PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01232
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
“De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte.
De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende aan (…).
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Rotterdam.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. In aanvulling hierop deelt hij mede, ter zake van punten:
1. Op de akte staat de naam [verdachte] . Ik heb mijn cliënte gevraagd of zij toch niet zelf de
dagvaarding heeft aangenomen zij kon het zich niet meer herinneren. Als zij de oproep had ontvangen was zij zeker ter terechtzitting in eerste aanleg verschenen.
2. Het is een gemis dat er destijds bij het uitreiken van de dagvaarding niet om een legitimatiebewijs is gevraagd. Dit had wel moeten gebeuren.
3. Hier is ook geen legitimatie gevraagd.
4. De krul aan het eind van de handtekening van de zus vind ik overeenkomen met de krul aan het eind van de handtekening op de akte.
5. Ik vraag u subsidiair om het aan een deskundige te vragen. Naar mijn mening is het de handtekening van de zus en niet die van mijn cliënte.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na het beraad wordt het onderzoek weer hervat en direct daarna gesloten.
Bij monde van de voorzitter doet het hof onmiddellijk uitspraak.
De voorzitter deelt mede, dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep cassatie kan instellen.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffiers vastgesteld en ondertekend.”
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van artikel 311 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.
6. Het middel is terecht voorgesteld.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden