PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02143
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 1 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam:
in de zaak 13Shogun wegens:
- onder 1: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, lid 1 onder 1°, 4°, 6° en 9° Sr omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- onder 2: medeplegen van gewoontewitwassen;
en
in de zaak 13Overloon wegens:
- onder 1: mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, lid 1 onder 6° Sr omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 2: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, lid 1 onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° Sr omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 3: mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, lid 1 onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° Sr omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- onder 4: medeplegen van gewoontewitwassen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van twee benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02142 en 22/02186. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
De onderhavige zaken vloeien voort uit een tweetal strafrechtelijke onderzoeken naar mensenhandel, 13Shogun en 13Overloon. Het gaat in beide onderzoeken kort gezegd om uitbuiting van prostituees en het witwassen van de daaruit verkregen gelden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel heeft betrekking op de bewezen verklaarde uitbuiting en het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting in de zin van art. 273f Sr in zowel de zaak 13Shogun als de zaak 13Overloon.
In het tweede middel wordt gesteld dat het bij het bewezen verklaarde gewoontewitwassen onder feit 4 in de zaak 13Overloon gaat om het overdragen en omzetten van uit eigen misdrijf verkregen gelden, hetgeen in casu niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Het derde middel richt zich tegen de strafoplegging ten aanzien van feit 4 in de 13Overloon-zaak, omdat het bewezenverklaarde valt in méér dan één strafbepaling, namelijk art. 273f lid 6 Sr en art. 420ter Sr, op grond waarvan het hof ingevolge art. 55 lid 1 Sr gehouden was slechts één van die bepalingen toe te passen.
2. Het eerste middel
Het eerste middel bevat twee klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “uitbuiting” in de zin van art. 273f Sr. Deze klacht raakt aan de bewezenverklaring van alle feiten waarin de verdachte (diverse vormen van) mensenhandel wordt verweten.
In de tweede plaats kan volgens de steller van het middel de bewezen verklaarde uitbuiting c.q. het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
Ik zal eerst ingaan op de eerste klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip “uitbuiting”.
Uitbuitingssituatie?
Deze klacht is gericht tegen de inleidende overweging die het hof in zijn arrest heeft gewijd aan de vraag wanneer sprake is van een uitbuitingssituatie, meer specifiek tegen de betekenis die het hof geeft aan de eventuele instemming van het slachtoffer.
Deze overweging van het hof luidt als volgt [met onderstreping door mij, TS]:
“Inleidende overweging
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is bij prostitutie sprake van een uitbuitingssituatie, indien de betrokken prostituee in situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (HR 5 februari 2002, LJN:AD5235). Mondig betekent dat de prostituee zelfstandig kan bepalen of en wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat de prostituee zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk. Uitbuiting veronderstelt wel altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant.
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen sprake is van door de verdachte en zijn mededaders – door gebruikmaking van dwangmiddelen – met dwang doen uitvoeren van prostitutiewerkzaamheden door de genoemde vrouwen. Van een situatie waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren, was aldus door handelen van de verdachte en zijn mededaders in het geheel geen sprake.
Het oogmerk van uitbuiting acht het hof daarom ten aanzien van alle in de bewezenverklaring genoemde vrouwen bewezen.”
In zijn arrest van 5 februari 2002, waarnaar het hof verwijst, haalt de Hoge Raad de wetsgeschiedenis van art. 250ter (oud) Sr aan. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
“5.5. Uit deze wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat, indien zich een situatie voordoet - door de wetgever als uitbuitingssituatie aangeduid - waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant - waarbij als een geval waarin een uitbuitingssituatie kan worden verondersteld onder meer wordt genoemd dat de prostitué(e) illegaal in Nederland verblijft - degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht niet een beroep erop kan doen dat zijn opzet niet erop gericht was dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.”
De steller van het middel interpreteert deze passage in het arrest van de HR als volgt:
“4. Mondigheid veronderstelt dus een vrije keuze van handelen en beslissen. Dit brengt mee dat indien de mondige prostituée(e) een vrije keuze maakt om in te stemmen met een beoogde of bestaande uitbuiting van strafbare uitbuiting geen sprake is.”
Volgens de steller van het middel geeft het oordeel van het hof dat de instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is, dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts wanneer het slachtoffer door het gebruik van één van de genoemde dwangmiddelen een reële, vrije keuze wordt onthouden, doet de eventuele instemming met de uitbuiting niet ter zake, aldus nog steeds de steller van het middel.
Ik kan deze redenering niet volgen. Als ik het goed begrijp komt deze erop neer dat instemming van het slachtoffer met uitbuiting, deze uitbuiting straffeloos maakt, mits die instemming voortkomt uit een reële, vrije keuze. Of nog anders verwoord: uitbuiting is niet strafbaar als daar door het slachtoffer vrijwillig mee wordt ingestemd. Dát kan ik in de hiervoor onder 2.4 geciteerde passage uit het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 2002 niet lezen. De “vrije keuze” heeft in die passage betrekking op het “al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant” en niet op de uitbuiting.
Voor het standpunt van de steller van het middel kan ook geen steun worden gevonden in art. 1 lid 2 van het Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad van 19 juli 2002 inzake bestrijding van mensenhandel, waar de steller van het middel naar verwijst. Overigens is dit Kaderbesluit in 2011 vervangen door Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan.
Art. 2 van de Richtlijn 2011/36/EU luidt, voor zover voor onderhavige zaak van belang:
“Artikel 2
Strafbare feiten op het gebied van mensenhandel
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:
het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting.
2. Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.
3. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of dienstverlening — bedelarij daaronder begrepen — slavernij en met slavernij vergelijkbare praktijken, dienstbaarheid, uitbuiting van strafbare activiteiten, en de verwijdering van organen.
4. De instemming van een slachtoffer van mensenhandel met de beoogde of daadwerkelijke uitbuiting is irrelevant indien een van de in lid 1 genoemde middelen is gebruikt.
(…)”
Deze bepaling is in 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse strafwetgeving, waarbij ook art. 273f Sr is aangescherpt en uitgebreid. Uit het vierde lid van art. 2 van de richtlijn blijkt onmiskenbaar dat indien een van de uitbuitingsgedragingen is gehanteerd, instemming van het slachtoffer er niet meer toe doet.
Het hof heeft in zijn overweging tot uitdrukking gebracht dat uitbuiting een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit veronderstelt en dat, in dat geval, instemming van het slachtoffer niet relevant is. In zijn beoordeling van de vraag of sprake is van een uitbuitingssituatie betrekt het hof voorts dat er dwangmiddelen zijn toegepast. Dit oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Deze deelklacht faalt.
Klachten over de bewezenverklaring
In het eerste middel wordt voorts geklaagd over (de begrijpelijkheid van) het oordeel van het hof ten aanzien van drie van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen, te weten [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Bij de bespreking van deze klachten geef ik steeds per feit de bewezenverklaring, en indien relevant voor de bespreking van het middel ook de bewijsoverwegingen, van het hof weer. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen in deze zaak beslaan ruim 80 pagina’s. Een volledige weergave hiervan voert te ver. Waar dit nodig is voor de bespreking van een klacht, geef ik een bewijsmiddel weer of volsta ik met een verwijzing naar het betreffende bewijsmiddel.
Klachten over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 2] (zaak 13Overloon feit 1)
Ten laste van de verdachte is onder feit 1, zaak 13Overloon, bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 16 november 2011 tot en met 10 februari 2015 in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, dan wel een ander,
(sub 6) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2]”
De steller van het middel brengt tegen de bewezenverklaring van dit feit in:
(i) dat het oordeel van het hof dat een 50/50-verdelingsafspraak in de voorliggende casus duidt op een uitbuitingssituatie, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is;
(ii) dat daardoor het begrip ‘uitbuiting’ in de uitspraak van het hof aanzienlijk wordt verruimd, omdat het hof niet de nuance uit de jurisprudentie van de Hoge Raad aanbrengt gelegen in de vrije keuze met betrekking tot het aangaan of voorzetten van de relatie met de exploitant;
(iii) dat, gelet op in de schriftuur aangehaalde en door het hof als bewijsmiddel gebezigde sms-berichten en telefoongesprek met [medeverdachte 1], het oordeel van het hof dat [slachtoffer 2] zich niet bevond in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondig prostituee in Nederland pleegt te verkeren en niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid had een vrije keuze te maken met betrekking tot het voortzetten van haar relatie tot [medeverdachte 1] onbegrijpelijk is, nu zij in “krasse bewoordingen” haar ongenoegen met haar situatie en zijn houding uit en
(iv) dat, gelet op de inhoud van die gesprekken, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het opzet van de verdachte erop gericht was dat [slachtoffer 2] zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide.
Ten aanzien van deze klachten geldt het volgende. De bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 2] betreft (uitsluitend) het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2] (door [medeverdachte 1]). De hiervoor vermelde klachten zien op de aanwezigheid van een uitbuitingssituatie en in het verlengde hiervan het opzet van de verdachte op het door [slachtoffer 2] zich overgeven aan prostitutie als gevolg van feitelijk overwicht, en niet specifiek op het door de verdachte voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2]. Bovendien bevat het arrest van het hof in de onderhavige zaak niet het oordeel dat een 50/50-verdelingsafspraak duidt op een uitbuitingssituatie (klacht i en ii) en de bewezenverklaring houdt niet in dat het opzet van de verdachte erop gericht was dat [slachtoffer 2] zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeide.
De klachten missen feitelijke grondslag en falen.
Klacht over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 1] (zaak 13Shogun feit 1 en zaak 13Overloon feit 3)
Van de bewezen verklaarde feiten hebben twee feiten betrekking op [slachtoffer 1]. De schriftuur is niet specifiek gericht op één van de twee feiten zodat ik aanneem dat de klacht met betrekking tot beide feiten wordt aangevoerd.
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Shogun feit 1, onder meer, bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 maart 2008 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1]
(sub 1)
door dwang en andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en feitelijkheden en door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer 1]
en
(sub 4)
die [slachtoffer 1] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden
en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]
en
(sub 9)
die [slachtoffer 1] met de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen
voor die [slachtoffer 1] een woning geregeld en/of laten regelen in Nederland en
die [slachtoffer 1] als prostituee laten werken te Amsterdam en
die [slachtoffer 1] op de werkplek onder toezicht en controle gehouden en/of laten houden en
regelmatig die [slachtoffer 1] gedurende haar werkzaamheden opgebeld en/of laten opbellen waarbij die vrouw moest aangeven/aangaf en/of verslag moest doen en/of deed van hoe de zaken ervoor stonden en/of hoeveel klanten zij gehad had en/of hoeveel geld zij verdiend had en/of of zij bezet of vrij was en/of wanneer zij begon en/of stopte met werken en
die [slachtoffer 1] bewogen om vele uren achter elkaar te werken en/of (in telefoongesprekken) gezegd dat zij op moest schieten en/of dat zij harder moest werken voordat ze naar huis (in Hongarije) mag en
die [slachtoffer 1] bewogen om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en/of zijn medeverdachten af te staan en/of af te dragen en
die [slachtoffer 1] woorden toegevoegd van dreigende aard en/of strekking (te weten op 3 december 2008 de woorden: “Jullie hebben gisteren niet gewerkt, je gooit er met de pet naar. Ben je je verstand kwijt? Hoe vaak heb ik je gezegd om niet met die kankerkop van jou te denken? God moge je laten creperen! Waarom, verrot wijf? Heb je lulvocht in je hoofd? Ben je voor mij aan het denken? Wij ben jij om zulke beslissingen te nemen? Hoe vaak heb ik je niet gezegd dat jij dat niet moest doen? Om niet te krijgen wat nu aan de hand is! Je moest bij alles eerst ons vragen! Hoe vaak heb ik het je uitgelegd? Hoe vaak? Ik ga je smoel ombouwen! Je moet ons bellen! Waarom doe je dat niet? Je moet nu niet staan huilen, [slachtoffer 1], wantje boft dat ik er niet ben! Ik zou nu je beide hoerenoogjes uitsteken! Wacht maar tot je thuiskomt, ik zeg het niet meer. Alleen al voor watje vandaag hebt gedaan, krijg je...... ik zeg het niet meer. Ga maar, draaien en niet huilen....! O, wat bof je dat ik er niet ben!””
en onder zaak 13Overloon feit 3 dat:
“hij in de periode van 3 november 2005 tot 1 maart 2008 en van 4 december 2008 tot en met 31 december 2010 in Hongarije en/of te Alkmaar en/of Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1987)
(sub 1)
door dwang en andere feitelijkheden en door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1]
en
(sub 3)
voornoemde [slachtoffer 1] heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
en
(sub 4)
voornoemde [slachtoffer 1] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutie- en/of escortwerkzaamheden)
en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]
en
(sub 9)
die [slachtoffer 1] met de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte, en zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde,
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, terwijl hij wist dat die [slachtoffer 1] geen moeder meer had en haar vader alcoholist was en die [slachtoffer 1] geen stabiele thuissituatie had en geen geld had om van te leven en dat die [slachtoffer 1] een heel klein sociaal netwerk had en dat die [slachtoffer 1] verliefd was op zijn, verdachtes stiefzoon en bevriend was met zijn, verdachtes, stiefdochter
die [slachtoffer 1] het gevoel gegeven dat zij in zijn, verdachtes, en zijn mededaders’ gezin werd opgenomen en
voor die [slachtoffer 1] (meermalen) onderdak geregeld en met die [slachtoffer 1] samengewoond en
die [slachtoffer 1] bewogen als prostituee te gaan werken en te blijven werken en tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij geld moest gaan verdienen en
die [slachtoffer 1] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, en zijn mededaders af laten staan en
die [slachtoffer 1] zeer weinig van haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden laten houden en
die [slachtoffer 1] meermalen meegenomen en vervoerd naar Nederland en in Nederland een prostitutiekamer voor haar geregeld en haar als prostituee achter een raam laten werken en
die [slachtoffer 1] gezegd dat hij, verdachte, en zijn familie haar verdiensten voor haar zouden sparen voor een eigen huis en
voor die [slachtoffer 1] een paspoort geregeld zodat die [slachtoffer 1] in Nederland kon gaan werken en
voor die [slachtoffer 1] meermalen de reis naar Nederland betaald en
die [slachtoffer 1] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en/of laten controleren en
de werktijden en werkdagen van die [slachtoffer 1] bepaald en tegen haar gezegd dat zij per dag 6 800,- tot € 1.000,- euro moest verdienen en
die [slachtoffer 1] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en aan zijn mededaders en aan door hem opgegeven familieleden en vrienden van hem, verdachte, laten overmaken via money transfers en/of aan hem, verdachte, en zijn mededaders te overhandigen”
Ten aanzien van (de betrouwbaarheid van de verklaringen van) [slachtoffer 1] heeft het hof – in aanvulling op de inleidende overwegingen – onder meer het volgende overwogen:
“Op 15 oktober 2008 ontvangt de politie informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid dat [slachtoffer 1] op de Amsterdamse Wallen zou worden uitgebuit in de prostitutie (dossier Shogun, p. 29-30). Vanaf 16 oktober 2008 wordt de telefoon van [slachtoffer 1] afgeluisterd. Hieronder worden enkele van de vele gesprekken beschreven.
(…)
Op 3 december 2008 wordt [slachtoffer 1] als verdachte van mensenhandel aangehouden. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verdachte zijn eerst later in Hongarije aangehouden. In haar verdachtenverhoor van 3 december 2008 heeft [slachtoffer 1] - kort samengevat - verklaard dat zij voor zichzelf werkt en alles zelf regelt en dat zij niets gaat verklaren waardoor zij of een ander de gevangenis in moet. Op 4 december 2008 verklaart zij dat zij de [medeverdachte 2] kent omdat deze laatste in Nederland heeft gewerkt, dat ze soms met elkaar praten en op de vraag of zij de [medeverdachte 2] aardig vindt zegt ze van wel en dat de [medeverdachte 2] van haar houdt. Ze verklaart desgevraagd ook van de [medeverdachte 2] te houden“
Op 4 maart 2015 is [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaken van [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] in het kader van het in 2014 gestarte onderzoek Overloon, betreffende uitbuiting in de prostitutie door voornoemde verdachten van [slachtoffer 2]. Vanaf dat moment heeft [slachtoffer 1] in diverse verklaringen (bij de politie, de rechter-commissaris en als verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank) belastend over de verdachten verklaard. Zij heeft ook aangifte tegen hen gedaan.
Kort samengevat heeft zij verklaard dat zij jarenlang is uitgebuit in de prostitutie door de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en de verdachte. Na haar vrijlating uit voorlopige hechtenis in maart 2009 is zij teruggegaan naar de [medeverdachte 2] en de verdachte en heeft wederom voor hen in de prostitutie gewerkt. In 2010 ontmoette ze haar toenmalige vriend, [betrokkene 1]. Eind 2010/is zij met ondersteuning van [betrokkene 1] bij de [medeverdachte 2] en de verdachte weggegaan en met hem samen gaan wonen.
Het hof acht de belastende verklaringen die [slachtoffer 1] vanaf 4 maart 2015 over de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft afgelegd consistent, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen die [slachtoffer 1] aanvankelijk als verdachte bij de politie heeft afgelegd zijn evident niet in overeenstemming met de inhoud van de tapgesprekken, waarvan hier een paar voorbeelden zijn gegeven. Deze eerste verklaringen zijn erop gericht de verdachten, onder wiens invloed zij toen nog stond, en ook zichzelf, niet te belasten. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van een latere inkleuring door [slachtoffer 1] van de relatie met de verdachten. Integendeel, [slachtoffer 1] heeft op een later moment, toen zij zich aan de invloed van de verdachte en de [medeverdachte 2] had onttrokken, alsnog verklaard hoe de feitelijke situatie werkelijk was. Uit deze latere verklaringen volgt hoe ze bij de verdachten terecht is gekomen, hoe ze in zekere zin onderdeel van de familie is gaan uitmaken, hoe zij door hen is uitgebuit, hoe zij zelf ook een rol kreeg bij onder meer het innen en overmaken van het geld dat door de andere vrouwen werd verdiend en hoe zij uiteindelijk bij de [medeverdachte 2] en de verdachte heeft kunnen wegkomen. Deze belastende verklaringen van [slachtoffer 1], waarin zij ook zichzelf belast, hetgeen zij niet eerder had gedaan, vinden verankering in diverse andere bewijsmiddelen. Allereerst zijn dat de al genoemde tapgesprekken. Verder zijn dit de bevindingen met betrekking tot de money transfers en ook worden haar verklaringen bevestigd door de verklaringen van haar jongere broer [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Het hof volgt de verdediging niet in haar stelling dat deze getuigen slechts hebben verklaard wat zij van [slachtoffer 1] hebben gehoord. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij getuige is geweest van gesprekken tussen de verdachte, de [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1], die erover gingen dat zij moest werken en zich niet met andere dingen moest bezighouden. [betrokkene 2] heeft uit eigen wetenschap over de achtergrond van [slachtoffer 1] verklaard en over het feit dat zij toen zij nadat zij een relatie met [betrokkene 1] had gekregen een periode terug in Hongarije was, met de telefoon van [betrokkene 2] contact met [betrokkene 1] onderhield omdat haar telefoon was afgenomen.”
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het opzet van de verdachte erop gericht was dat [slachtoffer 1] zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit de desbetreffende feitelijke verhoudingen voortvloeide, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat:
(i) zij zich aan de invloed van de verdachte en [medeverdachte 2] heeft weten te onttrekken;
(ii) zij een rol heeft vervuld bij het innen en overmaken van het geld dat door de andere vrouwen werd verdiend en
(iii) zij afwist van de “money-transfers” en aldus medeplichtig was aan de gedragingen te dezer zake van verzoeker.
De klacht ziet op het opzet van de verdachte ten aanzien van handelen door misbruik van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [slachtoffer 1]. Volgens de steller van het middel kan dit opzet niet uit de bewijsmiddelen volgen.
Met betrekking tot het opzet geldt dat indien zich een uitbuitingssituatie voordoet degene die de betrokkene tot prostitutie heeft gebracht er geen beroep op kan doen dat zijn opzet er niet op gericht was dat de betrokkene zich heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van het overwicht dat uit de feitelijke verhoudingen voortvloeit. Wel moet de dader zich bewust zijn van die feitelijke omstandigheden, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden aanwezig moet zijn. Daarbij teken ik aan dat voor zover het oordeel van het hof berust op een waardering van de bewijsmiddelen, deze aan het hof is voorbehouden. In cassatie kan het oordeel van het hof alleen worden getoetst op begrijpelijkheid.
Blijkens het arrest heeft het hof (kennelijk) geoordeeld dat sprake was van handelen door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en (daarmee) van een uitbuitingssituatie en dat de verdachte zich bewust was van de feitelijke omstandigheden waaruit (haar) overwicht op de verdachte voortvloeide. Dit oordeel is, gelet op de feiten en omstandigheden die het hof bewezen heeft verklaard en de (mede daartoe) gebezigde bewijsmiddelen, waaronder haar verklaringen en de (door het hof expliciet vermelde) bewijsmiddelen waarin deze steun vinden, niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de – in cassatie niet betwiste – wetenschap van de verdachte over voornoemde omstandigheden. De door de steller van het middel naar voren gebrachte (andere) omstandigheden, te weten dat [slachtoffer 1] zich eind 2010 aan de uitbuiting heeft onttrokken, een rol heeft vervuld bij het innen en overmaken van geld dat door andere vrouwen werd verdiend en haar wetenschap over de moneytransfers, doen aan het voorgaande niet af.
Het hof heeft deze feiten blijkens zijn overwegingen onder ogen gezien en kennelijk geoordeeld dat deze niet in de weg staan aan bewezenverklaring van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en – in het verlengde hiervan – het opzet hierop van de verdachte. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Uit de wetsgeschiedenis noch de rechtspraak volgt immers dat de enkele mogelijkheid dat iemand zich (uiteindelijk) aan een uitbuitingssituatie kan onttrekken, maakt dat overige omstandigheden, die redengevend zijn voor het bestaan van een uitbuitingssituatie, dan niet meer van belang zouden zijn. Voorts staat de betrokkenheid van het slachtoffer zelf bij het innen en overmaken van [slachtoffer 1] niet in de weg aan het oordeel dat zij zelf in een uitbuitingssituatie verkeerde. Daarbij merk ik op dat het hof mede op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] heeft vastgesteld dat zij deze handelingen verrichtte terwijl zij onder de invloed van de verdachte en de medeverdachten verkeerde.
De klacht faalt.
Klacht over het oordeel van het hof m.b.t. [slachtoffer 3] (zaak 13Shogun, feit 1)
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Shogun feit 1, onder meer, bewezen verklaard dat:
hij in de periode van 1 maart 2008 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 3]
(sub 1) door dwang en andere feitelijkheden heeft gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer 3]
en
(sub 4)
die [slachtoffer 3] met de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden
en
(sub 6)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3]
en
(sub 9)
die [slachtoffer 3] met de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 3] met of voor een derde
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen
voor die [slachtoffer 3] een woning geregeld in Nederland, en
die [slachtoffer 3] als prostituee laten werken te Amsterdam en
die [slachtoffer 3] op de werkplek (voortdurend) onder toezicht en controle gehouden en/of laten houden en
regelmatig die [slachtoffer 3] gedurende haar werkzaamheden opgebeld en/of laten opbellen waarbij die vrouw moest aangeven/aangaf en/of verslag moest doen en/of deed van hoe de zaken ervoor stonden en/of hoeveel klanten zij gehad had en/of hoeveel geld zij verdiend had en/of of zij bezet of vrij was en/of wanneer zij begon en/of stopte met werken en
die [slachtoffer 3] bewogen om vele uren achter elkaar te werken en/of (in telefoongesprekken) gezegd dat zij op moest schieten en/of dat zij harder moest werken voordat ze naar huis (in Hongarije) mag en
die [slachtoffer 3] bewogen om haar diensten aan te bieden tegen lagere prijzen dan gebruikelijk en
die [slachtoffer 3] bewogen om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte en/of zijn medeverdachten af te staan en/of af te dragen”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 3] “duidt op een vrije keuze” en “erop [duidt] dat zij zich niet heeft overgegeven aan prostitutie als gevolg van (het gebruik van) overwicht dat uit bepaalde feitelijke verhoudingen voortvloeide”, omdat zij hierin verklaart:
“Ik deed het voor mijn familie, met name mijn moeder”.
en
“Op de vraag hoe ik achter het raam ben terechtgekomen, antwoord ik dat ik met [medeverdachte 1] contact heb gezocht. [medeverdachte 1] heeft met mij contact gezocht. Er zijn toen werkafspraken gemaakt.”
Over deze klacht kan ik kort zijn. De bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 3] houdt niet in dat door de verdachte misbruik is gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3. Het tweede middel
In het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het onder feit 4 in de zaak 13Overloon ten laste gelegde gewoontewitwassen. Aangevoerd wordt dat de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is, nu het witwassen ziet op gelden die de verdachte heeft verkregen uit eigen misdrijf en geen sprake is van gedragingen die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen gericht karakter hebben.
Ten laste van de verdachte is onder zaak 13Overloon feit 4 bewezen verklaard dat hij:
“in de periode van 3 november 2005 tot en met 1 maart 2008 en van 4 december 2008 tot en met 10 februari 2015 in Nederland en in Hongarije, en in Zwitserland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, (contante) geldbedragen, te weten: een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit misdrijf.”
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf in beginsel niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Dit is slechts anders indien de feitenrechter heeft gemotiveerd dat verdachtes handelingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Met deze rechtspraak wordt beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch schuldig maakt aan witwassen en wordt ook bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf in de vervolging centraal staat.
De kwalificatieuitsluitingsgrond ziet uitsluitend op gevallen waarin enkel het verwerven en/of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard en heeft in beginsel geen betrekking op het “overdragen”, “gebruik maken” en “omzetten” van voorwerpen. Dit is slechts anders wanneer zich het bijzondere geval voordoet dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het overdragen of omzetten slechts bestaat uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. In zo’n bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft.
Een dergelijk bijzonder geval is in onderhavige zaak niet aan de orde. In de toelichting op het middel wordt ten onrechte als uitgangspunt genomen dat het hof met de bewezenverklaring (slechts) het oog heeft gehad op het storten van geld op de eigen bankrekening van verdachte, het door [slachtoffer 1] overmaken van geld aan de verdachte als rechtstreeks begunstigde of het aan de verdachte afgeven van contante geldbedragen. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt immers ook dat in opdracht van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (via money transfers) geldbedragen werden overgemaakt naar derden in het buitenland, via wie het geld vervolgens bij de verdachte en de medeverdachten terechtkwam en/of dat (contante) geldbedragen in Nederland aan derden werden gegeven en die derden deze in opdracht van de verdachte en de medeverdachten (via money transfers) overmaakten. Voor zover het middel berust op het standpunt dat de kwalificatieuitsluitingsgrond ook op deze gevallen van toepassing is vindt dit geen steun in het recht. Voorts heeft het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het oog gehad op het omzetten van de (contante) geldbedragen, in de vorm van het in hun eigen levensonderhoud voorzien en de aanschaf van (luxe)goederen zoals sieraden en een woning.
Het middel faalt.
4. Het derde middel
Het derde middel bevat de klacht dat het hof in de zaak 13Overloon ten aanzien van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] en het gewoontewitwassen van de opbrengsten uit de door hen verrichte prostitutiewerkzaamheden geen eendaadse samenloop heeft aangenomen.
Daartoe wordt aangevoerd dat in onderhavig geval sprake is van sterk samenhangende feiten, omdat het bewezen verklaarde witwassen het profijttrekken uit de prostitutie impliceert: “zonder die prostitutie viel er niets wit te wassen”. Vanwege deze samenhang moet volgens de steller van het middel onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing voorkomen worden door middel van een aan art. 55 lid Sr ontleende mildere behandeling.
Art. 55 lid 1 Sr bevat een regeling voor de situatie dat een feit in meer dan één strafbepaling valt. In zo’n geval van eendaadse samenloop wordt slechts één van de bepalingen toegepast; bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de beoordeling of sprake is van eendaadse samenloop vooral ziet op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat een enigszins uiteenlopen van de strekking van de betreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Deze ruimte voor eendaadse samenloop vindt mede steun in het verwante art. 68 Sr dat ook dubbele strafbaarstelling beoogt te voorkomen. In het kader van art. 68 Sr is evenzo, naast de aan de orde zijnde gedraging, de juridische aard van de feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
In de onderhavige zaak is van de vorenbedoelde samenhang geen sprake. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is opgemerkt ten aanzien van het bewezen verklaarde gewoontewitwassen, kan mijns inziens niet gezegd worden dat de bewezen verklaarde gedragingen in die mate samenhangen dat de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt. Het profijt trekken uit de uitbuiting komt feitelijk neer op het verkrijgen van de beschikking over de verdiensten uit c.q. het verdienen aan de prostitutiewerkzaamheden. Het (gewoonte)witwassen behelst gedragingen die, vervolgens, plaatsvinden met deze verdiensten: het bewezen verklaarde overdragen en omzetten van de geldbedragen. Hieronder vallen ook de gedragingen waarmee wordt bewerkstelligd dat de opbrengst van het gepleegde misdrijf aan het zicht van justitie wordt onttrokken en dat daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. De gedragingen leveren geen min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op. Voor zover in de toelichting op het middel de gestelde samenhang wordt ontleend aan de omstandigheid dat er zonder de prostitutie “niets [viel] wit te wassen], miskent de steller van het middel dat witwassen altijd een gronddelict verondersteld, waaruit het wit te wassen voorwerp is verkregen.
Van eendaadse samenloop is bovendien geen sprake vanwege de omstandigheid dat de rechtsbelangen ter bescherming waarvan art. 273f lid 1 sub 6 Sr en art. 420ter Sr dienen (aanzienlijk) uiteenlopen. Waar de strafbaarstelling van art. 273f Sr strekt ter bescherming tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen, beschermt de strafbaarstelling van (gewoonte)witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer. Hoewel voor het aannemen van eendaadse samenloop – indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat, quod non – niet is vereist dat de bepalingen identiek zijn in strekking, speelt (het verschil in) de strekking van de betreffende bepalingen nog steeds een rol in de beoordeling van de samenloop en meen ik dat ook op grond hiervan in de het onderhavige geval niet van eendaadse samenloop kan worden gesproken.
Het middel faalt.
Ten overvloede merk ik op dat, zelfs als het middel zou slagen, dit niet tot vernietiging hoeft te leiden, aangezien de opgelegde straf, een gevangenisstraf van zes jaren, (ver) onder het strafmaximum ligt en het onterecht uitgaan van eendaadse samenloop nog niet met zich brengt dat van onevenredige bestraffing sprake is. Uitgaande van eendaadse samenloop, zou de (tijdens de pleegperiode) bij art. 273f lid 3 Sr gestelde gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar het uitgangspunt vormen, terwijl voorts sprake is van meerdaadse samenloop tussen de bewezen verklaarde feiten 1 in de zaak 13Shogun en 1 t/m 3 in de zaak 13Overloon.
5. Ambtshalve opmerkingen over de gijzeling en overschrijding van de redelijke termijn
Ambtshalve merk ik op dat het hof de duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] verbonden gijzeling op een totaal van ten hoogste 365 dagen heeft bepaald. Gelet op HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, en de redenen die AG Bleichrodt in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest heeft gegeven, dient de gijzeling in de onderhavige zaak te worden bepaald op een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan. De Hoge Raad kan de gijzelingsduur ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] respectievelijk met twee dagen en met drie dagen verminderen, zodat de totale duur van de gijzeling de 360 dagen niet langer overschrijdt.
Namens de verdachte is op 13 juni 2022 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaar zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
6. Conclusie
De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik afgezien van hetgeen ik onder 5.1 en 5.2. heb opgemerkt, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft
- de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1], tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregelen gijzeling van respectievelijk 38 en 322 dagen kan worden toegepast,
- de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG