ECLI:NL:PHR:2024:1175

ECLI:NL:PHR:2024:1175, Parket bij de Hoge Raad, 25-10-2024, 23/02122

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-10-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/02122
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:910
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0017745

Samenvatting

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:1179 Art. 47 Wfsv. Art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv. Toepassing premiekorting bij opvolgende kwalificerende dienstbetrekking indien bij eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting niet is toegepast.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02122

Datum 25 oktober 2024

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Loonheffingen 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017

Nr. Gerechtshof 21/01824

Nr. Rechtbank 20/5138

CONCLUSIE

M.R.T. Pauwels

In de zaak van

de staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)

tegen

[X] B.V. (belanghebbende)

1. Inleiding

Deze zaak gaat over de toepassing van de voormalige premiekorting oudere werknemer in het geval van opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen van een werknemer bij dezelfde werkgever. Bij deze conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage).

Het Hof heeft geoordeeld, in de kern, dat (i) art. 47 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) op zichzelf geen beperkingen stelt aan het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast, en dat (ii) de regels in art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv geen toepassing vinden in een geval als dit waarin de werkgever bij de eerdere kwalificerende dienstbetrekking geen premiekorting heeft toegepast.

De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Bijlage behandelt de kwestie waarop het middel betrekking heeft. Uit de Bijlage volgt dat het middel – ook als het ruim wordt opgevat – faalt.

Het cassatieberoep van de Staatssecretaris is naar mijn mening ongegrond.

2. De feiten en het geding in feitelijke instanties

Vooraf

Normaliter neem ik aan het begin van een conclusie (onder meer) een zakelijke weergave van de feiten, het bestreden oordeel van de feitenrechter, het procesverloop in cassatie en de inhoud van het cassatieberoep op. De opbouw van de conclusie is in dit geval anders. De uitspraak van het Hof bevat (veel) feitelijke gegevens over de betrokken werknemers, maar die gegevens zijn voor de beoordeling van het geschil in cassatie niet direct relevant, gelet op de kwestie die het middel aan de orde stelt. Verder bevat de Bijlage al informatie over de zaak, waaronder over het oordeel van de feitenrechters en de inhoud van het middel. Ik doe het in dit geval daarom anders en korter.

Het verloop van het geding tot cassatie

Het object van het geschil betreft – voor zover in cassatie van belang – een naheffingsaanslag loonheffingen die de Inspecteur aan belanghebbende heeft opgelegd. Het geschil heeft betrekking op de correctie van de toegepaste premiekorting. In deze zaak gaat het enkel om de toepassing van art. 47 Wfsv met betrekking tot één werknemer.

Daarbij speelt de in de Bijlage (punt 1.4) bedoelde overkoepelende vraag. De Rechtbank heeft die vraag in het voordeel van belanghebbende beantwoord; de overwegingen daartoe zijn vermeld in Bijlage, punt 4.2. Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard. De belangrijkste overwegingen daartoe zijn vermeld in Bijlage, punt 4.1.

Het geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft gemeld geen conclusie van repliek in te dienen.

Het middel

Het middel heeft betrekking op het oordeel van het Hof over de overkoepelende vraag.

3. Beoordeling van het middel

Ik begrijp het middel zo dat het alleen opkomt tegen de uitleg door het Hof van art. 47 Wfsv (Bijlage, punt 5.38-5.41). Het middel faalt, omdat ’s Hofs uitleg juist is; zie Bijlage, punt 1.5 en 5.9-5.37.

Ook als het middel ruimer moet worden begrepen, namelijk dat het ook opkomt tegen ’s Hofs uitleg van art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv, kan het niet tot cassatie leiden. Die uitleg is namelijk juist voor zover zij inhoudt dat die bepalingen geen toepassing vinden indien bij een eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting niet daadwerkelijk door de werkgever is toegepast. Zie Bijlage, punt 1.6 en 5.44-5.71.

4. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2024110808 FutD 2024-2350 NLF 2024/2792 met annotatie van Heidi Bröker
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?