Nummer22/04864
Zitting 5 november 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 13 december 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “met het oogmerk om opzettelijk ontploffingen teweegbrengen en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf” en onder 3 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen houden het volgende in. Het eerste middel klaagt over het bewijs van het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen. Het tweede middel bevat klachten over het oordeel dat het helpen opzetten van een Telegramaccount “voorbereiding en/of bevordering” van terroristische misdrijven oplevert. Het derde middel heeft betrekking op het bewijs van het tijdstip waarop de verdachte de (voor een Telegramaccount benodigde) simkaart ‘geregeld’ zou hebben. Het vierde middel behelst een motiveringsklacht over de verbeurdverklaring van een drietal gegevensdragers. Tot slot gaat het vijfde middel over een schending van de inzendtermijn. Over de bewezenverklaring van feit 3 zijn in cassatie geen klachten geformuleerd.
De zaak
4. De verdachte is veroordeeld wegens de voorbereiding of bevordering van bepaalde terroristische misdrijven (feit 1) en wegens wapenbezit (feit 3). Hij kwam in beeld bij de politie en justitie door een ambtsbericht van de AIVD, waarin onder andere werd vermeld dat de verdachte de ISIS-ideologie zou aanhangen en het gewelddadig optreden van deze terroristische organisatie zou steunen. Bij doorzoekingen (in de woning van de verdachte te [plaats] en in een vakantie-appartement te [plaats] , alwaar hij geregeld verbleef) is onder de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid (beeld)materiaal van jihadistische aard en een wapenkoffer met daarin een pistool en munitie aangetroffen.
5. Bovendien werd bij de doorzoeking in de woning te [plaats] een mobiele telefoon (een blauwe Nokia 5110) veiliggesteld. In dit toestel bevond zich een simkaart, waaraan Lyca Mobile (een zogeheten mobile virtual network operator die in Nederland het netwerk van KPN gebruikt) het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft gekoppeld. Aan dit telefoonnummer was een Telegramaccount verbonden van [betrokkene 1] , die samen met haar echtgenoot [betrokkene 2] naar Syrië was uitgereisd om zich daar aan te sluiten bij IS.
6. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door het ‘regelen’ van deze simkaart (“zodat [ [betrokkene 1] ] door middel van bijbehorend telefoonnummer een Telegramaccount kon activeren”) aan een IS-lid gelegenheid en middelen verschaft om in het strijdgebied gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen. Dit heeft het hof (zoals gezegd) gekwalificeerd als “met het oogmerk om opzettelijk ontploffingen teweegbrengen en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.” Van de overige onderdelen van het onder 1 ten laste gelegde heeft het hof de verdachte (ten dele gemotiveerd) vrijgesproken.
De volgorde in de bespreking van de middelen
7. Ik vang aan met de bespreking van het derde middel, en wel hierom. Met het derde middel wordt opgekomen tegen ‘s hofs bewijsoordeel over het moment waarop de verdachte [betrokkene 1] heeft geholpen (gefaciliteerd) met het opzetten van een Telegramaccount. Dat moment is (volgens het hof) het moment waarop de verdachte (met dit doel) een simkaart heeft ‘geregeld’. De vraag of ’s hofs bewijsoordeel op dit punt in cassatie standhoudt, gaat vooraf aan en heeft rechtstreeks betekenis voor het bewijs van het “oogmerk” om terroristische misdrijven “voor te bereiden en/of te bevorderen”, waarvan de bewijsoordelen met het eerste, respectievelijk het tweede middel worden aangevochten.
8. Na mijn bespreking van het derde middel formuleer ik een beoordelingskader dat relevant is voor de bewijsklachten uit het eerste en tweede middel. Ik bespreek vervolgens het tweede middel en behandel het eerste middel daarna. De vraag naar het ‘oogmerk’ van de verdachte wordt namelijk pas relevant als in cassatie komt vast te staan dat het hof kon oordelen dat zijn handelen ‘voorbereiding of bevordering’ heeft opgeleverd.
Het derde middel
9. Het derde middel bevat meer specifiek de klacht dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte een simkaart voor [betrokkene 1] regelde op een moment dat zij al was uitgereisd naar Syrië en zij zich had aangesloten bij IS, terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid wanneer de simkaart is geregeld. Ook volgt uit die bewijsmiddelen niet wanneer de activatie van het Telegramaccount is geschied, aldus de steller van het middel. De bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde is om die redenen niet toereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde
10. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat:
“1. hij in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 februari 2019 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland,
met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel(en) 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten een ontploffing teweegbrengen en/of moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen,
immers heeft verdachte
ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,
E. aan een lid van IS(IS) gelegenheid en/of middelen verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen.”
De bewijsconstructie van het hof
11. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden, voor zover het gaat over het onder 1 ten laste gelegde, het volgende in:
“Met betrekking tot feit 1:
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 11 mei 2020, inhoudende:
Het is juist dat ik [betrokkene 2] ken, dat is een kennis van mij. Ik wist via het nieuws dat [betrokkene 2] Nederland heeft verlaten. Mij wordt voorgehouden dat op de [a-straat 1] in [plaats] een iPhone 4S, een iPhone 6s en een MacBook met daarop de back-up van een iPhone 5, in beslag werden genomen. Het is juist dat die iPhones en MacBook van mij zijn. Mij wordt voorgehouden dat in mijn woning aan [b-straat 1] te [plaats] ook een Sony Ericsson telefoon werd aangetroffen met daarop twee video’s.
Ik was de enige gebruiker van die telefoon.
2. Het proces-verbaal-van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 16 februari 2019, nummer LERCA 19007-038, opgenomen als pagina 827 tot en met 833 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:
Op 15 februari 2019 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in woning, zijnde een vakantieappartement, op het perceel [a-straat 1] [plaats] .
Tijdens de doorzoeking werd onder andere het volgende in beslag genomen:
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2019, nummer LERCA 19007-328, opgenomen als pagina 250 tot en met 255 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Bij de doorzoeking in [plaats] werd onder andere een mobiele telefoon, een iPhone 4s, in beslag genomen (IBN-code […] ).
Ik heb onderzoek gedaan naar deze gegevens en onder andere de video’s bekeken die op de telefoon aanwezig waren. Door een beëdigd Arabisch-talige tolk zijn de titels van de video’s vertaald en de vertaling staat achter de titel. Ik zag dat er ook een video was waarin beelden te zien zijn van de aanslag op Charlie Hebdo op 7 januari 2015. Het bestand is genaamd: ...wmv (Vertaling) Het gesprek van broeder [betrokkene 3] met de Franse politie.
Ik zag dat er ook een video was (zonder bewegende beelden) waarop een nasheed te horen is met de titel: Auf zum Schlachten. De video is genaamd ...mov.
Ik zag dat er een video was van Al [E] , een provincie van IS, van 09-08-2016. Ik zag dat de video 35 minuten en 03 seconden duurde en was genaamd: …mp4 (Vertaling) Strijd is een wil.
Ik zag dat er nog een video was van 09-08-2016 en dat dit een fragment was uit de hiervoor genoemde video. Deze video was genaamd (...).mov.
Ik zag dat er ook een video was van IS, provincie Karkuk van 17-01-2017, met betrekking tot de gewapende strijd. Ik zag dat de video 11 minuten en 58 seconden duurde en was genaamd: ...mp4.parts (Vertaling) De beloning van verraders.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2019, nummer LERCA19007-338, opgenomen als pagina 538 tot en met 541 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Mij is gevraagd duiding te geven bij een aantal video’s die zijn aangetroffen op de iPhone 4s, met IBN-code […] ; die zijn beschreven in proces-verbaal LERCA 19007-328.
1.
De video met bestandsnaam ...mp4 is uitgegeven door al- [E] één van de provincies van Islamitische Staat. De titel van de video kan worden vertaald als ‘de wil om te vechten’ en is door IS uitgegeven in augustus 2016. De video is een boodschap aan de vijanden van Islamitische Staat. Aan het begin van de video richt de spreker zich specifiek tot Amerika, tot de kruisvaarders en tot de joden. In de video worden onder andere foto’s getoond van de leiders van Iran, Turkije en Rusland. Ook wordt een afbeelding getoond van de Verenigde Naties met daarbij de tekst Milla al-Kufr [sekte van het ongeloof]. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de coalitie [van de landen die strijden] tegen Islamitische Staat (...) . De video lijkt een compilatie te zijn van meerdere video’s van IS. In de video wisselen verschillende beelden elkaar af zoals beelden van diverse (zelfmoord)aanslagen, beelden van strijders, beelden van executies, etc. In de video zijn ook beelden van IS commandant [betrokkene 4] en IS-woordvoerder [betrokkene 5] te zien. Op de achtergrond zijn verschillende (jihadistische) anashid te horen. Ook is in een gedeelte van de video de stem van IS-woordvoerder [betrokkene 5] te horen op de achtergrond.
2.
Deze video met als titel ‘Het (telefoon)gesprek van de broeder [betrokkene 3] met de Franse politie’. De broers [betrokkene 3] zijn bekend door de aanslag die zij in januari 2015 hebben gepleegd in Parijs op de redactie van Charlie Hebdo. In deze video is een gesprek hoorbaar in de Franse taal tussen één van de twee broers [betrokkene 3] en een ander persoon, (...) Op de achtergrond van de video zijn beelden zichtbaar van de aanslag in Parijs. (...) In het gesprek zegt [betrokkene 3] dat hij een verdediger is van de profeet Mohammed en dat hij gestuurd is door al-Qaida in Jemen. Ook zegt hij dat hij gefinancierd is door [betrokkene 6] ; een radicale prediker, die is opgegroeid in de VS en Jemen. [betrokkene 6] is gedood door een Amerikaanse drone-aanval in Jemen. Als imam in de VS (California en Virginia) is hij in contact geweest met drie van de aanslagplegers van 9/11 en is hij in verband gebracht met andere aanslagen of pogingen tot aanslagen, en met de financiering van terrorisme.
3.
De video ...mp4.parts is uitgegeven door ‘Kirkuk Wilayah’ één van de Iraakse provincies van Islamitische Staat. De titel kan vertaald worden als ‘straf van de verraders.’ De video is uitgegeven in januari 2017. De video is opgedeeld in twee delen. In het eerste deel wordt gesproken over het Westen en wordt kritiek geleverd op Westerse landen. (...) Daarna spreekt [betrokkene 7] . Hij spreekt over de ongelovigen en de afvalligen. In het tweede gedeelte van de video zijn executies zichtbaar. Hierbij worden mannen in oranje pakken op wrede wijze geëxecuteerd; hun kelen worden doorgesneden met messen. In de video zitten beelden met veel bloed en afgesneden hoofden. Het bijschrift bij één van de executies is de naam van degene die geëxecuteerd wordt met daarbij [betrokkene 8] , de afvallige. Ook bij andere executies wordt een naam weergegeven met daarbij het bijschrift dat het om een afvallige gaat.
4.
Het bestand ...mov is een Duitstalige nashid. Jihadistische anashid spelen een belangrijke rol in de online en offline wereld van jihadi’s. De nashid met de titel ‘auf zum schlachten’ is een nashid gezongen in de Duitse taal door de Duitse rapper [betrokkene 9] . In deze nashid wordt gezongen over het slachten van de kafirin [ongelovigen]. [betrokkene 9] zingt dat het strijden hun geloof is en dat Janna [het paradijs] nabij is; in de nashid wordt verschillende keren verwezen naar het paradijs en wordt de wens uitgesproken om als martelaar te sterven. Er wordt gezongen dat Europa het nieuwe slagveld is; hierbij worden specifiek Parijs, New York, Moskou en Berlijn genoemd. Daarbij wordt de wens uitgesproken dat het kalifaat tot aan Nigeria, Caucasus en Khorasan wordt uitgebreid en wordt aangekondigd dat het kalifaat eraan komt. (...)
5. …mov’
Dit betreft een korte video uitgegeven door IS provincie ‘al- [E] ', waarin beelden te zien zijn van bomaanslagen en van strijdende partijen. De beelden in deze video komen ook voor in de hierboven onder 1. beschreven video van al- [E] . Aan het einde van de video komt in het Arabisch qariban te staan, wat ‘binnenkort’ betekent. Mogelijk is deze video gepubliceerd als een soort aankondiging.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2019, nummer LERCA19007-402, opgenomen als pagina 314 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Ik heb onderzoek gedaan naar de veiliggestelde data van goed […] Macbook air. (...) zag ik in de data verschillende iPhone back-up bestanden staan. In onderstaande tabel is informatie opgenomen omtrent de aangetroffen back-up bestanden.
Een kopie van de aangetroffen back-up bestanden heb ik veiliggesteld voor nader onderzoek.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2019, nummer LERCA19007-401, opgenomen als pagina 556 tot en met 564 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
In het kader van het onderzoek [onderzoeknaam] is mij door het onderzoeksteam gevraagd nadere duiding te geven bij afbeeldingen van religieuze- en of ideologische aard, aangetroffen in de back-up van de iPhone 5 […] . In proces-verbaal LERCA19007-402 staat beschreven hoe deze back-up van de iPhone 5 is veiliggesteld.
In de back-up van de iPhone 5 zag ik 2905 afbeeldingen. Ik heb de afbeeldingen gesorteerd op grootte in bytes, waarbij ik eerst heb gekeken naar de grootste afbeeldingen.
Van de afbeeldingen in de back-up van de iPhone is een groot gedeelte van jihadistische aard; een groot gedeelte hiervan bevat logo’s van (provincies van) Islamitische Staat of van aan IS-gelieerde organisaties. Binnen de organisatie Islamitische Staat bestaan er twee types mediabureaus: centrale mediabureaus zoals [A] , [B] en [C] en provinciale mediabureaus zoals [D] en [E] . Naast aan IS gelieerde afbeeldingen zijn er ook algemene jihadistische afbeeldingen, zoals afbeeldingen van strijders en afbeeldingen met teksten over jihad.
Van de 500 grootste afbeeldingen van de in totaal 2905 afbeeldingen in de back-up van de iPhone 5 zijn ongeveer 200 afbeeldingen van jihadistische aard; een groot gedeelte hiervan is afkomstig uit IS propaganda. Opvallend is dat van een aantal afbeeldingen de ‘created’ datum, bijna gelijk is met de datum waarop de propaganda is verspreid door IS via telegram.
7. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 16 februari 2019, nummer LERCA19007-059, opgenomen als pagina 834 tot en met 841 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 15 februari 2019 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in perceel [b-straat 1] te [plaats] .
Tijdens de doorzoeking werd onder andere het volgende in beslag genomen:
Bijlage inbeslaggenomen goederen:
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2019, nummer LERCA19007-100, opgenomen als pagina 428 tot en met 435 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op zaterdag 16 februari 2019 vond er een doorzoeking plaats in de woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] . Bij die doorzoeking werden in de woonkamer in de vaste kast onder de trap, onder andere Arabischtalige aantekeningen en/of notities aangetroffen en inbeslaggenomen (inbeslagnamecode SIB42.12.01.022.004).
Duiding
Tevens zijn de handgeschreven notities/aantekeningen ter duiding aan R826, Midden-Oostendeskundige werkzaam bij de Landelijke Eenheid, voorgelegd.
Bijlage 2. Duiding door Midden-Oostendeskundige van papieren beslag.
SIB42.12.01.022.004 A1
De handgeschreven tekst betreft een gedicht dat ook op internet circuleert in geschreven vorm en gereciteerde vorm. Het gedicht spreekt van de gewapende jihad als het ultieme doel van de strijder. Zonder angst en zonder te vrezen voor pijn en moeite gaat de strijder op weg om te strijden om het paradijs te verkrijgen.
SIB42.12.01.022.004 A2
De handgeschreven tekst betreft een gedicht dat ook op internet circuleert in gereciteerde vorm en geschreven vorm, ook met Engelse vertaling. Het betreft een gedicht van [betrokkene 10] , zus van [betrokkene 11] . [betrokkene 11] (1903-1966) kan beschouwd worden als een van de meest radicale en invloedrijke Islamistische ideologen, "a godfather to Muslim extremist movements around the globe” (Esposito, 2005, p. 7289).
[betrokkene 10] zou het gedicht geschreven hebben na de executie van haar broer [betrokkene 11] . Het gedicht spreekt van afscheid in dit leven en een weerzien in het hiernamaals. Men doet afstand van deze wereld en haar genoegens en richt zich op het leven in het paradijs samen met “de soldaten van Allah” die hun leven zonder aarzelen voor Allah hebben gegeven.
SIB42.12.01.022.004 A4
De handgeschreven tekst betreft een fragment uit een gedicht of nashid bekend als "Wij zijn leeuwen in de strijd”. (Nahnu fi 1-harb usud). Het lied verheerlijkt de gewapende jihad tegen de ongelovigen. Als de strijders sterven zijn ze martelaren. Ze bestrijden de vijanden van Allah met heldenmoed en vrezen niet. Het fragment in het papieren beslag spreekt van de vastberadenheid: de ik-persoon en de mensen om hem heen erkennen enkel de autoriteit van Allah en buigen voor niemand anders.
SIB42.12.01.022.004 A5
De handgeschreven tekst betreft een gedicht dat online circuleert. Het wordt toegeschreven aan de leider van Al-Qaeda, Ossama bin Laden, die met deze zinnen de laatste speech zou hebben geëindigd voor zijn dood. Het gedicht spreekt van de keuze die men heeft: men kan kiezen om zich te onderwerpen aan tyrannen en te leven en sterven als een slaaf, of men kan kiezen om de waarheid te spreken, te rebelleren en te sterven als een trots en vrij mens.
SIB42.12.01.022.004 A6
De handgeschreven tekst betreft een fragment uit een brief, van [betrokkene 12] ( [betrokkene 12] ), die op 30 december 2009 een zelfmoordaanslag pleegde, op de hoofdkwartieren van de CIA in Afghanistan. De aanslag werd geclaimd door Al-Qaeda. In het genoteerde fragment spreekt de schrijver zich uit voor Al-Qaeda en Ossama bin Laden en schrijft hij over zijn doel en zijn redenen. Hij heeft niet willen wachten tot de VS in Irak werden verslagen maar is zelf in actie gekomen zoals Ossama bin Laden heeft opgeroepen.
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2019, nummer LERCA19007-475, opgenomen als pagina 400 tot en met 405 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:
Door mij werd de inhoud van de inbeslaggenomen Sony Ericsson telefoon (IBN-code […] ) onderzocht. Hierin heb ik twee video’s aangetroffen met de bestandsnaam “ […] " en ... (vertaald vanuit Arabisch: Ontwaken/Renaissance).
Video “ […] " Created: 23-2-2012 10:15:18(UTC+1) Op de video is een kruising bij een viaduct te zien waar auto’s rijden. Aan de verkeersborden valt op te maken dat deze locatie in Nederland is. Mogelijk in [plaats] , aangezien de bestandsnaam van de video “ […] " is. Op de video is te zien dat er wordt gefilmd vanuit een auto. Na 30 seconden verschijnt er een explosie in beeld op het moment dat een auto het viaduct nadert. Duidelijk is te zien dat dit geen echte explosie is. Het lijkt erop dat deze explosie in de video is gemonteerd.
Gedurende de video is een Arabischtalig lied te horen, welke door de tolk als volgt is vertaald:
De Leeuwen van de glorie wachten aan de poorten van onze trots
De kleding van angst-O moeder- is door de toename van onze krachten opgevouwen
De Leeuwen van de glorie wachten aan de poorten van onze trots
De kleding van angst-O moeder- is door de toename van onze krachten opgevouwen
Zie jij niet dat het duisternis kleiner is dan onze geloof
Toen de tirannie haar hoogtepunt bereikte, werd onze standvastigheid aangewakkerd
[een persoon in de auto zegt Allahoe Akbar]
Zie jij dan niet dat het duisternis.
Video “3.( 02)... gp
Created: 19-10-2011 21:39:00 (UTC+2)
Op de video is voormalig president van de Verenigde Staten George Bush jr. te zien, die de hand schudt van een persoon (vermoedelijk een sjeik of Emir). Tegelijkertijd hoor je een stem in het Arabisch zeggen: “aanvallen” en is het geluid van het laden van een geweer en daarna een schot te horen, waarna een kogelgat is te zien. Vervolgens verschijnt er een explosie in beeld en is een Arabischtalig lied te horen, welke door de tolk als volgt is vertaald:
We zijn terroristen en terrorisme is een weg. Laat het oosten en het Westen weten dat wij terroristen zijn en dat wij angst inboezemen. En maak tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen. Terrorisme is een plicht in de religie.
Na de explosie verschijnen Arabische teksten in beeld, gevolgd door de vlag van de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS). De Arabische teksten zijn als volgt door de tolk vertaald: Wachten op het plukken van jullie hoofden O verraders
Vlag van IS: [Allah, profeet, Mohamed] [er is geen andere God dan Allah]
Vergeet mij niet bij uw smeekbeden
10. Een geschrift, te weten een ambtsbericht van de Algemene' Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, d.d. 5 april 2019, nummer 90b0d2e0-orl-2.0, opgenomen als pagina 720 tot en met 721 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende:
In het kader van de uitvoering van zijn wettelijke taak beschikt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over de volgende betrouwbare informatie: [betrokkene 1] (geboren: [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ), volgens de BRP tot 16 november 2016 ingeschreven op de [c-staat 1] te [plaats] , is naar eigen zeggen getrouwd met [betrokkene 2] (geboren: [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ). [betrokkene 2] stond tot 1 maart 2017 in de BRP ingeschreven op de [d-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 1] is, uit eigen overtuiging, samen met [betrokkene 2] op 8 september 2016 uitgereisd via Turkije naar Syrië. Betrokkene en [betrokkene 2] hebben zich aangesloten bij ISIS. [betrokkene 1] zou ervaring hebben opgedaan met onder andere het onderhouden en prepareren van wapens en heeft aldaar beschikking over wapens. Betrokkene heeft in juni 2018, op het telegramkanaal " [F] " waarvan betrokkene medebeheerder is, een oproep geplaatst tot het plegen van aanslagen tegen/in het Westen. Daarnaast heeft betrokkene actief getracht mensen over te halen om hijra te verrichten. Tot slot heeft [betrokkene 1] de intentie geuit om zelf een aanslag te plegen.
11. Een geschrift, te weten een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, d.d. 5 april 2019, 90b8a8cf.orl.2.0, opgenomen als pagina 719 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende:
In het kader van de uitvoering van zijn wettelijke taak beschikt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over de volgende betrouwbare informatie:
[verdachte] (geboren: [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ), volgens de BRP woonachtig op [b-straat 1] , [plaats] , stond op 4 en 9 februari 2019 in contact met een Telegram account met de displayname " [naam 1] " (vertaling uit Arabisch).
Het Telegramaccount met de displayname " [naam 1] " behoort toe aan [betrokkene 1] ( [geboortedatum] 1996, [geboorteplaats] ) en werd begin februari 2019 gebruikt door [betrokkene 2] ( [geboortedatum] 1994, [geboorteplaats] ).
[betrokkene 2] was tevens gebruiker en eigenaar van het Telegramaccount: “ [naam 2] ”, in combinatie met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , en displayname “ [naam 3] ”.
12. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 februari 2019, nummer LERCA19007-135, opgenomen, als pagina 130 tot en met 141 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op vrijdag 22 februari 2019 heb ik de inhoud van de in beslaggenomen iPhone 4S ( […] ) handmatig bekeken. Ik heb hierbij specifiek gekeken naar de chatgesprekken in de applicatie Telegram, omdat niet alle chatgesprekken van Telegram bij het forensisch uitlezen zijn meegekomen.
Bij het openen van Telegram werd om een wachtwoord gevraagd. Uit de eerder veiliggestelde data, van de iPhone 4S is het wachtwoord voor het openen van de applicatie Telegram achterhaald. Na het invoeren van dit wachtwoord zag ik dat de applicatie opende en zag ik bij instellingen het volgende:
Op bovenstaande afbeelding is te zien dat de gebruiker van de iPhone 4S gebruik maakt van het [telegram account] ", gekoppeld aan het mobiele telefoonnummer " [telefoonnummer 3] ".
13. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 oktober 2019, nummer LERCA19007-528, opgenomen als pagina 714 tot en met 715 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 13] :
V: Wat is de account/gebruikersnamen van Telegram waar [verdachte] gebruik van maakt/maakte?
A: Telegram ... [telegram account] is, het en het nummer [telefoonnummer 3] is daaraan gekoppeld.
O: getuige laat dit zien in zijn mobiele telefoon.
Ik zag dat getuige [betrokkene 13] mij zijn geopende telefoon toonde. Ik zag dat op het scherm de applicatie genaamd "Telegram” geopend was. Ik zag dat [betrokkene 13] mij een Telegram profiel toonde. Ik zag dat de profielnaam van dit account [telegram account] betrof. Ik zag dat bij het profiel [telegram account] een telefoonnummer gekoppeld stond. Ik zag dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] aan het profiel [telegram account] gekoppeld was. Het Telegramprofiel [telegram account] staat dus gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 3] en is, volgens getuige [betrokkene 13] in gebruik bij [verdachte] .
14. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 7 juni 2019, nummer LERCA19007-304, opgenomen als pagina 910 tot en met 911 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan in de inbeslaggenomen iPhone 4S telefoon (IBN-code: […] ).
Ik zag in de uitgelezen data hiervan dat in de contactenlijst het Telegram-account “ [naam 3] " met ID -code “ […] " stond opgeslagen.
Tevens zag ik een Telegram-chatgesprek tussen het Telegram-account " [naam 3] " en het Telegram-account “ [telegram account] ", het gebruikersaccount van de iPhone 4S. Een beëdigd Arabischtalige tolk heeft dit chatgesprek als volgt vertaald:
“ [naam 3] " stuurt op 04-10-2018:
“Vrede en genade van God zij met u"
“ [telegram account] " stuurt op 05-10-2018:
“En met u zij de vrede en genade van God".
“Ik hoop dat het goed met jou gaat".
“Vertel, hoe gaat het met je"?
“Ik hoop dat het goed gaat broeder".
“Ik ben vandaag aanwezig, maar het zou kunnen dat ik zaterdag op reis ga".
15. Het proces-verbaal van onderzoek aan in beslag genomen goederen, d.d. 17 juni 2019, nummer LERCA19007-405 opgenomen als pagina 317 tot en met 324 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
In de periode van 20 februari 2019 tot en met 7 juni 2019 is de data van goederen vermeld in bijlage 1 op een forensische wijze veiliggesteld.
Bijlage 1 overzicht afgehandelde informatie
16. Het proces-verbaal van onderzoek telefoonnummers simkaarten, d.d. 26 juli 2019, nummer LERCA 9007-392, opgenomen als pagina 965 tot en met 966 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 28 mei 2019 verstrekte LycaMobile de volgende telefoonnummers die behoorden bij de in onderstaande tabel genoemde goederen en ICCID-nummers:
17. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 augustus 2019, nummer LERCA 19007-383, opgenomen als pagina 311 tot en met 313 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen :
Zoals blijkt uit een proces-verbaal van Team Werken Onder Dekmantel vroeg " [naam 4] " aan “ [telegram account] ” of hij nog de SIM kaart had waar de ‘andere Telegram’ op geregistreerd stond. Tijdens het chatfragment stuurde [betrokkene 1] het mobiele nummer [telefoonnummer 1] als het nummer behorende bij deze simkaart, die ze dringend nodig had omdat ze daarmee contactgegevens van een andere persoon zou kunnen terugvinden.
Telegram profiel geregistreerd met nummer [telefoonnummer 1] :
Uit een controle op Telegram bleek mij dat het nummer [telefoonnummer 1] was gebruikt om een Telegram profiel te registreren.
Tevens bleek mij dat behalve de profielfoto, de overige foto’s die aan het profiel waren gelinkt, dezelfde waren als de foto’s die aan het Telegram " [naam 1] ” waren gelinkt. Resumerend blijkt uit het bovenstaande dat het Telegram profiel waarvoor het mobiele nummer [telefoonnummer 1] werd gebruikt vrijwel identiek is als het Telegram profiel " [naam 1] ” en vermoedelijk beide in bezit en gebruik waren bij [betrokkene 1] .
18. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2019, nummer LERCA19007-372, opgenomen als pagina 916 tot en met 917 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
Sinds 29 april 2019 wordt door het onderzoeksteam middels het Telegram-account van verdachte [verdachte] contact onderhouden met het Telegram-account " [naam 4] ", welke zeer vermoedelijk in gebruik is bij [betrokkene 1] .
Telefoonnummer [telefoonnummer 1]
Op 13 mei 2019 heeft het Telegram-account " [naam 4] ” het volgende bericht gestuurd:
“ [verdachte] heb je de simkaart met de nederlandse nummer nog waar me andere telegram op geregistreerd staat? Ik heb die dringend nodig. Misschien kan ik daar [betrokkene 14] contact op vinden in sha Allah"
Op 15 mei 2019 heeft het onderzoeksteam (met gebruikmaking van het Telegram-account van verdachte [verdachte] ) het volgende hierop geantwoord:
“ik zal kijken in shaa allh. Weet je wat het nummer was?"
Hierop antwoordde " [naam 4] ”:
“Ja ik ga die zo in sha Allah opzoeken".
Het onderzoeksteam antwoordde hierop:
“in shaa allah khyr"
Vervolgens stuurde " [naam 4] ":
“Kan je inloggen op jou mobiel of een andere? [telefoonnummer 4] ”
Gelet op bovenstaande heeft verdachte [verdachte] zeer vermoedelijk een simkaart met het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer 1] geregeld voor [betrokkene 1] , zodat zij middels bijbehorend telefoonnummer een Telegramaccount kon activeren.
Inbeslaggenomen goed met IBN-code […]
Op 20 mei 2019 deed ik, verbalisant, onderzoek in de in beslaggenomen digitale gegevensdragers van onderzoek [onderzoeknaam] . Ik zag in de uitgelezen data van de simkaart, die in een blauwe Nokia 5110 telefoon zat met IBN-code […] , de volgende sms-berichten:
Op 5 oktober 2018 is het volgende sms-bericht ontvangen van "LYCAMOBILE":
"Dear Customer, your permanent lycamobile number is [telefoonnummer 1] and Your Customer Identification PIN is [pin] . Thanks for using LycaMobile"
Op 6 oktober 2018 is het volgende sms-bericht ontvangen van telefoonnummer [telefoonnummer 5] : "Telegram code [code] ”.
Uit bovenstaande blijkt dat de door " [naam 4] " gevraagde simkaart op 15 februari 2019 in beslag is genomen bij de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Uit het op 5 oktober 2018 ontvangen sms-bericht blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is gekoppeld aan voornoemde simkaart.
19. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2019, nummer 20190306-4220, opgenomen als pagina 728 tot en met 789 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als relaas van de verbalisant:
In het kader van het onderzoek “ [onderzoeknaam] ” kreeg ik verbalisant A-4220 op woensdag 6 maart 2019 van mijn begeleidingsteam de opdracht het telegramprofiel, genaamd [telegram account] , behorende bij de verdachte, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972, te [naam 1] , over te nemen en de contacten te onderhouden waarmee dit profiel contact heeft.
Op vrijdag 26 april 2019, kreeg ik op dat account een bericht afkomstig van de accountnaam: ‘Ik hou van jou mijn schepper (vertaald uit Arabisch)’. In dat bericht stond onder andere het volgende:
Ik ben de vrouw van [betrokkene 15]
IS is gevallen
[betrokkene 15] is in de gevangenis van de PKK en de Amerikanen
Ik ben gevlucht.
Op 30 april 2019 kreeg ik van hetzelfde account het volgende bericht:
Zou je naar mijn bericht willen kijken op andere account? Ik heb je een bericht gestuurd onder de naam [naam 4] .
Op 29 april 2019 kreeg ik een bericht afkomstig van de accountnaam: ‘ [naam 4] ’. Daarin stond onder andere het volgende: Ik ben [betrokkene 15] vrouw. Dit is mijn Telegram. Ik heb je bericht op een andere account omdat ik nog geen telefoon had en nu wel.
Naar aanleiding van de bovengenoemde berichten, heb ik een chatcontact met het account [naam 4] onderhouden in de periode van 30 april 2019 tot 3 juni 2019.
Hieronder volgt een beknopte samenvatting van de chat (...)
Verder vertelde ze dat [betrokkene 15] een Telegramaccount had met de naam ‘ [naam 3] ’ en zij een telegramaccount had met de naam ‘ [naam 1] ’.
Ze vroeg aan mij om de gebruikersnaam [telegram account] te behouden en niet te veranderen omdat [betrokkene 15] deze naam uit zijn hoofd kende en dit zou de enige manier voor hem zijn om in contact met mij te komen.
Verder vroeg ze aan mij of ik nog de simkaart met het Nederlandse nummer [telefoonnummer 1] heb waarmee zij haar oude Telegramaccount aangemaakt had.
Met betrekking tot feit 1 en feit 2 [bedoeld is: feit 3, D.A.]
20. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 september 2019, nummer LERCA 19007-472, opgenomen als pagina 1072 tot en met 1128 in het voornoemd proces-verbaal, inhoudende als verklaring, van [verdachte] :
(pag. 1077)
V: Wie staan er op dat adres, [b-straat ] , nog meer ingeschreven?
A: Alleen ik.
(pag. 1078)
V: Welke goederen in uw woning zijn niet van u?
A: Alles is van mij. Het wapen is ook van mij.
V: Ten tijde van je aanhouding hebben er ook doorzoekingen plaatsgevonden. Daarbij zijn diverse goederen in beslag genomen. Daar wil ik het nu met je over hebben. Wij hebben in de woning in [plaats] , onder andere, de volgende goederen in beslag genomen.
Iphone 4S ( […] )
Iphone 6 ( […] )
MacBook Air ( […] ) .
(…)
V: Wie maken er allemaal gebruik van die telefoons en MacBook Air?
A: Ik.
V: Van wie is het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ?
A: Dat was mijn telefoonnummer.”
12. Het hof heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde als volgt overwogen (met weglating van één voetnoot):
“Juridisch kader
In het arrest van 14 maart 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kortgezegd, de in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde voorbereiding of bevordering van de in artikel 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht. Een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is niet vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat, gelet op de wetsgeschiedenis, de voor toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in artikel 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan artikel 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Het hof overweegt ten aanzien van de aan de verdachte, in het kader van de strafbaarstelling van artikel 96 lid 2 Sr, tenlastegelegde gedragingen die strekken tot het opzettelijk met het (terroristisch) oogmerk voorbereiden en/of bevorderen van het teweegbrengen van ontploffingen en/of moord en/of doodslag, onder feit 1 sub A en sub E feitelijk omschreven gedragingen het volgende.
De onder A tenlastegelegde gedraging
De verdachte wordt onder feit 1 sub A van de tenlastelegging verweten dat hij zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de terroristische organisatie van IS eigen heeft gemaakt. De rechtbank heeft dit onderdeel van de tenlastelegging bewezenverklaard en gekwalificeerd als een voorbereidings- en bevorderingshandeling van een terroristisch misdrijf zoals strafbaar gesteld in artikel 96 lid 2 Sr.
Het hof stelt op de eerste plaats op grond van het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte al langere tijd interesse heeft voor IS en dat hij gedurende een langere periode IS propaganda en overige documentatie met verwijzingen naar aanslagen, executies en andere angstaanjagende beelden, alsmede een radicale, extremistische leer op verschillende gegevensdragers en in handgeschreven teksten voorhanden heeft gehad en dat hij tevens aanwezig was op de Telegramkanalen van IS.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, wil er sprake zijn van een bewezenverklaring van artikel 96 lid 2 Sr, moet kunnen worden vastgesteld dat de feitelijke gedragingen van de verdachte die in dit verband ten laste zijn gelegd, tevens gericht waren op de in de artikelen 157 en/of 176a/b en/of 289(a) en/of 288a Sr omschreven misdrijven met een terroristisch oogmerk.
Het hof is van oordeel dat, om in het onderhavige geval tot een bewezenverklaring te kunnen komen van hetgeen - onder 1 sub A ten laste is gelegd, dit onderdeel in samenhang moet worden beschouwd met de overige feitelijke gedragingen zoals ten laste gelegd onder feit 1. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen blijkt dat het hof evenwel tot een vrijspraak komt van de onderdelen B, C, D, F en G. Bij die stand van zaken kan het hof niet uit de bewijsmiddelen afleiden dat verdachte bij het voorhanden hebben van het IS (propaganda) materiaal, en/of het aanhangen van het hiervoor omschreven gedachtegoed, tevens het oogmerk had op de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in artikel 96 lid 2 Sr. Naar het oordeel van het hof is het enkel verschaffen van een simkaart aan een lid van IS in Syrië (feit 1 sub E op de tenlastelegging, waarover hierna meer) daarvoor onvoldoende redengevend.
De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van de onder feit 1 sub A tenlastegelegde gedraging als voorbereidingshandeling.
De onder E tenlastegelegde gedraging
De verdachte wordt onder feit 1 sub E van de tenlastelegging verweten dat hij aan een lid van IS(IS) gelegenheid en/of middelen heeft verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen.
Het hof overweegt dat allereerst van belang is of kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die onder de benaming ‘ [telegram account] ’ heeft gecommuniceerd met anderen. Met de rechtbank overweegt het hof dat het dossier daaromtrent de volgende gegevens bevat.
Uit de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring en zijn bij de politie afgelegde verklaring op 3 september 2019, volgt dat de bij de doorzoeking van de [a-straat 1] in [plaats] aangetroffen iPhone 4s van hem is dat dat alleen hij daarvan gebruik maakt.
Op de iPhone 4s is de Telegram-app geïnstalleerd en daarbij wordt gebruik gemaakt van het Telegram-account “ [telegram account] " met profielnaam ‘ [telegram account] ’, gekoppeld aan het mobiele telefoonnummer + [telefoonnummer 3] . De verdachte heeft bij de politie verklaard dat dit nummer bij hem in gebruik is, hetgeen wordt bevestigd door getuige [betrokkene 13] , die heeft verklaard dat aan het telegramaccount [telegram account] het telefoonnummer [telefoonnummer 3] - dat in gebruik is bij de verdachte - is gekoppeld.
Uit onderzoek in de chatberichten in de telefoon blijkt dat de gebruiker van de iPhone 4s via Telegram chat met de gebruikersnaam " [telegram account] ".
Gelet op deze gegevens is het hof van oordeel dat de verdachte degene is die communiceert onder de benaming " [telegram account] ".
Het hof overweegt dat de stelling van de raadsvrouw dat, nu getuige [betrokkene 16] heeft verklaard dat haar man ook gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] - wat impliceert dat gelijktijdig bij twee verschillende personen hetzelfde telefoonnummer in gebruik is -, het niet uitgesloten is dat een andere persoon " [telegram account] " kan zijn, niets afdoet aan voormelde conclusie.
Deze stelling mist naar het oordeel van het hof namelijk feitelijke grondslag en is ook overigens onjuist en wel op grond van het navolgende.
Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer een persoon zijn telefoonnummer heeft opgezegd, die persoon nog wel gebruik kan maken van een aan dat nummer gekoppeld Telegram account, zolang de nieuwe gebruiker van het telefoonnummer niet zelf een Telegram account heeft aangemaakt dat gekoppeld wordt aan dat nummer. Het is dus mogelijk dat na 2 februari 2019, de datum waarop de man van getuige [betrokkene 16] zijn telefoon bij de Mediamarkt heeft gekocht, waarna hij vrij snel de bij de Turkse belwinkel gekochte simkaart met het nummer [telefoonnummer 3] in het toestel deed, en het toestel ging gebruiken voor belcontacten, het door verdachte aan dit nummer gekoppelde Telegram account " [telegram account] " nog steeds actief bleef. Dit blijkt ook uit het door een medewerker van het onderzoeksteam voortgezette gebruik van dit Telegramaccount, zoals de chatsessie met “ [naam 4] " in april/mei 2019, waarover hierna meer.
Nu het hof aldus heeft vastgesteld dat de verdachte “ [telegram account] ” is, overweegt het hof ten aanzien van de onder feit 1 sub E ten laste gelegde gedraging als volgt.
Uit het door de AIVD verstrekte ambtsbericht van 5 april 2019 blijkt dat [betrokkene 1] op 8 september 2016 met (haar echtgenoot) [betrokkene 2] is uitgereisd naar Syrië en dat zij zich aldaar heeft aangesloten bij IS(IS). Na de aanhouding van de verdachte is in zijn woning een Nokia telefoon aangetroffen met daarin een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat met het nummer [telefoonnummer 1] op 5 oktober 2018 een Telegramprofiel is geregistreerd en dat dit Telegramprofiel vrijwel identiek is aan het Telegramprofiel ‘ [naam 1] ’ dat toebehoort aan [betrokkene 1] . Aannemelijk is derhalve dat beide Telegramprofielen in gebruik zijn bij [betrokkene 1] .
In een chatsessie in april/mei 2019 tussen het telegramaccount ‘ [telegram account] ’ (welke op dat moment was overgenomen door een medewerker van het onderzoeksteam) en ‘ [naam 4] ' vraagt de laatste aan ‘ [telegram account] ’ of hij de simkaart met het Nederlandse nummer nog heeft waar het andere telegramaccount van ‘ [naam 4] ’ op geregistreerd staat. Enige tijd later geeft ‘ [naam 4] ’ aan dat het gaat om de simkaart met het nummer [telefoonnummer 1] .
Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat ‘ [naam 4] ’ [betrokkene 1] is. In dezelfde chatsessie antwoordt ‘ [naam 4] ’ op de vraag van ' [telegram account] ’ welke broeder de sim voor, haar had geregeld, met: 'jij'.
Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte degene is geweest die de simkaart heeft geregeld voor [betrokkene 1] , zodat zij door middel van bijbehorend telefoonnummer een Telegramaccount kon activeren. [betrokkene 1] was op dat moment uitgereisd naar Syrië en had zich aangesloten bij IS(IS).
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 sub E tenlastegelegde.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder E opgenomen handeling heeft verricht, zoals bewezenverklaard. De verdachte heeft een ander daarmee inlichtingen, gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van een misdrijf met een terroristisch oogmerk genoemd in de artikelen 157, 176a/b, 288a en 289a Sr. Het helpen bij het opzetten van een Telegramaccount is bevordering van communicatiemogelijkheden van leden van de terroristische organisatie IS, welke communicatiemogelijkheden ondersteunend zijn bij de misdrijven die door leden van IS worden gepleegd.”
De toelichting op het derde middel
13. De steller van het middel gaat in de toelichting nader in op de bewijsmiddelen die het hof (mogelijk) tot het oordeel hebben gebracht (i) dat de simkaart is geregeld én (ii) de activatie van het Telegramaccount is geschied nadat [betrokkene 1] was afgereisd en zich had aangesloten bij IS. In de kern luidt het betoog dat geen van deze bewijsmiddelen het oordeel van het hof op dit punt kunnen dragen.
De bespreking van het derde middel
14. Het hof is van oordeel dat de verdachte de communicatiemogelijkheden van leden van IS heeft bevorderd. Het hof acht namelijk bewezen dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 februari 2019, “aan een lid van IS(IS) gelegenheid en/of middelen verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen”, zulks (blijkens de bewijsmotivering) door in die periode voor [betrokkene 1] een simkaart ‘te regelen’ waarmee zij een Telegramaccount kon activeren, terwijl [betrokkene 1] op 8 september 2016 al naar Syrië was vertrokken (bewijsmiddel 10). Ik merk hierbij op dat het hof de in de tenlastelegging vermelde periode “van 8 september 2016 tot en met 15 februari 2019” in de bewezenverklaring heeft beperkt tot de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 februari 2019.
15. Deze beperking houdt klaarblijkelijk verband met de inhoud van bewijsmiddel 18. Uit dit bewijsmiddel komt naar voren dat op 5 oktober 2018 via de betreffende simkaart het volgende bericht van Lyca Mobile werd ontvangen: “Dear Customer, your permanent lycamobile number is [telefoonnummer 1] and Your Customer Identification PIN is [pin] . Thanks for using LycaMobile”.
16. Hoewel het hof hieraan geen nadere bewijsoverwegingen heeft gewijd, heeft het hof klaarblijkelijk uit dit bericht afgeleid dat de simkaart op of omstreeks de datum van het bericht, 5 oktober 2018, is geactiveerd c.q. in gebruik is genomen. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel heeft het hof deze gevolgtrekking m.i. kunnen maken. Een bericht over het ‘permanente telefoonnummer’ ontvang je doorgaans tegelijk met de ingebruikneming van de simkaart. Nádat de simkaart in gebruik is genomen, is een dergelijk bericht overbodig; dan weet de gebruiker immers al welk (permanente) telefoonnummer in het netwerk aan de simkaart is gekoppeld.
17. Aangezien deze simkaart op 15 februari 2019 onder de verdachte is veiliggesteld en [betrokkene 1] reeds vanaf september 2016 in Syrië verbleef, heeft het hof bovendien kunnen oordelen dat de simkaart door de verdachte in gebruik is genomen. Zodoende heeft de verdachte het mogelijk gemaakt dat [betrokkene 1] op dit telefoonnummer vervolgens een Telegramaccount activeerde. Wanneer zij dat precies heeft gedaan, is dan niet meer relevant.
18. Aangenomen dat het hof onder ‘het regelen van een simkaart’ mede heeft begrepen de ingebruikneming c.q. activering ervan, heeft het hof kunnen oordelen dat ‘het regelen van een simkaart’ (mede) heeft plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 15 april 2019.
19. Het derde middel faalt.
Het eerste en het tweede middel
20. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezen verklaarde “oogmerk” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel hieromtrent niet begrijpelijk is gemotiveerd.
21. Het tweede middel vecht het oordeel aan dat het helpen opzetten van een Telegramaccount geldt als “voorbereiding en/of bevordering” van terroristische misdrijven.
Het beoordelingskader: oogmerk tot voorbereiding en/of bevordering van terroristische misdrijven
22. Artikel 96 lid 2 Sr stelt de voorbereiding en bevordering van een aantal misdrijven tegen de staat strafbaar. In de Wet terroristische misdrijven is artikel 96 lid 2 Sr van overeenkomstige toepassing verklaard op een aantal terroristische misdrijven, waaronder een ontploffing teweegbrengen, moord en doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk., De parlementaire behandeling van de Wet terroristische misdrijven wijst uit dat de verruiming van het bereik van artikel 96 lid 2 Sr tot doel had om vroeg in de strafrechtelijke voorfase van terroristische misdrijven te kunnen optreden. Het voor te bereiden misdrijf hoeft om die reden ook nog weinig concreet te zijn. De voorbereidingshandelingen uit artikel 96 lid 2 Sr kunnen zelfs nog voorafgaan aan de handelingen die strafbaar zijn op grond van de ‘algemene’ voorbereidingsbepaling uit artikel 46 Sr. Dat beoogd is artikel 96 lid 2 Sr een ruimere reikwijdte te geven dan artikel 46 Sr valt overigens ook op te maken uit de tekst van de bepaling. Ik doel daarbij op het ‘zich of anderen trachten gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf te verschaffen’ dat enkel in artikel 96 lid 2 Sr is opgenomen.
23. Een relevante vraag is hoe het vereiste oogmerk zich verhoudt tot de geringe mate van concretisering van het voorbereide misdrijf die voor strafbaarheid op de voet van artikel 96 lid 2 Sr (minimaal) benodigd is. Meer in het algemeen merk ik eerst het volgende op. Voor een bewezenverklaring van ‘oogmerk’ is een hogere graad van opzet dan voorwaardelijk opzet nodig. ‘Oogmerk’ vereist op zijn minst noodzakelijkheidsbewustzijn. Dat betekent dat met enige zekerheid moet komen vast te staan (i) dat de verdachte de bedoeling had om het misdrijf voor te bereiden of te bevorderen of (ii) dat hij moet hebben beseft dat zijn gedraging noodzakelijkerwijs de voorbereiding of bevordering van het misdrijf tot gevolg zou hebben.
24. In een arrest van 14 maart 2017 heeft de Hoge Raad overwegingen gewijd aan de verhouding tussen het vereiste oogmerk en het voor te bereiden misdrijf. Naar het oordeel van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van ‘oogmerk’ voldoende dat “het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist.” Daarbij geeft de Hoge Raad te kennen dat de vereiste mate van concretisering die in dit verband geldt voor artikel 46 Sr ook geldt voor de toepassing van artikel 96 lid 2 Sr. Daarom is slechts vereist dat met “voldoende bepaaldheid” blijkt op welk terroristisch misdrijf de voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Het tweede middel en de toelichting daarop
25. De toelichting op het tweede middel bevat verscheidene klachten. Zo wordt geklaagd dat het hof meer delicten onder het bereik van artikel 96 lid 2 Sr brengt dan daarin staan omschreven doordat het hof overweegt dat het helpen opzetten van een Telegramaccount – kort gezegd – dienstig is voor ‘misdrijven die door IS worden gepleegd’. Verder volgt uit de bewijsmiddelen niet dat het beschikken over een Telegramaccount ondersteunend is bij het begaan van de in artikel 96 lid 2 Sr genoemde terroristische misdrijven. Het regelen van een simkaart levert volgens de steller van het middel überhaupt geen vorm van voorbereiding op nu een simkaart (en een Telegramaccount) niet in een specifieke relatie tot de terroristische misdrijven staan.
De bespreking van het tweede middel
26. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte ten behoeve van de gewapende jihad, in welke strijd met een terroristisch oogmerk brandstichtingen, het teweegbrengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd, een lid van IS gelegenheid en/of middelen heeft verschaft om in het strijdgebied gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen. Naar het oordeel van het hof levert het helpen opzetten van een Telegramaccount voorbereiding en/of bevordering van de communicatiemogelijkheden van leden van IS op en zijn die communicatiemogelijkheden ondersteunend bij de misdrijven die door deze IS-leden worden gepleegd.
27. In cassatie wordt niet betwist dat de verdachte de simkaart voor [betrokkene 1] heeft geregeld. De vraag die hier ter discussie staat is dus of het hof – op basis van de bewijsvoering – heeft kunnen oordelen dat het verstrekken van de simkaart voorbereiding en/of bevordering van bedoelde terroristische misdrijven oplevert. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. [betrokkene 1] maakte gebruik van een Telegramaccount dat gekoppeld was aan de simkaart die de verdachte voor haar had geregeld (bewijsmiddelen 11 en 17). Ze heeft de simkaart op enig moment kennelijk dringend nodig om in contact te komen met een zekere ‘ [betrokkene 14] ’ (bewijsmiddelen 17 en 18). Verder zette [betrokkene 1] een ander Telegramaccount in om op het Telegramkanaal ‘ [F] ’, waarvan zij ook medebeheerder was, op te roepen tot het plegen van aanslagen tegen of in het Westen (bewijsmiddel 10).
28. Mijns inziens heeft het hof op basis van het voorgaande kunnen oordelen dat de gedragingen van de verdachte voorbereiding en/of bevordering van de bedoelde terroristische misdrijven opleveren. Dat oordeel is tevens toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de inhoud van de bewijsmiddelen het belang van een Telegramaccount – en daarmee ook het belang van de simkaart waaraan dat Telegramaccount gekoppeld wordt – voor [betrokkene 1] in haar hoedanigheid van IS-lid onderstrepen. Zij gebruikt haar Telegramaccounts immers onder meer om anderen aan te zetten tot het plegen van aanslagen. Tot een nadere concretisering van de relatie tussen de simkaart en de bedoelde terroristische misdrijven was het hof, gelet op hetgeen in het beoordelingskader is opgenomen, niet gehouden.
29. Het tweede middel faalt.
Het eerste middel en de toelichting daarop
30. In de toelichting op het eerste middel wordt ingegaan op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. De steller van het middel betoogt dat geen van de bewijsmiddelen toereikend is voor het oordeel dat bij de verdachte het vereiste oogmerk bestond en dat het enkele verschaffen van een simkaart bovendien onvoldoende is om dat oogmerk aan te nemen.
De bespreking van het eerste middel
31. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de simkaart regelde voor [betrokkene 1] met het oogmerk om de bedoelde terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen.
32. Ook hier gaat het om de vraag of het hof het oogmerk van de verdachte uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden. In de eerste plaats merk ik op dat niet wordt betwist – en dat zou mij overigens ook weinig kansrijk lijken, aangezien aangenomen mag worden dat dit een feit van algemene bekendheid is – dat IS een jihadistische groep is die, zoals het hof heeft bewezen verklaard, met een terroristisch oogmerk bepaalde misdrijven pleegt, te weten het teweegbrengen van ontploffingen en het plegen van moord en doodslag. Verder is het volgende relevant. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij via het nieuws op de hoogte was van het vertrek naar Syrië van [betrokkene 2] , de echtgenoot van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1). De verdachte had een Telegramaccount (bewijsmiddelen 12 en 13). [betrokkene 1] had via Telegram contact met de verdachte (bewijsmiddelen 11, 17 en 19). Ook had de verdachte contact met het Telegramaccount van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 14). Verder laten de bewijsmiddelen zien dat de verdachte een grote hoeveelheid jihadistisch en/of IS-gerelateerd (beeld)materiaal tot zijn beschikking had, waaronder filmpjes van aanslagen, IS-propagandamateriaal en handgeschreven gedichten met jihadistische teksten (bewijsmiddelen 3, 4, 6, 8, en 9).
33. De inhoud van de bewijsmiddelen maakt duidelijk dat de verdachte goed op de hoogte was van de activiteiten en nagestreefde doelen van IS, en derhalve ook van het feit dat IS een jihadistische groep is die met een terroristisch oogmerk ontploffingen teweegbrengt en moord en doodslag pleegt. Daarnaast kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] zich in Syrië bij IS had aangesloten. Dat wordt door de steller van het middel ook niet betwist. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemend dat een concretisering naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering niet is vereist, moet de verdachte hebben beseft dat het regelen van de simkaart voor [betrokkene 1] een voorbereiding en/of bevordering van de bedoelde terroristische misdrijven inhield. Het oordeel van het hof dat het vereiste oogmerk bewezen kon worden verklaard acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
Het vierde middel
34. Het vierde middel klaagt over de verbeurdverklaring van een computer en twee harddisks (de voorwerpen 13, 15 en 16). Uit de inhoud van de bewezenverklaring en ’s hofs bewijsmotivering blijkt volgens de steller van het middel niet van een verband tussen de voorwerpen en het bewezen verklaarde feit en uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan niet worden opgemaakt dat er is gesproken over deze voorwerpen.
35. Het hof heeft geoordeeld dat het bewezen verklaarde feit met behulp van de genoemde voorwerpen is begaan en dat de voorwerpen daarom vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien op welke wijze de voorwerpen behulpzaam (kunnen) zijn geweest bij het bewezen verklaarde feit.
36. Het vierde middel slaagt.
Het vijfde middel
37. Het vijfde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
38. Namens de verdachte is op 23 december 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 27 februari 2024 bij de Hoge Raad binnengekomen, derhalve ongeveer veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
Slotsom
39. Het vierde en het vijfde middel slagen. De overige middelen falen.
40. Ik merk ambtshalve op dat de redelijke termijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep verloopt op 23 december 2024. Indien de Hoge Raad vóór 23 januari 2025 uitspraak doet, kan worden volstaan met de constatering van de overschrijding van die termijn. Zo niet, dan dient dit te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
41. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en slechts wat betreft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen 13, 15 en 16 tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG