ECLI:NL:PHR:2024:1081

ECLI:NL:PHR:2024:1081, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 23/04456

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/04456
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1465
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie A-G. Diefstal met geweld (art. 312 Sr). 1. Klachten over gebruik voor het bewijs van verklaringen van personen die de verdachte herkennen op camerabeelden. 2. Klachten over de bewezenverklaring van geweld. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

3. Conclusie

40. De grote vraag in deze kwestie is: wie is de persoon op de camerabeelden? Is het cliënt, [betrokkene 1], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 4] of [betrokkene 2]? Allemaal hebben ze een vreemd loopje en/of een ingevallen gezicht en/of dragen zij een donkergekleurd jack met een spijkerbroek en sportschoenen. Op basis van die kenmerken stellen de getuigen dat de man op de camerabeelden de persoon is die zij kennen. Het zou goed één van de herkende personen kunnen zijn, maar op basis van deze herkenningspunten zijn er ook nog honderd anderen in de omgeving van Nijmegen die aan de herkenningspunten voldoen.

41. Als we concluderend naar de door de Hoge Raad bepaalde lat omtrent getuigenverklaring op basis van videobeelden moet worden vastgesteld dat de kwaliteit en helderheid van de beelden ernstig te wensen overlaat, de mate waarin de dader op de beelden duidelijk zichtbaar is beperkt is en de herkenning niet heeft plaatsgevonden op basis van specifieke onderscheidene persoonskenmerken maar enkel op een loopje al dan niet in combinatie met een ingevallen gezicht. Dat het niet dermate specifieke onderscheidende persoonskenmerken zijn blijkt wel uit het feit dat er op basis van dat zelfde loopje, al dan niet in combinatie met een ingevallen gezicht sowieso al vijf andere namen genoemd worden, waarbij een aantal door meerdere personen en zelfs zeer dichtbijstaande familieleden.

42. de kwaliteit en helderheid van de beelden, de mate waarin de dader op de beelden duidelijk zichtbaar is en in welke hoedanigheid en frequentie de getuige en de dader elkaar eerder hebben getroffen alsmede of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke onderscheidene persoonskenmerken.

43. Daarnaast is er naar de andere personen geen enkel onderzoek gedaan. Hebben deze personen wellicht een connectie met het bouwbedrijf dat het slachtoffer had ingeschakeld en stond het slachtoffer onder druk om snel te betalen? Het zijn vragen die aanleiding geven om nader onderzoek te doen, maar vanwege herkenningen op basis van slechts een loopje, zonder duidelijk beeld van het gezicht, is ervoor gekozen om nader onderzoek achterwege te laten.

44. Kortom, op basis van bovenstaande kan niet zonder twijfel vastgesteld worden dat de man op de beelden cliënt is, en bij twijfel dient vrijspraak te volgen. Cliënt verzoekt U EA dan ook om hem vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.

4. Strafmaat

45. Enkel en alleen indien uw Gerechtshof tot de conclusie komt dat een diefstal wel wettig en overtuigend is bewezen, is de verdediging van mening dat in ieder geval geen sprake is van geweld en / of bedreiging met geweld.

46. In dit kader wordt verwezen naar het proces-verbaal van aangifte waarin [slachtoffer] enkel aangeeft dat op een dwingende toon zei 'maak die achterklep eens open' en zelfs expliciet aangeeft 'de man heeft verder nergens mee gedreigd’. Van geweld blijkt ook niet uit de aangifte. Op de beelden is geen klap te zien, geen duw, geen vasthouden of anderszins enige vorm van geweld. Aangever wordt heel licht met een arm tegengehouden, niet meer en niet minder. Dit is niet als geweld te kwalificeren.’

8. In een arrest van 17 maart 2020 heeft Uw Raad het volgende overwogen:

‘2.3 Het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De motiveringsplicht van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)’

9. De steller van het middel voert aan dat het hof de juistheid van de stelling van de verdediging dat er getuigen zijn die verklaren andere – hen goed bekende – personen dan de verdachte als de verdachte te herkennen, te weten een zus, broer en vader die respectievelijk hun broer en zoon herkennen, in het midden heeft gelaten, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Daarvan uitgaand heeft het hof het verweer volgens de steller van het middel op ontoereikende gronden verworpen. Onbegrijpelijk zou zijn dat het hof verklaringen van mensen die de verdachte (enkel) beroepsmatig kennen, boven de verklaringen van drie familieleden verkiest. Voorts zou onbegrijpelijk zijn dat het hof de verklaring van wijkagent [verbalisant 3] voor het bewijs heeft gebezigd omdat deze al van anderen had gehoord dat de verdachte mogelijk het feit gepleegd had voordat hij hem zelf herkende. Het argument dat er twee anderen zijn die verdachte ook herkenden zou een drogredenering zijn nu dat deze herkenning niet tot een valide bewijsmiddel maakt.

10. Het hof heeft, na een algemene uiteenzetting over factoren die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenning van camerabeelden van belang zijn, ten aanzien van de kwaliteit van de camerabeelden en de stills daarvan overwogen ‘dat een postuur, een manier van lopen en kleding met een zeer specifiek kenmerk goed te onderscheiden zijn’. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de persoon op de beelden door [getuige 1] is herkend als de verdachte ‘aan zijn manier van lopen, zijn gezicht en zijn postuur en aan zijn kleding’. En dat [getuige 1] de verdachte in een periode van vier maanden voorafgaand aan en tijdens het tenlastegelegde delict in de noodopvang begeleidde, en dat hij aangaf dat de verdachte de kleding op de beelden ook vaak droeg toen hij hem begeleidde. Het hof overweegt vervolgens dat [getuige 2] – werkzaam als toezichthouder in de opvang voor alcohol- en drugsverslaafden waar de verdachte ten tijde van de herkenning in april 2021 twee of drie maanden verbleef – de verdachte herkent ‘aan zijn broek, waarop witte flapjes zitten en die hij ook bij de opvang draagt en aan zijn lange spillenbenen, zijn loopje, postuur en houding’. Voorts stelt het hof vast dat wijkagent [verbalisant 3] de verdachte, ‘die hij herkende van de beelden van de beroving’, op 8 april 2021 in het centrum van Nijmegen zag lopen. [verbalisant 3] stelde vast ‘dat het postuur, de lengte en het bijzondere loopje van verdachte overeenkwamen met het signalement van de overvaller’.

11. Het hof concludeert ‘dat verdachte door tenminste drie personen is herkend’. En wijst erop dat twee van de drie hem regelmatig op hun werk zagen, ‘waar verdachte verbleef’, en hem dus goed kenden. Het hof is van oordeel dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de herkenning door wijkagent [verbalisant 3] , omdat hij al had gehoord dat verdachte mogelijk de beroving had gepleegd voordat hij hem zelf herkende. Maar gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , ‘die verdachte zonder enige voorkennis herkenden, is het hof van oordeel dat de herkenning van [verbalisant 3] wel gebezigd kan worden voor het bewijs.’ Het hof wijst er ook op dat alle drie de getuigen de verdachte hebben herkend ‘op momenten dat zij nog in contact met de verdachte stonden of kwamen’ en dat het tijdsverloop tussen de ontmoetingen en herkenningen daarom minimaal is.

12. Voor zover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het onbegrijpelijk zou zijn dat het hof verklaringen van mensen die de verdachte (enkel) beroepsmatig kennen, boven de verklaringen van drie familieleden verkiest, meen ik dat het middel faalt. Het is, zo bleek, ‘voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht’. Ik merk daarbij op dat uit hetgeen in de pleitnota wordt aangevoerd kan worden afgeleid dat [getuige 4] haar broer op het moment van de herkenning één jaar niet heeft gezien.

13. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof de verklaring van wijkagent [verbalisant 3] voor het bewijs heeft gebezigd, omdat deze al van anderen had gehoord dat de verdachte mogelijk het feit had gepleegd voordat hij hem zelf herkende, merk ik op dat die omstandigheid er niet aan in de weg staat dat het hof de herkenning voor het bewijs bezigt. Naar ik meen gaat de steller van het middel waar zij betoogt dat sprake is van een ‘drogredenering’ uit van een verkeerde lezing van ’s hofs overwegingen. Het hof wijst niet op de tweede andere herkenningen om de herkenning door [verbalisant 3] de status van een valide bewijsmiddel te geven, maar om aan te geven waarom het deze herkenning ondanks de behoedzaamheid die het hof geboden acht, toch tot het bewijs bezigt. Die overweging is niet onbegrijpelijk.

14. Ten overvloede merk ik op dat het hof tevens voor het bewijs heeft gebruikt een proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2021 met bijgevoegde factuur van [bedrijf] van 19 februari 2021 waaruit blijkt dat de verdachte bij die [bedrijf] − twee dagen na het tenlastegelegde feit − € 3200 heeft uitgegeven (bewijsmiddel 7). En dat [verbalisant 3] heeft verklaard op 12 en 14 april 2021 diverse personen te hebben gesproken op het Multi Functioneel Centrum in Nijmegen, en dat in die gesprekken kennelijk aan hem is verteld dat verdachte kort nadat hij daar kwam wonen in februari ‘aan meerdere personen een flink pak geld (heeft) laten zien, allemaal briefjes van 50. Hij zou enkele dagen daarna een dure scooter en duur Breitling horloge hebben gekocht. Hij liep ook in dure kleding rond’ (bewijsmiddel 4). Tegen het tot het bewijs bezigen van deze passages in de verklaring van [verbalisant 3] wordt in cassatie geen klacht geformuleerd.

15. Het middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

16. Het tweede middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘geweld’ niet naar behoren heeft gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat geweld in de zin van art. 312 Sr (en art. 81 Sr) in het algemeen wordt omschreven als ‘de aanwending van fysieke kracht welke met zo’n hevigheid geschiedt dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen, of korter: elke uitoefening van lichamelijke kracht van niet al te geringe intensiteit’. Het ‘door het hof bewezenverklaarde handelen (dicht op iemand gaan staan en tegen het lichaam duwen en vervolgens voornoemd geld (o.a.) uit de tas van diegene te pakken) levert, mede in het licht van de verklaring van aangever die zelf op geen enkele manier over enige aanwending van fysieke kracht heeft verklaard’, geen diefstal met geweld op.

17. Art. 312, eerste lid, Sr stelt strafbaar ‘diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’. De bewezenverklaring houdt in dat de diefstal werd vergezeld van geweld tegen het slachtoffer, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Als feitelijke gedragingen zijn bewezen verklaard het dicht op het slachtoffer gaan staan, het vervolgens dwingend tegen het slachtoffer zeggen ‘maak die achterklep eens open’, althans woorden van gelijke strekking, en het vervolgens het slachtoffer tegen het lichaam duwen en geld (€ 10.000), een rijbewijs, een kenteken en een paspoort uit de tas van het slachtoffer grijpen.

18. Relevant is in het bijzonder de bewijsvoering van het tegen het lichaam duwen. Het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden (bewijsmiddel 3) houdt daaromtrent in dat verdachte met zijn hand richting de kofferbak van de auto ging en deze opende. ‘Aangever drukte met zijn hand tegen de kofferbak. Verdachte trok de klep van de kofferbak omhoog en aangever drukte deze juist naar beneden. Aangever ging er een beetje voor staan, waardoor hij aan de kant werd geduwd door de klep van de kofferbak, die verdachte omhoog trok’.

19. Het Wetboek van Strafrecht omschrijft niet wat onder geweld moet worden verstaan. Artikel 81 Sr maakt alleen duidelijk dat ‘het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht’ met het plegen van geweld gelijk wordt gesteld. Machielse omschrijft de ‘meest algemene betekenis van geweld’ als ‘de aanwending van fysieke kracht (tegen personen of goederen), welke met zo’n hevigheid geschiedt, dat zij geëigend schijnt het in de betreffende bepaling beschermde rechtsgoed in gevaar te brengen’. Van der Woude noemt als korter alternatief ‘elke uitoefening van lichamelijke kracht tegen persoon of goed, van niet al te geringe intensiteit’.

20. Lindenberg noemt tien omschrijvingen van geweld. Hij wijst erop dat in veel gevallen een complex van omstandigheden als ‘geweld’ wordt aangemerkt, en dat daardoor ‘een secundaire lijst (is ontstaan) van omstandigheden die soms als zodanig kunnen worden aangemerkt’. Lindenberg spreekt in dat verband van ‘inflatie’. Hij ziet in de rechtspraak van artikel 317 Sr een ‘ruime, teleologische interpretatie’ waarin het ‘niet meer alleen (gaat) om een op zichzelf krachtige gedraging (de kernbetekenis) maar ook om een bepaald type machtsuitoefening, waarbij vooral de ernst van de gevolgen van die machtsuitoefening de grondslag vormt voor de kwalificatie ‘geweld’.’

21. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat het geweld en de wegnemingshandeling bij art. 312 Sr kunnen samenvallen in één gedraging. ’s Hofs oordeel dat het naar de hals van het slachtoffer grijpen en de ketting van diens nek trekken alsmede het ‘met enige kracht’ uit diens handen trekken van diens portemonnee ‘geweld met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken’ opleverde, gaf volgens Uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk was. Van geweld was ook sprake bij het van de arm trekken van een tas en het uit de handen van het slachtoffer losrukken van diens telefoon.Ook de verdachte die, vluchtend met zijn buit, iemand aan de onderarm trok om haar voor de uitgang van een winkel weg te krijgen, maakte zich schuldig aan diefstal met ‘geweld’ als bedoeld in art. 312 Sr.

22. De ondergrens van geweld wordt naar het mij voorkomt dicht genaderd in een zaak waarin Uw Raad op 1 februari 2011 arrest wees. Bewezenverklaard was diefstal met geweld van een telefoon. Daarbij had het geweld bestaan uit het ‘onverhoeds weggrissen van die telefoon uit een hand’ van het slachtoffer. Uit de bewijsmiddelen volgde, zo blijkt uit de (niet gepubliceerde) conclusie van A-G Vegter, dat het slachtoffer op een bankje zat te bellen. Verdachte is naast haar gaan zitten. Op enig moment is het slachtoffer opgestaan en weggelopen, is de verdachte achter het slachtoffer aangelopen, is hij plotseling voor haar gaan staan en heeft hij ‘met kracht de mobiele telefoon uit haar handen gegrist’ (randnummer 5). Vegter ziet in het ‘met kracht’ uit handen van het slachtoffer grissen van de telefoon ‘geweld’ dat is aangewend om verzet van het slachtoffer te voorkomen, ‘terwijl hij haar met het plotseling weggrissen van de telefoon heeft overrompeld’ (randnummer 11).

23. Het oordeel van het hof dat sprake was van ‘geweld’ was niet toereikend gemotiveerd in een arrest van 14 februari 2023. Bewezenverklaard was dat het geweld ‘hierin bestond dat hij, verdachte, genoemd doosje onverhoeds uit de handen van die [aangever] heeft gepakt’. Uw Raad overwoog dat het hof had vastgesteld dat de aangever ‘zijn telefoon en oplader aan de verdachte gaf en dat de verdachte op de bijrijdersstoel van de auto ging zitten en zijn simkaart in de telefoon stopte, en dat de auto vervolgens hard wegreed en de verdachte nog snel het doosje uit handen van [aangever] pakte. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat sprake was van ‘geweld’ (dat hier enkel bestond in het ‘onverhoeds uit de handen pakken’ van het doosje) is niet toereikend gemotiveerd’. Dit arrest bevestigt naar het mij voorkomt dat van geweld in de context van art. 312 Sr sprake is bij enige krachtsuitoefening dan wel het breken van enig verzet.

24. Het hof heeft met betrekking tot het handelen van de verdachte bewezenverklaard dat de verdachte de diefstal gemakkelijk heeft gemaakt door de aangever ‘tegen het lichaam te duwen’. Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de verdachte met zijn hand naar de kofferbak van de auto gaat en de kofferbak opent, dat de aangever direct daarop zijn hand tegen de kofferbak drukt − naar het hof aanneemt om de verdachte tegen te houden −, dat de verdachte vervolgens de klep van de kofferbak omhoog trekt terwijl de aangever deze juist naar beneden drukt, en dat de aangever er dan een beetje voor gaat staan waardoor hij door de klep van de kofferbak, die de verdachte omhoog trekt, wordt weggeduwd.

25. Aldus heeft het hof vastgesteld dat de verdachte, teneinde de tas uit de gesloten kofferbak van de auto van de aangever te kunnen wegnemen, die kofferbak met zodanige kracht omhoog heeft getrokken dat (het lichaam van) de aangever, die zich tegen het openen van de kofferbak heeft verzet, door de krachtsuitoefening van de verdachte bij het omhoog doen van de kofferbakklep, door die kofferbakklep en dus door toedoen van de verdachte, aan de kant is geduwd. Het oordeel van het hof dat de verdachte aldus handelend geweld heeft gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de aangever zelf op geen enkele manier over enige aanwending van fysieke kracht heeft verklaard, zoals de steller van het middel naar voren brengt.

26. Het middel faalt.

Afronding

27. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?