ECLI:NL:PHR:2024:1156

ECLI:NL:PHR:2024:1156, Parket bij de Hoge Raad, 01-11-2024, 23/04963

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/04963
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:56
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0003045

Samenvatting

Rechtspersonenrecht. Coöperatie (art. 2:60 BW). Geschil tussen coöperatie en voormalig lid over verschuldigd zijn van uittreedvergoeding door lid aan coöperatie o.g.v. overeenkomst tussen partijen. Uittreedvoorwaarde in zin van art. 2:60 BW? Vereiste van statutaire grondslag?

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04963

Zitting 1 november 2024

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

Kubus Coöperatie U.A. (hierna: Kubus)

tegen

[verweerder] , ook handelend onder de naam [administratiekantoor] (hierna: [verweerder])

Inleiding

[verweerder] , exploitant van een administratiekantoor, was lid van Kubus, een coöperatie. In een overeenkomst tussen hen uit 2015 is een “uittredingsvergoeding” bedongen. [verweerder] heeft zijn lidmaatschap in 2020 opgezegd. De vraag rijst of [verweerder] de “uittredingsvergoeding” aan Kubus verschuldigd is, gelet op art. 2:60 BW. Ook in hoger beroep is deze vraag ontkennend beantwoord. Daartegen komt Kubus in cassatie op, m.i. zonder succes.

1. Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.3-3.5 van het bestreden arrest (hierna: het arrest).

Kubus is, zoals gezegd, een coöperatie. Zij biedt haar leden, bestaande uit administratie-, accountants- en advieskantoren, steun bij de exploitatie op het gebied van inkoop, software, marketing en opleiding. Leden B van Kubus zijn gewone leden, leden A zijn onder andere oprichters en houders van een certificaat. De statuten van Kubus bepalen dat het lidmaatschap onder andere eindigt door opzegging en stellen geen voorwaarden verbonden aan de uittreding.

[verweerder] is in 2015 een administratiekantoor begonnen en is toen lid B van Kubus geworden. Kubus en [verweerder] hebben (in 2015) een overeenkomst gesloten met als opschrift “LEDENOVEREENKOMST B” (hierna: de overeenkomst). Deze houdt onder andere in dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie, dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en dat [verweerder] aan Kubus bepaalde vergoedingen moet betalen.

In de considerans van de overeenkomst is onder andere te vinden:

“Bovendien is het de Ondernemer [het lid, A-G] genoegzaam bekend dat bij aanvang van het lidmaatschap een vergoeding verschuldigd is terzake goodwill en bij uittreden een uittredevergoeding (goodwill).”

In art. 11 van de overeenkomst, met het opschrift “INTREDE- EN UITTREDEVERGOEDING E.A.”, staat onder andere (als ‘tweede’ derde lid, op p. 10):

“3. Bij (gedeeltelijk) uittreden van een Ondernemer - ongeacht het moment waarop en de reden waarom - is een uittredingsvergoeding verschuldigd. Daarbij gelden de volgende bepalingen voor een Lid B:

(...)

De vergoeding voor het Lid B bij het eindigen van het lidmaatschap B wordt berekend over de afrekenomzet Lid B en bedraagt 25% over de afrekenomzet

De te betalen vergoeding bij uittreding van het Lid B aan KUBUS Coöperatie u.a. bedraagt minimaal € 10.000,= (excl. BTW). Van het te betalen bedrag wordt het ledenkapitaal van het Lid B (= saldo van zijn kapitaalrekening met de Coöperatie) in mindering gebracht; (...).”

Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo hebben beide partijen bevestigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. [verweerder] heeft Kubus op 29 juni 2020 geschreven:

“Hierbij zeg ik het lidmaatschap van Kubus [plaats] op per 31 juli 2020.”

2. Procesverloop

In eerste aanleg

Bij dagvaarding van 11 oktober 2021 heeft Kubus bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de kantonrechter) een procedure tegen [verweerder] aanhangig gemaakt en veroordeling van deze gevorderd tot, onder andere, betaling van € 8.931. Daaraan heeft Kubus ten grondslag gelegd dat [verweerder] haar een uittreedvergoeding is verschuldigd.

Op 11 januari 2022 heeft [verweerder] een conclusie van antwoord in conventie (tevens conclusie van eis in reconventie) genomen.

Op 30 maart 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij vonnis van 26 april 2022 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter, voor zover van belang, de vordering in conventie ter zake van de uittreedvergoeding afgewezen.

In hoger beroep

Bij appeldagvaarding van 22 juli 2022 is Kubus in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).

Op 20 december 2022 heeft Kubus een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).

Op 28 februari 2023 heeft [verweerder] een memorie van antwoord genomen.

Op 3 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen.

In het arrest heeft het hof, voor zover van belang, het vonnis bekrachtigd en ter zake van de uittreedvergoeding het volgende overwogen en geoordeeld:

Uitkomst

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. De uittreedvergoeding die partijen zijn overeengekomen is een voorwaarde voor uittreding in de zin van artikel 2:60 BW. Zo’n voorwaarde moet een statutaire grondslag hebben en dat is hier niet het geval. Kubus kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de vergoeding. Het hof legt dit oordeel hierna uit.

(…)Juridisch kader: uittreedvoorwaarden moeten statutaire grondslag hebben

Artikel 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie, met behoud van de vrijheid van uittreding, voorwaarden kunnen worden verbonden aan die uittreding. Die voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden. Dit artikel maakt, dat vloeit ook uit de tekst voort, een begrenzing mogelijk van de vrijheid van vereniging, die ook vrijheid van uittreding inhoudt. Uit het artikel, dat op grond van artikel 2:25 BW van dwingend recht is, volgt dat zo’n begrenzing een statutaire grondslag moet hebben.

De Hoge Raad oordeelde in 2015 over een geval waarin de statuten wel een grondslag voor een uittreedvergoeding maar geen uitgewerkte regeling bevatten. Hij overwoog toen dat de strekking van de eis dat de uittreedvoorwaarden in de statuten zijn opgenomen is dat de voorwaarde voor de leden kenbaar is en voor hen bepaalbaar is wat de aard en de omvang zijn van de verplichtingen die eruit voortvloeien. De voorwaarde hoeft niet in de statuten tot in detail te zijn uitgewerkt. In de juridische literatuur is mede aan de hand van dit arrest gesuggereerd dat uittreedvoorwaarden ook in een overeenkomst tussen de coöperatie en individuele leden kunnen worden opgenomen. Opneming in zo’n overeenkomst, die anders dan de statuten niet bij meerderheidsbesluit kan worden gewijzigd, kan de kenbaarheid van de voorwaarde en de bepaalbaarheid van de verplichtingen die eruit voortvloeien ook waarborgen. De statutaire grondslag die artikel 2:60 BW vereist voor een voorwaarde voor uittreding, welke grondslag in de door de Hoge Raad besliste zaak aanwezig was, waarborgt echter meer dan kenbaarheid en bepaalbaarheid. Een statutaire grondslag betekent immers ook een inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader, waarin aan naleving of schending van de statuten betekenis toekomt bij onder meer de geldigheid van besluiten, bestuurdersaansprakelijkheid en het enquêterecht. Daarbij komt dat als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.

Beoordeling door het hof

Kubus heeft aangevoerd dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. [verweerder] heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.

[verweerder] heeft aangevoerd dat de overeengekomen vergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW, en dat Kubus zich daar bij gebrek aan statutaire grondslag niet op kan beroepen. (…)

Het gaat in deze zaak om een uittreedvergoeding, een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW. Partijen hebben de vergoeding zelf zo aangeduid in de overeenkomst, die “ledenovereenkomst” is genoemd. De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [verweerder] ) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap. Uit het hiervoor geschetste juridisch kader vloeit voort, anders dan Kubus heeft betoogd, dat zo’n vergoeding een statutaire grondslag moet hebben. Omdat die er niet is, is de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding in strijd met de dwingende wetsbepaling van artikel 2:60 BW en kan Kubus zich daar niet op beroepen.

Dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer los staat van de lidmaatschapsverhouding dat artikel 2:60 BW daar niet aan in de weg staat, heeft Kubus onvoldoende toegelicht. Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijk kader van een coöperatie van toepassing is. Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid. Daarvoor is een statutaire grondslag nodig.”

In cassatie

Bij procesinleiding van 19 december 2023 heeft Kubus (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Kubus heeft nog gerepliceerd.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel van Kubus bestaat uit een inleiding en twee onderdelen (met klachten).

In de onderdelen wordt mede aan de orde gesteld of de in de overeenkomst bedongen uittreedvergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van art. 2:60 BW. En of dit beding gelet op art. 2:60 BW werking heeft, oftewel rechtsgeldig/afdwingbaar is, niettegenstaande het ontbreken van een grondslag voor dit beding in de statuten van Kubus.

Voordat ik onder 3.39-3.54 hierna toekom aan de bespreking van de onderdelen (deel b), maak ik onder 3.4-3.38 hierna inleidende opmerkingen over art. 2:60 BW (deel a).

a. Inleidende opmerkingen over art. 2:60 BW

Recent concludeerde ik in een zaak die zag op art. 2:60 BW in relatie tot uittreedvoorwaarden in een huishoudelijk reglement. Daarmee is nog niet alles gezegd. De vraag blijft of art. 2:60 BW, dat ziet op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”, in de weg staat aan de werking van een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling als het daarbij gaat om een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Volgens het hof, hier, wel (zie rov. 3.7 en 3.10-3.11 van het arrest). In het discours krijgt deze vraag, ook na relevante Hoge Raad-arresten uit 2015 en 2024, geen eenstemmig antwoord. M.i. dient deze vraag in beginsel bevestigend te worden beantwoord. Ik licht dit toe onder 3.28-3.33 hierna, tegen de achtergrond van 3.5-3.27 hierna. Daarna bezie ik nog, kort, wat een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW behelst. Zie onder 3.34-3.38 hierna. Een drietrapsraket derhalve.

(i) Achtergrond

Een coöperatie is, naar huidig recht, een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging (art. 2:53 lid 1, eerste zin BW). Aanvankelijk was in de opzet van Boek 2 BW de coöperatie een subvorm van de vereniging (thans geregeld in Titel 2.2 BW). In de vigerende opzet van Boek 2 BW is de coöperatie (thans geregeld in Titel 2.3 BW) een eigen rechtsvorm naast de vereniging. Kenmerkend voor een coöperatie is mede dat tussen het lid en de coöperatie zowel een lidmaatschapsverhouding als een contractuele verhouding bestaat (art. 2:53 lid 1, tweede zin BW). Gesproken wordt wel over een ‘dubbele rechtsband’.

Een lid van een vereniging kan, dwingendrechtelijk, het lidmaatschap opzeggen (art. 2:35 lid 1, aanhef en onder b BW). Art. 2:36 lid 1 BW beperkt de onmiddellijke werking van die opzegging, laat althans zo’n beperking toe. Deze bepalingen zijn via art. 2:53a lid 1 BW ook van toepassing op de coöperatie, voor zover daarvan in Titel 2.3 BW niet wordt afgeweken.

In art. 2:60, eerste zin BW is bepaald dat “[v]oor de coöperatie (…) [geldt] dat, met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie, daaraan bij de statuten voorwaarden, in overeenstemming met haar doel en strekking, kunnen worden verbonden.” En in de tweede zin van dit artikel dat “[e]en voorwaarde welke verder gaat dan geoorloofd is, (…) in zoverre voor niet geschreven [wordt] gehouden.” Deze redactie is bijna integraal het uitvloeisel van een amendement in de Tweede Kamer dat gepaard ging met debat, met als resultante dat in belangrijke mate werd aangesloten bij art. 12 lid 1 van de Wet houdende nieuwe wettelijke regeling van de coöperatieve vereenigingen uit 1925.,

Art. 2:60 BW laat dus toe dat, binnen bepaalde grenzen, voorwaarden worden verbonden aan de uittreding door het lid uit de coöperatie. Deze bepaling heeft betrekking op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”. De geciteerde drie woorden kwamen niet voor in de overigens bijna gelijkluidende voorganger, art. 12 lid 1 van de wet uit 1925, vermoedelijk omdat dit grondslagvereiste indertijd vanzelfsprekend (daarin besloten liggend) werd geacht. De toelichting op laatstgenoemde bepaling ging immers uit van een statutaire grondslag:

“Zoomin als de vereeniging genoodzaakt kan worden een door haar niet gewild lid aan te nemen of, in de gevallen waarin ontzetting of opzegging van het lidmaatschap statutair of wettelijk is toegelaten, zoodanig lid in haar midden te blijven dulden, zoomin kan een lid worden gedwongen tegen zijn zin in de vereeniging te blijven; dit laatste echter met de beperking, dat aan de voorwaarden, mogelijk bij de statuten aan de uittreding verbonden, moet zijn voldaan.”

M.i. wordt hier eenvoudigweg erop gewezen dat aan de uittreding voorwaarden kunnen worden verbonden (“de voorwaarden, mogelijk (…) aan de uittreding verbonden”), wat dan wel een statutaire grondslag vereist (“bij de statuten”)., Zie ook onder 3.14-3.15 hierna. Daarmee ligt de invoeging van “bij de statuten” in art. 2:60 BW in lijn.

Bij het hanteren van dergelijke uittreedvoorwaarden blijft, zo wordt dus ook bepaald in art. 2:60 BW, de “vrijheid van uittreding” behouden. Deze vrijheid van uittreding is gefundeerd op diepere aardlagen. Bij een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding werd oorspronkelijk - in een andere financieel-economische context dan de huidige - vooral ook gedacht aan het kunnen terugnemen van de kapitaalinbreng, wat een ‘veranderlijk kapitaal’ impliceerde.

Daarmee strookt dat de regering op de drempel van het vierde kwart van de negentiende eeuw, geïnspireerd door buitenlandse regelingen, een ‘vennootschap met veranderlijk kapitaal’ wilde introduceren als wettelijke regeling voor de coöperatie. Kenmerkend voor zo’n ‘vennootschap met veranderlijk kapitaal’ was volgens de toelichting bij het wetsontwerp onder andere het relatieve gemak van uittreding. De coöperatie werd pas in de loop van dit wetgevingsproces, conform de reeds bestaande praktijk, als wettelijke regeling in de vorm van een ‘coöperatieve vereniging’ gegoten. Coöperatieve verenigingen, die werden gebruikt omdat zij geschikter waren dan (kapitaal)vennootschappen, bestonden feitelijk al voordat zij als zodanig werden gereguleerd in de Wet tot regeling der coöperatieve vereenigingen uit 1876, voorloper van voornoemde wet uit 1925.

Deze financieel-economische opzet van de coöperatie had niet speciaal iets met principes rondom ‘gewone’ verenigingen te maken. Nee, een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding en daarmee ‘veranderlijk kapitaal’ werd veeleer gezien als karaktertrek van een coöperatie. De omschrijving van de coöperatieve vereniging in art. 2 van de wet uit 1876 bevatte dan ook dat zij een “vereeniging van personen” is “waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten”. Het toenmalige BW uit 1838 kende geen regeling, laat staan een dwingende, omtrent de opzegbaarheid van een verenigingslidmaatschap. De keuze voor regulering van de coöperatie in een verenigingsvariant, inmiddels dus - mede via voornoemde wetten uit 1876 en 1925 - geëvolueerd in art. 2:53 lid 1 BW, is historisch zo gegroeid.

Ik laat in dit verband Rensen aan het woord:

“In 1876 kwam de Wet tot regeling der coöperatieve vereenigingen tot stand (…). In het aanvankelijke wetsvoorstel werd de rechtsvorm voor de coöperatie voorgesteld als vennootschap. De wetgever heeft toen echter de voorkeur gegeven aan de aanduiding ‘vereniging’. Met de Wet van 1876 ontstond een specifieke verenigingsvorm, de coöperatieve vereniging. De coöperatieve vereniging werd door een speciale wet geregeld, die structuur en inrichting van de vereniging in hoofdlijnen bepaalde. (…) De Wet van 1876 bracht mee, dat voortaan twee verenigingsvormen in het recht voorkwamen: de gewone vereniging en de coöperatieve vereniging. In de Wet houdende nieuwe wettelijke regeling van de Coöperatieve Vereenigingen 1925 (…) bleef dit ongewijzigd. De coöperatieve vereniging werd de eigen rechtsvorm voor de coöperatie. (…) De coöperatieve vereniging zoals geregeld in de wetten van 1876 en 1925 was een bijzondere rechtsvorm van een vereniging die aan bepaalde criteria voldeed. (…) In de aanvankelijke opzet van Boek 2 BW was de coöperatie een subvorm van de vereniging, die is geregeld in titel 2. De Wet van 16 juni 1988 (…) maakt de coöperatie (…) tot een eigen rechtsvorm naast de gewone vereniging. Coöperaties (…) worden geregeld in titel 3. Voor de toepasselijkheid van de bepalingen van verenigingsrecht op de coöperatie maakt dit echter geen verschil. De bepalingen van de titel ‘Vereniging’ zijn, met uitzondering van art. 2:26 lid 3 BW (winstuitkeringsverbod) en art. 2:44 lid 2 BW (beperking bestuursbevoegdheid) op de coöperatie (…) van toepassing voor zover daarvan in titel 3 niet wordt afgeweken (art. 2:53a lid 1 BW). Een groot aantal wettelijke bepalingen over verenigingen is met enkele retouches ontleend aan de Wet op de Coöperatieve Vereenigingen 1925.”

In het bijzonder de gedachte dat de coöperatieve vrijheid van uittreding haar oorsprong vindt specifiek in (de negatieve zijde van) de grondrechtelijke vrijheid van vereniging is m.i. met de geschiedenis moeilijk te verenigen en ook overigens, substantief, weinig overtuigend. De wetsgeschiedenis rept er bij mijn weten niet over. De coöperatie heeft bovendien niet, doordat zij een als coöperatie opgerichte vereniging is (art. 2:53 lid 1 BW), bij voorbaat noemenswaardig méér met het ‘recht tot vereniging’ van doen dan andere rechtsvormen voor ondernemingen. In art. 8 Gw is zeker niet één-op-één de rechtsvorm in Titel 2.2 BW bedoeld. In de literatuur wordt een uitleg van art. 8 Gw aanvaard die juist is losgekoppeld van die titel. Voor de aan art. 11 lid 1 EVRM ontleende bescherming is dit nog evidenter: die hangt uiteraard niet af van nationale rechtsvormen. Die grondrechten laat ik dus rusten.

Dat een relatief gemakkelijke (toe- en) uittreding een karaktertrek was van de coöperatie had, al vanaf het vierde kwart van de negentiende eeuw, implicaties voor de vereiste inhoud van de statuten. De omschrijving van de coöperatieve vereniging in art. 2 van de wet uit 1876 bevatte, zoals gezegd, dat zij een “vereeniging van personen” is “waarbij de in- en uittreding van leden is toegelaten”. Dit is mede als volgt toegelicht:

“Hierin ligt het verschil met vennootschappen onder eene firma en met de burgerlijke maatschap. (…) De statuten moeten dit punt regelen.”

Art. 7, aanhef en onder 8° van die wet bepaalde in samenhang daarmee dat “[d]e acte van oprigting (…) op straffe van nietigheid (…) de voorwaarden van in- en uittreding der leden [bevat]”. Hijmans van den Bergh zei het zo:

“Artikel 7 van de Wet coöperatieve Vereenigingen 1876, Stb. 227 luidde, voorzover thans van belang: “De acte van oprichting bevat op strafte van nietigheid: ... 8e de voorwaarden van in- en uittreding der leden.” Dit voorschrift, bij amendement in de wet opgenomen, werd gedacht enerzijds als een uitwerking van het in art. 2 neergelegde beginsel van vrijheid van toe- en uittreden en anderzijds als een vastleggen van de mogelijkheid toch voorwaarden te stellen, die dan in de statuten moesten worden omschreven. Die voorwaarden mochten echter op de vooropgestelde vrijheid van toe- en uittreden niet een te grote inbreuk maken. Zo heeft ook de rechter art. 7 onder 8e Wet 1876 opgevat (…).”

Die samenhang tussen omschrijving van een coöperatieve vereniging en oprichtingsakte, en dus statutaire inhoud, is tevens gemarkeerd in de wetsgeschiedenis. De Hoge Raad overwoog dan ook in 1918:

“dat (…) art. 2 der Wet, hetwelk eene omschrijving van het wezen der Coöp. Vereeniging inhoudt, toelating van in- en uittreden der leden als kenmerkend vereischte voor haar bestaan vermeldt.”

Hierop sluit weer aan wat ik schreef over art. 12 lid 1 van de wet uit 1925, en in het verlengde daarvan over art. 2:60 BW, onder 3.7-3.8 hiervoor.

Er was dus, kortom, reeds vroeg - vanaf de wet uit 1876 - sprake van een als hard te kwalificeren statutaire eis inzake eventuele uittreedvoorwaarden, verband houdend met opvattingen omtrent coöperatieve essentialia. De (lagere) rechtspraak met betrekking tot genoemde wetsbepalingen beperkte ook in substantief opzicht de reikwijdte van zulke uittreedvoorwaarden en is zo, indirect, een belangrijke materiële bron geweest van thans art. 2:60 BW.

In de tussentijd is er wel iets veranderd. Het is tegenwoordig niet zo dat (toe- en) uittreedvoorwaarden op straffe van nietigheid van de oprichtingshandeling in de oprichtingsakte moeten worden opgenomen. Bovendien is, na beraad, niet gekozen voor een separate wettelijke verankering van “vrije toe- of uittreding”.

Desondanks is de notie van een relatief gemakkelijke uittreding, anders dan een wettelijk vereiste mogelijkheid van toetreding, bij de coöperatie naar huidig recht niet verdwenen. De door art. 2:60 BW bedoelde “vrijheid van uittreding” staat onmiskenbaar in het teken dáárvan. Dit blijkt ook wel uit het feit dat “uittreding” niet een term is die voorkomt in Titel 2.2 BW met betrekking tot de vereniging. Gedacht vanuit art. 2:35 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW zou de passage “met behoud der vrijheid van uittreding uit de coöperatie” in art. 2:60 BW wetstechnisch overbodig zijn als zij slechts een uitgangspunt van de ‘gewone’ vereniging zou uitdrukken. Die passage drukt, gezien de historische antecedenten, kennelijk méér uit. Dit strookt ook met de herkomst van de redactie van art. 2:60 BW, kort gezegd: art. 12 lid 1 van de wet uit 1925. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor.

Bijgevolg kan een eventueel pleidooi met de strekking dat vrije uittreding voor de coöperatie naar haar aard minder sterk zou (kunnen) gelden dan voor een ‘gewone’ vereniging, wat dan een argument zou zijn voor een grotere mate van soepelheid bij de toepassing van art. 2:60 BW, zoals in verband met de statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden, niet overtuigen. Uit de wetsgeschiedenis volgt eerder het tegendeel. Blijkens art. 2:60 BW heeft de wetgever de teugels welbewust niet volledig laten vieren. Nu uit niets blijkt dat de wetgever met deze bepaling radicaal afscheid wilde nemen van wat in de oudere regimes - in het bijzonder voornoemde wetten uit 1876 en 1925 - rondom uittreding en daaraan te verbinden voorwaarden gold, waarin dus juist ook de statuteninhoud ter zake van groot belang was, ligt de toelaatbaarheid in uitgangspunt van contractuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW zónder statutaire grondslag niet voor de hand.

Voors en tegens rondom de wenselijkheid van dergelijke uittreedvoorwaarden maakten dat niet een categorisch verbod daarop, maar regulering ervan wenselijk is geacht, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 2:60 BW. Eenzelfde ‘enerzijds, anderzijds’ is daarin terug te vinden voor art. 12 lid 1 van de wet uit 1925. Dit stijgt dus uit boven het belang dat is gemoeid met wilsovereenstemming tussen de coöperatie en het individuele (aspirant-)lid. Het heeft er bovendien (minst genomen enige) schijn van dat aan deze regulering ook een gelijkheidsgedachte ten grondslag lag; in die zin dat leden bij uittreding, in overeenstemming met de omstandigheden, zo veel mogelijk gelijk moeten worden behandeld. De coöperatieve gedachte en de notie van gelijkheid van leden gaan, nog steeds, goed samen. Gesproken wordt wel over een beginsel van gelijkheid van leden, een beginsel dat oude papieren heeft. Dit gaat dan weer goed samen met een vereiste statutaire grondslag van eventuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, de statuten gelden immers (uitzonderingen daargelaten) voor ieder lid gelijkelijk.

Dit een en ander is bijvoorbeeld goed verenigbaar met de door het hof in rov. 3.7 van het arrest bedoelde notie van ‘inbedding in het rechtspersonenrechtelijk kader’ en, zo voeg ik toe, de invloed van de leden via de algemene vergadering op de inhoud van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW. Daaraan valt dan nog toe te voegen dat de bredere inzichtelijkheid (en daarmee ook controleerbaarheid) van zulke uittreedvoorwaarden, ook voor geïnteresseerden/aspirant-leden, is gediend met een statutaire grondslag daarvan; de statuten van een coöperatie dienen immers openbaar te worden gemaakt. Waarmee strookt wat het hof overweegt aan het slot van rov. 3.7.

Kortom: een uitleg van art. 2:60 BW waarbij uittreedvoorwaarden in de zin van deze bepaling die louter contractueel zijn ingebed (dus zónder een statutaire grondslag) in beginsel géén werking hebben, is reeds goed te verenigen met de achtergronden van dit artikel die verband houden met de karaktertrekken van de coöperatie, de regulering van voorwaarden verbonden aan uittreding uit de coöperatie en een op de coöperatie gerichte gelijkheidsgedachte. Ook komt betekenis toe aan de gezichtspunten samengevat onder 3.20 hiervoor. Het gaat derhalve niet om een formalistische eis zonder duidelijke of slechts beperkte ratio. Wel pleitbaar om, in de terminologie van Timmerman, een wezenlijk te noemen structuuraspect van de coöperatie.

Werp ik mij nog iets nader op de inhoud van art. 2:60 BW. Deze bepaling strekt, zoals gezegd, tot regulering van uittreedvoorwaarden als daarin bedoeld en bevat daartoe ook een materiële toets. Uit het voorgaande volgt dat art. 2:60 BW uitdrukt dat ledenbinding bij de coöperatie is toegestaan, maar, kort gezegd, niet buitensporig mag zijn. Hierbij zijn blijkens art. 2:60 BW het doel en de strekking van de coöperatie, waaronder de coöperatieve gedachte, van belang. Deze verwijzing naar doel en strekking is overgenomen uit art. 12 lid 1 van de wet uit 1925, dat ter zake weer was terug te voeren op rechtspraak omtrent art. 7, aanhef en onder 8° van de wet uit 1876.

De wetgeschiedenis van art. 12 lid 1 van de wet uit 1925 bevat mede:

“Het belang eener vereeniging kan medebrengen de mogelijkheid van uittreding aan de meest onderscheiden voorwaarden te binden; deze kunnen verband houden met de financiën der vereeniging, maar ook met andere belangen, bijv. met het belang eener productievereeniging, die eene fabriek bezit, om zich zooveel doenlijk de beschikking te verzekeren over de hoeveelheid grondstoffen, noodig om hare fabriek voordeelig te exploiteeren. Maar welke die voorwaarden ook mogen zijn, zij zullen nimmer verder mogen gaan dan een door de omstandigheden en den aard der vereeniging gerechtvaardigde beperking der vrijheid van uittreding. Gaan zij verder en komen zij neer op eene opheffing dier vrijheid, dan missen zij bindende kracht. Wanneer dit het geval zal zijn, kan niet in de wet worden vastgelegd; de rechter zal het voor ieder geval moeten beslissen.”

Van buitensporigheid van uittreedvoorwaarden in relatie tot dat doel en die strekking is sprake, indien er geen legitimatie voor de uittreedvoorwaarden is die strookt met dat doel en die strekking, laat staan indien de vrijheid om de coöperatie te verlaten niet reëel kan worden geëffectueerd, dus illusoir is. Deze aspecten behoeven in deze zaak geen uitwerking, belangrijk is wel dát art. 2:60 BW ook in een eigen materiële toets voorziet.

Daarnaast geldt een kenbaarheids- en bepaalbaarheidseis. In 2015 overwoog de Hoge Raad:

“4.1.2 Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.

Naar het hof terecht heeft beslist, is aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.”

Daarop liet hij volgen:

“4.1.4 Het hof heeft geoordeeld dat uit art. 13 lid 1 van de statuten van DOC voldoende kenbaar is dat sprake is van een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap (…). Voorts heeft het hof geoordeeld dat deze schadevergoedingsverplichting ook voldoende bepaalbaar is (…). Uit zijn overwegingen volgt voorts dat uit art. 13 lid 1 van de statuten voldoende duidelijk blijkt hoe de schadevergoeding berekend moet worden, namelijk als een concrete schadevergoeding, overeenkomstig de wettelijke uitgangspunten, en dat DOC daarom aanspraak kan maken op die vergoeding (…). In dat oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat in het onderhavige geval nog geen gevolg was gegeven aan de bepaling in art. 13 lid 1 van de statuten dat de grondslagen van de schadevergoeding in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld, niet verhindert dat aan de eisen van art. 2:60 BW is voldaan.Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven als zij zijn met beoordelingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.”

Hieruit valt op te maken dat de uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW kenbaar en, wat betreft de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen, voldoende bepaalbaar dient te zijn, en wel aan de hand van de statuten. Een nadere uitwerking van zo’n statutair verankerde uittreedvoorwaarde, bijvoorbeeld in een overeenkomst tussen lid en coöperatie, moet evenwel voor mogelijk worden gehouden.

(ii) Contractuele uittreedvoorwaarde zónder statutaire grondslag?

Welnu: staat art. 2:60 BW, dat ziet op uittreedvoorwaarden “bij de statuten”, in de weg aan de werking van een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling als het daarbij gaat om een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie?

Rensen schrijft, na vooropstelling van de vraag hoe te oordelen over een uittreedvoorwaarde die niet in de statuten maar in een overeenkomst tussen de coöperatie en het lid is opgenomen, dat het zijns inziens niet de strekking van art. 2:60 BW is “om steeds de geldigheid aan te tasten van een uittreedvoorwaarde die in plaats van in de statuten in een overeenkomst is opgenomen.” Want het gaat er bij deze bepaling vooral om “dat een lid wordt beschermd tegen bijvoorbeeld een bepaling op grond waarvan het bestuur uittreedvoorwaarden kan opleggen aan uittredende leden, zonder dat de maatstaven daarvan kenbaar zijn.” Dat kan in een overeenkomst evengoed zijn gewaarborgd als in de statuten. “Het enkele feit dat een uittreedvoorwaarde in een overeenkomst is opgenomen, hoeft daarom niet steeds tot ongeldigheid te leiden”, aldus nog steeds Rensen. Daarbij betrekt hij dat zo’n contractuele regeling moet worden onderscheiden van bijvoorbeeld een huishoudelijk reglement, in die zin dat voor de eerste instemming van het desbetreffende lid nodig is, terwijl de laatste bij meerderheidsbesluit zal worden vastgesteld. Rensen formuleert hier weliswaar genuanceerd, maar toch niet op voorhand in termen van een uitzonderingsgeval, van ‘in uitgangspunt niet en een enkele keer wel’. Zijn betoog ademt een ruimere benadering. Daarbij wordt door hem bijvoorbeeld niet toegelicht waaraan (het ontbreken van) zo’n strekking is ontleend. Noch opgemerkt dat een besluit tot statutenwijziging, zoals ter invoering van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW (“bij de statuten”), in beginsel ook niet vergt dat alle leden vóór stemmen (art. 2:43 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW).Ik noem hier verder Cremers. Zij heeft recent een lans gebroken voor de mogelijkheid van een zuiver contractuele route bij een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Aldus dat haar “dunkt dat een lid ook gebonden zou moeten kunnen zijn aan een louter contractuele regeling omtrent uittreedvoorwaarden die dat lid is overeengekomen.” Zij licht dit standpunt niet toe.

Ik pleit ervoor, anders kennelijk dan Rensen en Cremers aldaar, de onder 3.28 hiervoor geformuleerde vraag in beginsel bevestigend te beantwoorden. Daarbij betrek ik ook het volgende.

a. De vrijheid van uittreding en de mogelijkheid van aan uittreding te verbinden voorwaarden als bedoeld in art. 2:60 BW zijn, kort gezegd, terug te voeren op oude gedachten omtrent karaktertrekken van de coöperatie en inhoud van de statuten in dat verband, waarvan nooit kenbaar afscheid is genomen. Zie onder 3.5-3.18 hiervoor. Dit spreekt voor zich.

b. Het vereiste van een statutaire grondslag voor dergelijke uittreedvoorwaarden rijmt verder, kort gezegd, met historische sporen van een streven naar passende gelijkheid tussen de leden in het verband van de coöperatie, gegeven ook de coöperatieve gedachte. Zie onder 3.19 hiervoor. Ook hier zijn lange lijnen te trekken, net als onder a hiervoor. Ook dit spreekt voor zich.

c. De tekst van art. 2:60 BW, die aansluit op a-b hiervoor, is bovendien niet bepaald dubbelzinnig over de vereiste bron van dergelijke uittreedvoorwaarden: “bij de statuten”. Zie onder 3.7-3.8 en 3.14 hiervoor. In het algemeen geldt in het rechtspersonenrecht toch niet dat voor “bij de statuten”, een passage die volgens mijn telling zeventig keer voorkomt in Boek 2 BW, mag worden gelezen: ‘bij de statuten, maar een contractueel beding zonder statutaire grondslag is ook prima’. Nee, dat blijkens de wet een onderwerp “bij de statuten” kan worden geregeld, wijst - behoudens duidelijke, per saldo prevalerende contra-indicatie - op ten minste het vereiste van een betekenisvolle statutaire grondslag van zo’n regeling. Daaraan doet niet af dat “bij de statuten” soms (zoals denkelijk bij art. 2:60 BW, zie ook onder 3.25-3.27 hiervoor) beter kan worden gelezen als “bij of krachtens de statuten”, een passage die met zo veel woorden negentien keer te vinden is in Boek 2 BW. Die laatste passage laat de vereiste statutaire grondslag onverlet en drukt alleen uit dat een uitwerking elders toelaatbaar (rechtsgeldig) is.

d. Het gezichtspunt van bescherming is eveneens van belang. Zo bevat art. 2:60 BW dus óók een materiële toets. Zie onder 3.22-3.24 hiervoor. Die zou niet contractueel moeten kunnen worden omzeild (noch trouwens de eis van kenbaarheid en bepaalbaarheid, zie onder 3.25-3.27 hiervoor). M.i. doelt het hof daarop ook, waar het in rov. 3.7, laatste zin van het arrest overweegt dat “als ook zonder statutaire grondslag voorwaarden aan uittreding zouden kunnen worden verbonden, niet meer duidelijk is of ook daarvoor de vereisten gelden van behoud van de vrijheid van uittreding en overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie.” De onder 3.29 hiervoor genoemde schrijvers verkondigen overigens niet uitdrukkelijk dat zuiver contractuele uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW ook aldus buiten het toepassingsbereik van deze bepaling blijven. Neem ik aan - wat ik doe - dat Rensen en Cremers slechts de passage “bij de statuten” anders lezen, en de overige eisen van art. 2:60 BW onverkort van toepassing achten op zulke contractuele uittreedvoorwaarden, dan blijft de vraag: waarom en hoe dan precies? Ik lees in hun betogen geen overtuigend antwoord daarop. Zie ook onder 3.29 hiervoor. Zoals gezegd: “bij de statuten” is toch niet bepaald dubbelzinnig, en dit vereiste heeft al oude tevens goede papieren. Zie onder a-c hiervoor. En zie verder onder e-g hierna. Bovendien geldt bij het vereiste van een statutaire grondslag voor uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW dat zij in zoverre in beginsel voor eenieder inzichtelijk (en daarmee ook controleerbaar) zijn, nu statuten, anders dan overeenkomsten, openbaar dienen te worden gemaakt. Zie ook onder 3.20 hiervoor. Daarvan gaat, wat betreft de inhoudelijke toelaatbaarheid van dergelijke uittreedvoorwaarden, ook een zekere preventieve en in die zin beschermende werking uit. Dit komt mij wenselijk voor, passend ook bij de portee van art. 2:60 BW.

e. Er is tevens een stelselargument voorhanden. Art. 2:34a BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW onderstreept de noodzaak van een statutaire grondslag van uittreedvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW, want bepaalt ook voor de coöperatie dat “verbintenissen (…) slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap [kunnen] worden verbonden.”Art. 2:34a BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag strikt begrepen, bijvoorbeeld door Rensen.En naar luid van art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW houden de statuten van de coöperatie de verplichtingen die de leden tegenover de coöperatie hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd, in.Art. 2:27 lid 4, aanhef en onder c BW wordt in de literatuur wat betreft de vereiste statutaire grondslag eveneens strikt begrepen, bijvoorbeeld (en wederom) door Rensen. En - toegegeven - ook wel ietsje minder strikt, maar genuanceerd en dan nog steeds niet (ook) redenerend vanuit een zuiver contractuele basis.Er zijn nog andere voorbeelden te geven, zoals art. 2:36 BW in verbinding met art. 2:53a lid 1 BW, al genoemd onder 3.6 hiervoor.,

f. Verder verdient opmerking dat iedere rechtspersoon (dus ook een coöperatie) een georganiseerd geheel is, waarvan de organisatie mede wordt bepaald door diens statuten, naast wet, gewoonte, reglementen en besluiten (zie bijvoorbeeld de verwijzingen in art. 2:8 BW). Samen bepalen zij de interne structuur van de rechtspersoon en de interne bevoegdheidsverdeling in de rechtspersoon.Door toetreding tot de rechtspersoon als lid (of aandeelhouder), bij oprichting of nadien door toelating als lid (of verwerving van een of meer aandelen), ontstaat een verhouding tussen het lid (of de aandeelhouder) enerzijds en de rechtspersoon anderzijds die wordt beheerst en bepaald door de wet, de gewoonte, de statuten, reglementen en besluiten. Deze verhouding is aan te duiden met lidmaatschapsverhouding, een verhouding van eigen aard die geen contractueel karakter heeft. De statuten van de rechtspersoon hebben aldus, bezien vanuit het rechtspersonenrecht en de organisatie van de rechtspersoon, een zekere inbedding en soortelijk gewicht die niet zo, in ieder geval niet één-op-één, opgaan voor bijvoorbeeld een overeenkomst tussen de rechtspersoon en een bij diens organisatie betrokkene. Dit wordt bij een coöperatie niet anders door de in art. 2:53 lid 1 (en 3-4) BW bedoelde, in het door haar uitgeoefende bedrijf gesloten, overeenkomsten. Zie ook onder 3.5 hiervoor. Het voorgaande raakt tevens aan de door het hof in rov. 3.7, voorlaatste zin van het arrest bedoelde “inbedding in het rechtspersonenrechtelijke kader” van een statutaire grondslag als vereist door art. 2:60 BW. Zie ook onder 3.20-3.21 hiervoor.

g. Tot slot valt te wijzen op 3.25-3.27 hiervoor. Een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW hoeft dus niet integraal geregeld te worden in de statuten van de coöperatie in kwestie. Er bestaat ook bij het in deze bepaling bedoelde vereiste van een statutaire grondslag als uitgelegd door de Hoge Raad een zekere, niet slechts marginale, mogelijkheid tot uitwerking in andere instrumenten, zoals een overeenkomst tussen lid en coöperatie. Van een rigide, inflexibele systematiek is derhalve geen sprake.

Alleen al gelet op 3.30 onder a-g hiervoor, te meer in onderling(e) verband en samenhang, zie ik niet in hoe - behoudens daartoe strekkende wetswijziging - in uitgangspunt werking kan toekomen aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW die is vervat in een contractueel beding tussen het lid en de coöperatie zónder grondslag in de statuten van de coöperatie. Onder dit gesternte schijnt het tegendeel mij toe als juist: aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde komt naar geldend recht in beginsel géén werking toe. In uitzonderlijke gevallen is het dan voorstelbaar dat de regel van art. 2:60 BW dat een uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling een statutaire grondslag vergt, welke regel gezien ook art. 2:25 BW in verbinding met art. 2:60 BW een dwingendrechtelijk karakter heeft, met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing kan worden gelaten zodat langs die weg in dat geval toch werking kan toekomen aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde (aangenomen, uiteraard, dat daarbij aan de overige eisen van art. 2:60 BW is voldaan). Die mogelijkheid biedt art. 2:8 lid 2 BW nu eenmaal en moet er ook zijn vanuit het oogpunt van evenwichtige rechtsbescherming en -bedeling, passend bij de redelijkheid en billijkheid als grondnorm (ook) van het rechtspersonenrecht. Voor een dergelijk uitzonderlijk geval zal evenwel de enkele omstandigheid dát sprake is van zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde ontoereikend (moeten) zijn. Want niet alleen is de drempel van art. 2:8 lid 2 BW een hoge. Anders verwordt de dwingendrechtelijke eis van zo’n statutaire grondslag tot een wassen neus. Er ontbreekt noodzaak hier te verkennen of, en zo ja waaruit, los van art. 2:8 lid 2 BW nog een uitzondering op voornoemde beginsel kan bestaan. Ik zie overigens in het licht van het voorgaande onvoldoende grond om de consequentie dat aan zo’n zuiver contractuele uittreedvoorwaarde géén werking toekomt, dus waar voornoemde beginsel opgeld doet, niet eenvoudigweg te herleiden tot de in art. 2:60 BW vervatte eis van een statutaire grondslag ter zake (zo nodig in verbinding met art. 3:40 lid 2 BW en art. 3:41 BW). Dit harmonieert ook met het slot van art. 2:60, tweede zin BW. Voor die consequentie hoeft dan geen toevlucht te worden genomen tot juridisch trapezewerk via bepalingen als art. 3:39 BW in verbinding met art. 3:59 BW, wat nodeloos ingewikkeld voorkomt.

Mijn bevindingen onder 3.30-3.31 hiervoor stroken ook met de rechtspraak. Op het Hoge Raad-arrest uit 2015 wees ik onder 3.25-3.27 hiervoor. Hoewel daar niet de onder 3.28 hiervoor geformuleerde vraag speelde, maakte de Hoge Raad daarbij geen enkel (kenbaar) voorbehoud wat betreft de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde in de zin van deze bepaling is opgenomen in de statuten (“bij de statuten”). Integendeel. Zoals de citaten onder 3.25-3.26 hiervoor laten zien, redeneerde de Hoge Raad daar juist consequent vanuit deze eis. In de woorden van Kroeze:

“De wet en de statuten mogen aan de vrijheid tot uittreding beperkingen stellen. (…) Art. 2:60 BW legt het beginsel van vrijheid van uittreding uit de coöperatie vast, maar voegt daaraan toe dat daaraan bij de statuten voorwaarden kunnen worden verbonden. Zo is dikwijls een uittreedvergoeding verschuldigd. Zie bijvoorbeeld HR 12 juni 2015, NJ 2015/437 (Melkveehouders/DOC).”

Hetzelfde geldt voor een Hoge Raad-arrest van eerder dit jaar, in een zaak waarin in een huishoudelijk reglement een betalingsverplichting was gekoppeld aan uittreding. Daarin werd door de Hoge Raad eerst, als volgt, onverkort teruggegrepen op voornoemd arrest uit 2015:

“3.1.2 Art. 2:60 BW bepaalt dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Ook moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.

Aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, is voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.”

Vervolgens oordeelde hij, met voor zich sprekende onderstreping door mij:

“3.1.3 Het hof heeft (…) geconcludeerd dat de statuten van DOC Kaas geen basis bevatten voor terugbetaling van het uitgekeerde deel van de transactiesom, dat sprake is van een met art. 2:60 BW strijdige situatie en dat art. 11 lid 4 Hr een nietige bepaling is. Dit oordeel moet worden bezien in het licht van de (…) vaststellingen van het hof dat de transactiesom “te betalen [is] aan de leden van DOC Kaas” (…), dat de transactiesom “een tijdens het fusiebesluit van 21 mei 2015 aan alle leden (…) toegezegde (extra) (financiële) vergoeding” is (…) en dat de aanspraak van de melkveehouders op hun deel van de transactiesom rechtstreeks voortvloeit uit het fusiebesluit (…). In het oordeel van het hof ligt aldus besloten dat de terugbetalingsverplichting van art. 11 lid 4 Hr afbreuk doet aan de al bij het fusiebesluit aan de leden toegezegde transactiesom en dus aan uittreding een financiële verplichting verbindt, en daarom is aan te merken als een voorwaarde die is verbonden aan de uittreding van een lid zoals bedoeld in art. 2:60 BW. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, (…). Dat de leden van DOC Kaas art. 11 lid 4 Hr niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking, is in dit verband niet van belang (…).”

(iii) Wat is een ‘uittreedvoorwaarde’?

Blijft over de vraag wat een ‘uittreedvoorwaarde’ in de zin van art. 2:60 BW behelst.

Eerder wees ik op de open formulering in art. 2:60 BW van uittredingsvoorwaarden waar het hier om kan gaan, waarvoor blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling bewust is gekozen. Op het gegeven dat deze bepaling een zekere bescherming beoogt te bieden aan leden van de coöperatie waar het gaat om voorwaarden verbonden aan hun uittreding als lid, wat evenmin erop wijst dat deze bepaling hier restrictief uitgelegd moet worden. En op literatuur, waaruit volgt dat het bij uittredingsvoorwaarden in de zin van art. 2:60 BW draait om voorwaarden die als gevolg van de uittreding ontstaan.

Het is, gelet hierop, evident dat art. 2:60 BW niet zo beperkt dient te worden begrepen dat de daarin bedoelde ‘uittreedvoorwaarde’ alleen ziet op een voorwaarde die moet worden vervuld, wil een opzegging haar werking hebben. Dan zou het immers een koud kunstje zijn om art. 2:60 BW te omzeilen, namelijk door niet een preconditie voor rechtsgeldige opzegging te formuleren, maar slechts een (financieel) gevolg te verbinden aan de rechtsgeldige beëindiging van het lidmaatschap.

Aangenomen zal moeten worden, wil art. 2:60 BW nuttig effect sorteren, dat (in ieder geval ook) elke bepaling die aanwijsbaar (in)direct een verplichting/prestatie voor het lid koppelt aan uittreding van het lid en aldus een drempel opwerpt voor die uittreding wordt aangemerkt als een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Of dit in een concreet geval speelt, is vanzelfsprekend een kwestie van uitleg van die bepaling aan de hand van de relevante maatstaf, verweven met beoordelingen van feitelijke aard. Daarbij geldt - zie onder 3.33 hiervoor, aan het slot - dat zo’n bepaling een dergelijke voorwaarde kan opleveren, ook als de leden van de coöperatie die bepaling niet hebben ervaren als een uittredingsbeperking.

Hieruit volgt dat het toepassingsbereik van art. 2:60 BW, waar het gaat om de daarin bedoelde uittredingsvoorwaarde, onvermijdelijk een zekere openheid kent.

b. Bespreking van de onderdelen

Met inachtneming van 3.4-3.38 hiervoor zet ik mij nu aan de bespreking van de onderdelen.

Onderdeel 1 (“Er is een dúbbele rechtsbetrekking: contractueel is de vergoeding verschuldigd”)

Onderdeel 1 bevat subonderdelen 1.1-1.2. Zij zijn gericht tegen rov. 3.4-3.5 en 3.10-3.11 van het arrest.

Subonderdeel 1.1 heeft als onderopschrift: “ [verweerder] is de vergoeding niet verschuldigd voor de beëindiging van zijn lidmaatschap.” Het klaagt dat het hof in rov. 3.5 en 3.10-3.11 van het arrest heeft miskend: (a) dat tussen partijen de overeenkomst is gesloten, waarin geregeld is zowel hun onderlinge (franchise)verhouding als het lidmaatschap van [verweerder] van de coöperatie; en (b) dat de beëindiging van de franchiseverhouding door opzegging van de overeenkomst tevens het einde van het lidmaatschap meebrengt. De kennelijke strekking van de afspraken is dat “de Ondernemer” bij het aangaan van de franchiseovereenkomst tevens lid wordt van de coöperatie. Daaruit volgt dat het beëindigen van de franchiseovereenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Daarom is onjuist dan wel onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat de ondernemer ( [verweerder] ) wegens de beëindiging van zijn lidmaatschap van de coöperatie een vergoeding verschuldigd zou zijn. Want [verweerder] is een vergoeding verschuldigd op grond van (de opzegging van) de overeenkomst.

Behandeling

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het aanvoert dat het hof voorbijziet aan (a) en (b) als bedoeld in het subonderdeel. En dat het hof eraan voorbijziet, kort gezegd, dat ‘de ondernemer’ (hier [verweerder] ) bij het aangaan van de overeenkomst met Kubus tevens lid wordt van de coöperatie en dat het beëindigen van de overeenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Het hof onderkent dit een en anders immers wel degelijk in het arrest, zoals onder meer volgt uit rov. 3.4, eerste zin:

“Kubus en [verweerder] hebben een overeenkomst gesloten die inhoudt dat [verweerder] toetreedt tot de coöperatie en die verder onder meer regelt dat [verweerder] de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en de door [verweerder] aan Kubus te betalen vergoedingen, waaronder een intreed- en een uittreedvergoeding.”

Uit rov. 3.5, eerste zin:

“Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo hebben beide partijen bevestigd bij de mondelinge behandeling in hoger beroep.”

Uit rov. 3.10, derde en vierde zin, voortbouwend op voorgaande overwegingen:

“De vergoeding [de uittreedvergoeding, A-G] is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor [in rov. 3.4] aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [verweerder] ) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap.”

En uit rov. 3.11, derde t/m vijfde zin, weer voortbouwend op voorgaande overwegingen:

“Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid.”

Ik lees in het subonderdeel geen klacht, althans niet een die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waaruit volgt dat en waarom deze specifieke oordelen van het hof de toets der kritiek in cassatie niet zouden kunnen doorstaan. Hetzelfde geldt voor ’s hofs vaststelling in rov. 3.5, tweede zin dat [verweerder] aan Kubus op 29 juni 2020 heeft geschreven: “Hierbij zeg ik het lidmaatschap (…) op per 31 juli 2020”. Overigens valt, zeker zonder méér (wat in het subonderdeel dus ontbreekt), ook niet in te zien dat deze oordelen en vaststelling onjuist dan wel onbegrijpelijk zouden zijn. Daarbij zij bedacht dat het subonderdeel dus enkel leunt op stellingen van Kubus in de MvG en negeert wat daarna ter mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken en ter zake is vastgesteld in rov. 3.5, eerste zin, waarop het hof dus juist voortbouwt (in verbinding met rov. 3.4 inzake de overeenkomst, door het subonderdeel niet bestreden) in rov. 3.10-3.11. Zie onder 3.42.1 hiervoor. Daarbij zij verder bedacht dat het subonderdeel dus, gelijk het hof in rov. 3.5, tweede zin, ervan uitgaat dat [verweerder] zijn lidmaatschap van Kubus heeft opgezegd.

Met 3.42.1-3.42.2 hiervoor ontvalt ook al de bodem aan wat het subonderdeel in de laatste twee zinnen ervan nog aanvoert inzake onjuistheid dan wel onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel (“Daarom”, etc.). Dit behoeft geen verdere toelichting.

Subonderdeel 1.2 heeft als onderopschrift “Geen uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW.” Het klaagt als volgt. Zoals uit de in rov. 3.4 van het arrest weergegeven tekst onmiskenbaar blijkt, is ‘de ondernemer’ zowel bij de aanvang van het lidmaatschap als bij de beëindiging een vergoeding verschuldigd ter zake van “goodwill” en niet ter zake van de beëindiging van het lidmaatschap van de coöperatie. In wezen gaat het om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding. Hieruit kan geen andere conclusie volgen dan dat de uittreedvergoeding geen voorwaarde is als bedoeld in art. 2:60 BW. Daarom is het andersluidende oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.

Behandeling

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Zoals, kort gezegd, blijkt uit 3.34-3.38 hiervoor kent het toepassingsbereik van art. 2:60 BW onvermijdelijk een zekere openheid waar het gaat om de daarin bedoelde uittredingsvoorwaarde. Daarbij past niet dat het enkele gegeven dat de overeenkomst in het voorliggende geval vermeldt dat bij uittreden door ‘de ondernemer’ een “uittredevergoeding (goodwill)” is verschuldigd, alsook dat - zoals het subonderdeel betoogt - het daarbij “in wezen” zou gaan “om een financiële afrekening betreffende (de voor- en nadelen van) de franchiseverhouding”, al maakt, dus zonder méér, dat hier geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Nu het subonderdeel categorisch het tegendeel bepleit (met “Hieruit”, etc. en “Daarom”, etc.), loopt het reeds daarop vast.

Overigens zet het hof in rov. 3.10-3.11 van het arrest haarfijn uiteen waarom er in het voorliggende geval, niettegenstaande de in rov. 3.8 en 3.11, eerste zin bedoelde stellingname van Kubus, naar diens oordeel sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW. Daarbij betrekt het hof de volgende aspecten, gegeven ook de in rov. 3.5, tweede zin vastgestelde opzegging door [verweerder] van het lidmaatschap van Kubus.

- Partijen hebben de vergoeding in kwestie zelf in de overeenkomst aangeduid als een uittreedvergoeding.

- Dit hebben zij gedaan in de overeenkomst die “ledenovereenkomst” is genoemd.

- De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de considerans en (art. 11) lid 3 van de overeenkomst, reeds aangehaald in rov. 3.4, bij het einde van het lidmaatschap.

- Kubus maakt aanspraak op de uittreedvergoeding vanwege, naar eigen zeggen, het einde van de overeenkomst, maar gaat ervan uit gelijk [verweerder] - zie ook rov. 3.5, eerste zin - dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap.

- Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijke kader van een coöperatie van toepassing is.

- Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [verweerder] sloot.

- Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere.

- De tekst van de overeenkomst verbindt de uittreedvergoeding expliciet aan het uittreden als lid.

Gezien ook 3.34-3.38 hiervoor levert dit een en ander, tja, een alleszins dragende motivering op. Voornoemde oordeel van het hof is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk te noemen.

Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.

Onderdeel 2 (“De vergoeding is contractueel verschuldigd: daarom is geen statutaire grondslag nodig”)

Onderdeel 2 bevat subonderdelen 2.1-2.3. Zij zijn gericht tegen rov. 3.10-3.11 van het arrest.

Subonderdeel 2.1 klaagt als volgt. Zelfs als juist zou zijn het oordeel in rov. 3.10 van het arrest dat het hier gaat om een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW, dan volgt daaruit in casu nog niet dat de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding (goodwill) ‘dus’ een voorwaarde voor uittreding zou zijn geworden die in de statuten opgenomen zou moeten worden, en evenmin dat deze verplichting wegens het ontbreken van zo’n grondslag in strijd zou zijn met de dwingende wetsbepaling van art. 2:60 BW. Immers, art. 2:60 BW staat niet eraan in de weg dat tussen partijen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie de afspraak gemaakt wordt en schriftelijk vastgelegd wordt dat bij uittreding een (goodwill)vergoeding is verschuldigd. Want uit art. 2:60 BW volgt (‘slechts’) dat een begrenzing van de vrijheid van vereniging en daarmee de vrijheid van uittreding mogelijk is als daarvoor een statutaire grondslag bestaat. En een voorafgaand aan de toetreding of uiterlijk bij het toetreden gemaakte afspraak kan per definitie geen (ontoelaatbare) begrenzing vormen van de uittreding, reeds omdat het desbetreffende lid van de coöperatie daarmee vooraf al ingestemd heeft en daarom niet alleen bekend was met de voorwaarde, maar deze voorwaarde ook bij voorbaat aanvaard heeft. Het hof heeft miskend dat een (contractuele) afspraak over een uittreedvergoeding (goodwill) ten minste dezelfde waarborgen biedt als een statutaire grondslag, zodat, als zo’n afspraak gemaakt is, (de bescherming(sgedachte) achter) art. 2:60 BW geen beletsel vormt voor verschuldigdheid van die uittreedvergoeding. Derhalve is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan of heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door hieraan geen (kenbare) aandacht te besteden.

Behandeling

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Het subonderdeel verdedigt in de kern dat, nu in uitgangspunt werking toekomt aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW als vervat in een zuiver contractueel beding tussen het lid en de coöperatie (dus zónder grondslag in de statuten van de coöperatie) dat door hen is overeengekomen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie, art. 2:60 BW niet in de weg staat aan werking van de onderhavige uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling, te weten de uittreedvergoeding die [verweerder] vanwege diens uittreden verschuldigd is aan Kubus op grond van de overeenkomst.

M.i. vindt deze opvatting geen steun in het recht, zoals volgt uit (3.4-3.27 en) 3.28-3.33 hiervoor. En huldigt het hof deze opvatting dus terecht niet in het arrest, zoals mede blijkt uit rov. 3.1 en 3.6-3.11. Want art. 2:60 BW staat aan die werking dus in beginsel wél in de weg. Dat in het onderhavige geval rechtvaardiging bestaat voor een uitzondering op dit beginsel op grond van art. 2:8 lid 2 BW (dan wel anderszins) valt niet in te zien, evenmin op basis van hetgeen het subonderdeel aanvoert (dat overigens geen kenbaar beroep doet op een uitzondering op dit beginsel). Daarmee is gegeven dat de onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven zich in werkelijkheid niet voordoet.

Bij deze stand van zaken kom ik niet toe aan het belangverweer zijdens [verweerder] .

Subonderdeel 2.2 klaagt dat in elk geval onbegrijpelijk is hoe het hof in rov. 3.11 van het arrest tot zijn oordeel komt dat Kubus “onvoldoende heeft toegelicht” dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer losstaat van de lidmaatschapsverhouding dat art. 2:60 BW daaraan niet in de weg staat. Kubus heeft namelijk uitdrukkelijk en gemotiveerd gesteld dat [verweerder] “de franchiseovereenkomst” heeft beëindigd. De vennootschappelijke verhouding staat daar los van.

Behandeling

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

Op de in noot 117 hiervoor genoemde vindplaats valt mede te lezen dat [verweerder] “de franchiserelatie” met Kubus heeft beëindigd. Dat de opzegbrief van [verweerder] van 29 juni 2020 zo moet worden begrepen. Dat Kubus [verweerder] ’s opzegging ook zo heeft opgevat. Dat aan de dubbele rechtsbetrekking inherent is “dat door het beëindigen van de franchiserelatie automatisch en onvoorwaardelijk óók het lidmaatschap van de coöperatie eindigt.” En:

“Dat is het rechtsgevolg van het door een franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie. Zo hebben partijen met elkaar gecontracteerd.”

Kubus heeft daar dus zelf nadrukkelijk een verband gelegd tussen het beëindigen van de franchiserelatie en het eindigen van de lidmaatschapsverhouding, en wel in onlosmakelijke zin. Iets anders blijkt geenszins uit de in noot 118 hiervoor genoemde vindplaatsen, evenmin waar daarin wordt verwezen naar “de vennootschappelijke verhouding tussen Kubus en [verweerder] ” (waarmee klaarblijkelijk wordt gedoeld op die lidmaatschapsverhouding). Integendeel, zo is daarin door Kubus nog eens herhaald dat:

“door het beëindigen van de franchiserelatie óók het lidmaatschap van de coöperatie [eindigt], en wel automatisch en onvoorwaardelijk. Dat is het rechtsgevolg van het door een franchisenemer beëindigen van de franchiserelatie. Zo hebben partijen met elkaar gecontracteerd.”

Daarmee ontvalt al de bodem aan het subonderdeel. Kort en goed: worden voornoemde vindplaatsen in totaliteit bezien, wat het subonderdeel dus niet doet, dan is duidelijk dat wat op die vindplaatsen te lezen valt geenszins de conclusie rechtvaardigt dat ’s hofs bestreden oordeel onbegrijpelijk is.

Subonderdeel 2.3 klaagt, tot slot, dat voor zover het hof in rov. 3.11 van het arrest als eis heeft gesteld dat Kubus’ betoog alleen opgaat als de franchiseovereenkomst losstaat van het lidmaatschap van de coöperatie, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, niet valt in te zien waarom een afspraak als de onderhavige niet gemaakt zou kunnen worden met een (toetredend) lid van de coöperatie, zoals in casu het geval is. Het lidmaatschap van de coöperatie doet er ook niet aan af dat het gaat om afspraken in het kader van een franchiseovereenkomst.

Behandeling

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.

De eerste zin van het subonderdeel loopt reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, want in rov. 3.11 stelt het hof niet de eis waarvan het subonderdeel uitgaat (dus: “dat Kubus’ betoog alleen opgaat als de franchiseovereenkomst losstaat van het lidmaatschap van de coöperatie”).

Immers, het hof zet daarin uiteen dat Kubus onvoldoende heeft toegelicht dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die “zozeer los staat” van de lidmaatschapsverhouding dat art. 2:60 BW daaraan niet in de weg staat. Dit is iets anders dan het subonderdeel veronderstelt, want betekent niet dat de dans van art. 2:60 BW alleen wordt ontsprongen als de franchiseovereenkomst “losstaat”, dus in absolute zin, van het lidmaatschap van de coöperatie (oftewel de lidmaatschapsverhouding).

Voor zover het subonderdeel in de tweede en derde zin (vanaf “Immers, niet in te zien valt”, etc.) voortbouwt op die eerste zin, strandt het ook in zoverre reeds op dit gebrek aan feitelijke grondslag. Los daarvan geldt dat het subonderdeel repetitief is na die eerste zin en daarom deelt in het lot van subonderdelen 1.1-2.2, die falen. Zie onder 3.40-3.50.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.

Slotsom

Het cassatiemiddel van Kubus is derhalve vergeefs voorgesteld.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?