Nummer22/02859
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 27 juni 2022 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02861. In deze zaak heeft de Hoge Raad op 4 april 2023 het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de voorgeschreven termijn een schriftuur met cassatiemiddelen was ingediend.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.B. Lisi, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep vraagt de aandacht. Omdat de vraag of het cassatieberoep tijdig is ingesteld en het voorgestelde middel met elkaar samenhangen, zal ik deze gezamenlijk bespreken.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep en het middel
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de dagvaarding niet ambtshalve nietig heeft verklaard wegens een betekeningsgebrek. Aan het middel ligt ten grondslag dat de verdachte stelt geen oproeping te hebben ontvangen voor de zitting van het hof van 27 juni 2022.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zit een ‘Oproeping van verdachte’ om te verschijnen op 27 juni 2022 te 09:00 uur ter terechtzitting van het hof Den Haag. Bij deze oproeping zit een ‘Akte van uitreiking’ en een ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’. Deze ‘aanvulling op de akte van uitreiking’ wordt gebruikt als op de akte van uitreiking geen handtekening voor ontvangst is geplaatst in verband met de uitbraak van COVID-19.
Uit de ‘Akte van uitreiking’ volgt dat deze is geadresseerd aan de verdachte en dat de oproeping, na twee eerdere mislukte pogingen, op 7 mei 2022 te 10:18 uur is uitgereikt aan de geadresseerde. In de akte is daarnaast in het vakje ‘Identiteitsbewijs soort + nr’ [verdachte] ’ ingevuld. Op de akte staat tevens het juiste parketnummer, zittingsdatum en tijd vermeld. Op de ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’, staat bij naam [verdachte] ’ en geboortedatum ’ [geboortedatum] 1994’ ingevuld. Daarnaast is een kruisje gezet bij ‘Gevraagd naar zijn naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerd op’ en ‘Gevraagd naar zijn geboortedatum gaf de ontvanger de geboortedatum van de geadresseerde op’. Tot slot heeft de medewerker van IPKD aangekruist ‘Ik heb de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger overhandigd’.
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend (uitgereikt).
Op grond van de hiervoor onder 2.3 weergegeven inhoud van de akte van uitreiking bij de oproeping in hoger beroep en de aan die akte gehechte ‘aanvulling op de akte van uitreiking’ is de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b, Sv, aan de verdachte in persoon betekend. De enkele stelling van de verdachte dat hij nimmer een oproeping voor de terechtzitting heeft ontvangen, kan hier niet aan afdoen. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 27 juni 2022. Het beroep is echter pas ingesteld op 28 juli 2022. Dit brengt mee dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Afronding
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG