ECLI:NL:PHR:2024:1155

ECLI:NL:PHR:2024:1155, Parket bij de Hoge Raad, 12-11-2024, 23/03520

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/03520
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1868
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Jaddoe. Jeugdzaak. Art. 242 Sr. Falende uos-klacht over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring en over de herkenning van de verdachte op een foto. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/03555.

Uitspraak

Nummer23/03520 J

Zitting 12 november 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 31 augustus 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens het primair ten laste gelegde "medeplegen van verkrachting" veroordeeld tot een combinatiestraf bestaande uit een jeugddetentie van negentig dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van één jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer) met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen en hieraan verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken.

Er bestaat samenhang met de zaak 23/03555 J. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F. Visser, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij is gegaan aan twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Deze standpunten komen erop neer dat de verklaringen van de [getuige 1] (bewijsmiddelen 3 en 4, zie hieronder) en de enkelvoudige fotoconfrontatie met [getuige 2] (bewijsmiddel 7) wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs gebruikt zouden moeten worden.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 13 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] (telkens) gedwongen te dulden dat [slachtoffer] verdachte en zijn mededader moest pijpen en bestaande dat geweld en bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

 tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "pas op wij hebben een wapen bij ons, dus kan je maar beter luisteren naar waf we zeggen", en

 een wapen in zijn broeksband aan die [slachtoffer] heeft getoond en

 met zijn verdachtes hand naar dat wapen is gegaan en

 tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat ze mee moest komen en

 voornoemde [slachtoffer] tegen het (achter)hoofd en tegen de wang en tegen het gezicht heeft geslagen en

 voornoemde [slachtoffer] bij de arm heeft vastgepakt en

 voornoemde [slachtoffer] heeft meegenomen en

 tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat zij verdachte en zijn mededader moest neuken of pijpen anders zouden ze haar kleding stelen en zou ze een kogel door haar kop krijgen en in een gracht belanden en

 voornoemde [slachtoffer] bij haar hoofd heeft vastgepakt en

 het hoofd van voornoemde [slachtoffer] naar beneden heeft geduwd en

 tegen voornoemde [slachtoffer] heeft geroepen dat zij op haar knieën moest gaan en hem, verdachte, en/of zijn mededader moest pijpen, en

 voornoemde [slachtoffer] bij de borsten heeft betast.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte van 13 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 006 tot en met 010].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 13 april 2020 ging ik naar mijn werk. Ik werk bij [restaurant] bij de [a-straat] in Amsterdam. [medeverdachte] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]) had mij gebeld en ik kreeg toen een vriend van [medeverdachte] (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]) aan de telefoon. Zijn vriend heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , de verdachte).

Omstreeks 20.30 uur stond ik samen met [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]) voor [restaurant] , ik zag toen dat [medeverdachte] en [verdachte] naar mij toe liepen. Ik hoorde aan de stem van [medeverdachte] dat hij heel boos was. Hij was luid en agressief. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ik met hem moest gaan praten. Ik ben toen in gesprek gegaan met [verdachte] . [verdachte] vertelde het volgende: "Pas op, we hebben een wapen bij ons, dus beter kan je maar luisteren naar wat wij zeggen." Ik zag toen dat [medeverdachte] een wapen had in zijn broeksband. Ik zag dat de hand van [medeverdachte] naar het wapen ging. Op dat moment kwam [getuige 1] naar buiten.

[medeverdachte] en [verdachte] zeiden dat ik met hun mee moest komen. Ik zei dat ik dit niet wilde. Ik voelde toen ineens een klap op mijn linkerwang. Ik zag dat [medeverdachte] mij met zijn rechterhand had geslagen op mijn wang. Ik voelde toen pijn. Ik voelde dat mijn wang brandde. Ik ben toen uiteindelijk met [medeverdachte] en [verdachte] meegelopen. Toen ik met [medeverdachte] en [verdachte] mee liep naar het park, zeiden ze dat ik met ze moest neuken en hun moest pijpen. Ik had gezegd dat ik dit niet wilde doen. Ik voelde toen dat [medeverdachte] mij bij mijn arm pakte en mee nam.

Toen we aankwamen bij het [park] had [medeverdachte] mij meerdere malen in mijn gezicht geslagen. [medeverdachte] sloeg mij omdat ik zei dat ik geen seks met hun wilde en hun niet wilde pijpen. Ze hebben toen gezegd dat zij een kogel door mijn kop zouden schieten en mij in de gracht zouden gooien en alle kleding van mij af zouden halen. Toen dwongen zij mij om mij te pijpen. Ze pakte mij bij mijn hoofd. Ik heb dit toen gedaan omdat ik bang was. Ik heb een aantal keer geprobeerd om weg te komen. Elke keer konden zij mij weer bij mijn arm beet pakken. Dit deed zowel [verdachte] als [medeverdachte] . Elke keer als ik weg wilde komen sloeg [medeverdachte] mij op mijn linker wang. Ik heb ze beiden gepijpt. Ik had eerst [verdachte] gedaan en daarna [medeverdachte] .

Ik heb toen [getuige 1] gebeld. Ik ben toen opgehaald en ben toen terug gegaan naar [restaurant] . [getuige 1] heeft mij toen getroost.

2. Een proces-verbaal van aangifte van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 151 tot en met 157].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

In het [park] is gezegd dat ik hen moest neuken en pijpen want anders dan stelen we je kleding en dan krijg je een kogel in je kop en beland je in de gracht. Dat zei [medeverdachte] tegen mij. En toen heb ik het maar gedaan. Ik moest als eerste [verdachte] pijpen. [medeverdachte] pakte me bij mijn hoofd en gaf mij een duw op mijn hoofd, naar beneden. Ik stond bij [verdachte] en hij wilde eerst droogneuken. Hij ging met zijn handen bij mijn tieten. [verdachte] zei dat ik op mijn knieën moest gaan en hem moest pijpen.

Toen heb ik [getuige 1] snel gebeld en toen is er geregeld dat iemand me op kwam halen. [getuige 2] heeft me toen opgehaald, hij is een collega van [restaurant] .

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 13 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 033 tot en met 035].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 mei 2020, tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Op maandag 13 april 2020 omstreeks 21.00 uur stond stonden [slachtoffer] en ik met zijn tweeën buiten de zaak bij [restaurant] , gelegen aan [a-straat] in Amsterdam.

Ik zag dat [medeverdachte] samen met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) aan kwam lopen. Ik hoorde [verdachte] tegen [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) zeggen dat zij mee moest komen. Ik zag dat [medeverdachte] [slachtoffer] daarna twee keer sloeg. Ik zag dat hij haar een keer op haar achterhoofd en een keer op haar wang sloeg. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen: "Als je nu niet meeloopt, heb je nog een groter probleem. En jij blijft hier bij de zaak wachten!". Ik zag dat [slachtoffer] , [medeverdachte] en [verdachte] richting de [b-straat] liepen.

Vervolgens werd ik gebeld door [slachtoffer] , Dit was bijna een uur later. Ik had [slachtoffer] al een paar keer gebeld, maar ik werd steeds weggedrukt. Ik hoorde toen van [slachtoffer] dat [medeverdachte] een vuurwapen in zijn broeksband had laten zien en dat zij met hem is meegelopen uit angst. Ik hoorde toen van [slachtoffer] dat zij met [medeverdachte] en [verdachte] richting het park gegaan zijn en dat zij daar op haar rechterwang en haar slaap geslagen was. Ik hoorde [slachtoffer] huilend aan de telefoon vragen of ik haar kon ophalen. Ik heb een collega (het hof begrijpt: [getuige 2]) gevraagd om [slachtoffer] op te halen. Ik zag dat [slachtoffer] teruggebracht werd naar de zaak. Ik zag dat zij hevig geëmotioneerd was. Ik zag dat de rechterwang en slaap blauwkleurig waren.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 036 tot en met 039].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 mei 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ongeveer een uur later werd ik terug gebeld door [slachtoffer] . Ze zei tegen me; "Kan je me ophalen, want ik ben weggerend van [medeverdachte] en [verdachte] .”

Heb je gehoord wat er in het park is gebeurd?

Ja dat heeft [slachtoffer] verteld toen ze huilend aankwam bij [restaurant] . Ze moest met hun meelopen naar het park naar een afgelegen plekje, daar is ze ook geslagen door [medeverdachte] . Ze moest [medeverdachte] en [verdachte] pijpen en als; ze dat niet deed dan kreeg ze een kogel door haar kop hadden ze gezegd.

Had [slachtoffer] beide jongens gepijpt?

Ja. Dat moest van [medeverdachte] en [verdachte] .

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina 060].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op donderdag 14 mei hebben wij de Progris-foto van de [verdachte] getoond aan [getuige 1] . Wij zagen en hoorde [getuige 1] het volgende zeggen: "Ja dat is [verdachte] " Hierop vroegen wij waar zij [verdachte] van kende. Hierop zei [getuige 1] dat hij regelmatig bij [restaurant] komt en dat ze hem van haar school kent. Hij zit een paar klassen hoger dan dat zij zit. Ze herkende voor 100% de Progrisgfoto als zijnde [verdachte] .

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 16 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde pagina’s 128 tot en met 133].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 mei 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2]:

V: Wat kan je vertellen over de zaak van [slachtoffer] ?

A: Ik heb ze wel gezien. [medeverdachte] was, met één vriend van hem. Die vriend ken ik niet. Ze stonden buiten voor de deur, [slachtoffer] , [getuige 1] , [medeverdachte] en die vriend. Ik had wel geschreeuw gehoord, [medeverdachte] was boos. [slachtoffer] werd meegenomen door hun tweeën. [getuige 1] zei dat. Ze zei iets van: "Kijk ze lopen weg". Ik zag ze toen zelf weglopen.

[getuige 1] probeerde [slachtoffer] te bereiken, daar was ik bij. Toen nam ze niet op. [getuige 1] vroeg of ik [slachtoffer] wilde halen. Ik zag [getuige 1] huilen, omdat ze bang was dat er wat was gebeurd. Ik heb [slachtoffer] opgehaald en ze was aan het huilen. Ik vroeg haar wat er was gebeurd, maar ze zei niks. Ik heb [slachtoffer] bij [restaurant] afgezet.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [doorgenummerde 134].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op maandag 18 mei 2020 toonde ik [getuige 2] als eerste de foto van de [verdachte] en als tweede de foto van [medeverdachte] .

Hierop verklaarde [getuige 2] :

De jongen op de tweede foto heet [medeverdachte] . Deze jongens heb ik hier gezien bij dit filiaal van [restaurant] op de dag dat [slachtoffer] met hen mee liep (het hof begrijpt: 13 april 2020).

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 17 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 204 tot en met 205].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juni 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 3]:

Op 13 april van dit jaar (het hof begrijpt: 2020) kwam ik aan en zag [medeverdachte] met zijn vriend hier (het hof begrijpt: bij [restaurant] ). Toen [slachtoffer] kwam begonnen ze een beetje intimiderend te doen. En toen liepen ze met zijn drieën weg. En toen ging ik mijn bestelling rijden en toen kwam ik terug en toen zag ik haar vriendin [getuige 1] , mijn collega, helemaal bezorgd. Mijn collega [getuige 2] ging haar (het hof begrijpt: [slachtoffer]) ophalen. Hij reed die kant op. En toen even later waren [getuige 1] en [slachtoffer] zelf in tranen. Ik kon aan [slachtoffer] zien dat er iets gebeurd was.

9. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [doorgenummerde pagina’s 231 tot en met 235].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

[telefoonnummer 1] :

Dit telefoonnummer is met het onderzoeksteam gedeeld als zijnde het telefoonnummer van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004.

[telefoonnummer 2] :

Dit telefoonnummer is met het onderzoeksteam gedeeld als zijnde het telefoonnummer van [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 2004.

[telefoonnummer 3] :

Uit de politiesystemen, die mij ter beschikking staan, blijkt dat dit telefoonnummer bij [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003, in gebruik is.

Om 21:13:57 uur en om 21:19:37 uur heeft het [telefoonnummer 2] uitgaande gesprekken, van slechts 1 en 2 seconden, met het [telefoonnummer 1] . Om 21:19:52 uur en om 21:21:02 uur heeft hef [telefoonnummer 2] inkomende gesprekken van het [telefoonnummer 1] , deze gesprekken duren 30 seconden en 0 seconden. Uit de bovenstaande informatie blijkt dat ten tijde van het strafbare feit [getuige 1] contact heeft gezocht met aangeefster [slachtoffer] .

Op het overzichtskaartje te zien dat voor het strafbare feit de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (in gebruik bij [slachtoffer] ) en [telefoonnummer 3] (mogelijk in gebruik bij [medeverdachte] ) onder het bereik staan van cell-ID's die zich in de omgeving van het adres van [restaurant] bevinden. Tevens is te zien dat ten tijde van het strafbare feit beide telefoonnummers onder het bereik staan van cell-ID's die zich in de omgeving van het […] (plaats delict) bevinden.”

Het hof heeft over de betrouwbaarheid van de in het middel bedoelde bewijsmiddelen de volgende overwegingen opgenomen in het bestreden arrest:

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]

Hoewel de verklaringen van [getuige 1] en de aangeefster niet op alle punten met elkaar overeenkomen, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van hetgeen [getuige 1] heeft verklaard. Haar verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent en bevatten veel details. Zo heeft [getuige 1] gedetailleerd verklaard over wat (en wie) zij op 13 april 2020 bij [restaurant] heeft gezien, zowel voordat de aangeefster met de verdachte en de medeverdachte vertrok als toen zij ontredderd terugkwam. Haar verklaringen komen authentiek over. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] bruikbaar zijn voor het bewijs. In die verklaringen wijst zij de verdachte - die zij kent van school - aan als de persoon die de aangeefster, samen, met [medeverdachte] , onder bedreiging met geweld vanaf [restaurant] heeft meegenomen richting het park.

De enkelvoudige fotoconfrontatie

Daarnaast vinden de verklaringen van de aangeefster ook voldoende steun in ander bewijsmateriaal. [getuige 2] heeft namelijk tijdens een enkelvoudige fotoconfrontatie bij het tonen van de foto van de verdachte verklaard dat dit [verdachte] is en dat hij de betreffende dag samen was met [medeverdachte] . Voor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een "herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, en dan met name de verklaringen van de aangeefster en van [getuige 1] , ondersteunen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate om deze toch voor het bewijs te kunnen gebruiken.”

Cassatieklachten voor zover deze betrekking hebben op de bewijsmiddelen 3 en 4

Volgens de steller van het middel is de hierboven weergegeven overweging van het hof (eerste alinea) ontoereikend in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd. Daartoe stelt hij om te beginnen (i) dat deze overwegingen te ”algemeen” en “abstract” zijn, “die feitelijk niet in gaan op de inhoud van het gevoerde verweer en de gedachte daarachter” (randnummer 4 en 6 van de schriftuur). Daarnaast (ii) wordt verwezen naar een betrouwbaarheidsverweer dat in feitelijke aanleg is gevoerd, waarin op diverse “tegenstrijdigheden” zou zijn gewezen die het hof in zijn motivering niet of onvoldoende zou adresseren (randnummer 5). Vervolgens (iii) wordt gesteld dat de overweging van het hof dat de verklaringen “gedetailleerd” en “authentiek” overkomen onbegrijpelijk zou zijn gelet op het feit dat het hof de getuige niet zelf heeft gehoord (randnummer 7). Ten slotte (iv) wordt nog onder verwijzing naar “de rechtspsychologie” een opsomming gegeven van aspecten waar het hof - volgens de steller van het middel - aandacht aan had moeten besteden (randnummer 8).

Beoordeling van deze cassatieklachten

Voor de onder (iii) en (iv) genoemde cassatieklachten geldt dat zij een eis stellen die het recht niet stelt. Het is immers niet zo dat de rechter gehouden is om - ambtshalve - getuigen te horen alvorens een vaststelling te doen over de mate van detail en authenticiteit van de eerder afgelegde verklaringen, terwijl het recht evenmin de eis stelt om (ambtshalve) een motivering ter zake op te stellen langs de lijnen van de rechtspsychologische inzichten die in de schriftuur worden gesteld. Voor de onder (i) genoemde klacht geldt dat die me lijkt te getuigen van een te beperkte lezing van het arrest. Het hof heeft immers wel degelijk gespecificeerd waar het de consistentie en authenticiteit uit afleidt (vanaf de zin “Zo heeft [getuige 1] ”). De onder (ii) genoemde klacht, ten slotte, verwijst eerst naar de pleitnota in hoger beroep, waarin vervolgens weer wordt verwezen naar de pleitnota in eerste aanleg. In de onderdelen van die pleitnota waarnaar wordt verwezen (randnummer 22 en 23) lees ik ten hoogste twee “tegenstrijdigheden”, namelijk dat [getuige 1] in haar eerste verhoor niet en in haar tweede verhoor wel iets heeft gezegd over de “seksuele handelingen in het park” en dat zij “wisselend” zou hebben verklaard over “wanneer zij voor het eerst over het vermeende vuurwapen zou hebben gehoord”. Ik meen echter dat het hof op deze verweren voldoende heeft gereageerd met de hierboven weergegeven overweging.

Het middel faalt voor zover het betrekking heeft op de bewijsmiddelen 3 en 4.

Cassatieklachten voor zover deze betrekking hebben op bewijsmiddel 7

Deze cassatieklachten bevatten in essentie een voortzetting van de in feitelijke aanleg gevoerde verweren ter zake de enkelvoudige fotoconfrontatie. Concreet wordt in cassatie (i) geklaagd dat het hof de fotoconfrontatie voor het bewijs heeft gebruikt terwijl de getuige ( [getuige 2] ) de verdachte niet kent (randnummer 12). Daarnaast (ii) wordt geklaagd dat het hof ontoereikend gemotiveerd (weergegeven onder 2.4, tweede alinea) heeft gereageerd op het ter zitting gevoerde verweer dat de [getuige 2] voorafgaand aan de fotoconfrontatie zou zijn beïnvloed door zijn baas (randnummer 13).

Beoordeling van deze cassatieklachten

Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat bewijsmiddel 7 (slechts) relevantie heeft als steunbewijs. Ten aanzien van de zogenoemde “enkelvoudige fotoconfrontatie” geldt vervolgens dat algemeen wordt aangenomen dat deze weinig bewijswaarde heeft. In de rechtspraak is (behoedzaam) gebruik van deze figuur evenwel niet uitgesloten.

Het hof heeft dit kader niet miskend. De onder (i) genoemde klacht vindt als zodanig geen steun in het recht. De geboden behoedzaamheid heeft het hof bovendien niet veronachtzaamd. Het heeft de herkenning van de verdachte ook bezien in samenhang met de herkenning van de medeverdachte (die [getuige 2] wel reeds kende). Ten aanzien van de onder (ii) genoemde klacht geldt dat in feitelijke aanleg is aangevoerd dat [getuige 2] de naam van de verdachte via zijn baas had gehoord (onder 13 van de pleitnota in hoger beroep). Dat gegeven verklaart waarom hij die naam kende, maar hieruit volgt niet zonder meer dat de getuige bij de fotoconfrontatie ook zou zijn “beïnvloed” voor wat betreft de herkenning als zodanig. Zo bezien meen ik dat de reactie op het verweer van het hof geenszins tekortschiet. Daar voeg ik nog aan toe dat dit onderdeel uit de bewijsconstructie zonder meer zou kunnen worden weggedacht, nu de naam van de verdachte ook door de aangeefster wordt genoemd (bewijsmiddel 1) en de verdachte ook door [getuige 1] is herkend (bewijsmiddel 5), terwijl uit dit bewijsmiddel blijkt dat zij de verdachte wel kende.

Ook voor zover het middel betrekking heeft op bewijsmiddel 7, faalt het.

Afronding

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?