PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/05316
Zitting 30 januari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 9 december 2021 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 september 2018 bevestigd (met aanvulling van gronden), met uitzondering van de (motivering van de) strafoplegging. De verdachte is door het hof wegens:
(i) ten aanzien van 09/086937-18 feit 1: “bedreiging met enig misdrijftegen het leven gericht, meermalen gepleegd”;
(ii) ten aanzien van 09/086937-18 feit 2: “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”;
(iii) ten aanzien van 09/086937-18 feit 3: “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”;
(iv) ten aanzien van 09/086937-18 feit 4: “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”;
(v) ten aanzien van 09/002826-18: “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”;
(vi) ten aanzien van 09/080038-18 feit 1: “opzettelijk een daad verrichten behorend tot een ambt dat hij niet bekleedt”;
(vii) ten aanzien van 09/080038-18 feit 2: “wederspannigheid”;
(viii) ten aanzien van 09/080038-18 feit 3: “bedreiging met enig misdrijftegen het leven gericht, meermalen gepleegd”;
(ix) ten aanzien van 09/080038-18 feit 4: “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen, waarvan 120 voorwaardelijk (met een proeftijd van 2 jaar).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het eerste middel heeft betrekking op de bewezen verklaarde bedreiging, zoals onder 1.1 weergegeven onder feit (v). In het middel wordt kort samengevat geklaagd dat het hof het vonnis van de rechtbank, waarin is volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv, heeft bevestigd terwijl door de raadsman in eerste aanleg vrijspraak is bepleit. Volgens de steller van het middel heeft het hof art. 359 lid 3 Sv miskend door desondanks dit vonnis te bevestigen, zodat het arrest en de bewezenverklaring niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.
Procesverloop
Ten laste van de verdachte is – voor zover voor het middel van belang – bewezen verklaard dat:
“hij op 1 oktober 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker Nootdorp, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [betrokkene 3] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dreigend de woorden toe te voegen “Je zit natuurlijk bij je schoonmoeder in huis en je schoonvader en je vriendje. Die gaan binnen één week dood” en “Deze familie gaat gewoon deze week nog dood, ik laat ze doodschieten” en “Als [betrokkene 1] denkt dat hij mij iets kan aandoen, dan heeft hij een groot probleem. Hij gaat deze week nog dood, mensen gaan hem doodschieten. Er zijn mensen uit het buitenland, die gaan hem deze week nog doodschieten”.
Door verdachte is ter terechtzitting van de rechtbank, met betrekking tot het feit waarop het middel ziet, het volgende verklaard:
“U houdt voor dat ik [betrokkene 1], [betrokkene 2] en de schoondochter van [betrokkene 1] zou hebben bedreigd. De schoondochter heb ik niet bedreigd. [betrokkene 1] is een cliënt van mij. Hij heeft de machtiging nog niet ingetrokken. Hij heeft een andere advocaat en mij onbetaald gelaten. Voor [betrokkene 1] heb ik een zaak gewonnen maar hij wilde de rekening onbetaald laten dus ik heb de vergoeding achtergehouden. Toen kwamen de bedreigingen en ben ik naar Portugal gegaan. Dat was op advies van het beveiligingsbedrijf, maar het werd te duur. Toen ik in Portugal was, had ik gedronken en heb ik heb [betrokkene 3] gebeld. Ik ken haar via haar vader die bij mij in dienst is. Eerst heb ik via WhatsApp contact met haar gezocht. Daarna heeft zij van het gesprek dat ik met haar had een opname gemaakt. Die opname spreekt boekdelen. Je hoort op z’n minst dat ik dronken was. Wat ik zei had te maken met de bedreiging van mij door de [familie van betrokkene 1 en 2]. Die zaak speelt ook nog. Ik weet dat hij geschorst is en niet bij mij in de buurt mag komen.”
De verdediging heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging:
“De verdachte en de raadsman voert het woord tot verdediging.
De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota, welke hij aan de voorzitter overlegt en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd. De pleitnota is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht.
(…)
Ik vraag u mijn cliënt vrij te spreken van de bedreiging van [betrokkene 1]. Er is geen sprake van een reële objectieve bedreiging. Gezien eerdere contacten was het helder wat hij bedoelde. [betrokkene 1] had daarvoor mijn cliënt bedreigd.”
In de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, die in telegramstijl puntsgewijs is opgebouwd met passages uit het politieverhoor waarin wordt ingegaan op de context van de uitingen in relatie tot het al dan niet ontstaan van redelijke vrees, wordt er onder meer op gewezen dat de verdachte duidelijk dronken was. De pleitnota eindigt met betrekking tot de tenlastegelegde bedreiging van [betrokkene 1] met de volgende tekst:
“ (…)
Aard van de woorden
Omstandigheden waaronder deze woorden zijn geuit
Niet de redelijke vrees bij aangever(s) hebben kunnen veroorzaken dat verdachte hem/hen daadwerkelijk iets aan zou doen
Verzoek: vrijspraak”
In het vonnis is – voor zover relevant met betrekking tot het middel – het volgende opgenomen.
“3. Bewijsoverwegingen
Inleiding
(…)
De verdachte wordt, kort gezegd, onder dagvaarding II verweten dat hij op 1 oktober 2017 [betrokkene 1]
en/of [betrokkene 2] heeft bedreigd. De verdachte heeft dit feit bekend.
(…)
Het standpunt van de verdediging
(…)
De raadsman heeft zich met betrekking tot het feit onder dagvaarding II op het standpunt gesteld dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, nu gelet op de feiten en omstandigheden geen redelijke vrees kon ontstaan bij de aangevers.
(…)
De beoordeling van de tenlastelegging
(…)
Dagvaarding II
De rechtbank acht het aan de verdachte tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen (een en ander zoals hierna in de bewezenverklaring zal worden omschreven). De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, omdat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman enkel vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van ‘redelijke vrees'.
De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2018;
- een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], p. 4-5;
- een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2], p. 7-8;
- een proces-verbaal van bevindingen (geluidsfragment), p. 22-25;
- een proces-verbaal van bevindingen, p. 31-32.
Overweging met betrekking tot ‘redelijke vrees’
De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte, vast dat een conflict tussen aangever en de [familie van betrokkene 1 en 2] bestond. De verdachte heeft vanuit het buitenland naar de [familie van betrokkene 1 en 2] gebeld en daarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bedreigd. De letterlijke bewoordingen die de verdachte heeft gebruikt, namelijk door onder meer te zeggen dat zij door anderen zouden worden dood geschoten, zijn op te vatten als een bedreiging en zijn door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook als zodanig opgevat. Dat, gevoegd bij de context waarbinnen dit heeft plaatsgevonden, namelijk een conflict tussen aangever en de verdachte, heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat bij aangevers de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte zijn voornemen ten uitvoer zou brengen. Dat de verdachte zich al dan niet in beschonken toestand bevond doet daar niets aan af.”
Namens verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is behandeld op de terechtzittingen van 21 januari 2019 en 25 november 2021. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 januari 2019 is onder meer opgenomen:
De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op zich niet te kunnen verenigen met de veroordeling ter zake van het feit dat ten laste is gelegd op de dagvaarding met parketnummer 09-002826-18. Voorts geeft de verdachte op de straf te zwaar te achten.
(…)
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik beken de mij ten laste gelegde feitelijke handelingen te hebben gepleegd. Nu de feiten wat mij betreft voor zich spreken, heb ik geen behoefte aan het uitgebreid voorhouden van de stukken. Ik hoor mijn raadsman zeggen dat hij voornemens is enige juridische verweren te voeren.”
Voorts is, op verzoek van de raadsman, door het hof de behandeling ter terechtzitting aangehouden voor onbepaalde tijd (met een maximum van zes maanden).
De behandeling van de zaak in hoger beroep is voortgezet op 25 november 2021 – twee jaar en tien maanden later. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt onder meer in:
“De verdachte (…) is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte (…) is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(…)
De voorzitter constateert dat de dagvaarding geldig aan de verdachte is betekend en dat de raadsman eveneens is opgeroepen.
De griffier, neemt telefonisch contact op met het kantoor van de raadsman. De griffier verklaart dat haar telefonisch is medegedeeld dat de raadsman geen contact meer heeft gehad met zijn cliënt, dat hij niet gemachtigd is de verdediging te voeren en daarom niet naar de terechtzitting van heden is gekomen.
Met instemming van de advocaat-generaal hervat het hof – ondanks zijn gewijzigde samenstelling – het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 1 juni 2021 bevond.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal legt de op schrift gestelde vordering aan het gerechtshof over.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (…).”
Het hof heeft in zijn arrest van 9 december 2021 geoordeeld dat de eerste rechter op de juiste gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep, met overneming van de gronden, behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan. Het hof heeft hof het vonnis aangevuld door toevoeging van art. 63 Sr aan de aangehaalde wetsartikelen.
Bespreking van het eerste middel
Artikel 359 lid 3 Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook van toepassing is in hoger beroep, luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
Het derde lid van artikel 359 Sv houdt een motiveringsplicht ten aanzien van de bewezenverklaring in die op zijn minst moet bestaan uit de weergave in het vonnis of arrest van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring. In de tweede volzin wordt hierop een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. In dat geval mag met een opgave van bewijsmiddelen worden volstaan, mits de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij hij daar later op is teruggekomen of door of namens de verdachte vrijspraak is bepleit.
Bij het bepleiten van vrijspraak in de zin van art. 359 lid 3 Sv, wordt in de jurisprudentie geen onderscheid gemaakt tussen gronden waarop de vrijspraak wordt bepleit. Zo wordt ook wanneer aan het verzoek om vrijspraak een rechtmatigheidsverweer ten grondslag ligt van de feitenrechter een weergave van de bewijsmiddelen gevergd. Dit geldt bijvoorbeeld ook wanneer de feitelijke gang van zaken door de verdachte is bekend, en het vrijspraakverweer zich naar strekking richt op de kwalificatie van het bewezen verklaarde.
Gelet op het voorgaande geldt dat indien de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en daarvan niet is teruggekomen, maar door of namens de verdachte desondanks vrijspraak wordt bepleit, niet kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. In het geval dat het hof desalniettemin het vonnis in eerste aanleg bevestigt, dient het hof de gronden aan te vullen met een weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.
De uitwerking van de bewijsmiddelen kan dus alleen achterwege blijven zolang de bewezenverklaring in kwestie geen geschilpunt is.
In het middel wordt gesteld dat het er niet toe doet dat de verdachte het feit heeft bekend. De verdediging heeft immers vrijspraak verzocht omdat de bedreiging niet van dien aard is geweest dat bij de bedreigde de redelijke vrees zou kunnen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.
De rechtbank heeft weliswaar gerespondeerd op het gevoerde verweer, maar dat maakt volgens de stellers van het middel niet dat art. 359 lid 3 Sv kan worden toegepast, nu daarmee niet wordt voldaan aan de plicht bewijsmiddelen uit te werken. Dat het verweer ter terechtzitting in hoger beroep niet is herhaald doet hieraan evenmin af, omdat de zaak is aangehouden en bij voortzetting is gebleken dat de raadsman niet (meer) gemachtigd was om voor de verdachte op te treden.
In de toelichting op het middel wordt tot slot geconcludeerd dat nu uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg volgt dat de raadsman vrijspraak heeft bepleit van het tenlastegelegde en de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat het feit ten onrechte bewezen is verklaard het hof art. 359 lid 3 Sv heeft miskend door te volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen door het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.12-2.15 is vooropgesteld is het middel terecht voorgesteld. De rechtbank heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, terwijl – zo erkent ook de rechtbank blijkens het vonnis – door de raadsman een verweer tot vrijspraak is gevoerd. De rechtbank heeft art. 359 lid 3 Sv hiermee miskend, nu geen onderscheid wordt gemaakt naar de grond waarop vrijspraak is bepleit. Ik meen dat het hof het vonnis reeds daarom niet, zonder het vonnis aan te vullen met weergave van de bewijsmiddelen, had mogen bevestigen.
Daar komt bij dat uit hetgeen tijdens de eerste zitting in hoger beroep naar voren komt, volgt dat de procesopstelling van de verdachte niet is gewijzigd ten opzichte van die in eerste aanleg. Integendeel: de verdachte heeft ten overstaan van het hof te kennen gegeven in hoger beroep op te komen tegen de veroordeling door de rechtbank ter zake van specifiek dit feit (en de door de rechtbank opgelegde straf). Daaraan doet niet af dat de verdachte (meteen hierna) ook heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan het voorhouden van de stukken – met betrekking tot álle ten laste gelegde feiten – omdat hij de hem “ten laste gelegde feitelijke handelingen” bekent. In het proces-verbaal is ook opgenomen dat de raadsman enkele juridische verweren heeft aangekondigd. De omstandigheid dat de behandeling in hoger beroep formeel op tegenspraak heeft plaatsgevonden en in hoger beroep geen (uitdrukkelijk) verweer tot vrijspraak is gevoerd maakt wat mij betreft dus niet dat het motiveringsgebrek in het door het hof bevestigde vonnis in cassatie geen betekenis meer toekomt.
De vraag is vervolgens of de verdachte in deze zaak een rechtens te respecteren belang heeft bij cassatie, gelet op de omstandigheid dat het vrijspraakverweer van de raadsman door de rechtbank gemotiveerd is weerlegd. Er zijn gevallen waarin de Hoge Raad dit rechtens te respecteren belang afwezig heeft geacht en het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet ontvankelijk verklaard in zaken waarin het gevoerde verweer dat betrekking had op de rechtmatigheid van de bewijsgaring, geen betwisting van de feiten inhield, in combinatie met een duidelijke en ondubbelzinnige bekennende verklaring van de verdachte. Vergelijkbaar met onderhavige zaak is een zaak waarin vrijspraak was bepleit vanwege het ontbreken van opzet (op vernieling) – welk verweer door het hof gemotiveerd was weerlegd in een (in aanvulling op het vonnis opgenomen) nadere bewijsoverweging ten aanzien van de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad achtte het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. Omdat een toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het (rechtens te respecteren) belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof met het oog op het alsnog weergeven van de inhoud van de bewijsmiddelen ontbrak, werd het cassatieberoep op de voet van 80a RO niet ontvankelijk verklaard.
Hoewel bij een miskenning van art. 359 lid 3 Sv, mede gezien de controlefunctie van de hierin verwoorde motiveringsplicht, terughoudendheid geboden is bij het beoordelen van het belang van de verdachte in cassatie, kan dit belang in specifieke gevallen toch ontbreken. In de onderhavige zaak bestaat over de feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd geen discussie. De verdachte heeft hierover ten overstaan van het hof duidelijk en ondubbelzinnig verklaard. Ook in de cassatieschriftuur wordt ervan uitgegaan dat de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Het gevoerde verweer tot vrijspraak is volledig gebaseerd op het standpunt dat geen sprake is van de voor bedreiging ex art. 285 Sr vereiste redelijke vrees. De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer een nadere motivering opgenomen in het vonnis, welke motivering door het hof (door de bevestiging van het vonnis) is overgenomen. De toelichting van het belang bij cassatie in de schriftuur die in deze zaak is ingediend komt erop neer dat wordt vastgehouden aan het gevoerde verweer en de conclusie dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daarbij is niet inhoudelijk op de door rechtbank en hof gebezigde motivering ingegaan, te weten de aard van de uitingen en de context van het bestaande conflict tussen beide partijen. Ook de de uitingen zelf en het bestaan van een conflict zijn noch door de verdachte noch in het verweer (of in de schriftuur) betwist. De uitwerking van de bewijsmiddelen zal voor de motivering ten aanzien van het geschilpunt in deze zaak, geen verschil maken.
Alles afwegend kom ik tot de conclusie dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging en terugwijzing op dit punt en dat het middel niet tot cassatie leidt.
3. Het tweede middel
In het tweede middel wordt geklaagd dat de strafmotivering innerlijk tegenstrijdig is omdat het hof overweegt de op te leggen gevangenisstraf te verminderen vanwege schending van de redelijke termijn en vervolgens tot dezelfde straf komt als die het voor toepassing van de vermindering passend en geboden achtte.
Ten aanzien van de straf heeft het hof – voor zover gelet op het middel relevant – overwogen:
“Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
(…)
Justitiële documentatie
(…)
De persoon van de verdachte
(…)
Alles afwegend en gelet op het gegeven dat het zeer oude feiten betreft, is het hof in beginsel van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Redelijke termijn
Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden met 15 maanden, nu namens de verdachte op 5 september 2018 hoger beroep is ingesteld en het hof op 9 december 2021 uitspraak doet. Gelet op deze overschrijding is het hof van oordeel dat, in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een lagere gevangenisstraf passend en geboden is.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel reeds ondergaan in de vorm van voorlopige hechtenis. Het voorwaardelijke deel legt het hof op teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan strafbare feiten.
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 179 (honderdnegenenzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.”
De klacht dat deze strafmotivering innerlijk tegenstrijdig is, is terecht. Gelet op de beslissing en motivering van het hof lijkt het echter niet anders te kunnen zijn dan dat sprake is van een misslag en het hof per abuis een gelijke straf heeft opgenomen als straf die vóór vaststelling van overschrijding van de redelijke termijn passend en geboden werd geacht en als straf die na met deze overschrijding rekening te hebben gehouden passend en geboden werd geacht en blijkens het dictum is opgelegd. Het is nu de vraag welke van deze twee de misslag behelst.
Uit de strafmotivering kan worden afgeleid dat het hof niet heeft gewild dat de verdachte terug naar de gevangenis zou moeten. Nu de verdachte 59 dagen in voorarrest heeft gezeten, heeft het hof dus een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten hoogste 59 dagen willen opleggen. Nu de uiteindelijk opgelegde straf van 179 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk precies hierop neerkomt, duidt dit erop dat deze straf moet worden aangemerkt als de finale straf – en dus de straf na verdiscontering van de schending van de redelijke termijn.
Toch moet ook rekening worden gehouden met een andere lezing, waarin de vermelde straf het startpunt was en hierop nog een vermindering moest worden toegepast. Ook dan kan netto op een straf uitgekomen worden van 59 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar met een lager voorwaardelijk deel. Deze laatste lezing lijkt mij minder waarschijnlijk, maar uitgesloten is die ook niet.
Gelet op het voorgaande meen ik dat wel gezegd kan worden dat evident sprake is van een misslag, maar dat – in cassatie – niet gezegd kan worden dat deze misslag eenvoudig kan worden hersteld.
Daar komt bij dat zelfs indien duidelijk zou zijn dat de vermelde straf moet worden aangemerkt als de straf na vermindering, uit de motivering van het hof niet is af te leiden tot welke concrete mate van vermindering de constatering van overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid. De Hoge Raad stelt deze eis met het oog op de controle op de verdiscontering van de redelijke termijn. Recent is dit vereiste wel enigszins genuanceerd in een zaak waarin de Hoge Raad oordeelde dat aan de vereiste motivering was voldaan terwijl in de strafmotivering de mate van overschrijding bij benadering werd vastgesteld en het hof alleen een indicatie had gegeven van de vermindering van de straf. Indien in cassatie zou worden uitgegaan van een kennelijke misslag in de eerste vermelding van de straf, dan is nog niet duidelijk welke straf het hof vóór verdiscontering op het oog heeft gehad en kan niet worden gecontroleerd welk gevolg aan de schending van de redelijke termijn is verbonden. Kortom, mijns inziens is de mate waarin de gevangenisstraf is verminderd uit het arrest niet af te leiden.
Dat de verdediging niet heeft gevraagd om een herstelbeslissing, leidt wat mij betreft niet tot gebrek aan een rechtens te respecteren belang bij cassatie, zoals dit wel het geval is als sprake is van een onmiddellijk kenbare fout die eenvoudig kan worden gerepareerd met een herstelarrest of in de executiefase kan worden verwacht dat deze evidente vergissing wordt herkend en hersteld. Ten aanzien van de misslag in onderhavige zaak is niet op voorhand evident wat de uitkomst van herstel zou zijn. Daarom zie ik ook niet goed, hoe de Hoge Raad zelf deze misslag zou kunnen herstellen.
Mij rest daarom geen andere optie dan tot vernietiging van het arrest te concluderen voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing naar het hof.
Ambtshalve merk ik nog op dat in cassatie de redelijke termijn zal worden overschreden, nu het cassatieberoep is ingesteld op 21 december 2021. Indien het tweede middel niet slaagt, dient dit te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
4. Conclusie
Het eerste middel slaagt maar leidt niet tot vernietiging. Het tweede middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG