PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00552 Br
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 12 februari 2024 het klaagschrift van de klager ex art. 552a jo. 5.4.10 Sv, strekkende tot teruggave van in beslag genomen voorwerpen ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het procesverloop
Uit de (niet vertrouwelijke) gedingstukken kan het volgende worden afgeleid:
(i) Op 15 november 2023 is onder de klager naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten beslag gelegd op een geldbedrag van in totaal €10.380, tien mobiele telefoons, meerdere kledingstukken, een DVD-recorder, een pistool van het merk Walther P99 DAO (vermoedelijk nep), een bijbehorende patroonhouder, drie kentekenplaten, drie autosleutels, een kentekenbewijs met een brief van het RDW en vuurwerk.
(ii) Namens de klager is op 21 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, met uitzondering van het vuurwerk.
(iii) De rechtbank heeft dit klaagschrift op 29 januari 2024 in openbare raadkamer behandeld en bij beschikking van 12 februari 2024 ongegrond verklaard. Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank het EOB en het besluit van de Duitse onderzoeksrechter tot doorzoeking van de woning van de klager niet heeft verstrekt aan de klager en zijn advocaat omdat de Duitse autoriteiten in het EOB hebben verzocht om geheimhouding van het onderzoek.
3. Het middel
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank niet kenbaar en gemotiveerd heeft beslist op het door de raadsman van de klager gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift ter uitvoering van een door de rechtbank aan het openbaar ministerie te verstrekken opdracht om bij de Duitse autoriteiten na te gaan of – om door de raadsman genoemde redenen – er (nog steeds) bezwaren bestaan tegen de kennisneming door de verdediging van de stukken, opdat kan worden vastgesteld of de uitzondering als bedoeld in art. 23 lid 6 Sv zich nog voordoet, terwijl uit de beschikking niet blijkt dat een motivering van de beslissing niet mogelijk was vanwege de plicht tot geheimhouding.
Voor de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in het kader van een EOB de Nederlandse autoriteiten ingevolge art. 19 Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, verplicht zijn geheimhouding van het onderzoek en van de feiten en de inhoud van het EOB te betrachten. Om die geheimhouding hoeft niet expliciet door de uitvaardigende autoriteit te worden gevraagd. De Hoge Raad heeft bepaald dat de verplichting tot geheimhouding – behoudens het geval dat uit het EOB of anderszins blijkt dat de uitvaardigende autoriteit naleving van hiervan niet nodig acht – ook geldt wanneer een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv aan de klager is uitgereikt en een klaagschriftprocedure is gestart. Deze geheimhoudingsverplichting staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie op grond van art. 23 lid 5 Sv alle op de zaak betrekking hebbende stukken moet overleggen en dat de raadkamer die over het klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt. De verplichting tot geheimhouding is doorgaans de grond voor de rechter aan te nemen dat het belang van het onderzoek van de uitvaardigende staat ernstig wordt geschaad als de betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van de stukken waaruit de inhoud van het EOB blijkt. In dat geval onthoudt de raadkamer die kennisneming op de voet van artikel 23 lid 6 Sv.
Het belang van een effectieve rechtsbescherming van de betrokkene kan echter meebrengen dat het openbaar ministerie eerst aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voorlegt of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door de betrokkene van een bepaald stuk. Dit doet zich voor als (i) de kennisneming van en een eventuele reactie op een specifiek onderdeel van het EOB of een bepaald bij het EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor de beoordeling van het klaagschrift door de rechter, en (ii) er aanleiding bestaat te vermoeden dat de belangen van de uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als de kennisneming van de betreffende informatie aan de betrokkene zou worden toegestaan. In een dergelijk geval legt, voordat de rechtbank beslist over de kennisneming van het stuk, het openbaar ministerie – al dan niet op grond van een daartoe ex art. 23 lid 1 Sv door de raadkamer gegeven bevel – deze vraag voor aan de uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat de uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van artikel 23 lid 6 Sv in zoverre achterwege.
De klager kan tijdens de behandeling van een klaagschrift ex art. 5.4.10 lid 1 jo. 552a Sv aan de raadkamer het verzoek doen op grond van art. 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen of bezwaren bestaan tegen kennisneming door de klager van een bepaald stuk, en de behandeling van het klaagschrift aan te houden totdat dit is geschied. Als een dergelijk verzoek wordt gedaan beoordeelt de raadkamer, mede op grond van de stukken waarvan zij kennisneemt, of hiertoe noodzaak bestaat. De rechter is niet gehouden de beslissing op het verzoek te motiveren als de verplichting tot geheimhouding jegens de uitvaardigende staat zich daartegen verzet.
Ik neem met mijn ambtgenoot AG Harteveld aan, dat indien de klager het hiervoor bedoelde verzoek tot het doen van navraag doet, het op de weg van de klager ligt om nader te onderbouwen waarin de potentiële schending van de effectieve rechtsbescherming van de klaagster ligt.
Het middel gaat uit van de veronderstelling dat de raadsman in de onderhavige zaak “klaarblijkelijk (mede)” een verzoek tot aanhouding heeft gedaan ter uitvoering van een door de rechtbank ex art. 23 lid 1 Sv aan de officier van justitie te verstrekken opdracht om na te gaan of bij de Duitse autoriteiten (nog steeds) bezwaren bestaan tegen de kennisneming door de verdediging van “de stukken”. Er wordt niet nader gespecificeerd welke stukken.
Dat de verdediging de rechtbank heeft verzocht de officier van justitie ex art. 23 lid 1 Sv een dergelijk bevel te geven, kan ik echter uit de processtukken niet opmaken.
In het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer is het volgende opgenomen:
“De raadsman voert als volgt het woord:
Het EOB is niet aan de verdediging verstrekt, waardoor de verdediging niet kan vaststellen dat de doorzoeking ter uitvoering van het EOB op goede gronden is bevolen. De verdediging kan niet vaststellen of er in Nederland een rechter-commissaris is geweest die een beslissing ten aanzien van de doorzoeking heeft genomen. Op basis van artikel 23 lid 5 Sv dienen de beschikbare stukken aan de verdediging te worden overgelegd, waarop - gelet op artikel 23 lid 6 Sv - slechts een uitzondering kan worden gemaakt indien het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad. Het is niet aan de Duitse autoriteiten, maar aan de officier van justitie om te beoordelen of het onderzoek kan worden geschaad wanneer er stukken worden verstrekt. Gelet op het feit dat er na de doorzoekingen van 15 november 2023 meerdere verdachten zijn aangehouden en overgeleverd aan Duitsland, dient te worden onderzocht of die verdachten wél in kennis zijn gesteld van de verdenking, waardoor een uitzondering als bedoeld in artikel 23 lid 6 Sv zich ten aanzien van de klager mogelijk niet meer voordoet [mijn onderstreping]. Ook dient in het EOB duidelijk te zijn omschreven welke goederen er in beslag moeten worden genomen. De inbeslagname dient zich te beperken tot gegevensdragers en vermogensvoordeel, waarvan bekend staat dat ze worden gebruikt als plofkraakattributen.
Primair verzoek ik het klaagschrift gegrond te verklaren omdat niet blijkt dat het EOB op goede gronden is bevolen. Subsidiair verzoek ik om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift, zodat er duidelijkheid kan komen over de grond tot de onthouding van beschikbare stukken [mijn onderstreping]. Meer subsidiair verzoek ik het klaagschrift ten aanzien van de goederen die geen gegevensdragers en geld betreffen gegrond te verklaren en die goederen aan de klager terug te geven.”
In hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht lees ik geen verzoek aan de rechtbank om aan het openbaar ministerie op te dragen bij de Duitse autoriteiten navraag te doen of bezwaar bestaat tegen kennisneming door de verdediging van het EOB of daarmee samenhangende stukken. Voor zover geklaagd wordt over het verzuim van de rechtbank op een dergelijk verzoek te beslissen, faalt het middel dan ook.
Het aanhoudingsverzoek zoals dit is gedaan heef het oog op het verkrijgen van “duidelijkheid (…) over de grond tot de onthouding van beschikbare stukken”. Wat hiermee wordt bedoeld is mij niet duidelijk. In ieder geval verkeerde de raadsman van de klager in de (onjuiste) veronderstelling dat het oordeel hierover aan de Nederlandse officier van justitie en niet aan de Duitse autoriteiten toekomt.
De rechtbank heeft in haar beschikking tot uitdrukking gebracht dat de grond voor deze onthouding ligt in het verzoek van de Duitse autoriteiten tot geheimhouding van het EOB. Ik citeer uit de beschikking:
“Procedure
(…)
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De Duitse autoriteiten hebben in de aanhef van het door hen uitgevaardigde EOB verzocht om geheimhouding van het onderzoek. Het EOB en het besluit van de Duitse onderzoeksrechter tot doorzoeking van de woning van klager zijn daarom niet verstrekt aan klager en zijn advocaat.
(…)
Oordeel van de rechtbank
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De Duitse autoriteiten hebben in de aanhef van het door hen uitgevaardigde EOB verzocht om geheimhouding van het onderzoek. Het EOB en het besluit van de Duitse onderzoeksrechter tot doorzoeking van de woning van klager zijn daarom niet verstrekt aan klager en zijn advocaat.”
In dit oordeel ligt de afwijzing van het aanhoudingsverzoek zoals dat door de raadsman is gedaan besloten. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 voorop is gesteld acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
Indien hetgeen subsidiair namens de klager naar voren is gebracht wel zou moeten worden aangemerkt als een verzoek aan de rechter tot het geven van een bevel ex art. 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie om navraag te doen bij de Duitse autoriteiten naar de wens tot geheimhouding, merk ik ten overvloede nog het volgende op.
De klager heeft niet nader onderbouwd waarom de effectieve rechtsbescherming van de klager in het kader van de onderhavige beklagprocedure zou worden geschonden doordat de rechtbank niet op het verzoek heeft beslist.
De officier van justitie heeft in het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie, waarover de advocaat van klager beschikte, vermeld dat de klager wordt verdacht van betrokkenheid bij het plegen van plofkraken in Duitsland in georganiseerd verband. Tijdens de raadkamerzitting heeft de officier van justitie daarnaast het volgende naar voren gebracht:
“De inbeslaggenomen goederen betreffen bewijsmateriaal waarop het EOB betrekking heeft. De inbeslagname was rechtmatig en ondanks dat bij de beoordeling van het klaagschrift niet de vraag aan de orde is of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, is het strafvorderlijk belang wel aanwezig, namelijk de waarheidsvinding en/of het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het moet niet hoogst onwaarschijnlijk worden geacht dat de Duitse strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring van de goederen zal uitspreken. Deze zouden immers kunnen worden aangemerkt als vruchten verkregen door betrokkenheid bij criminaliteit en de deelneming aan een criminele organisatie. Bij de doorzoeking zijn goederen aangetroffen waarvan bekend is dat ze gebruikt worden als plofkraakattributen. Er is specifiek gezocht naar gegevensdragers, daderkleding, contant geld, vuurwerk en kentekenplaten. Ook is de doorzoeking ter uitvoering van het EOB op juiste gronden bevolen, nu dit een marginale toets omvat en een rechter-commissaris op basis van de stukken heeft bevonden dat aan de vereisten is voldaan. Het is niet aan het Openbaar Ministerie in Nederland om te beslissen dat stukken niet langer geheim hoeven te worden gehouden, gelet op het feit dat het een onderzoek van de Duitse autoriteiten betreft. De raadsman dient zich daartoe te wenden tot de Duitse autoriteiten. Nu aan de voorwaarden voor erkenning van het EOB voldaan is, en alle goederen dienen tot waarheidsvinding, dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.”
Gelet op de informatie die de officier van justitie heeft verstrekt valt, zonder nadere toelichting, niet goed in te zien welk verdedigingsbelang in het kader van de beklagprocedure nog gediend is bij de kennisneming van het EOB en de daarbij behorende stukken.
4. Conclusie
Het middel faalt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG