PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01402
Zitting 8 november 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de vader] ,hierna: de vader,advocaat: mr. R.K. van der Brugge
tegen
1. de raad voor de kinderbescherming, hierna: de raad,
2. de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, hierna: de GI,
3. [de moeder] , hierna: de moeder.
1. Inleiding en samenvatting
In deze zaak heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De kinderrechter heeft de vader zonder gezag in deze procedure niet als belanghebbende aangemerkt. Tegen deze procedurele beslissing heeft de vader hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de beslissing van de kinderrechter de vader niet als belanghebbende aan te merken, bekrachtigd. Volgens het hof is weliswaar sprake van family life tussen de vader en de minderjarige, maar wordt dit recht niet rechtstreeks geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat de vader geen belanghebbende in de procedure is. In cassatie wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof de minderjarige ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken over het ingediende beroepschrift (art. 809 lid 1 Rv). Verder wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof dat de vader niet als belanghebbende is aan te merken. Naar mijn oordeel dient het cassatieberoep verworpen te worden.
2. Feiten en procesverloop
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft het gezag over de minderjarige.
De minderjarige is onder toezicht gesteld van de GI op 22 februari 2018. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, totdat deze beëindigd werd op 9 mei 2022. Tijdens deze ondertoezichtstelling is de minderjarige uithuisgeplaatst geweest bij een pleeggezin.
Bij beschikking van 13 juni 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader.
Op 14 juni 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige op het adres van de grootvader van moederszijde verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, tot 27 juni 2023, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Deze machtiging is in de plaats gesteld van genoemde machtiging van 13 juni 2023.
Bij beschikking van 21 juni 2023 van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel is de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd tot 13 september 2023. In diezelfde beschikking is de machtiging om de minderjarige uit huis te plaatsen op het adres van de grootvader van moederszijde of van een ander persoon uit het brede netwerk van de moeder of de vader, verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
In de procedures die leidden tot de beschikkingen van 13 en 21 juni 2023 is de vader door de kinderrechter als belanghebbende aangemerkt.
De raad heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel (hierna: de kinderrechter) bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 6 september 2023, verzocht om de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden te verlenen. In het kader van deze procedure heeft een kindgesprek plaatsgevonden op 5 september 2023.
De vader heeft verzocht om hem in deze procedure als belanghebbende aan te merken. De vader heeft daarbij primair verzocht om afwijzing van het verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin te verlenen en om ambtshalve een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige op het adres van de vader te verlenen. Subsidiair heeft de vader verzocht om een bijzondere curator voor de minderjarige.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 11 september 2023 plaatsgevonden.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 september 2023 op de verzoeken van de raad beslist en de minderjarige onder toezicht gesteld tot 11 september 2024 en een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend tot 11 maart 2024.
De kinderrechter heeft bij afzonderlijke beschikking van 11 september 2023 beslist dat de vader geen belanghebbende is in deze procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.
Daartoe overwoog de kinderrechter als volgt:
“Het verzoek
De raad heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar. Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin verzocht voor de duur van zes maanden.
De beoordeling
Het standpunt van de vader
Namens en door de vader is verzocht om hem in deze procedure als belanghebbende aan te merken. De advocaat van vader stelt zich op het standpunt dat de vader in elk geval tot na afloop van de mondelinge behandeling als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hij verzoekt in dat kader primair om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de heer en mevrouw [naam pleegouders] en een ambtshalve machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] op het adres van de vader. Subsidiair wordt verzocht om een bijzondere curator voor [de minderjarige], zodat er goed gekeken kan worden naar de wens van [de minderjarige].
(…)
Ten aanzien van de procespositie van de vader
De kinderrechter beantwoordt eerst en in een de vraag of de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt.
In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd. Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
Vaststaat dat de vader niet het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarige. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook de niet-gezaghebbende ouder aangemerkt kan worden als belanghebbende, wanneer er sprake is van ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure op dat recht betrekking heeft. De vader heeft op dit moment geen contact (meer) met [de minderjarige] en het is evenmin duidelijk of, wanneer en op welke wijze er contactherstel gaat plaatsvinden. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat er niet kan worden gesproken van een procedure waarbij inbreuk wordt gemaakt op dit ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
Bij het ontbreken van ‘family life’ (gezinsleven) wordt een vader zonder gezag in beginsel niet geraakt in zijn belangen door een ondertoezichtstelling. In het kader van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] dient te worden ingezet op intensieve hulpverlening in de thuissituatie bij moeder in de vorm van Gezinsfact, met als doel een veilige (gefaseerde) thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter de vader in deze fase van de procedure niet aanmerken als belanghebbende. Dit maakt ook dat de vader niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de namens hem gedane verzoeken.”
De vader heeft tegen deze beschikking bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 10 november 2023, hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). De vader heeft het hof verzocht de beschikking van de kinderrechter te vernietigen en hem alsnog als belanghebbende aan te merken.
De GI heeft verweer gevoerd.
Op 14 december 2023 vond de mondelinge behandeling plaats. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij de mondelinge behandeling waren de vader met zijn advocaat en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig.
Bij beschikking van 11 januari 2024 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
De relevante overwegingen van het hof luiden:
“3. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
In de wet is bepaald wanneer iemand belanghebbende is in familiezaken. De persoon wiens rechter of verplichtingen rechtstreeks door de zaak worden geraakt, is belanghebbende. Een ouder zonder gezag kan niet zonder meer worden aangemerkt als belanghebbende in een zaak over een ondertoezichtstelling, omdat de ondertoezichtstelling de rechten of verplichtingen van die ouder niet rechtstreeks raakt. Het is mogelijk dat een ouder zonder gezag toch als belanghebbende wordt aangemerkt, als die ouder family life heeft met de minderjarige en de procedure inbreuk maakt op het recht op family life. Of dat zo is, beoordeelt de kinderrechter naar de omstandigheden van het geval.
Wat vindt het hof?
Het hof is van oordeel dat de vader family life heeft met [de minderjarige]. Na de geboorte van [de minderjarige] heeft de vader met de moeder en [de minderjarige] een gezin gevormd. De vader heeft [de minderjarige] jarenlang opgevoed en verzorgd, totdat [de minderjarige] ongeveer zeven jaar oud was. In deze periode is tussen de vader en [de minderjarige] family life ontstaan. Als tussen een ouder en een kind eenmaal family life bestaat, kan dat alleen verbroken worden wanneer sprake is van bijzondere en zwaarwegende omstandigheden. Family life wordt niet verbroken door het enkele feit dat de ouder en de minderjarige geen contact meer hebben. Het hof is van oordeel dat het family life tussen de vader en [de minderjarige] niet verbroken is. Hoewel [de minderjarige] in 2018 uit huis is geplaatst en de vader geen omgangsregeling heeft, hebben [de minderjarige] en de vader in 2019 nog wel contact met elkaar gehad. Later, in 2022, hebben de vader en [de minderjarige] contact gehad via social media. Bovendien heeft [de minderjarige] in de zomer van 2023 een paar weken bij de vader gewoond. In die periode heeft de kinderrechter op 13 juni 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader verleend. Hoewel die plaatsing al na één dag is beëindigd en de machtiging is vervangen door genoemde machtiging van 14 juni 2023, was de kinderrechter destijds wel van oordeel dat [de minderjarige] onderdeel was van het gezin van de vader.
Het hof moet dus de vraag beantwoorden of het recht op family life tussen de vader en [de minderjarige] rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de vader geen belanghebbende is bij de huidige stand van de procedure.
In juni 2023 is er bij de rechtbank ook een procedure geweest over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]. [De minderjarige] woonde toen een paar weken bij de vader. Daarna is hij bij zijn opa (mz) en later bij de familie [naam familie] geplaatst. Het hof merkt op dat de vader in die procedure wel belanghebbende was. Toen beoordeelde de kinderrechter immers of [de minderjarige] bij de vader moest blijven of niet. Die beslissing van de kinderrechter had rechtstreeks invloed op de manier waarop de vader zijn family life met [de minderjarige] kan invullen.
In de huidige procedure is dat niet meer het geval. [De minderjarige] woont nu bij de familie [naam familie]. De GI onderzoekt in het kader van de ondertoezichtstelling of [de minderjarige] in de toekomst weer bij de moeder kan wonen, bij wie hij vanaf 2019 – tot juni 2023 – woonde. Een plaatsing bij de vader is niet meer aan de orde. De vader heeft het hof ter zitting verteld dat hij geen enkel contact meer heeft gehad met [de minderjarige] sinds [de minderjarige] in juni 2023 bij zijn opa werd geplaatst. De GI heeft verteld dat [de minderjarige] zelf heeft besloten om het contact met de vader te verbreken. De GI heeft verteld dat het nog wel een van de doelen van de ondertoezichtstelling is om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te herstellen. De kinderrechter heeft in de beschikking over de ondertoezichtstelling geschreven dat de GI zich daarvoor moet inspannen. De vader heeft echter heel duidelijk verteld dat hij niet met de GI gaat samenwerken. Hij maakt de brieven van de GI niet open en wil absoluut niet met de GI in gesprek. Het hof stelt vast dat de GI dus niet aan het beoogde contactherstel kan werken, omdat de vader dat onmogelijk maakt. De ondertoezichtstelling kan daarom geen invloed hebben op het (ontbreken van) contact tussen de vader en [de minderjarige].
Samenvattend is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing geen invloed hebben op de manier waarop de vader zijn family life met [de minderjarige] invult. Het recht op family life wordt dus niet rechtstreeks geraakt door de procedure daarover. De vader kan daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt in die procedure.
Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking van 11 september 2023.”
De vader heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking over zijn procespositie bij het verzoek tot ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. In zijn procesinleiding van 10 april 2024 heeft hij een voorbehoud gemaakt vanwege het nog niet beschikbaar zijn van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 december 2023. Bij brief van 17 mei 2024 heeft de vader zijn procesinleiding naar aanleiding van het inmiddels beschikbare proces-verbaal aangevuld.In cassatie is geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
De procesinleiding in cassatie kent twee cassatiemiddelen. In cassatiemiddel I wordt geklaagd dat de minderjarige door het hof niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken. Cassatiemiddel II bestrijdt de beslissing van het hof om de vader niet als belanghebbende aan te merken.
Cassatiemiddel I: hoorrecht op grond van artikel 809 lid 1 Rv
In het eerste cassatiemiddel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken en zodoende het bepaalde in artikel 809 Rv niet in acht heeft genomen. Althans, zo klaagt het middel, is de beslissing van het hof om de minderjarige niet in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd.
Aangezien het cassatieberoep alleen is ingesteld tegen de beschikking van het hof over de procespositie van de vader in de zaak over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, begrijp ik de klacht zo dat het ten betoge strekt dat het hof de minderjarige in de gelegenheid had moeten stellen zijn mening te kenbaar te maken over het verzoek van de vader de beschikking van de kinderrechter te vernietigen en hem alsnog als belanghebbende aan te merken.
Bij de beoordeling van dit middel stel ik het volgende voorop.
Ingevolge artikel 809 Rv beslist de rechter in zaken betreffende minderjarigen niet dan na de minderjarige van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken. Minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hebben bereikt, kan de rechter in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze.
Het procedurevoorschrift van artikel 809 Rv dient mede om uitvoering te geven aan artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK):
1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of van een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.
Het procedurele voorschrift van artikel 809 Rv houdt niet de plicht voor de rechter in om de minderjarige daadwerkelijk te horen, maar om die daartoe in de gelegenheid te stellen. De minderjarige heeft dus een hoorrecht. Daarvan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgezien. Zo bepaalt artikel 809 lid 1 Rv dat het hoorrecht niet geldt in een zaak van kennelijk ondergeschikt belang. Ook mag de rechter ervan afzien de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken als deze mening niet kan worden afgewacht in verband met onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige (art. 809 lid 3 Rv). De Hoge Raad noemt daarnaast nog drie buitenwettelijke uitzonderingen op grond waarvan de rechter ervan kan afzien de minderjarige in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken: als volgens de rechter aannemelijk is dat de minderjarige niet gehoord wil worden, als de minderjarige wegens een lichamelijke of geestelijke stoornis niet in staat is zich een mening te vormen, of als valt te vrezen dat het bieden van de gelegenheid om te worden gehoord de gezondheid van de minderjarige zal schaden.
De wetgever heeft geen definitie gegeven van het begrip ‘zaken betreffende minderjarigen’, zoals dit niet alleen in artikel 809 Rv, maar ook in artikel 808 Rv genoemd wordt. Algemeen wordt aangenomen dat het hierbij gaat om zaken die de rechtspositie van een minderjarige betreffen. Daarbij worden procedures over bijvoorbeeld ouderlijk gezag, omgang en adoptie genoemd. Daarbij gaat het dus om inhoudelijke, niet procedurele beslissingen die de minderjarige betreffen.
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
De klachten komen erop neer dat geen van de door het hof in r.o. 3.5 genoemde omstandigheden (hiervoor geciteerd onder 2.17) een rechtsgeldige reden zijn voor het hof om de minderjarige zijn hoorrecht in de zin van artikel 809 lid 1 Rv te ontnemen, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd heeft.
Het middel faalt. De klachten nemen de toepasselijkheid van het hoorrecht van artikel 809 lid 1 Rv tot uitgangspunt bij de beslissing van het hof over de procespositie van de vader. Dit uitgangspunt is niet juist.
De kinderrechter heeft, voor zover in cassatie van belang, zijn beslissingen in twee verschillende beschikkingen neergelegd. De eerste beschikking betreft de procespositie van de vader in de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. In de tweede beschikking heeft de kinderrechter op de verzoeken van de raad over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing beslist. De vader is alleen van de eerste beschikking in hoger beroep gekomen.
Het hoger beroep betrof dus uitsluitend de procesrechtelijke kwestie of de vader belanghebbende is. Het ging in de bestreden beschikking dan ook uitsluitend om de procespositie van de vader en niet om de rechtspositie van de minderjarige. Hoewel niet is uit te sluiten dat de minderjarige iets zou kunnen verklaren dat van belang zou kunnen zijn voor de door het hof in dit kader gestelde vraag of het recht op family life tussen de vader en de minderjarige rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, is het hoorrecht voor minderjarigen niet in het leven geroepen voor de procedurele beslissing door de rechter of een ander (in dit geval de vader) belanghebbende in een procedure is. Hierbij gaat het immers niet om een zaak betreffende minderjarigen, in de zin zoals hiervoor onder 3.8 uiteengezet. Het hoorrecht van artikel 809 lid 1 Rv mist in dit geval dus toepassing. Het hof heeft dit – terecht − kennelijk ook gemeend. Het middel stuit hierop af.
Voor zover het middel ervan uitgaat dat de in r.o. 3.5 door het hof genoemde omstandigheden bedoeld zijn als rechtsgeldige redenen om af te zien van het bieden van gelegenheid aan de minderjarige om zijn mening kenbaar te maken, berust dit dan ook op een verkeerde lezing van de beschikking. De klachten kunnen in dat geval dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
Cassatiemiddel II: de procespositie van de vader
Het tweede cassatiemiddel bevat diverse klachten, aan de hand waarvan wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat het recht van de vader op family life met de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd is.
Bij de beoordeling van dit middel stel ik het volgende voorop.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet (art. 1:254 BW in verbinding met art. 1:255 BW). De gecertificeerde instelling heeft tot taak, kort gezegd, toezicht te houden op de minderjarige en te zorgen dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen (art. 1:262 lid 1 BW).
Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265a BW)
De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie (art. 1:265b leden 1 en 2 BW).
In de verzoekschriftprocedure is het de taak van de rechter om te bepalen wie belanghebbenden zijn (art. 279 lid 1, slotzin, Rv).
Belanghebbenden hebben een zelfstandige processuele positie. Zij worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling (art. 279 lid 1 Rv) en ontvangen bij de oproep een afschrift van het verzoekschrift (art 279 lid 2 Rv). Belanghebbenden hebben het recht om een verweerschrift in te dienen (art. 282 lid 1 Rv) en daarbij een zelfstandig verzoek in te dienen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (art. 282 lid 4 Rv). Zij hebben ook recht op inzage in en afschrift van in beginsel alle processtukken (art. 290 Rv) en ontvangen een afschrift van de beschikking (art. 290 lid 3 Rv; art. 805 lid 1 Rv). Tot slot hebben belanghebbenden het recht van de gegeven beschikking hoger beroep in te stellen, indien daarvan hoger beroep openstaat (art. 358 lid 2 Rv; art. 806 Rv).
De rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, wordt beheerst door afdeling 1 van titel 6 van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 798-813 Rv).
Artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor de toepassing van deze afdeling onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”.
Over de betekenis van art. 798 lid 1 Rv is in de wetsgeschiedenis het volgende opgemerkt:
“Wat er zij van de betekenis van het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, voor de familieverzoekschriftprocedure wordt een nadere bepaling van dit begrip voorgesteld om zo de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins in te perken. Belanghebbend is degene, op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit impliceert dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend. (…)
Het is nimmer de bedoeling geweest om (…) de personen of instanties, van wie een zekere betrokkenheid bij de zaak niet kan worden ontkend, als belanghebbenden te beschouwen. Om dat nog beter tot uitdrukking te brengen is in de omschrijving het woord «rechtstreeks» opgenomen. De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, wil iemand als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Iemand die een indirect belang heeft, is geen belanghebbende in de zin van artikel 798.”
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent het vorenstaande dat de door artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: de betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad vloeit verder voort dat in overeenstemming met het vorenstaande de niet met het ouderlijk gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Redengevend daartoe is dat door de rechterlijke beslissing houdende ondertoezichtstelling de rechten en verplichtingen van die ouder niet rechtstreeks worden geraakt, nu die ouder vóór de ondertoezichtstelling niet het ouderlijk gezag uitoefende, en de ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan effectuering van zijn recht op gezinsleven met de minderjarige, zoals door omgang van die ouder met de minderjarige.
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat van belang is dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf tevens moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De door artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen. De rechter dient de vraag of een betrokkene belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv, derhalve te beantwoorden met inachtneming van deze uit artikel 8 EVRM voortvloeiende eisen.
Uit dit door de Hoge Raad geschetste juridisch kader zoals hiervoor onder 3.25-3.27 weergegeven, volgt mijns inziens ruimte voor de feitenrechter om een ouder zonder gezag in een procedure over een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing, gezagsbeëindiging) als belanghebbende aan te merken, indien deze ouder zonder gezag 1) family life in de zin van artikel 8 EVRM met de minderjarige heeft en 2) de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dit recht op family life, dat wil zeggen dat dit recht rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing van de rechter houdende de kinderbeschermingsmaatregel. In hoeverre hiervan sprake is, zal steeds afhangen van de omstandigheden van het geval.
Het procesreglement Civiel jeugdrecht voor de rechtbanken is in lijn met de hiervoor onder 3.26 geschetste terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aanmerken als belanghebbende van een juridisch ouder zonder gezag in het kader van een procedure over ondertoezichtstelling. Dit procesreglement geeft voor procedures betreffende het civiele jeugdrecht, waaronder procedures over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, een opsomming van personen en instanties die ‘in elk geval’ als belanghebbenden in deze procedures gelden. De juridisch ouder zonder gezag, zoals de vader in deze zaak, komt in deze opsomming niet voor. De toelichting op het procesreglement vermeldt daarover:
“De ouder zonder gezag en de biologische ouder worden niet standaard aangemerkt als belanghebbenden. Dat neemt niet weg dat het in een bepaalde situatie voor de rechter van belang kan zijn om een ouder zonder gezag of biologische ouder voor een mondelinge behandeling uit te nodigen en te horen als informant als bedoeld in art. 800 lid 2 Rv.”
Artikel 800 lid 2 Rv bepaalt dat de rechter kan bevelen dat degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Deze personen worden in de praktijk ook wel aangeduid als ‘informanten’. Informanten hebben de hiervoor onder 3.21 omschreven processuele positie niet.
Het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bevat in de bepalingen over jeugdzaken geen aanwijzingen voor het antwoord op de vraag wie als belanghebbende is aan te merken.
Op de uit het procesreglement Civiel jeugdrecht voor de rechtbanken af te leiden hoofdregel dat een ouder zonder gezag in procedures over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet standaard als belanghebbende wordt aangemerkt, zijn in de feitenrechtspraak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitzonderingen te vinden. In deze zaken is de rechter conform de hiervoor onder 3.28 geschetste maatstaf van oordeel dat de ouder zonder gezag door de kinderbeschermingsmaatregel rechtstreeks geraakt wordt in zijn recht op familie-, gezins- dan wel privéleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Ondanks het streven van de wetgever om een helder kader te schetsen voor de beantwoording van de vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt, de richtinggevende jurisprudentie van de Hoge Raad over het belanghebbendebegrip en de richtlijn in het Procesrechtreglement Civiel Jeugdrecht over de belanghebbende, blijkt de invulling van het belanghebbendebegrip van artikel 798 Rv in de rechtspraktijk nog steeds lang niet eenvoudig te zijn, zoals ook weer uit deze zaak blijkt.
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
Het tweede middel bevat klachten tegen het oordeel van het hof dat de vader geen belanghebbende is in de procedure tot ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het oordeel van het hof dat het recht op family life van de vader met de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door genoemde procedure is volgens het middel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd (procesinleiding in cassatie onder 4).
Alvorens inhoudelijk op de klachten van het tweede middel in te gaan, wil ik eerst nog mijn gedachten delen over de strekking van dit middel. Bij het hof lag uitsluitend de vraag voor of de kinderrechter in zijn beschikking van 11 september 2023 de vader al dan niet terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende in de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Zoals de vader in zijn procesinleiding in cassatie aangeeft, is deze procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor hem al geëindigd met de beschikking van de kinderrechter van 11 september 2023. De vader heeft tegen deze beschikking, waarin de minderjarige onder toezicht is gesteld en waarin een machtiging uithuisplaatsing is verleend, immers geen hoger beroep in gesteld. Dat had hij overigens wel kunnen doen, ondanks dat de kinderrechter hem niet als belanghebbende had aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat het hof zelfstandig toetst of een persoon of instantie als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat deze toets mogelijk een andere uitkomst heeft dan in eerste aanleg. Hieruit volgt dat de kring van belanghebbenden in hoger beroep anders kan zijn dan in eerste aanleg.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 december 2023 bij het hof is namens de vader als volgt geantwoord op de vraag wat zijn belang is om aangemerkt te worden als belanghebbende:
“Advocaat
De vader gaat niet meer in hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling, want dat is te laat. Maar de vader wil wel betrokken worden bij de nog komende procedures.”
De vader lijkt met deze procedure in hoger beroep en, vermoedelijk dus ook in cassatie, voor toekomstige procedures over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing duidelijkheid te willen krijgen over zijn procespositie. Mijns inziens zal de rechter echter bij elke nieuwe procedure op basis van de dan voorliggende feiten en omstandigheden moeten beoordelen of de vader belanghebbende is, met in achtneming van de hiervoor onder 3.28 geschetste maatstaf. Gelet op het voorgaande is voor wat betreft de met de beschikking van de kinderrechter van 11 september 2023 reeds afgeronde procedure over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing nu in cassatie slechts nog sprake van een soort rechtmatigheidstoets van het oordeel van het hof dat de vader in deze reeds afgeronde procedure bij de kinderrechter geen belanghebbende was. Bij deze toets heeft hij mijns inziens in ieder geval het belang dat hij uitsluitsel krijgt over zijn procespositie in de procedure bij de kinderrechter, ook al is het achteraf.
Dan kom ik nu toe aan de inhoudelijke bespreking van de klachten. De onder 3.35 genoemde hoofdklachten vallen, als ik het goed zie, in drie subklachten uiteen. Elk van deze drie subklachten eindigt bovendien met een soort overkoepelende, vierde, klacht dat het recht op family life tussen de vader en de minderjarige als vanzelfsprekend wordt geraakt, nu de uithuisplaatsing bij de vader is geëindigd en de minderjarige elders uit huis is geplaatst (zie de procesinleiding in cassatie onder 5-7).
De eerste subklacht houdt in dat het kunstmatig en rechtens onjuist is dat de kinderrechter en het hof een scherp onderscheid maken tussen de procedures in juni 2023 tot voorlopige ondertoezichtstelling en de verlenging daarvan, waarin de vader wel als belanghebbende is aangemerkt en de onderhavige procedure over de ondertoezichtstelling voor de periode van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing waarin de vader geen belanghebbende meer is. Laatstgenoemde procedure bouwt immers voort op de voorgaande procedures tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het hof had dan ook de vraag moeten onderzoeken en beantwoorden of zich inmiddels omstandigheden hebben voorgedaan die rechtvaardigen dat de vader, die in beginsel als belanghebbende moet worden beschouwd, daardoor niet meer als belanghebbende beschouwd kan worden, hetgeen het hof heeft nagelaten te doen, aldus de klacht (procesinleiding in cassatie onder 5).
Deze klacht faalt. De klacht gaat uit van het onjuiste uitgangspunt dat de vader, nu hij in de procedures in juni 2023 als belanghebbende is aangemerkt, ook in opvolgende procedures belanghebbende blijft, tenzij zich omstandigheden voordoen die dit anders maken. Zoals ik hiervoor onder 3.38 echter heb betoogd, zal de rechter echter bij elke nieuwe procedure op basis van de dan voorliggende feiten en omstandigheden moeten beoordelen of de vader belanghebbende is, met in achtneming van de hiervoor onder 3.28 geschetste maatstaf. Een oordeel over de procespositie van de vader in een eerdere procedure werkt dus niet automatisch door in een volgende procedure. Het door de vader voorgestane uitgangspunt “eens belanghebbende, altijd belanghebbende, tenzij…” vindt immers geen steun in het recht.
Bij de beoordeling die het hof heeft gemaakt ten aanzien van de procespositie van de vader heeft het zich overigens wel rekenschap gegeven van de eerdere procedures. In r.o. 3.4 heeft het hof immers overwogen dat de vader in de procedures in juni 2023 door de kinderrechter nog wel als belanghebbende werd aangemerkt, omdat de kinderrechter toen moest beoordelen of de minderjarige bij de vader moest blijven of niet. Vervolgens heeft het hof in r.o. 3.5 toegelicht waarom de beslissing van de kinderrechter van 11 september 2023 niet meer rechtstreeks invloed had op de manier waarop de vader zijn family life met de minderjarige kon invullen en de vader dus niet meer als belanghebbende aangemerkt kon worden in die procedure bij de kinderrechter van september 2023 (r.o. 3.6).
Dat brengt mij op de tweede subklacht die inhoudt dat de argumentatie in r.o. 3.5 waarin het hof zijn oordeel motiveert dat de beslissing van de kinderrechter in zijn beschikking van 11 september 2023 niet rechtstreeks invloed had op de manier waarop de vader zijn family life met de minderjarige invult, onbegrijpelijk is (procesinleiding in cassatie onder 6).
De derde subklacht gaat vervolgens in het bijzonder in op één aspect van de argumentatie van het hof in r.o. 3.5. Geklaagd wordt dat de omstandigheid dat de vader absoluut geen contact wil hebben met de GI, zodat deze niet aan contactherstel kan werken omdat de vader dat onmogelijk maakt, niet van belang is voor de vraag of de vader belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Het is volgens de vader rechtens onjuist om de procesrechtelijke beslissing of hij kan worden aangemerkt als belanghebbende te laten afhangen van zijn houding ten opzichte van de GI. Niet de rechter, maar de GI zou dan min of meer bepalen of de vader als belanghebbende in de procedure zal worden betrokken, en dat zou in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces zoals volgt uit artikel 6 EVRM, aldus de klacht (procesinleiding in cassatie onder 7).
De subklachten 2 en 3 zal ik vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.
Het hof heeft in het kader van de vraag of de kinderrechter de vader terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt ten eerste beoordeeld of nog sprake was van family life tussen de vader en de minderjarige. Het hof is van oordeel dat het family life tussen de vader en de minderjarige niet verbroken is (r.o. 3.2).
Vervolgens heeft het hof de vraag gesteld of het recht op family life tussen de vader en de minderjarige rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de kinderrechter in september 2023 (r.o. 3.3).
Het hof komt op grond van de navolgende overwegingen tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing waartoe in september 2023 is besloten geen invloed hebben op de manier waarop de vader zijn family life met de minderjarige invult, zodat het recht op family life niet rechtstreeks wordt geraakt door de procedure en de vader niet als belanghebbende aangemerkt moet worden in die procedure (r.o. 3.4-3.6):1. in de procedure in juni 2023 over de machtiging tot uithuisplaatsing was de vader wel belanghebbende, omdat de kinderrechter toen moest beoordelen of de minderjarige bij de vader moest blijven, waar hij toen een paar weken woonde, of niet;2. tijdens de onderhavige procedure in september 2023 woont de minderjarige bij het netwerkpleeggezin, nadat hij eerst bij de grootvader moederszijde was geplaatst;3. de GI onderzoekt in het kader van de ondertoezichtstelling of de minderjarige in de toekomst weer bij de moeder kan wonen, waar de minderjarige van 2019 tot juni 2023 woonde;4. een plaatsing bij de vader is niet meer aan de orde;5. de vader heeft ter zitting verklaard dat hij sinds juni 2023 geen enkel contact meer met de minderjarige heeft gehad;6. de GI heeft verklaard dat de minderjarige zelf heeft besloten het contact met de vader te verbreken;7. de GI heeft verklaard dat het contactherstel tussen de vader en de minderjarige nog wel een van de doelen van de ondertoezichtstelling is;8. de vader heeft echter heel duidelijk verklaard niet met de GI te gaan samenwerken, hun brieven niet te openen en absoluut niet in gesprek te willen met de GI;9. het hof stelt vast dat de GI dus niet aan het beoogde contactherstel kan werken, omdat de vader dat onmogelijk maakt;10. de ondertoezichtstelling kan daarom geen invloed hebben op het (ontbreken van) contact tussen de vader en de minderjarige.
Met deze oordelen heeft het hof mijns inziens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het zijn beslissing niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft immers de juiste maatstaf, zoals hiervoor onder 3.28 weergegeven, toegepast, door eerst te onderzoeken of de vader family life in de zin van artikel 8 EVRM met de minderjarige heeft en vervolgens of de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dit recht op family life, dat wil zeggen dat dit recht rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing van de rechter houdende de kinderbeschermingsmaatregel. Het hof heeft dus niet zonder meer als hoofdregel gehanteerd dat een ouder zonder gezag geen belanghebbende is in een procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar het heeft de bredere toets zoals onder 3.28 weergegeven aangelegd. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de inmiddels sinds de eerdere beoordelingen in juni 2023 gewijzigde omstandigheden. In dat verband heeft het hof overwogen dat de vader weliswaar nog steeds family life met de minderjarige heeft, maar dat de manier waarop hij zijn family life met de minderjarige kan invullen niet rechtstreeks wordt geraakt door de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Daarvoor zijn mijns inziens met name bepalend de overwegingen van het hof dat 1) de GI door de onwillige houding van de vader niet aan het contactherstel tussen de vader en de minderjarige kan werken (een doel van de ondertoezichtstelling) en dat 2) plaatsing bij de vader niet meer aan de orde is. Wat die eerstgenoemde overweging betreft, geldt nog dat de houding van de vader ten opzichte van de GI daarbij dus een door het hof meegewogen omstandigheid is. Niet valt dus in te zien waarom het de GI zou zijn die beslist over de procespositie van de vader.
Gelet op het voorgaande falen niet alleen de subklachten 2 en 3, maar ook de hiervoor onder 3.39 genoemde overkoepelende vierde klacht dat het recht op family life tussen de vader en de minderjarige als vanzelfsprekend wordt geraakt, nu de uithuisplaatsing bij de vader is geëindigd en de minderjarige elders uit huis is geplaatst. Uit de beoordeling van het hof blijkt immers voldoende duidelijk dat een plaatsing bij de vader ten tijde van de beoordeling door de kinderrechter in september 2023, anders dan in juni 2023, niet meer aan de orde was. Al door de beschikkingen van 14 en 21 juni 2023 was een einde gekomen aan het kortstondige verblijf van een paar weken van de minderjarige bij de vader. In de procedure in september 2023 lag, wat de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, ook alleen het verzoek van de raad om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden voor. De rechtbank had de vader, nu hij geen belanghebbende was, immers niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin en om een ambtshalve machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader, nog daargelaten dat de wet voor laatstgenoemd verzoek geen grondslag biedt.
De klachten van het tweede middel dat het oordeel van het hof – inhoudende dat de vader geen belanghebbende is, omdat het recht op family life van de vader met de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en de beschikking van de kinderrechter dus bekrachtigd moet worden − rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, slagen dan ook niet.
Nu de klachten van beide middelen falen, luidt de slotsom dat het cassatieberoep verworpen dient te worden.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G