PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03552
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 augustus 2023 vrijgesproken van de primair tenlastegelegde deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
De verdachte heeft op de openbare weg op een motor gereden, terwijl hij een motorvest van Bandidos Amsterdam droeg. Het ging dus om kleding van een lokale afdeling van de Bandidos. De landelijke organisatie van de Bandidos, BMC Holland, is door de rechter verboden verklaard en deze verbodenverklaring geldt niet voor lokale afdelingen die zelf rechtspersoon zijn.
Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als deelneming aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie zoals bedoeld in art. 140 lid 2 (oud) Sr. Tot eenzelfde beslissing kwam het gerechtshof Den Haag in een vergelijkbare zaak waarin ik vandaag ook concludeer.
De Hoge Raad heeft op 5 december 2023 uitspraak gedaan in een enigszins vergelijkbare zaak. Die zaak ging over een verdachte die met kleding van de Bandidos en Bandidos Sittard naar de ingang van een gerechtsgebouw liep waar een strafzaak tegen leden van Bandidos Sittard werd gehouden. Volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch viel deze gedraging niet binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr. Conform de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het hof, omdat het hof gelet op de omstandigheden in die zaak de strafbepaling te beperkt had uitgelegd. Uiteindelijk is de verdachte na terugwijzing alsnog door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld. Dat geldt ook voor twee andere verdachten in uitspraken van dat hof van diezelfde dag in zaken die wat de feiten betreft vergelijkbaar zijn met de zaken die nu in cassatie voorliggen.
In de nu voorliggende zaak wordt de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of het op de openbare weg dragen van kleding met een logo dat sterke gelijkenis vertoont met dat van een verboden motorclub zonder meer niet als deelname aan de ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie kan worden aangemerkt. In deze zaak is immers geen sprake van een verdere context – bijvoorbeeld een bezoek met anderen aan een gerechtsgebouw – die de gedraging een intimiderend karakter geeft, zoals in de zaak waarin de Hoge Raad in 2023 heeft geoordeeld. Daarmee wordt de vraag of het dragen van kleding binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr valt scherper gesteld.
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als ‘voorzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie. De schriftuur bevat daarover drie klachten. Hieronder geef ik eerst de relevante processtukken weer (onder 3). Daarna behandel ik de klachten (onder 4, 5 en 6). Ik sluit af met een slotsom (onder 7).
3. De relevante processtukken
Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 juni 2020 in de gemeente Beverwijk en/of in de gemeente Heemskerk heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, immers heeft hij verdachte toen en daar op de openbare weg een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten gedragen dat nagenoeg gelijk is/was aan een hesje met patches en/of afbeeldingen en/of teksten van Bandidos MC Holland, welke Bandidos MC Holland bij onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2020 verboden is verklaard”.
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken. Het heeft daartoe overwogen:
“Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden verklaarde organisatie als bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr. Dit artikellid brengt een beperking aan van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting en moet daarom, naar het oordeel van het hof, strikt worden uitgelegd. Uit het parlementaire debat zoals dat ten tijde van de invoering van artikel 140, tweede lid, Sr is gevoerd blijkt dat de wetgever evenmin een omvangrijke beperking van die grondrechten voor ogen stond. Daaruit leidt het hof af dat voor de vaststelling dat sprake is van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie vereist is dat de gedraging van de verdachte ten dienste stond aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dient de ten laste gelegde gedraging van de verdachte een aandeel te hebben in de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon, dan wel deze te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Anders dan de advocaat-generaal legt het hof de strekking van artikel 140, tweede lid, Sr ten tijde van het tenlastegelegde daarom niet ruim uit. Dat rond een wetswijziging na het tijdstip van het tenlastegelegde in het parlementaire debat een ruimere uitleg is voorgestaan, is voor de beoordeling van deze zaak niet bepalend.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de verdachte door het dragen van een hesje van Bandidos Amsterdam – een niet verboden organisatie – een aandeel heeft gehad in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon Bandidos Holland MC heeft ondersteund, waardoor deze verboden organisatie voort is gegaan op een wijze die strijdig is met de openbare orde. Gelet daarop is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.”
4. De eerste klacht: de uitleg van art. 140 lid 2 (oud) Sr
De eerste klacht gaat over het oordeel van het hof dat het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in art. 140 lid 2 (oud) Sr niet ruim moet worden uitgelegd. In de toelichting wordt aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 december 2023, dat hiervoor al aan de orde is gekomen, heeft geoordeeld dat aan dit bestanddeel juist een ruime uitleg toekomt.
De klacht gaat over de volgende overwegingen van het hof:
“Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden verklaarde organisatie als bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr. Dit artikellid brengt een beperking aan van de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting en moet daarom, naar het oordeel van het hof, strikt worden uitgelegd. Uit het parlementaire debat zoals dat ten tijde van de invoering van artikel 140, tweede lid, Sr is gevoerd blijkt dat de wetgever evenmin een omvangrijke beperking van die grondrechten voor ogen stond. Daaruit leidt het hof af dat voor de vaststelling dat sprake is van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie vereist is dat de gedraging van de verdachte ten dienste stond aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Daarbij dient de ten laste gelegde gedraging van de verdachte een aandeel te hebben in de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon, dan wel deze te ondersteunen, waardoor een verboden organisatie voort gaat op een wijze die strijdig is met de openbare orde.
Anders dan de advocaat-generaal legt het hof de strekking van artikel 140, tweede lid, Sr ten tijde van het tenlastegelegde daarom niet ruim uit. Dat rond een wetswijziging na het tijdstip van het tenlastegelegde in het parlementaire debat een ruimere uitleg is voorgestaan, is voor de beoordeling van deze zaak niet bepalend.”
In de schriftuur wordt verwezen naar de volgende overwegingen van de Hoge Raad over de uitleg van art. 140 lid 2 (oud) Sr, zoals dat ook in de voorliggende zaak aan de orde is:
“Hierin ligt besloten dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in artikel 140 lid 2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof heeft niettemin met zijn beslissing dat de tenlastegelegde gedraging niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat de in artikel 140 lid 2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat – mede in het licht van wat onder 2.3.2 is weergegeven uit de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr – aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering.”
Het hof heeft geoordeeld dat “de strekking van” art. 140 lid 2 (oud) Sr ten tijde van het tenlastegelegde “niet ruim” moet worden uitgelegd. Volgens het hof is voor de beoordeling van de zaak niet bepalend dat rond een wetswijziging na het tijdstip van het tenlastegelegde in het parlementaire debat een ruimere uitleg is voorgestaan.
De Hoge Raad ziet dat kennelijk anders. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor geciteerde arrest van 5 december 2023 immers voor de door hem voorgestane “ruime uitleg” van art. 140 lid 2 (oud) Sr opvattingen uit een parlementaire behandeling betrokken van een wetsvoorstel dat pas na het tenlastegelegde tot een wetswijziging heeft geleid. De Hoge Raad beschouwt deze opvattingen kennelijk als een verduidelijking van art. 140 lid 2 Sr en niet als een wijziging. Dat zou dan ook in de voorliggende zaak moeten gelden. Het oordeel van het hof dat in de voorliggende zaak art. 140 lid 2 (oud) Sr niet ruim moet worden uitgelegd, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
De klacht is gegrond.
5. De tweede klacht: het op de openbare weg dragen van Bandidos-kleding
De tweede klacht gaat over het oordeel van het hof dat het op de openbare weg dragen van een hesje dat nagenoeg gelijk is aan een hesje met patches, afbeeldingen of teksten van de verboden organisatie Bandidos MC Holland niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van die verboden organisatie. Dat oordeel zou niet zonder meer begrijpelijk zijn gelet op wat door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.
In de toelichting wordt gewezen op het volgende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 15 augustus 2023 heeft aangevoerd (vet zoals in het origineel):
“Belangrijk is dat de werkzaamheid van de verboden organisatie niet enkel voortgezet kan worden door het plegen van strafbare feiten. Deze strafbare feiten hebben doorgaans weliswaar – mede – aanleiding gegeven tot het verboden verklaren van een organisatie, maar voor de voortzetting daarvan kunnen ook andere, op zichzelf onschuldige gedragingen voldoende zijn. Het doel van een verbodenverklaring is immers om een organisatie met een verwerpelijke werkzaamheid geheel uit de maatschappij te verbannen. Dat maakt iedere gedraging die op enige wijze kan bijdragen aan het voortbestaan: van een dergelijke organisatie, strafbaar. Juist een gedraging als het – op het oog onschuldig - uitdragen van het gedachtegoed van een verboden organisatie door bijvoorbeeld een evenement te organiseren, clubkleding te dragen of een vergelijkbare organisatie op te richten, is zo’n gedraging die kan bijdragen aan de instandhouding van die organisatie en daarmee als voortzetting van de werkzaamheid kan worden gekwalificeerd.
[…]
Specifiek met betrekking tot; het dragen van kleding, zogenoemde ‘colours’ in geval van OMG’s, geldt dat deze gedraging bij uitstek de cultuur van de verboden organisatie uitdraagt en als zodanig als de werkzaamheid van de verboden organisatie kan worden aangemerkt. Het dragen van colours kent in beginsel een tweeledig doel. In de eerste plaats is het doel om het lidmaatschap van de drager aan te tonen. Dit blijkt uit het feit dat algemeen bekend is dat het dragen van colours van OMG’s waarvan men geen lid is, zal leiden tot repercussies vanuit de club. Daarnaast mogen beoogd leden de clubkleding veelal niet direct dragen; zij moeten deze ‘verdienen’ door middel van – vaak strafwaardige – gedragingen om zich ook echt als volwaardig lid te kunnen presenteren. In de tweede plaats dient het dragen van de colours om eenheid en uniformiteit naar buiten uit te stralen, waardoor de kracht en de onaantastbaarheid van de OMG wordt aangetoond. In zoverre vormt het dragen van de colours meer dan een enkele persoonlijke uitdrukking; het beoogt ook de waarden van de organisatie en daarmee de – doorgaans intimiderende en gewelddadige – clubcultuur van de verboden organisatie uit te drukken.
Dat het dragen van colours een belangrijk onderdeel is van (de identiteit van) een motorclub blijkt ook uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden ten aanzien van de verbodenverklaring van de Hells Angels MC. Het hof heeft in dat arrest overwogen dat als het verbod eenmaal onherroepelijk is, dit inhoudt dat het verboden is om de werkzaamheid voort te zetten, wat onder meer betekent dat de leden niet meer in het openbaar de colours van de Hells Angels mogen dragen. In het daartegen ingestelde cassatieberoep oordeelde de Hoge Raad dat het uiteindelijk aan de strafrechter is om te beslissen of het in het openbaar dragen van de colours van een strafbaar feit oplevert. Gelet op de in dit betoog uiteengezette ruime interpretatie van de wetgever en de belangrijke – veelal intimiderende – rol die colours hebben, kan met recht worden gesteld dat een dergelijke gedraging de werkzaamheid van de verboden organisatie voortzet, ook in geval van andere motorclubs dan Hells Angels. Het uitdragen van de clubcultuur met het dragen van kleding is immers niet voorbehouden aan deze organisatie, maar een kenmerkend onderdeel van de cultuur van alle inmiddels verboden verklaarde OMG’s. Om deze organisaties geheel te verbannen uit de maatschappij, is noodzakelijk een dergelijke wezenlijke gedraging tegen te gaan.”
In de toelichting op de klacht geeft de steller van het middel aan dat hij het oordeel van het hof onderschrijft dat voor ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie is vereist dat de gedraging van de verdachte ten dienste staat van het voortbestaan van de verboden organisatie. Hij geeft daarnaast aan dat – omdat aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt – de verboden organisatie niet enkel kan worden voortgezet door het plegen van strafbare feiten, maar ook door andere op zichzelf onschuldige gedragingen wanneer redelijkerwijs kan worden gezegd dat met deze gedraging wordt bijgedragen aan het in stand houden van de verboden organisatie. Volgens de steller van het middel geldt specifiek met betrekking tot het op de openbare weg dragen van kleding, zogenoemde ‘colours’ in geval van OMG’s (Outlaw Motorcycle Gangs), dat deze gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm bij uitstek het gedachtegoed en de cultuur van de verboden organisatie uitdraagt. Als ik het goed begrijp, gaat het bij deze klacht dus niet zozeer over welke Bandidos-logo’s precies zijn weergegeven, maar over de vraag of het dragen van kleding met een Bandidos-logo op een motor op de openbare weg als zodanig binnen het bereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr kan vallen.
Art. 140 lid 2 Sr is geplaatst in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”). De bepaling luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit:
“Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
Mijn ambtgenoot Harteveld heeft vorig jaar uitgebreid geconcludeerd over onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van art. 140 lid 2 Sr en de opvattingen in de literatuur daarover. Kort samengevat is art. 140 lid 2 Sr voor het laatst wezenlijk gewijzigd in 1988 en heeft de bepaling een contempt-of-courtkarakter: het delict is vormgegeven als misdrijf tegen het openbaar gezag, namelijk het negeren van de rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring. Ook bij de laatste wijziging van de bepaling in 2022 is dat karakter niet gewijzigd. De minister heeft, in de procedure die daartoe heeft geleid, een ruime uitleg van het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ voorgestaan. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is het volgende te vinden over de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting’:
“Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden rechtspersoon.”
Omdat deze opvatting van de minister in het verdere wetgevingsproces niet werd weersproken, vatte mijn ambtgenoot Harteveld de stand van het recht met betrekking tot art. 140 lid 2 Sr als volgt samen:
“Kort samengevat kan op basis van de hiervoor behandelde wetsgeschiedenis worden vastgesteld dat de bedoeling van de wetgever is geweest het negeren van het rechterlijk verbod centraal te stellen bij strafbaarheid op grond van art. 140 lid 2 Sr. Voor wat betreft het type gedragingen waarmee het rechterlijke verbod wordt overtreden, heeft de wetgever in 2022 de reikwijdte van het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ vrij ruim opgevat. Daaronder vallen volgens de wetgever alle gedragingen die bij de normale werkzaamheid van de verboden organisatie hoorden. Dat kunnen dus ook gedragingen zijn die op zichzelf bezien niet strafbaar zijn, maar die wel bij het normale verenigingsverband horen.”
De zaak die hieraan ten grondslag lag, ging – zoals al gezegd – over een verdachte die gehuld in kleding van de Bandidos en Bandidos Sittard naar de ingang van een gerechtsgebouw liep waar een strafzaak tegen leden van de Bandidos Sittard werd gehouden. Volgens het hof was deze gedraging te ongericht en individueel om als voortzetting van de werkzaamheid van de organisatie te worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde, in lijn met de conclusie, de uitspraak van het hof. De Hoge Raad overwoog daarbij het volgende over het toepassingsbereik van art. 140 lid 2 (oud) Sr, dat ook in de nu voorliggende zaak aan de orde is:
“Het hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging, gezien haar aard en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, niet een gedraging oplevert “die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” en slechts kan worden gezien als “een ongerichte, individuele gedraging van een voormalig lid van de inmiddels verboden verklaarde organisatie” en dat die gedraging daarom niet kan worden aangemerkt als het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie.
Hierin ligt besloten dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in artikel 140 lid 2 (oud) Sr betrekking heeft op iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Het hof heeft niettemin met zijn beslissing dat de tenlastegelegde gedraging niet kan worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ blijk gegeven van een te beperkte uitleg van dat bestanddeel. Daarvoor is allereerst van belang dat de in artikel 140 lid 2 (oud) Sr strafbaar gestelde gedraging een delict tegen de openbare orde is en dat – mede in het licht van wat onder 2.3.2 is weergegeven uit de totstandkomingsgeschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot een verduidelijking van artikel 140 lid 2 Sr – aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg toekomt, waarbij de wetgever onder meer het oog heeft op het organiseren van een betoging, evenement of vergadering. Daarnaast neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof over de aard van de tenlastegelegde gedraging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte – een gerechtsgebouw –, dat hij kleding en accessoires droeg met aanduidingen en tekens die verwezen naar BMC Holland en dat in dat gerechtsgebouw een zitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. In dat verband is nog van belang dat uit de door het hof in zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheden die in de procedure over de verbodenverklaring zijn vastgesteld, naar voren komt dat “uit de uitingen en gedragingen die als een eigen werkzaamheid aan BMC Holland kunnen worden toegerekend, blijkt dat het toepassen van geweld, ook in de openbare ruimte, niet wordt geschuwd, maar wordt aangemoedigd én gebagatelliseerd” en dat “de leden bewust de naam ‘Bandidos’ of hun ‘colors’ [gebruiken] om hun daden en woorden kracht bij te zetten”.”
De vraag in de nu voorliggende zaak is wat deze rechtspraak betekent voor gevallen waarin kleding met een opdruk die sterk lijkt op die van een verboden motorclub op de openbare weg wordt gedragen zonder enige andere context. Kan ook zo’n ‘geïsoleerde’ gedraging ten dienste staan van het voortbestaan van de verboden organisatie, zodat de gedraging onder art. 140 lid 2 (oud) Sr valt?
Het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 biedt op zich een aanknopingspunt voor een ontkennend antwoord op deze vraag. De Hoge Raad neemt immers uitdrukkelijk in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op weg was naar de ingang van een publieke ruimte, namelijk een gerechtsgebouw, en dat in dat gerechtsgebouw een terechtzitting zou plaatsvinden tegen leden van de motorclub Bandidos Sittard. Uit deze overwegingen van de Hoge Raad zou kunnen worden opgemaakt dat de Hoge Raad het intimiderende karakter van de kleding in deze context redengevend acht. De omstandigheden in de nu voorliggende zaak zijn anders: nu gaat het erom dat de verdachte op de openbare weg Bandidos-kleding heeft gedragen. Dat zou kunnen meebrengen dat de Hoge Raad niet onbegrijpelijk acht dat het hof het enkele in het openbaar dragen van kleding en symbolen van Bandidos niet als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie heeft aangemerkt. Daarbij teken ik nog aan dat de strafbepaling op dit punt ook zeker niet ondubbelzinnig is en dat de Hoge Raad het dus wenselijker zou kunnen vinden dat de wetgever zo’n gedraging uitdrukkelijk strafbaar stelt. Zo bestaat in Duitsland een aparte strafbaarstelling voor het gebruik van symbolen van ongrondwettelijke organisaties. Die route, waarmee de democratische legitimatie en de voorzienbaarheid van de strafbaarheid buiten kijf wordt gesteld, kan in het bijzonder van belang worden geacht omdat het dragen van kleding met symbolen binnen het bereik van art. 10 EVRM valt.
Ik meen echter dat het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 ruimte biedt voor een ander standpunt dat overtuigender is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 december 2023 immers ook uitdrukkelijk de functie van het gebruik van de naam ‘Bandidos’ en de ‘colours’ in aanmerking genomen. Zoals in de nu voorliggende zaak door de advocaat-generaal ter terechtzitting is aangevoerd, speelt bij dit type organisaties (‘OMG’s’) kleding een belangrijke rol in de werkzaamheid ervan omdat met die kleding de kracht, onaantastbaarheid en waarden van de organisatie worden uitgedrukt. Juist daarom zal de gemiddelde burger bij het in de publieke ruimte zien van kleding die sterk lijkt op die van zo’n verboden organisatie – en zeker wanneer die kleding zoals in deze zaak op een motor wordt gedragen – de indruk hebben dat de verboden organisatie weer actief is. Daarom lijkt mij in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2023 niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de gedraging van de verdachte in deze zaak geen ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden organisatie oplevert. Ik teken daarbij voor de volledigheid aan dat dit bij het dragen van kleding van andere organisaties anders kan zijn als de verenigingskleding daarbij een andere positie inneemt in de publieke ruimte.
De klacht is gegrond.
6. De derde klacht: uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over verhouding tussen niet-verboden lokale afdeling en verboden landelijke organisatie
De derde klacht houdt in dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal over het bewijs.
In de toelichting wordt gewezen op het volgende dat de advocaat-generaal heeft aangevoerd ter terechtzitting van het hof van 15 augustus 2023:
“Het OM betoogt dat het dragen van de colours van Bandidos Amsterdam MC, hoewel niet zelfstandig verboden, wel degelijk een voortzetting vormt van Bandidos Holland MC. Immers, deze colours vormen een onlosmakelijk onderdeel van het bestaan van Bandidos Holland. De logo’s en naamvoering van Bandidos zijn identiek en met het dragen van de colours van Bandidos Amsterdam MC wordt het bestaan van Bandidos Holland MC in Nederland bekrachtigt. Door deze te dragen en door met de logo’s en naamvoering van Bandidos naar buiten toe te treden in de openbare ruimte wordt de werkzaamheid van Bandidos Holland MC voortgezet, zo luidt het standpunt van het OM.
Een standpunt dat steun vindt in verschillende uitspraken van de Hoge Raad over deze feitelijke beoordeling van de gedragingen van een verdachte in de zin van artikel 140 lid 2 Sr. Dit volgt onder meer uit de hiervoor al aangehaalde paragraaf 3.44 en daarnaast heeft zij in de verbodsverklaring van de Hells Angels waar een soortgelijke problematiek speelt, hierover bepaalt:
De verbodenverklaring en de ontbinding van HAMC Holland hebben niet tot gevolg dat de afzonderlijke charters verboden zijn verklaard en ontbonden. Het hof heeft in rov. 5.67 slechts tot uitdrukking gebracht dat de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland indirect wel gevolgen kunnen hebben voor de afzonderlijke charters en hun leden. Dit volgt uit art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht, waarin strafbaar is gesteld deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in art. 10:122 lid 1 BW is afgegeven.
Daarmee erkent de Hoge Raad feitelijk de catch-22 voor de niet, verboden rechtspersoon. Enerzijds zijn de onderliggende chapters niet verboden en mogen zij bestaan. Anderzijds erkent de Hoge Raad dat het verbod van de hiërarchisch hogere rechtspersoon indirect wel gevolgen zal hebben. Zoals hiervoor betoogd vormt het dragen van hesjes met de colours en de naam van de verboden rechtspersoon een cruciaal en onlosmakelijk onderdeel van het voortbestaan van de werkzaamheid van deze verboden organisatie. Het zijn deze cruciale onderdelen die moeten worden gezien als strafbare gedragingen wanneer zij ten dienste staan van de verboden organisatie. En gelet op de aard van de verboden organisatie vormt het dragen en uitdragen van de naam en de colours een strafbare voortzetting van de werkzaamheid van deze verboden organisatie. En dit zijn ook de indirecte gevolgen waar de Hoge Raad in de ogen van het Openbaar Ministerie op doelt. Concreet betekent dit dat de Bandidos Amsterdam MC niet verboden is, en mag bestaan, maar in het openbaar naar buiten niet de naam in combinatie met de colours en het logo van Bandidos Holland MC mag (uit)dragen.”
Het hof heeft in verband hiermee het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de verdachte door het dragen van een hesje van Bandidos Amsterdam – een niet verboden organisatie – een aandeel heeft gehad in, dan wel de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon Bandidos Holland MC heeft ondersteund, waardoor deze verboden organisatie voort is gegaan op een wijze die strijdig is met de openbare orde.”
In de toelichting op de klacht wordt betoogd dat het door de advocaat-generaal aangevoerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is. De advocaat-generaal heeft immers uitvoerig betoogd dat het in het openbaar dragen van een hesje met de colours en het logo van Bandidos MC Amsterdam moet worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden organisatie Bandidos MC Holland. Volgens de steller van het middel is het hof daarvan afgeweken, maar heeft het die afwijking in strijd met art. 359 lid 2 Sv niet nader gemotiveerd. De enkele hiervoor weergegeven overweging van het hof kan volgens de steller van het middel niet als zodanig worden aangemerkt.
De klacht lijkt mij gegrond. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd betoogd dat de Bandidos Amsterdam MC niet verboden is en mag bestaan, maar dat het in het openbaar dragen van de naam Bandidos in combinatie met de colours en het logo moet worden aangemerkt als ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van de verboden overkoepelende landelijke organisatie. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een hesje met een logo van een lokale afdeling van de Bandidos heeft gedragen en heeft bij de motivering van de vrijspraak overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte “door het dragen van een hesje van Bandidos Amsterdam […] de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden verklaarde en ontbonden rechtspersoon Bandidos Holland MC heeft ondersteund”. Het hof heeft daarmee voor zijn vrijspraak uitdrukkelijk relevant gevonden dat het hesje niet van de verboden organisatie Bandidos Holland MC was, maar van Bandidos Amsterdam, zonder te motiveren waarom dit onderscheid in afwijking van het door de advocaat-generaal ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt relevant is. Het oordeel van het hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.
De klacht is gegrond.
7. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG