PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04772
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 16 december 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “medeplegen van opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04774, 22/04781, 22/04945 en 22/04782. In de zaak 22/04774 is de verdachte op 7 november 2023 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard in het beroep in cassatie. In de andere zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
Deze zaak is één van vijf samenhangende zaken waarin Roemeense verdachten zijn vervolgd naar aanleiding van een ladingdiefstal uit een op de A73 rijdende vrachtwagen op 24 juli 2017. De daders van die diefstal hebben op de snelweg het slot en de zegel van deze vrachtwagen doorgezaagd. Vervolgens hebben zij 960 iPhones uit de vrachtwagen gehaald. Deze vorm van mobiel banditisme staat wel bekend als de “Roemeense methode”. De verdachten zijn op 29 juli 2017 aangehouden in een woning in een vakantiepark, waar ook de 960 gestolen iPhones werden aangetroffen. Het hof heeft de verdachten vrijgesproken van de primair tenlastegelegde diefstal van de 960 iPhones en hen telkens veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling van de telefoons.
3. Het eerste middel
Het middel klaagt over de beslissing van het hof verstek te verlenen tegen de verdachte en keert zich in dat kader tegen het oordeel van het hof dat de betekening van de oproeping voor het betreffende onderzoek ter terechtzitting rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.
De volgende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering zijn van belang bij de beoordeling van het middel:
- Art. 36b lid 2 Sv:
“1. De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt door:
a. betekening;
b. toezending;
c. mondelinge mededeling.
2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze. Indien betekening door elektronische overdracht niet of niet binnen een redelijke termijn mogelijk is, geschiedt betekening door uitreiking.
3. Toezending geschiedt door aflevering van een gewone of aangetekende brief door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer, dan wel door elektronische overdracht, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.”
- Art. 36e lid 1 en 3 Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
[…]
3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
- Art. 36h lid 1 en 3 Sv:
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a.de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
[…]
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.”
- Art. 278 lid 1 Sv:
“De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is uitgereikt, spreekt zij de nietigheid van de dagvaarding uit.”
- Art. 280 lid 1 Sv:
“In het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt en de rechtbank geen aanleiding ziet voor het nietig verklaren van de dagvaarding op grond van artikel 278, eerste lid of het verlenen van een bevel tot medebrenging van de verdachte, bedoeld in artikel 278, tweede lid, beveelt zij dat tegen de verdachte verstek wordt verleend en dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet, tenzij zij heeft ingestemd met verdediging op de voet van artikel 279.”
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2022 houdt het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [adres],
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. Y. Moszkowicz. advocaat te Utrecht.
[…]
De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren een e-mail van de raadsman heeft ontvangen, waarin de raadsman laat weten niet gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en verzoekt om de behandeling van de zaak aan te houden.
De raadsman stuurt aantekeningen per e-mail naar de griffier.
De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik ben nog steeds niet gemachtigd. Ik heb gevraagd om de betekeningsstukken, omdat ik geen contact met cliënt kon krijgen. Ik wilde weten of cliënt op de hoogte was van de zitting. Het adres waarop is betekend is de verdediging onbekend. Het betreft niet het adres waarvan mij later is verteld dat dat het verblijfadres van cliënt betreft. Ook is er geen postcode vermeldt op de akte. Dat kan verklaren waarom de oproeping niet is aangekomen. Daarnaast is er geen keuze gemaakt bij de reden waarom de uitreiking eerder niet gelukt was. De akte buitenland uitsturende autoriteit vermeldt als invuldatum van de akte en als verzenddatum van de gerechtelijke brief 13 oktober 2022. De akte is echter getekend op 5 oktober 2022, dus voorafgaand aan de daadwerkelijke verzending van de gerechtelijke brief. Bij gebreken aan een postcode kan niet worden vastgesteld dat de brief ook daadwerkelijk is aangekomen. Daarnaast geldt dat omdat bij het OM blijkbaar een woon- of verblijfplaats in het buitenland in beeld was, navraag moest worden gedaan of de adresgegevens zijn geadministreerd in de databank Registratie Niet Ingezeten (RNI) aldus HR 10 januari 2017 (ECLL:NL:HR:2017:27). Er is tevens een poging tot uitreiking gedaan aan het adres Voorstraat 2, 3512 AM Utrecht, op 19 oktober 2022. Er is hier maar één poging tot uitreiking gedaan. Daarnaast betreft dit het oude adres van mijn kantoor. Als wordt geprobeerd uit te reiken via het kantoor van de raadsman dient het OM wel zorg ervoor te dragen dat dat op het correcte adres gebeurt. Dat het nieuwe adres van het kantoor wel degelijk bij het OM bekend is, blijkt uit het feit dat de kopie van de oproeping voor de raadsman op 5 oktober 2022 wel naar het juiste adres verstuurd is. Dus ook aan deze wijze van uitreiken kleven gebreken.
Mijn cliënt wil graag bij de terechtzitting aanwezig zijn. Ook bij eerdere zittingen is hij steeds aanwezig geweest. Hij heeft pas anderhalve dag geleden van de zitting vernomen. Het is onmogelijk om dan nog een reis naar Nederland te realiseren. Ik verzoek uw hof om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat mijn cliënt in persoon bij de zitting aanwezig kan zijn.
De advocaat-generaal vraagt mij of ik contact met mijn cliënt heb gehad. Ik heb contact gekregen met de vrouw van mijn cliënt en ik heb pas gisteren telefonisch contact met mijn cliënt zelf gekregen.
De advocaat-generaal voert aan zakelijk weergegeven:
De oproeping is verstuurd naar een adres in het buitenland. Daarnaast is er sprake van een OM-uitreiking. Het adres in het buitenland is het adres van verdachte sinds 21 september 2020. Bij de vorige zitting was er nog een ander adres van verdachte bekend in Roemenië. Naar dat adres is voor deze zitting geen oproeping verstuurd, omdat uit het SKDB-uittreksel van een nieuw adres bleek. Primair stel ik mij op het standpunt dat de betekening correct is geschied. Mocht het hof daar anders over denken, dan ontkomen we er niet aan om de zaak aan te houden.
De raadsman voert aan zakelijk weergegeven:
Het zal uw hof niet zijn ontgaan dat het een oude zaak betreft. Het is lastig om zes jaar lang contact te onderhouden met je advocaat. Mijn cliënt heeft gister verteld dat zijn adres nooit is veranderd. Het adres waarop is betekend is hem onbekend. Ik verzoek uw hof mijn cliënt het voordeel van de twijfel te geven. Hij wil graag aanwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling.
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor beraad.
Naar hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de betekening juist is. Het hof merkt ten aanzien van het door de raadsman gestelde onbekende adres op dat er in de stukken een kopie van de ID-kaart van verdachte zit. Op deze ID-kaart staat hetzelfde adres vermeldt als waar de oproeping naar toe is verstuurd. Verdachte heeft dit adres ook bij zijn verhoor bij de politie opgegeven. En dit adres staat op de Informatiestaat SKDB als adres van verdachte sinds 21 september 2020. De oproeping van de terechtzitting in 2020 is eveneens naar dat adres verstuurd. Verder is er geprobeerd uit te reiken op het adres dat in de appelakte is opgenomen. Daar is ook een afschrift naartoe verstuurd.
Het hof wijst tevens het aanhoudingsverzoek af. Het hof overweegt hierbij dat het een oud feit betreft (feit uit 2017), er zit een slachtoffer in de zaak en de zaak staat gelijktijdig gepland met medeverdachten. De behandeling van de zaak is eerder aangehouden in 2020. Ook toen heeft de raadsman aangegeven dat hij geen contact had met zijn cliënt. Eind maart jl. is er al een afspraak gemaakt over de zittingsdatum van vandaag in december. De raadsman heeft op de valreep contact gekregen met zijn cliënt. Zijn cliënt had hem kunnen machtigen, maar dat is niet gebeurd.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
Uit de overige aan de Hoge Raad toegezonden processtukken blijkt daarnaast het volgende.
(i) De Informatiestaat strafrechtsketendatabank-persoon (hierna: Informatiestaat SKDB-persoon) van 1 december 2022 houdt in dat de verdachte sinds 21 september 2020 met de status “Niet-Ingezetene” staat ingeschreven bij de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) op het adres “[adres]”. In de Informatiestaat SKDB-persoon is een kopie van de identiteitskaart van de verdachte opgenomen waarop hetzelfde adres staat vermeld. Ook houdt de Informatiestaat SKDB-persoon in dat de verdachte op 1 december 2022 niet was gedetineerd en is onder de rubriek “Laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” opgenomen “ZVWOVHTL”, dus zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande, met als registratiedatum 30 juli 2017.
(ii) Op de oproeping voor het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2022 staat dit Roemeense adres vermeld. De bij deze oproeping behorende akte van uitreiking houdt onder meer in dat de oproeping naar dit adres is verzonden.
(iii) Daarnaast is blijkens de daarbij behorende akte van uitreiking geprobeerd een oproeping uit te reiken aan het adres “Voorstraat 2, 3512 AM Utrecht”. Dit adres staat ook vermeld in de aan de “Akte aanwenden rechtsmiddel” van 21 maart 2018 gehechte bijzondere schriftelijke volmacht. Uit die volmacht blijkt dat dit (destijds) het adres van het kantoor van de raadsman van de verdachte was en dat de verdachte op dat moment domicilie koos aan dat adres.
(iv) De akte van uitreiking die hoort bij de toezending van de oproeping aan het Roemeense adres van de verdachte houdt in dat deze is ingevuld door een medewerker van het openbaar ministerie die [betrokkene 1] heet. Door een vergelijking van de handtekening onder die akte met de handtekening onder de akte van uitreiking die hoort bij de (poging) tot uitreiking van de oproeping aan het (oude) kantooradres van de raadsman is vast te stellen dat de eerstgenoemde akte niet is ondertekend door [betrokkene 1], maar door een andere medewerker van het openbaar ministerie, met de naam [betrokkene 2].
Uit de toelichting op het middel maak ik – welwillend gelezen – op dat de steller van het middel zich beroept op de volgende argumenten.
a. De postcode van het Roemeense adres waarnaar de oproeping is verzonden ontbreekt en dat is geen onaannemelijke verklaring voor het niet arriveren van de oproeping.
b. Er is geprobeerd uit te reiken op het oude adres van het kantoor van de raadsman, terwijl het openbaar ministerie op de hoogte moest zijn van het nieuwe adres.
c. Het openbaar ministerie had gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:27, navraag moeten doen of de adresgegevens van de verdachte waren geregistreerd in de databank Registratie Niet-Ingezeten (RNI).
d. Op het kruisjesformulier van de akte “Buitenland Uitsturende autoriteit” is niet aangekruist of de medewerker van het openbaar ministerie bij de BRP heeft geconstateerd of, en zo ja, op welk adres de geadresseerde stond ingeschreven.
e. De handtekening die is gezet op de akte “Buitenland Uitsturende autoriteit” is niet gezet door de persoon die de akte heeft ingevuld, maar door een andere medewerker van het openbaar ministerie.
Het middel kan niet slagen. Ik licht dat toe aan de hand van de verschillende door de steller van het middel genoemde argumenten.
(Ad a en b.) Uit de hierboven weergegeven inhoud van de processtukken blijkt dat er is geprobeerd de oproeping voor het onderzoek ter terechtzitting uit te reiken aan het (oude) adres van het kantoor van de raadsman van de verdachte. Zo’n adres kan niet gelden als een in art. 36e lid 1 aanhef en onder b en 2° Sv bedoelde woon- of verblijfplaats van de verdachte. Voor een rechtsgeldige betekening was uitreiking aan dat adres of het nieuwe adres van het kantoor van de raadsman dus niet vereist. Gelet daarop en op de inhoud van de Informatiestaat SKDB-persoon zoals hierboven omschreven, doet zich hier de situatie voor waarin kan worden aangenomen dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP, niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, terwijl er wel een adres van een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is. De uitreiking van de oproeping moest in deze zaak dus op grond van art. 36e lid 3 Sv plaatsvinden door toezending daarvan aan het adres van de verdachte in het buitenland. Aan art. 36e lid 3 Sv is voldaan omdat uit de relevante akte van uitreiking (zie onder ii.) blijkt dat de oproeping voor het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is verzonden naar het Roemeense adres van de verdachte. Daaraan doet niet af dat dit adres geen postcode bevat. In dat kader is van belang dat het adres waarnaar de oproeping is verzonden gelijkluidend is aan het adres zoals dat bij de autoriteiten bekend was. Dit adres (dus eveneens zonder postcode) staat bovendien vermeld op de Roemeense identiteitskaart van de verdachte. Alleen al hieruit volgt dat sprake is van een ‘volwaardig’ adres in het buitenland zoals bedoeld in art. 36e lid 3 Sv. Daarmee bedoel ik dat het adres voldoende specifiek is en dus geschikt voor een betrouwbare uitreiking door toezending.
(Ad c.) In HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:27, heeft de Hoge Raad overwogen dat ingeval de Informatiestaat SKDB-persoon in de rubriek “huidig BRP-adres” een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat de verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geadministreerd in de databank RNI. De door de Hoge Raad geformuleerde onderzoekplicht vindt in deze zaak geen toepassing omdat uit de rubriek “huidig BRP-adres” in de Informatiestaat SKDB-persoon van 1 december 2022 blijkt dat de buitenlandse adresgegevens van de verdachte in het BRP zijn geregistreerd.
(Ad d.) De akte “Buitenland Uitsturende autoriteit” kan worden gebruikt bij een uitreiking door toezending naar een buitenlands adres (art. 36e lid 3 Sv, ‘akte buitenland’) en bij uitreiking aan de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling is uitgegaan (art. 36 lid 2 aanhef en onder b Sv, ‘akte uitsturende autoriteit’). In het geval dat de akte wordt gebruikt voor de eerstgenoemde in art. 36e lid 3 Sv bedoelde uitreiking hoeft het door de steller van het middel bedoelde gedeelte van het formulier niet te worden ingevuld.
(Ad e.) Uit de akte van uitreiking van de oproeping door toezending aan het buitenlandse adres van de verdachte blijkt inderdaad dat deze is ondertekend door een andere medewerker van het openbaar ministerie dan de medewerker die de akte heeft ingevuld. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 december 2022 volgt echter ook dat de (niet gemachtigd) raadsman de gelegenheid heeft gehad en genomen om zich uit te laten over de wijze van betekening van de oproeping voor die zitting. De raadsman had deze klacht dus kunnen voorleggen aan het hof. Nu de raadsman ter terechtzitting niet heeft aangevoerd dat niet was voldaan aan art. 36n Sv, kan op dit punt niet met succes in cassatie worden geklaagd. Daarnaast merk ik nog het volgende op. Art. 36h Sv noemt de inhoudelijke vereisten waaraan een akte van een uitreiking (als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv) moet voldoen. De akte van uitreiking dient als bewijs dat de gerechtelijke mededeling op de voorgeschreven wijze is uitgereikt. Gebreken in die akte van uitreiking hoeven niet zonder meer tot nietigheid van de dagvaarding (of betekening) te leiden. Voor nietigverklaring is geen aanleiding als er geen twijfel over kan bestaan dat de oproeping geldig is uitgereikt. Dat is in deze zaak het geval, omdat de ondertekening door een andere medewerker van het openbaar ministerie, die de akte van uitreiking kennelijk heeft gecontroleerd, wat mij betreft voldoende waarborg is voor de juistheid van de inhoud van de daarvan. De verdachte heeft daarom geen belang bij dit onderdeel van het middel.
Het middel faalt gelet op al het voorgaande.
4. Het tweede middel
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
De voor de beoordeling van dit middel relevante inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2022 heb ik onder 3.3 van deze conclusie weergegeven. Ik geef hier nog een keer de relevante beslissing en motivering van het hof weer:
“Het hof wijst tevens het aanhoudingsverzoek af. Het hof overweegt hierbij dat het een oud feit betreft (feit uit 2017), er zit een slachtoffer in de zaak en de zaak staat gelijktijdig gepland met medeverdachten. De behandeling van de zaak is eerder aangehouden in 2020. Ook toen heeft de raadsman aangegeven dat hij geen contact had met zijn cliënt. Eind maart jl. is er al een afspraak gemaakt over de zittingsdatum van vandaag in december. De raadsman heeft op de valreep contact gekregen met zijn cliënt. Zijn cliënt had hem kunnen machtigen, maar dat is niet gebeurd.”
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. In het algemeen en kort samengevat gelden op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende regels voor de beslissing van de rechter op een door of namens de verdachte in verband met het aanwezigheidsrecht gedaan verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. De rechter moet eerst nagaan (i.) of aan het aanhoudingsverzoek concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan het verzoek om die reden worden afgewezen. Als zo’n omstandigheid wel is aangevoerd, kan de rechter nagaan (ii.) of de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Nadat zo nodig gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Indien de rechter niet tot het oordeel komt dat die omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij (iii.) een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
De (niet gemachtigde) raadsman heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de zaak aan te houden, om de verdachte in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Daaraan heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat de verdachte pas anderhalve dag van tevoren heeft vernomen van de zitting en dat het voor hem onmogelijk was om nog een reis naar Nederland te realiseren.
Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen. De onderbouwing van die beslissing houdt in dat het een oud feit betreft (uit 2017), dat er een slachtoffer in de zaak zit en dat de zaak gelijktijdig staat gepland met de zaken van medeverdachten. Verder heeft het hof opgemerkt dat de zaak in 2020 al een keer is aangehouden op verzoek van de raadsman, omdat hij toen geen contact had met de verdachte en dat er eind maart 2022 al een afspraak was gemaakt met de raadsman over de zittingsdatum. Het hof heeft aldus kennelijk een afweging gemaakt tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.
Gelet op de door het hof genoemde factoren meen ik dat het hof zijn beslissing ook toereikend heeft gemotiveerd. Daarbij merk in het bijzonder nog op dat het hof heeft overwogen dat de zaak in 2020 al een keer was aangehouden omdat de raadsman geen contact had met de verdachte en dat er al in maart 2022 een afspraak was voor de datum van de zitting van 2 december 2022. Kennelijk heeft het hof in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij zich niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsman, terwijl de verdachte zelf hoger beroep had ingesteld en de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep op rechtsgeldige wijze was betekend.
Het middel faalt.
5. Het derde middel
Dit middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen van opzetheling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“subsidiair
hij in de periode van 24 juli 2017 tot en met 29 juli 2017 te te Otterlo, gemeente Ede, tezamen en in vereniging met anderen, 960 Apple iPhones (met een geschatte waarde van euro 550.000,--) heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
Het bestreden arrest bevat de volgende (promis)bewijsoverwegingen (de voetnoten laat ik weg):
“Overwegingen met betrekking tot bewijs
[…]
Oordeel van het hof
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verbalisanten kregen op 24 juli 2017 de melding dat een vrachtautochauffeur beroofd zou worden, terwijl hij nog aan het rijden was. Toen verbalisanten de vrachtauto zagen rijden, hebben zij kenbaar gemaakt dat ze van de politie waren. De chauffeur heeft daarop de vrachtauto gestopt. Vervolgens hebben verbalisanten een onderzoek ingesteld. Daarbij bleken de deuren van de laadruimte gesloten, maar het slot en het aangebrachte zegel waren doorgezaagd/geslepen. De laadruimte van de vrachtauto werd gecontroleerd en zichtbaar was dat twee pallets leeg waren. [aangever] (hierna: ‘[aangever]’), die namens Apple Distribution Intern aangifte deed, heeft verklaard dat 960 Apple iPhones uit de vrachtauto zijn weggenomen en hij schatte de (winkel)waarde van deze telefoons op € 550.000,00. Ook heeft [aangever] een lijst overgelegd, waarop de IMEI-nummers van de weggenomen iPhones staan vermeld.
Op 28 juli 2017 zijn verbalisanten naar aanleiding van ontvangen informatie naar [vakantiepark] in Otterlo gegaan. De receptioniste van dit park vertelde dat [medeverdachte 1] de vakantiewoning aan het [pad] had gehuurd. Verbalisanten zagen drie voertuigen, waaronder een Hyundai bus met het [kenteken], op de parkeerplaats voor de betreffende vakantiewoning staan. Op de veranda van de vakantiewoning zaten zes mannen, waaronder [medeverdachte 1]. In de nacht van 28 op 29 juli 2017 zag verbalisant dat de gehele bodem van de Hyundai bus was bedekt met witte dozen.
Op 29 juli 2017 is de politie overgegaan tot de aanhouding van verdachte en medeverdachten. Zij bevonden zich, ten tijde van de aanhouding, allemaal in of rond de vakantiewoning aan het [pad].
De politie heeft de vakantiewoning doorzocht. Een verbalisant trof in het televisiemeubel in de woonkamer één iPhone in een doos aan. Tijdens de doorzoeking zag een verbalisant dat voor de vakantiewoning de Hyundai bus met het [kenteken] geparkeerd stond. In de laadruimte van deze bus lagen over de gehele bodem witte verhuisdozen van de Gamma verspreid. Alle dozen waren dichtgetaped met bruine roltape en ze waren volledig omwikkeld in doorzichtig plasticfolie. Toen één doos uit de bus werd geopend, zag een verbalisant dat de doos was gevuld met 35 doosjes met iPhones. In elk van de andere elf verhuisdozen van de Gamma zaten 84 doosjes met iPhones. Op de doosjes van de aangetroffen telefoons staat een IMEI-nummer. Uit een vergelijking van de IMEInummers op de doosjes met de via DB Schenker ontvangen lijst van weggenomen iPhones bleek dat de ene in de vakantiewoning en de 35 in de Hyundai-bus aangetroffen iPhones afkomstig waren van de partij op 24 juli 2017 weggenomen telefoons.
Ook lagen in de badkamer van de vakantiewoning vijf vuilniszakken gevuld met versneden kartonnen dozen en piepschuim. Onder de trap stond een stapel soortgelijke versneden kartonnen dozen, omwikkeld met bruine tape. Naast de dozen lag een rol plasticfolie. Deze rol was soortgelijk aan het plasticfolie waarmee de dozen in de bus waren omwikkeld. In de hal en in de slaapkamer van [medeverdachte 2] lagen drie respectievelijk twee rollen bruine tape. Zij waren soortgelijk aan de tape waarmee de dozen in de bus waren dichtgetaped. In de slaapkamer van [medeverdachte 2] lagen daarnaast verhuisdozen, gelijk aan die in de bus, en plasticfolie, soortgelijk aan de folie waarmee de dozen in de bus waren omwikkeld.
Verbalisanten hebben het telefoontoestel van een van de aangehouden verdachten afgeluisterd. Op 28 juli 2017 omstreeks 11:52 uur is er met dit toestel een gesprek is gevoerd naar een nummer in Roemenië. De mastlocatie straalde op dat moment aan op [zendmast]. Op dit adres is [vakantiepark] gelegen. De persoon die belt met de telefoon van een van de aangehouden verdachten vraagt aan zijn gesprekspartner in Roemenië hoe de wielen moeten worden ingepakt en of ze weer in kartonendozen moeten worden gepakt, zodat de auto niet vies wordt. De persoon die belt met het nummer in Roemenië antwoordt hierop ‘Ja’. In de woning en de bus zijn geen banden en velgen aangetroffen.
In de vakantiewoning is tevens een portemonnee aangetroffen. In deze portemonnee bevonden zich documenten op naam van [medeverdachte 1] en een kassabon van de Gamma die dateerde van 28 juli 2017 te 14:18 uur. Op die kassabon stond vermeld dat er - onder andere - vijftien Gamma verhuisdozen, driemaal bruine verpakkingstape en tweemaal transparant krimpfolie waren gekocht.
De technisch beheerder van [vakantiepark] heeft verklaard dat de personen die in de vakantiewoning verbleven, op 26 juli 2017 zijn aangekomen. De reservering stond op naam van [medeverdachte 1] en bij het maken van de reservering lijkt het e-mailadres van de verdachte te zijn gebruikt. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij met [medeverdachte 1] naar Nederland is gekomen en al drie tot vier dagen in de vakantiewoning aanwezig was.
[…]
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens opzetheling in de zin van artikel 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient bewezen te worden verklaard dat verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van de iPhones wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Het hof overweegt dat uit bovenstaande feiten en omstandigheden volgt dat op 28 juli 2017 vanaf het vakantiepark wordt gebeld en dat er wordt besproken dat de iPhones in kartonnen dozen moeten worden verpakt. Nog dezelfde dag - binnen een tijdsbestek van enkele uren - worden er verhuisdozen en ander verpakkingsmateriaal door [medeverdachte 1] bij de Gamma gekocht. Vervolgens wordt er één dag later in het vakantiehuisje de vermoedelijke resten van de originele dozen van de iPhones, enkele verhuisdozen van de Gamma en overig verpakkingsmateriaal aangetroffen. Die verhuisdozen en verpakkingsmaterialen betroffen dezelfde verhuisdozen en verpakkingsmaterialen als waarmee de iPhones in de bus waren verpakt. Gelet op hierop is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de iPhones die uit de vrachtwagen zijn weggenomen, nadat zij van hun originele verpakking waren ontdaan, tussen 28 juli 2017 en 29 juli 2017 in de vakantiewoning opnieuw zijn verpakt in de verhuisdozen van de Gamma.
Uit de omstandigheid dat verdachte en medeverdachten voordat zij op 29 juli 2017 werden aangehouden al enkele dagen in de vakantiewoning verbleven en dus ook op het moment dat de grote hoeveelheid iPhones opnieuw verpakt werden in de vakantiewoning aanwezig waren en het versneden originele verpakkingsmateriaal, de bruine tape en het folie in diverse (ook gemeenschappelijke) ruimtes is aangetroffen, leidt het hof af dat de verdachte en medeverdachte tezamen en in vereniging de beschikkingsmacht over de iPhones hebben gehad en daarmee de iPhones voorhanden hebben gehad.
Het hof is tevens van oordeel dat verdachte gelet op de aard van de verkregen goederen, te weten een hoeveelheid van 960 iPhones, ten tijde van het voorhanden krijgen van de iPhones moet hebben geweten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verdachte geen aannemelijke verklaring met betrekking tot het voorhanden hebben van de 960 iPhones heeft gegeven, is het oordeel van het hof dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van de iPhones wist dat de iPhones van misdrijf afkomstig waren.
Het hof acht dan ook, evenals de rechtbank, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit.”
Gezien de toelichting op het middel steunt de daarin neergelegde bewijsklacht op de volgende stellingen:
a. Het hof heeft niet de overtuiging kunnen bekomen dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de 960 iPhones, nu slechts één iPhone is aangetroffen in de vakantiewoning.
b. Omdat de verdachte maximaal één iPhone heeft gezien heeft het hof niet uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte wist dat alle iPhones van misdrijf afkomstig waren.
c. Het hof heeft niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen kunnen komen, omdat van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer van de medeverdachten niet is gebleken.
De Hoge Raad heeft in een arrest van 21 maart 2000 over het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ in art. 416 Sr het volgende vooropgesteld:
“4.2 […] De wetgever is uitgegaan van een ruim begrip 'voorhanden hebben'. In dit verband is in de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 520, opgemerkt:
“”Voorhanden hebben” — ter vervanging van “vervoeren”, “bewaren” en “verbergen” uit de huidige delictsomschrijvingen strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Dus ook het gebruiken van een misdrijfgoed valt hier onder. Voor “voorhanden hebben” is overigens niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het omvat ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen. Deze betekenis heeft deze term ook in de artikelen 214, 223 en 234 van het Wetboek van Strafrecht. Tenslotte moet over het “voorhanden hebben” worden opgemerkt dat niet iedereen die een goed voorhanden heeft, het goed ook heeft verworven. Zo heeft de vervoerder een goed niet verworven, maar wel voorhanden. (Kamerstukken II 1989–1990, 21 565, nr. 3, blz. 4).”
Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot strafbaarstelling van verschillende vormen van witwassen heeft geleid, volgt dat het bestanddeel “voorhanden hebben” in het kader van de witwasbepalingen dezelfde betekenis heeft als bij heling. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen over (het medeplegen van) deze vorm van voorhanden hebben:
“2.4.1 Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. (Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570.)
Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor onder 2.4.1 weergegeven zin. (Vgl. over het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie, HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938.)”
Het hof heeft in deze zaak de volgende feiten vastgesteld of afgeleid uit de bewijsmiddelen:
i. Op 24 juli 2017 zijn 960 iPhones uit een vrachtwagen gestolen.
ii. De verdachte en de medeverdachten verbleven vanaf 26 juli 2017 in een vakantiewoning van [vakantiepark]. Op 29 juli 2017 zijn zij daar aangehouden.
iii. Op 28 juli 2017 is door een van de verdachten vanaf het vakantiepark gebeld (naar een nummer in Roemenië), waarbij is besproken dat de iPhones in kartonnen dozen moeten worden verpakt. Nog dezelfde dag – binnen een tijdsbestek van enkele uren – heeft de [medeverdachte 1] verhuisdozen en ander verpakkingsmateriaal bij de Gamma gekocht.
iv. Bij de doorzoeking van de woning op 29 juli 2017 is één van de uit de vrachtwagen weggenomen iPhones gevonden in een televisiemeubel en zijn de overige gestolen iPhones aangetroffen in een bus die voor de woning stond. De telefoons zaten verpakt in witte Gamma verhuisdozen, die waren dicht getapet met bruine tape en omwikkeld met doorzichtige plastic folie.
v. Op 29 juli 2017 zijn in de badkamer en onder de trap in de vakantiewoning de vermoedelijke resten van de originele dozen van de iPhones aangetroffen en zijn in onder meer gemeenschappelijke ruimten bruine tape en folie gevonden, soortgelijk aan het materiaal dat was gebruikt voor het opnieuw verpakken van de iPhones. Ook zijn er verhuisdozen in de woning gevonden, gelijk aan die in de bus.
Aan deze feiten heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat de uit de vrachtwagen weggenomen iPhones, nadat zij van hun originele verpakking waren ontdaan, tussen 28 juli 2017 en 29 juli 2017 in de vakantiewoning opnieuw zijn verpakt in verhuisdozen van de Gamma. Gezien het feit dat de verdachte en de medeverdachten op dat moment al enkele dagen in de woning verbleven, alsmede dat verschillende aan deze handeling gerelateerde voorwerpen in verschillende (gemeenschappelijke) ruimtes van de woning zijn aangetroffen, heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte en de medeverdachten in vereniging beschikkingsmacht over de iPhones hebben gehad. Hierin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte samen met de andere in de woning verblijvende medeverdachten verantwoordelijk was voor het (her)verpakken van de iPhones in de woning en dat hij dus moet hebben geweten van de aanwezigheid van alle iPhones. Dat vind ik zeker geen onbegrijpelijke uitleg van de hiervoor genoemde feiten.
De door de steller van het middel ingenomen stellingen worden weerlegd door het voorgaande. Daaruit blijkt namelijk dat het hof uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden dat de verdachte niet slechts één iPhone heeft gezien, maar dat hij alle 960 iPhones voorhanden heeft gehad. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten ten aanzien van dat voorhanden hebben kon het hof baseren op het kennelijke oordeel dat de verdachten tezamen verantwoordelijk waren voor het (her)verpakken van de iPhones. Het hof heeft in mijn ogen dus zowel het bewezenverklaarde ‘voorhanden hebben’ als het ‘medeplegen’ daarvan toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
Het middel faalt.
6. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG