Zijstweg, is door het hof als relevante omstandigheid bij de beoordeling van de schuld van verdachte aan het ongeval betrokken, maar leidt voor het hof niet tot een ander oordeel. Het verweer van de verdediging dat verdachte geen rekening hoefde te houden met eventueel verkeer dat van rechts zou komen omdat hij voorrang had op dat eventuele verkeer, wordt verworpen nu deze opvatting in haar algemeenheid onjuist is.’

6. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 20 mei 2022 heeft de raadsman van de verdachte blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal een pleitnota overgelegd en het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig die pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:

‘Het wel of niet op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer zijn geweest van client kan werkelijk op geen enkele manier als een bijdrage c.q. causaal verband (lees een conditio sine qua non) worden bezien, dan wel in andere termen: dit eventuele gegeven is op geen enkele manier, redengevend voor het te bewijzen bestanddeel ‘schuld’.

Het slachtoffer kwam namelijk niet vanuit die tegenovergestelde rijrichting; maar kwam uit een zijstraat. (…)

Het eventuele overschrijden van de doorgetrokken streep op de Van Zijstweg heeft, zou dit inderdaad kloppen, overigens een goed uitlegbare en begrijpelijke reden hebben. Te weten het feit dat client iets moest uitwijken voor de auto op de rechterbaan van de Van Zijstweg. Dit is eerder een blijk van het feit dat client alert en scherp was dan iets anders. Zeker aangezien dit op dat moment geen enkel verkeersgevaar opleverde aangezien er op dat moment geen verkeer uit tegenstelde richting was.’

7. Artikel 6 WVW 1994 verbiedt eenieder die aan het verkeer deelneemt ‘zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat’. In die formulering ligt besloten dat er een causaal verband dient te zijn tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval. Daarbij is het criterium van de ‘redelijke toerekening’ leidend.

8. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 25 juni 2018 omstreeks 17:10 uur en dus tijdens het spitsuur met zijn auto reed op de Van Zijstweg te Utrecht, komende uit de richting van de Doctor M.A. Tellegenlaan en gaande in de richting van de Croeselaan. De weg in de rijrichting van de verdachte bestond uit twee rijstroken, één met een rechtdoor wijzende pijl, één met een linksaf wijzende pijl. De verdachte reed rechtdoor in de baan voor links afslaand verkeer. Het slachtoffer reed op een scooter op de Veilinghavenkade komend uit de richting van de Veilingstraat en wilde bij de kruising met de Van Zijstweg linksaf slaan, de Van Zijstweg op in de rijrichting van het de verdachte tegemoetkomend verkeer. Het verkeer op de Van Zijstweg had voorrang op het verkeer komend vanaf de Veilingkade. Ter hoogte van de kruising kwam de verdachte met het slachtoffer in botsing.

9. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte op het moment van de botsing harder reed dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en dat hij flink harder heeft gereden dan in de specifieke verkeerssituatie ter plaatse – gelet op de file op de rechter rijbaan en het vanwege die file gebrekkige zicht voor verdachte op de Veilinghavenkade – verantwoord was. En dat de weg in de rijrichting voor tegemoetkomend verkeer bestond uit één rijbaan; deze rijbaan was van de rijbanen in de rijrichting van de verdachte gescheiden door een doorgetrokken streep. Uit de Verkeers Ongevallen Analyse bleek dat de aanrijding tussen de verdachte en het slachtoffer plaatsvond op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer. De verdachte was om uit te wijken voor een auto die van rijstrook wisselde de baan voor tegemoet komend verkeer opgereden.

10. Het hof heeft overwogen dat de verdachte geen goed overzicht had over het geheel van de verkeerssituatie waarin hij zich bevond en zichzelf in een situatie heeft gebracht waarin hij niet meer op veilige wijze kon reageren op onverwachte verkeersbewegingen waarop hij vanwege de drukte en het langzaam rijdende verkeer bedacht moest zijn. Voorts heeft het hof overwogen dat het overschrijden van de doorgetrokken streep bij het uitwijken voor de naar links komende auto ten minste voor een belangrijk deel door de fors te hoge snelheid van de verdachte werd veroorzaakt en dat deze gedraging derhalve een nadere aan verdachte te verwijten verkeersovertreding vormt die in rechtstreeks verband staat met het ongeval. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, gelet op de onderlinge samenhang tussen de genoemde gedragingen van verdachte en de mate van gevaarzetting die deze gedragingen onder de gegeven omstandigheden meebrachten, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en daarmee schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

11. Gelet op de hiervoor weergegeven vaststellingen is ’s hofs oordeel dat de aanrijding mede het onmiddellijke gevolg was van het overschrijden van de doorgetrokken streep niet onbegrijpelijk. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat de aanrijding plaatsvond op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer en dat er dus geen aanrijding was gevolgd als de verdachte de van rijstrook wisselende auto niet (met te hoge snelheid) had ingehaald, bij welke manoeuvre de verdachte de doorgetrokken streep overschreed. Het hof heeft het ongeval redelijkerwijs kunnen toerekenen aan het onvoorzichtige verkeersgedrag van de verdachte waar het overschrijden van de doorgetrokken streep een wezenlijk onderdeel van vormde.

12. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in het kader van de strafmotivering heeft overwogen dat de verdachte begin juni 2018 nog voor een forse snelheidsovertreding is veroordeeld tot een geldboete en een rijontzegging en dat deze veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw te hard te rijden, terwijl deze veroordeling pas na de pleegdatum van het onderhavige feit onherroepelijk is geworden.

14. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

‘De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in juni 2018 in Utrecht een ongeval veroorzaakt waarbij hij een scooter heeft aangereden. Verdachte heeft vervolgens met zijn auto de scooter nog enige meters meegesleept. Verdachte heeft door, naar de omstandigheden, flink te hard te rijden en te rijden op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer zich aanzienlijk onvoorzichtig en onverantwoordelijk gedragen. Wel acht het hof - anders dan de rechtbank - niet bewezen dat verdachte in hoge mate onvoorzichtig, onachtzaam en onnadenkend heeft gehandeld. Het hof komt tot een bewezenverklaring van ‘aanzienlijke mate’, wat op de op te leggen straf van invloed is.

Het hof rekent het verdachte aan dat hij door zijn verkeersgedrag de veiligheid van een ander in gevaar heeft gebracht, welk gevaar zich voor het slachtoffer ook heef verwezenlijkt doordat het slachtoffer als gevolg van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer daar nu nog steeds grote hinder van ondervindt en dat hij daar in de toekomst ook hinder van zal blijven ondervinden in zijn dagelijkse leven.

Bij de strafoplegging zoekt het hof aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval. Deze hanteren als uitgangspunt voor de strafoplegging in geval van een verkeersongeval waaraan de verdachte aanmerkelijke schuld heeft en waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, terwijl er geen alcohol in het spel is, een taakstraf van honderdtwintig uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 april 2022 blijkt dat verdachte reeds eerder meerdere malen is veroordeeld, onder andere voor verkeersdelicten. Begin juni 2018 is verdachte voor een forse snelheidsovertreding nog veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk. Kennelijk heeft deze eerdere veroordeling verdachte er niet van weerhouden om opnieuw te hard te rijden. Het hof neemt dit gegeven als strafverzwarend in zijn oordeel mee en ziet daarin reden verdachte een fors hogere ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen dan in de oriëntatiepunten genoemd.

Het hof stelt vast dat in onderhavige strafzaak de termijn van berechting in eerste aanleg drie jaren heeft geduurd. De redelijke termijn in die fase is daardoor met een jaar overschreden. De rechtbank heeft met het grote tijdsverloop in haar vonnis rekening mee gehouden. In hoger beroep is de zaak binnen een jaar afgedaan, waardoor de procedures in eerste aanleg en hoger beroep tezamen niet meer dan vier jaar hebben geduurd.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden passend en geboden zijn.’

15. Uw Raad heeft in een arrest van 16 april 2024 het volgende overwogen:

‘2.4.1 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter mag bij de strafoplegging rekening houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en dit feit wordt vermeld ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op artikel 78b van het Wetboek van Strafrecht, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

2.4.2 Als in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat feit in beginsel onherroepelijk zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Maar als met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo’n strafbaar feit – bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet ervan heeft weerhouden opnieuw zo’n strafbaar feit te begaan – moet de veroordeling of de strafbeschikking voor dat niet tenlastegelegde feit al onherroepelijk zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.’

16. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 april 2022 blijkt dat de verdachte op 5 juni 2018 door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland wegens ‘overtreding van het bepaalde in artikel 20 ahf/ond a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’ is veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, alsmede een geldboete van € 1.200,-, subsidiair 22 dagen hechtenis. De veroordeling is opgenomen onder het kopje ‘Niet onherroepelijke zaken betreffende overtredingen’; bij ‘Rechtsmiddel’ is evenwel vermeld ‘Verdachte (19 december 2018)’ en als ‘Status’ wordt aangegeven ‘Onherroepelijk 12 december 2018’. Ik leid uit een en ander af dat deze veroordeling onherroepelijk is geworden op 12 december 2018; daar gaat ook de steller van het middel vanuit.

17. Het strafbare feit waarvoor de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld is begaan op 25 juni 2018. De veroordeling tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen waar het hof naar heeft verwezen, is eerst na die datum onherroepelijk geworden. Het hof heeft overwogen dat deze eerdere veroordeling de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw te hard te rijden, dat het dit gegeven als strafverzwarend in zijn oordeel meeneemt en dat het daarin reden ziet de verdachte een fors hogere ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen dan in de oriëntatiepunten (voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) genoemd. Gelet op hetgeen is overwogen in het hiervoor weergegeven arrest van Uw Raad is de strafoplegging daarom ontoereikend gemotiveerd.

18. Het middel slaagt.

Bespreking van het derde middel

19. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden, te weten de inzendtermijn.

20. Op 8 juni 2022 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 21 augustus 2023 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met ruim zes maanden is overschreden. Ambtshalve merk ik bovendien op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het tweede middel slaagt, kunnen het derde middel en de overschrijding van de termijn van twee jaar onbesproken blijven.

21. Het middel slaagt.

Afronding

22. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede en het derde middel slagen. Ambtshalve heb ik, behoudens hetgeen ik over het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn heb opgemerkt, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?