3. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op tijdstippen in de periode van 9 maart 2018 tot en met 3 juni 2019 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door:
- zich meermalen hinderlijk in de directe omgeving van de woning van genoemde [benadeelde] op te houden en
- te bellen en
- zich op Instagram voor te doen als [naam] en
- genoemde [benadeelde] te volgen in de Albert Heijn
met het oogmerk die genoemde [benadeelde] te dwingen iets te doen en te dulden.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[benadeelde] en ik hebben elkaar in 2015 leren kennen. Wij hebben afgesproken om een IVF-traject te starten. Op 23 oktober 2017 hebben [benadeelde] en ik een donorovereenkomst getekend. Ik ben op 16 juni 2019 bevallen van een zoon, van wie [benadeelde] de donor is.
Ik zag [benadeelde] op 11 maart 2018 bij zijn woning in [plaats] . Ik heb de tekst ‘you ran like a monkey’ gewoon gestuurd.
Op 1 april 2018 was ik bij de woning van [benadeelde] .
Ik heb mijzelf inderdaad op Instagram [naam] genoemd.
Op 3 juni 2019 was ik in de Albert Heijn aan de [a-straat 1] in [plaats] en zag ik [benadeelde] daar.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-PL2018095222-1 van 12 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s ongenummerd).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 mei 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Hierbij doe ik aangifte van stalking door [verdachte] . Voor een nadere uitleg verwijs ik naar het bijgevoegde document.
Opmerking verbalisant:
Zie bijgevoegde formulieren.
Bijlage: een geschrift, genaamd ‘Toelichting bij aangifte stalking/belaging’ van 10 mei 2018. Dit
geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het schrijven van [benadeelde] :
Dader (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte): [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] .
[verdachte] wilde een kind van mij en vroeg mij donor te zijn. Ik besloot dat verzoek in te willigen. [verdachte] heeft echter steeds geprobeerd daar een relatie van te maken. Daar was ik echter niet van gediend. Een donorcontract is vastgelegd bij de notaris. Zij stalkt mij. Sinds een half jaar is het geëscaleerd. Toen is ze vaak expliciet tegen mijn wil in mijn privédomein gekomen, met als doel mij te dwingen tot een relatie.
De momenten heb ik bijgehouden in mijn agenda:
11-03-2018.
Ik zou deze dag enkele dagen naar Winterberg gaan om te skiën. De dader wist dat en zij stond voor mijn deur. Ik ben snel naar binnen gelopen, om een confrontatie met de dader te voorkomen. Bewijs: app van de dader (zie bijlage), waarin ze kritiek heeft op mij, omdat ik haar niet wilde spreken toen zij voor mijn deur stond: "you ran lika a monkey inside your building’.
Bijlage 1, WhatsApp berichten:
11-03-18:
[verdachte] : Hoi [benadeelde]
Today you ran like a monkey inside your building.
01-04-2018
Rond 14.30 uur kwam ik thuis en wederom stond ze voor mijn deur. Ik heb de politie gebeld zonder dat zij het doorhad. De politie heeft haar aanwezigheid geconstateerd.
Op Instagram noemt ze zich [naam] (zie screenshot, gemaakt op 9 mei 2018). Verder zegt ze dat we getrouwd zijn als bijschrift onder foto’s.
In het donorcontract (bij de notaris getekend) staat: ‘Donor en Ontvangen hebben geen relatie, anders dan een zakelijke relatie betreffende deze donorovereenkomst’.
Bijlage 5, communicatie
e-mail van 9 maart 2018:
[benadeelde] :
Hoi [verdachte] ,
We hebben geen relatie. Het donorcontract is de basis. Je zult dit alleen moeten doen. Ik ben niet je partner.
De dader dwingt mij haar aanwezigheid te tolereren, probeert in gesprek te komen, doet zich voor als mijn echtgenote en belaagt mij.
3. Een geschrift, zijnde een niet-ondertekend proces-verbaal van aangifte van 18 juli 2019, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina’s 1-3 van het aanvullend dossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 juli 2019
tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik doe aangifte van stalking. De vrouw door wie ik gestalkt wordt is genaamd [verdachte] . Ik ken [verdachte] sinds ongeveer midden 2015. Zij stalkt mij. Ik heb hier al eerder aangifte van gedaan. De reden dat ik hier nu weer ben is omdat [verdachte] mij nog steeds stalkt en er onlangs een incident is geweest. Het incident vond plaats in de Albert Heijn aan de [a-straat 1] in [plaats] op 3 juni 2019.
Gebeurtenis:
Ik liep de supermarkt binnen met mijn vriendin. Ter hoogte van de drankafdeling werd ik aangesproken door [verdachte] . Toen ik haar zag zei ik direct: ‘Ga weg’ en ben ik zelf van haar weggelopen. Zij volgde mij daarna door de winkel tot aan de kassa’s. Daar zei ik tegen de dame met wie ik was dat zij haar spullen alvast kon afrekenen en ben ik naar de groenteafdeling gelopen. Ik zag dat [verdachte] mij toen weer volgde naar deze afdeling. Bij de groenteafdeling heb ik 112 gebeld. Zij stond op ongeveer 2 meter afstand van mij toen ik belde. Zij bleef eerst nog even staan maar toen zij door had dat ik de politie belde, zag ik dat zij wegliep.
Bijzonder vervelend aan dit incident is, wat ik ook al veel vaker heb gemeld, dat zij in contact probeert te komen met vrouwen in mijn omgeving. Zo liep zij in de Albert Heijn achter mij en mijn vriendin aan en bleef zij zeggen: “We’re having a baby, we’re having a baby”.
Zij belt mij vaak. Van sommige gesprekken heb ik audio-opnames gemaakt. Sommige zijn al gemaild naar [verbalisant 5] . [verdachte] gebruikt op Instagram als naam [naam] , mijn
achternaam dus.
4. Een proces-verbaal van ontvangst klacht van 6 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina’s ongenummerd).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 6 november 2018 heb ik een schriftelijke klacht ontvangen terzake van belaging conform artikel
285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De klacht werd gedaan door [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] en wonende op de [b-straat 1] te [plaats] . De klager verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan. Voor de verklaring
van klager verwijs ik naar de verklaring van aangever/klager in zijn aangifte van vermoedelijke overtreding van artikel 285b Sr (het hof begrijpt: de aangifte van [benadeelde] van 12 mei 2018). In deze aangifte werd verwezen naar een aantal bijgevoegde formulieren met de verklaring
van aangever/klager in zijn eigen bewoordingen.
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina 22 van het aanvullend dossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Ik onderzocht in het politieregistratiesysteem de door de politie aangemaakte registraties omtrent
de stalking van [benadeelde] vs [verdachte] .
Op 1 april 2018 ging de politie ter plaatse naar het huisadres van [benadeelde] . Daar spraken zij
in persoon met [benadeelde] en [verdachte] . De politie heeft daarover het volgende gemuteerd:
Melder verklaarde dat hij enkel zaaddonor is van [verdachte] . Hij wil geen relatie en wil niets met het toekomstig kind te maken hebben. Hij wil dat zij niet meer in de buurt van zijn woning komt, hij wil met rust gelaten worden. Zij liet mailverkeer desgevraagd zien. Hieruit bleek dat zij wel een afspraak wilde maar dat [benadeelde] dat niet wilde.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina’s 23-24 van het aanvullend dossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Ik heb onderzoek gedaan naar door aangever verstrekte audiogesprekken tussen hem en de verdachte [verdachte] . Het gaat om de volgende audiobestanden:
1.
Een audiobestand met de volgende gegevens: [telefoonnummer 1] , 23-10-2018:
Ik hoorde bij het beluisteren van dit audiobestand aan de twee betrokken stemmen dat het een gesprek in het Nederlands betrof tussen [verdachte] en [benadeelde] . De uitgewerkte
tekst luidt als volgt:
[benadeelde] ( [benadeelde] ) : Ja
[verdachte] ( [verdachte] ) : [benadeelde] , die zaak die je hebt tegen mij gedaan, die aangifte van stalking. Jij, alsjeblieft luister, je weet dat dat eigenlijk niet waar wat je in die rapport heb geschreven. Jij hebt geschreven dat ik ben twee jaar aan het stalken, dat je nooit een relatie had.
[benadeelde] ( [benadeelde] ) : [verdachte] , ik ga effe ophangen, ik wil niet steeds op deze manier oke.
[verdachte] ( [verdachte] ) : wacht, wacht even. Wacht even.
Einde gesprek.
2.
Een audiobestand met de volgende gegevens: [telefoonnummer 2] , 05-11-2018:
Ik hoorde bij het beluisteren van dit audiobestand aan de twee betrokken stemmen dat het een gesprek in het Engels en Nederlands betrof tussen [verdachte] en [benadeelde] . De
uitgewerkte tekst luidt als volgt:
[benadeelde] ( [benadeelde] ) : Met [benadeelde] .
[verdachte] ( [verdachte] ) : because I called justitie...en... aangifte gemaakt en that were gonna child hebben...and we first dated. And after that the day dat this happened, de aangifte happened. Ik was bij de politie zelf ook gebracht zoals jou. En de politie heeft die rapport gedaan. Ik heb niet gevraagd aangifte tegen jou. De politie heeft gewoon weer de ...op hun rapport zitten, gewoon geschreven. Zij hebben mij gevraagd hoe dit leidde, wat geleden tot dit aanval. Ik heb zelf niet gezegd dat ik aangifte tegen jou ga doen. Ik heb justitie gebeld zelf en gewoon uitgelegd dat wij krijgen een kind samen.
[benadeelde] ( [benadeelde] ) : Ja, [verdachte] , ik snap het allemaal wel, maar dat maakt verder niet zoveel uit. Ik wil niet dat je steeds zo belt op deze manier. Dat heb ik al een aantal keren gezegd ja.
[verdachte] ( [verdachte] ) : I just wanna tell you i didn't do the aangifte that day.
[benadeelde] ( [benadeelde] ) : Dat maakt mij niet zoveel uit. Ik wil niet dat jij steeds zo op deze manier belt oké. Dus ik ga weer even ophangen.
[verdachte] ( [verdachte] ) : I understand but i just need to tell you that it does matter.
Einde gesprek.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt
door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (dossierpagina’s 25-26 van het aanvullend
dossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 14 september 2021 stuurde aangever [benadeelde] geluidsfragmenten op. Deze fragmenten
zijn naar zeggen van [benadeelde] geluidsopnames van telefoongesprekken tussen [benadeelde]
en de verdachte [verdachte] . Ik heb de geluidsfragmenten beluisterd en hieronder woordelijk uitgewerkt.
Daarbij verwijs ik met de letter M naar wat de mannelijke stem zegt en met de letter
De verdachte naar wat de vrouwelijke stem zegt.
21-12-2018:
M : [verdachte] , ik wil niet dat je steeds belt op deze manier.
V : Als je wilt kom dan even maandag
M : Ik wil echt niet dat je steeds belt op deze manier.
V : Want anders, als we niet kunnen praten
M : [verdachte] , laten we, er lijkt je iets niet door te dringen. Ik wil niet dat je belt op deze manier. Het
interesseert je geen zak. NEE, je blijft maar bellen terwijl ik zeg dat ik dit niet wil. Dus kap er gewoon
mee. Punt.
Gesprek eindigt.
23-02-2019
M : Ik zei, ik wil niet meer dat je steeds belt.
V : I don't want, eerlijk, it’s not only about the child. I don't want to lose you from my life either.
M : Ok ik wil niet meer dat je steeds belt. Ik stop er nu echt mee.
Gesprek eindigt.
8. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt
door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina’s 4-5 van het aanvullend
dossier).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Ik heb onderzoek gedaan naar de camerabeelden van de Albert Heijn, gevestigd aan de [a-straat 1]
te [plaats] .
Camera nr d-m-jjjj uu:mm:ss
Camera 2 3-6-2019 19:12:25
[benadeelde] , in gezelschap van NN-vrouw, loopt voornoemde Albert Heijn binnen.
Camera 27 3-6-2019 19:16:50
[verdachte] volgt hen in de winkel op enkele meters afstand.
Camera 22 3-6-2019 19:17:03
De heeft [benadeelde] wordt aangesproken door [verdachte] . Hij loopt bij haar vandaan.
Camera 21 3-6-2019 19:17:35
[benadeelde] loopt bij NN-vrouw vandaan na te zijn aangesproken door [verdachte] .
Zij loopt achter hem aan. [benadeelde] is onderwijl met zijn telefoon bezig.
Camera 46 3-6-2019 19:18:20
[verdachte] loopt voornoemde winkel uit, kijkt om in de richting waar zij vandaan kwam en rent
vervolgens weg.”
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, nog het volgende in:
“Bewijsoverweging
De raadsman heeft -overeenkomstig de overgelegde pleitnotities- bepleit dat de verdachte van de ten laste gelegde belaging zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte en de aangever een gecompliceerde relatie hadden die zich kenmerkte door een voortdurend patroon van aantrekken en afstoten, waardoor het voor de verdachte onduidelijk was wat de aangever wilde. Nu de contacten niet frequent waren en met wederzijdse toestemming plaatsvonden, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat zij wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever.
Het hof overweegt als volgt.
Van belaging is sprake wanneer wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. De vraag of stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer moet volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad worden beoordeeld aan de hand van de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Dit beoordelingskader brengt mee dat de duur en de frequentie van de gedragingen van de verdachte niet de enige beoordelingsfactoren zijn. Daaraan gelijkwaardig zijn de andere door de Hoge Raad genoemde factoren, met name ook de intensiteit van de gedragingen en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het gaat om het totaalbeeld dat uit de verschillende, hiervoor genoemde, aspecten van de gedragingen van de verdachte naar voren komt.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - het volgende beeld naar voren komt.
De verdachte en de aangever onderhielden contact met elkaar vanaf het jaar 2015. Daarbij zijn door partijen afspraken gemaakt om een IVF-traject te starten. Op 23 oktober 2017 hebben de verdachte en de aangever een donorovereenkomst gesloten. In artikel 3 van deze overeenkomst is opgenomen dat er geen familieleven of familierechtelijke verplichtingen tussen de donor (aangever) en het kind zullen zijn. De verdachte is op 16 juni 2019 van een zoon bevallen, van wie de aangever de donor is. Binnen het kader van de donorovereenkomst heeft de aangever aanvankelijk nog wel contact met de verdachte onderhouden maar, in ieder geval op 9 maart 2018 per Whatsapp-bericht, heeft de aangever aan de verdachte laten weten dat hij geen relatie met haar heeft en dat ook niet wil.
Desondanks is de verdachte na 9 maart 2018 doorgegaan met het zoeken van contact en heeft zij de aangever nadien op verschillende momenten benaderd c.q. getracht met hem in contact te komen:
- Op 11 maart 2018 is de verdachte bij aangevers woning geweest. De aangever zag de verdachte en is meteen zijn woning ingegaan om een confrontatie met haar te voorkomen. Hierop heeft de verdachte het volgende Whatsapp-bericht naar de aangever gestuurd: "You ran like a monkey inside your building.
- Op 1 april 2018 zag de aangever toen hij thuis kwam dat de verdachte weer voor zijn deur stond. De aangever heeft, zonder dat de verdachte dat wist, de politie gebeld en melding hiervan gemaakt. De politie kwam toen ter plaatse en heeft hiervan een mutatie opgemaakt. Ten overstaan van de politie heeft de aangever opnieuw aan de verdachte gezegd dat hij geen relatie met haar wil en ook niets met het kind te maken wil hebben.
- Op 9 mei 2018 heeft de verdachte zich op Instagram voorgedaan als de echtgenoot van de aangever door als profielnaam [naam] te gebruiken en daarbij expliciet onder een foto te vermelden dat zij getrouwd is met de aangever.
- Op 23 oktober 2018, 5 november 2018, 21 december 2018 en 23 februari 2019 hebben de verdachte en de aangever telefonisch contact met elkaar gehad. Uit de weergave van de opgenomen audio van deze gesprekken blijkt dat de aangever weer aan de verdachte heeft gezegd dat hij geen contact meer met haar wil en dat zij hem niet meer mag bellen.
- Op 3 juni 2019 kwamen de verdachte en de aangever elkaar tegen in Albert Heijn. De aangever was daar op dat moment met zijn vriendin. Ondanks de stellige ontkenning van de verdachte blijkt uit de camerabeelden van die dag dat de verdachte de aangever en zijn vriendin daar heeft gevolgd.
Het verweer van de verdediging ten aanzien van de datering van het audiomateriaal en de foto van Instagram wordt door het hof verworpen, nu de verklaring van de verdachte hieromtrent niet meer dan een blote ontkenning inhoudt en het hof verder ook geen reden heeft om aan de datering, juistheid en de betrouwbaarheid van dit materiaal en deze foto te twijfelen.
Uit voormelde gedragingen van de verdachte blijkt dat zij op indringende, bijna obsessieve wijze heeft geprobeerd om de aangever te dwingen tot een verdergaande relatie dan die voortvloeiend uit de donorovereenkomst. Dit hoewel de aangever aan de verdachte te kennen had gegeven van haar handelwijze niet gediend te zijn. Daarmee is het opzet op bedoelde inbreuk gegeven.
Naar het oordeel van het hof kan het totaalbeeld van bovengenoemde handelingen van de verdachte, ook gezien het indringend karakter hiervan, als een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangever in de zin van de tenlastelegging worden aangemerkt. Het enkele feit dat de aangever soms op de berichten van de verdachte heeft gereageerd, ontneemt niet de wederrechtelijkheid aan de opzettelijke inbreuken van de verdachte op zijn persoonlijke levenssfeer.
Het hof oordeelt dat de belaging in de periode van 9 maart 2018 tot en met 3 juni 2019 bewezen kan worden, nu het voor de verdachte in ieder geval vanaf 9 maart 2018, de datum van het Whatsapp-bericht van de aangever, duidelijk moet zijn geweest, dat de aangever geen contact meer met haar wenste en zij op 3 juni 2019 voor het laatst toch geprobeerd heeft om in contact te komen met de aangever.
Voor de ten laste gelegde periode vóór 9 maart 2018 en na 3 juni 2019 bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.”
4. Het eerste middel
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid ontoereikend is gemotiveerd.
De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 door de raadsman overgelegde pleitnotities houden, voor zover van belang en met weglating van de voetnoten, het volgende in:
“Fieten en omstandigheden
28. Het strafrecht komt voor het eerst om de hoek kijken als [verdachte] op 25 november 2017 aangifte van bedreiging/mishandeling doet. [benadeelde] wordt aangehouden. Uit de daaropvolgende e-mailcorrespondentie tussen beiden volgt dat de aangifte van [benadeelde] (ter zake belaging door [verdachte] ) feitelijk een reactie is op de aangifte van mishandeling van [verdachte] . Het heeft als een katalysator gewerkt.
29. Echter, het contact herstelt zich en op 16 december 2017 gaat [benadeelde] als haar "+2"
naar het kerstfeest van haar werk:[AEH: foto]30. Het lijkt weer koek en ei. In ieder geval geen ongewenst eenrichtingsverkeer.
31. Op 18 januari 2018 is er onderling app contact. [benadeelde] appt dat hij niet via de intercom een discussie aangaat en dat [verdachte] maar even moet bellen.
32. Op 1 maart 2018 reis van en gezamenlijk verblijf in [plaats] . [benadeelde] erkent dat ook wel.
Hij dacht: "Ach, waarom ook niet (...).
33. Whatsapp bericht van 9 maart 2018 (bijlage 5 bij aangifte) van [benadeelde] aan [verdachte] : [benadeelde] "Wij hebben geen relatie, voor zover wij een relatie hadden, is die al 7 maanden over". Er worden afspraken gemaakt en [benadeelde] wil betrokken blijven: hij wil maandelijks op de hoogte worden gehouden van het IVF proces, geeft aan dat de omgang met het kind kan worden uitgebreid, dat ze best nog eens een kopje koffie kunnen doen, hij wil nadenken over een diner voor hun verjaardagen, als het kind er is wil hij ook adviseren over scholen en hoe je dingen in Nederland doet, het kind laten zien wat zijn achtergrond is, maar voegt hij er aan toe "het is niet meer dan vriendschap, waarbij de donorovereenkomst ons bindt".
34. De inhoud van dit Whatsappbericht van 9 maart 2018 met daarin een - zachtsgezegd - ambivalente houding van [benadeelde] richting cliënte (geen relatie meer, wel uitbreiding contact en nieuwe afspraken buiten het contract om, wel uitbreiding betrokkenheid bij opvoeding kind etc.), leidt tot veel misverstanden en verwarring bij [verdachte] . Het schept begrijpelijkerwijs verwachting en [verdachte] stuurt vervolgens aan op dat kopje koffie bij [A] op 1 april 2018. Dat gaat mis. [benadeelde] houdt opnieuw de boot af: hij wil "niets met het kind te maken" hebben en hij wil geen relatie, aldus de politiemutatie.
35. Daarop volgen tenminste twee mails van [benadeelde] richting [verdachte] (vooraf toegezonden), namelijk op 3 en op 20 april 2018: voor zover hier relevant (...)
• "Alle afspraken staan in het donorcontract. Zoals besproken: de 2x per jaar contact zoals in het donorcontract afgesproken bestaat uit het dat ik ongeveer een week na de geboorte op kraamvisite kom en dan om het half jaar een bezoek. (...)” en
• "If you had not abused my trust I would have considered (not promised, only considered) marginal extra's, like 3 times a year contact instead of 2. (....) You don't even regret your last moment cancelling of the Montenegro trip, instead attack me. Greetings, [benadeelde] .”
36. Op grond hiervan kan in ieder geval worden vastgesteld dat de verhoudingen nog niet zo verstoord waren en dat [benadeelde] open stond voor eerdere bezoeken op zeer jonge leeftijd aan [betrokkene 1] .
37. Hierna volgt de mail van 9 mei 2018 (bijlage 6 bij de aangifte) van [verdachte] aan [benadeelde] : "Het reden die we de contract heeft getekend was voor je financiële zekerheid. Ik ben nooit akkoord mee gegaan zonder contact tussen ons of af en toe een contact (...) het is alles of niets. (...) ik wil zeker niet dat je binnen mijn leven komt wanneer jij wilt. (...) Ik wil nu graag weten wat je antwoord is."
38. Dat wordt het [benadeelde] kennelijk allemaal te veel, want zijn antwoord is een aangifte van stalking dd. 10 mei 2018 (ingediend op 12 mei 2018). Wat het precieze motief voor [benadeelde] is geweest blijft gissen, maar we weten inmiddels wel dat hij geen enkele (financiële) verplichting of verantwoordelijkheid richting het kind (meer) wilde. Hij heeft de inmiddels 4-jarige [betrokkene 1] tot op heden nog nooit gezien en weigert elk contact. Een dergelijk motief verhoudt zich niet met een bewezenverklaring van belaging.
39. Maar hij komt niet terug van het donorcontract en op of omstreeks september 2018 vindt de conceptie van [betrokkene 1] plaats.
40. [verdachte] stelt later in haar mail aan verbalisant [verbalisant 5] (29 oktober 2018) terecht te vraag: als hij alleen maar donor is, waarom zou hij dan betrokken willen zijn bij zaken die het kind betreffen? Zij doelt daarmee op zijn later getoonde interesse in het kind. Op 25 oktober 2018 stuurt [benadeelde] een lange e-mail aan [verdachte] met suggesties voor babynamen: "Ik ga nu eerst op de namen reageren. Op de rest ga ik misschien later reageren (....) laat maar weten wat je er van vindt, Groet [benadeelde] ".
41. 23 maart 2019: cliënte is dan zwanger van [betrokkene 1] spreken beiden opnieuw af bij [A] .
42. 3 juni 2019: ontmoeting in de Albert Heijn.
43. 10 juni 2019: aangifte van smaad/laster door [verdachte] tegen [benadeelde] vanwege het door [benadeelde] benaderen van haar netwerk (vrienden en werkgever) met berichten over de strafzaak. In totaal heeft hij 4 mails naar haar werkgever gestuurd. De laatste e-mail van [benadeelde] aan werkgever [betrokkene 2] dateert van 1 september 2020 gestuurd, met als bijlage de beslissing van Uw hof van 3 augustus 2020: "Geachte [betrokkene 2] , (...) Stalking is een zedenmisdrijf, Justis zal haar geen VOG geven etc. (...) mvg [benadeelde] ". Dit alles is terecht als onrechtmatig jegens [verdachte] beoordeeld. Cliënt heeft haar baan ook daadwerkelijk verloren.
44. [geboortedatum] 2019: [betrokkene 1] wordt geboren. 45. 27 juni 2019: sepotbeslissing OM Amsterdam: code 02, niet-strafrechtelijk ingrijpen prevaleert.
46. 2 juni 2019: [benadeelde] moet bij de pr komen vanwege mishandeling.
47. Ook dit heeft bij [benadeelde] als trigger gewerkt. Want [benadeelde] reageert op 16 juli 2019 met een lange brief aan het OM dat hij er op staat dat [verdachte] wordt vervolgd en op 18 juli 2019 volgt zijn tweede aangifte van belaging.
48. Het is dus steeds een kwestie van aantrekken en afstoten, actie en reactie (zie ook pr vonnis). Toegegeven: ook cliënte doet een duit in het zakje. Maar waar het hier om gaat is dat [benadeelde] geregeld een lijntje uitgooit richting [verdachte] (praten over extra's), en daarna weer wegloopt en zijn afspraken niet nakomt (bezoekregeling [betrokkene 1] donorcontract).
49. Alles overziend geldt dat de tenlastegelegde gedragingen, indien bewezen, spelen tegen de achtergrond van de dynamiek van een op de klippen gelopen relatie en een getroebleerde donorschapsrelatie, die in civilibus werd uitgevochten. Wat de verdediging betreft was daarom de sepotbeslissing (niet-strafrechtelijk ingrijpen prevaleert) een juiste beslissing. Want je moet je in een deze situatie als Openbaar Ministerie ook afvragen wat het strafrecht brengt, wat het oplost en wat het veroorzaakt.
50. De context maakt in ieder geval dat een extra kritische houding niet alleen ten aanzien van de beleving van cliënte maar ook ten aanzien van de beleving van aangever geboden is: zijn perspectief en zijn beleving zijn niet sacrosanct. Aangever heeft zich niet zelden wisselend opgesteld en heeft daarbij nooit geschroomd correspondentie van [verdachte] te beantwoorden ("bel maar even" en "laat maar weten wat je er van vindt"), reist samen in maart 2018 voor de tweede keer naar [plaats] , spreekt meermalen met haar af (24 april 2018 [plaats] en 23 maart 2019 [plaats] ).
51. Deze redenen in onderlinge samenhang bezien, maken dat van een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] geen sprake is geweest. Ook het overtuigende bewijs opzet aan de zijde van [verdachte] ontbreekt mede vanwege voorgaande dynamiek en context. [verdachte] heeft steeds met goede bedoelingen (voor [betrokkene 1] ) gehandeld.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bij de bewezenverklaarde handelingen slechts gaat om een beperkt aantal gedragingen die bovendien niet allemaal (op zichzelf) een zeer indringend karakter hebben, zodat de bewezenverklaarde stelselmatigheid niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Hetzelfde zou gelden voor wat betreft de bewezenverklaarde wederrechtelijkheid, nu door de verdediging uitvoerig is ingegaan op de (ambivalente) handelingen van de aangever in de tenlastegelegde periode.
Het hof heeft geoordeeld dat het totaalbeeld van de vastgestelde handelingen van de verdachte, ook gezien het indringend karakter hiervan, als een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangever in de zin van de tenlastelegging kunnen worden aangemerkt. Volgens het hof ontneemt het enkele feit dat de aangever soms op de berichten van de verdachte heeft gereageerd niet de wederrechtelijkheid aan de opzettelijke inbreuken van de verdachte op zijn persoonlijke levenssfeer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en ook in het licht van het gevoerde verweer toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik op dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat daar waar sprake is van een reactie van de aangever op het handelen van de verdachte deze steeds inhoudt dat hij niet van het contact gediend is, terwijl uit de gedragingen van de verdachte ook niet blijkt dat zij daarbij - zoals is betoogd - uitsluitend heeft gehandeld in het belang van hun uit de donorovereenkomst geboren zoon.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
5. Het tweede middel
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onderdeel “zich op Instagram voor te doen als [naam] ” niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat het hof een op dit punt gevoerd verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“U, voorzitter, houdt mij voor dat op een screenshot te zien is dat ik mijzelf op Instagram [naam] heb genoemd. Volgens [benadeelde] dateert het screenshot van 9 mei 2018. Ik heb
mijzelf inderdaad op Instragram [naam] genoemd, maar dat was een grapje. De foto is van 4 augustus 2017. Wij waren toen in [plaats] samen op een feestje.
Ik heb [benadeelde] wel gebeld, maar dat was maar één of twee keer. Wij hadden toen een goede
verstandhouding. Ik heb hem met één telefoonnummer gebeld. Het is niet zo dat ik tijdens een telefoongesprek van 23 februari 2019 heb gezegd ‘I don’t want to lose you’.”
De blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 door de raadsman overgelegde pleitnotities houden, voor zover van belang en met weglating van de voetnoten, het volgende in:
“- zich op Instagram voor te doen als [naam]
79. Ook deze gedraging kan niet overtuigend worden bewezen.
80. [benadeelde] heeft als bijlage 4 bij zijn aangifte een "screenshot van Instragram" (ongedateerd!) gevoegd met de tekst " [naam] ". Daarvan zegt hij in zijn eerste aangifte dat de screenshot gemaakt is op 9 mei 2018, maar dat volgt niet uit de bewuste bijlage 4 bij de aangifte af te leiden, zo stelde de civiele rechter vast. Het is in ieder geval onduidelijk of en zo ja, hoe lang dit in (in de pleegperiode) op internet heeft gestaan. De stelling van het OM (in eerste aanleg) "dat het bericht kennelijk niet verwijderd is", vormt een te mager basis voor een veroordeling, in aanmerking genomen de duidelijke en consistente ontkenning door cliënte op dit punt.
81. [verdachte] heeft immers verklaard dat dit er eenmaal, toen zij nog een relatie hadden, bij wijze van grap op Instagram heeft gestaan en het ook als grap was bedoeld. Het heeft er slechts één dag opgestaan, het profiel van [verdachte] was bovendien niet openbaar en zij had destijds ongeveer 56 volgers. Ter zitting in EA heeft cliënte verklaard dat dit in augustus 2017 was toen ze een verlovingsfeest hadden. Ze heeft daadwerkelijk in augustus 2017 samen met [benadeelde] in [plaats] een verlovingsfeest bijgewoond. De foto daarvan is overlegd in de fotobijlage.
82. Nu niet vastgesteld kan worden van welke datum het screenshot is, ook niet anderszins aannemelijk is dat [verdachte] langdurig gebruikt heeft gemaakt van de naam [benadeelde] , kan dit onderdeel niet worden bewezen. Cliënte heeft slechts eenmaal en op één dag zijn naam bij wijze van grap gebruikt én bovendien op het moment (aug 2017) dat hun contact goed en regelmatig was. Daarom ontbreekt ook hier de stelselmatigheid van deze (belagings)gedraging en de wederrechtelijkheid.
83. Verzocht wordt cliënte vrij te spreken van het onderdeel stalken via sociale media.”
Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, in het bijzonder de onder punt 81 genoemde concretisering met betrekking tot het verlovingsfeest in [plaats] en de connectie met de foto op Instagram waarbij de datum van dit verlovingsfeest is onderbouwd, zou niet zonder meer begrijpelijk zijn dat het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte hieromtrent niet meer dan een blote ontkenning inhoudt.
Door het hof is onder meer bewezenverklaard dat de verdachte zich in de bewezenverklaarde periode heeft voorgedaan als [naam] . Blijkens het bestreden arrest heeft het hof in de bewijsoverweging als een van de door de verdachte verrichte handelingen meegewogen dat de verdachte zich op 9 mei 2018 heeft voorgedaan als de echtgenoot van de aangever door als profielnaam [naam] te gebruiken (en daarbij expliciet onder een foto te vermelden dat zij getrouwd is met de aangever). Een blik achter de papieren muur leert dat het betreffende ongedateerde Instagram screenshot (bijlage 4) afkomstig is van de openbare Instagram link van het account “lesfleursdubonheur” en dat deze link op 9 mei 2018 door de aangever is geraadpleegd. Op dit screenshot is te zien dat onder de profielfoto de naam “ [naam] ” is vermeld. Verder vermeldt het screenshot “This account is Private. Follow to see their photos and videos” en heeft het account op het moment van raadplegen 192 volgers. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat er verder geen reden is om aan de datering, juistheid en de betrouwbaarheid van de foto te twijfelen niet onbegrijpelijk en - ook in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd - toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6. Het derde middel
Het middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft toegewezen.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij met bijlagen. Eén van de bijlagen houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Korte situatieschets
De verdachte heeft gedurende de tenlastegelegde periode stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde door hem o.a. veelvuldig te bellen, berichten te sturen, binnen te dringen in de woning van benadeelde, zich op sociale media voor te doen als de echtgenote van benadeelde, en hem te volgen in de Albert Heijn.
Letsel en gevolgen
Psychische gevolgen
Benadeelde heeft een uitgebreide slachtofferverklaring geschreven ( bijlage ) waarin hij op eigen wijze verwoordt hoe het misdrijf hem gedurende die periode in een greep heeft gehouden. Hij beschrijft hoe het zijn woongenot vergalde, hoe het zijn bewegingsvrijheid inperkte, hoe het zijn omgang met andere mensen beïnvloedde en hoe het op alle facetten van zijn leven een zware wissel trok.
Het heeft benadeelde veel pijn gedaan, aangezien het misdrijf gepleegd is door een persoon die hij heeft willen helpen. In zijn beleving heeft hij enkel goede bedoelingen gehad, daarom steekt deze behandeling hem des te meer.
Hoewel het al geruime tijd rustig is, durft benadeelde er geenszins op te vertrouwen dat de verdachte hem met rust zal laten. Hij voelt nog steeds onzekerheid over de toekomst en maakt zich zorgen wat de verdachte zal doen wanneer deze procedure achter de rug is. Benadeelde acht haar onberekenbaar en sluit niet uit dat de situatie escaleert wanneer er niet voldoende waarborgen zijn om hem te beschermen. Daarom doet hij een dringend beroep op de rechtbank om de verdachte een straat- en contactverbod op te leggen. Dit verzoek is toegevoegd als bijlage.
(…)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Primair standpunt: Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub a BW wordt gesproken over 'het oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Hieraan wordt voldaan, omdat (zoals omschreven staat in artikel 285b Sr.) verdachte het oogmerk om benadeelde te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. In dit verband wordt ook verwezen naar een recent artikel van mr. N.A. Schipper over het recente overzichtsarrest van de Hoge Raad over de benadeelde partij ('De Hoge Raad over de vordering benadeelde partij; op welke punten is er ruimte voor verduidelijking en/of heroverweging', TPWS 2019/101, p. 260-261). Hierin wordt betoogd dat van voor belaging geldt dat wanneer dit bewezen wordt verklaard meteen het oogmerk van het toebrengen van ander nadeel van artikel 6:106 sub a BW kan worden aangenomen, zie bijlage
In het bijzonder verwijst benadeelde naar r.o. 2.8 in ECLI:NL:GHARL:2016:2723, ECLI:NL:RBAMS:2020:3902, ECLI:NL:RBOVE:2020:3231 en ECLI:NL:PHR:2020:936, waarin is geoordeeld dat een vergoeding voor immateriële schade, bij belaging, op basis van het oogmerk criterium van art. 106 sub a BW kan worden toegewezen.
Subsidiair standpunt: Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub b BW expliciet wordt gesproken over 'in zijn eer of goede naam is geschaad'. Door het handelen van verdachte is benadeelde immers in de eer en goede naam aangetast. In het bijzonder verwijst benadeelde hiervoor naar ECLI:NL:PHR:2020:936 (r.o. 44 e.v.) en ECLI:NL:RBLIM:2020:8758.
Hoogte immateriële schadevergoeding
De omvang van de immateriële schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie zijn onder andere richtinggevend voor de vaststelling van de omvang van het smartengeld:
- de aard en ernst van de normschending;
- de aard en ernst van het letsel;
- de aard, omvang en duur van de gevolgen.
Daarnaast dient er gekeken te worden naar toegewezen bedragen in vergelijkbare gevallen. Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt verwezen naar onderstaande uitspraak/uitspraken.
Belaging gedurende 1 jaar
Verdachte heeft benadeelde gedurende een jaar belaagd. Daarbij heeft hij een grote hoeveelheid brieven, mails en sms-berichten gestuurd telefoontjes gepleegd, zich ophouden bij de woning van het slachtoffer en haar familieleden en contactadvertenties geplaatst. Hiermee is een grote inbreuk gemaakt op het persoonlijk leven van benadeelde. Haar gevoel van veiligheid is ernstig aangetast
Belaging ECLI:NL:GHAMS:2020:3934 €2.500,- 24 januari 2020
De smartengeldvergoeding in deze zaak bedraagt € 2.500,-. Geïndexeerd naar 2017-2019 komt dat neer op € 2.400,-.
Er wordt aansluiting gezocht bij deze uitspraak omdat benadeelde in casu eveneens over een lange periode belaagd werd, daarbij is de wijze waarop inbreuk gemaakt wordt op de persoonlijke levenssfeer vergelijkbaar.
In casu is echter de tenlastegelegde periode aanzienlijk langer waardoor enige verhoging op zijn plaats is.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in billijkheid is te stellen op € 3.000,- en thans opeisbaar is.
Totale immateriële schade € 3.000,-“
De in de onder 6.2 onder het kopje “psychische gevolgen” genoemde bijlage houdt het volgende in:
“Het maakt me nog steeds kwaad en tegelijk verdrietig om hierover te praten. Want het is ontzettend onrechtvaardig dat dit mij is overkomen. Ik begrijp niet waar ik dit aan verdiend heb, want ik heb haar niets aangedaan. Sterker nog, ik heb haar geholpen door donor te worden voor haar kind. Dat zij mij op deze manier terugbetaalt is dan ook stank voor dank.
In die periode beheerste zij, met haar voortdurende pogingen om in contact te komen, mijn hele leven, en tot op heden beheerst zij tot nog steeds voor een deel met haar online en juridisch stalken, en omdat ik rekening moet houden met het risico van herhaling van het fysieke stalken. De plotselinge verschijningen bij en in mijn huis, stroom aan telefoontjes, berichten, het lastig vallen van vrouwen in mijn omgeving, zich voordoen als mijn echtgenote, en overige digitale opdringerigheid was dermate sterk, dat mijn gedachten er volledig door in beslag werden genomen. Als het eventjes rustig was voelde ik constant de druk van hetgeen me nog meer te wachten stond. Ik werd er ontzettend onrustig van, voelde me machteloos en overgeleverd aan haar grillen. Want als ik zelf ingreep, bijvoorbeeld door haar op correcte wijze naar buiten te werken, werd ik gearresteerd, en berecht wegens mishandeling. Ondanks dat de OvJ uiteindelijk vrijspraak eiste en kreeg, kostte deze zaak wel tijdelijk mijn VOG als docent. Niemand greep in tegen de stalker, maar men greep wel in tegen mij, als ik zelf ingreep. Door de stress had ik moeite met slapen, lukte het me slecht om mijn gedachten op andere zaken te focussen en kwam ik bijna niet toe aan normale ontspanning.
Ik was in die periode mezelf niet en wist me geen raad met de hele situatie. Het drukte op mijn gemoed, waardoor ik snel geïrriteerd was en emotioneel lichtgeraakt. Ik kon en kan geestelijk niet loskomen van de situatie, en dat had en heeft ook invloed op andere aspecten van mijn leven. Zo begon ik in die tijd aan een nieuwe baan, maar lukte het niet om de start te maken die ik voor ogen had, puur omdat de dag voor mijn eerste werkdag deze dame wederom voor mijn deur een scene had veroorzaakt en daarbij mijn gezicht open gehaald en me bespuugd, toen ik haar tegenhield om achter mij aan mijn woning binnen te gaan. Mede daardoor moest ik wisselen van baan. Een daarop volgende baan als docent ging niet door omdat ik door de net genoemde onnodige procedure van het OM tegen mij tijdelijk geen VOG kreeg. Er hing continu een donkere wolk boven mijn hoofd die een schaduw wierp op alles om me heen.
In dat kader wil ik graag benoemen dat het me diep geraakt heeft om de steun en bescherming te missen van de politie. Keer op keer slaagde men erin mij het gevoel te geven dat mijn verhaal niet belangrijk genoeg was, dat ik er niet toe deed, maar als de verdachte iets zei werd ik gearresteerd en voor mishandeling en bedreiging vervolgd, en vrijgesproken.
Het is enkel aan mijn eigen doorzettingsvermogen te danken dat ik hier nu sta en dat de verdachte zich moet verantwoorden. Dat komt ten eerste door de artikel 12 procedure. Maar ook doordat ik zelf processen-verbaal over bewijsstukken heb gecontroleerd, en daar meerdere ernstige fouten uit heb gehaald, zoals de camerabeelden in de AH, waar de OvJ aanvankelijk tegen het hof zei dat die niet beschikbaar waren. Maar zo zijn er nog 3 voorbeelden. Het heeft mijn vertrouwen in het rechtsapparaat bepaald geen goed gedaan.
Zelfs in mijn eigen huis voelde, en voel, ik me niet vrij om te doen wat ik wilde. Ik heb het als een grote inbreuk ervaren van mijn bewegingsvrijheid dat ik niet normaal in mijn eigen huis kon zijn. De plek was beladen geworden, doordat ze zo vaak ongevraagd binnen was gedrongen. Daardoor durfde ik niet meer te vertrouwen op geborgenheid en veiligheid. Ik ontvluchtte de woning vaak, waaronder bijna een jaar onafgebroken van half 2019 tot half 2020, en zocht een andere plek om te verblijven. Ik voelde me niet vrij om mensen te ontvangen in mijn huis, laat staan alleen te laten in mijn huis, bang als ik was dat deze mensen geconfronteerd zouden worden met de agressie van [verdachte] . Ik kon, en kan, bijvoorbeeld niet mijn vriendin of moeder alleen in mijn woning laten. Omdat [verdachte] naar mijn inschatting fysiek gevaarlijk is, omdat ze enkele malen fysiek agressief is geweest, heb ik mij verdiept in de wetenschappelijke literatuur over vrouwelijke stalkers. Daaruit blijkt dat vrouwelijke stalkers weliswaar minder vaak voorkomen, maar net zo gevaarlijk zijn als mannelijke stalkers.
Ook mijn digitale bewegingsvrijheid wordt tot op heden belemmerd door het handelen van [verdachte] . Zij heeft zich voorgedaan als mijn echtgenote, mijn achternaam gebruikt in alle openheid en ze heeft nepprofielen aangemaakt op Facebook, waarmee ze uit mijn naam berichten stuurde, en onder andere deed alsof ik met haar getrouwd ben. Ik heb ontzettend veel moeite moeten doen om alle schade die hieruit voortvloeide ongedaan te maken en nog steeds voel ik hiervan de gevolgen. Want als het om sociale media gaat ben ik extreem voorzichtig geworden. Alhoewel ik wel profielen heb, ben ik de facto daar min of meer afwezig door toedoen van [verdachte] . Ik ben zeer terughoudend met het delen van informatie, nu ik geleerd heb hoe mensen hier misbruik van kunnen maken.
Sowieso ben ik een stuk voorzichtiger geworden in de omgang met andere mensen. Deze ervaring heeft me wantrouwend gemaakt ten opzichte van de bedoelingen van mensen Ik ga tegenwoordig niet zonder meer uit van het goede in de mens, wat ik voorheem wel deed. Het is jammer dat ik daardoor misschien minder spontaan en onbevangen ben geworden.
Terugkijkend op de afgelopen jaren voel ik vooral ongeloof dat zij me dit heeft aangedaan. Het is zo zonde van de tijd, van het geld en van de energie die hierin is gaan zitten. En nog steeds durf ik er niet op te vertrouwen dat ze me met rust zal laten. Hoe deze procedure en andere ook mogen aflopen, ik wil er geen enkel misverstand over laten bestaan dat ik met rust wil worden gelaten. Ik wil dat [verdachte] op geen enkele wijze contact met mij opneemt. Als het echt niet anders kan dan doet ze het maar via haar advocaat.”
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de benadeelde partij door de politierechter in de gelegenheid is gesteld zijn vordering mondeling ter terechtzitting toe te lichten. Het proces-verbaal houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“(…) Gezien de ernst van deze stalkingszaak ben ik van mening dat het bedrag van 3000 euro aan immateriële schadevergoeding op zijn plek is. (…) De laatste keer dat ik gestalkt ben was een aantal maanden geleden. Ik wil graag nog aanvullen dat dit mij de afgelopen 5 jaar enorm veel energie heeft gekost. Het fysieke stalken is nu gestopt, maar dat kan weer doorgaan. (…).”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De benadeelde partij [benadeelde] wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Hij deelt mede:
Ik voeg mij opnieuw in hoger beroep, maar ik matig de gevorderde materiële schade - te weten de verhuiskosten - tot een bedrag van € 6.000,-. Dat betekent dat.de totale gevorderde schade bestaat uit een bedrag van € 9.000,00. Dat bedrag bestaat dus uit een bedrag van € 6.000,00 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partij voert voorts het woord aan de hand van zijn schriftelijke notitie (slachtofferverklaring), die na de zitting naar de griffier is gemaild en in het dossier is gevoegd. In
aanvulling daarop deelt hij mede:
Ik ben continu bezig om bewijs tegen de verdachte te verzamelen. Tot augustus 2017 hadden wij
een normale relatie, als kennissen. Daarna heb ik geprobeerd om afstand te nemen. Sinds maart
2018 wilde ik helemaal geen contact meer met haar, maar zij bleef maar aandringen. Zij gebruikt
foto’s van ons om aan te tonen dat wij een relatie hadden, maar dat is onzin.”
De door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 overgelegde pleitnotities houden, voor zover van belang, het volgende in:
“Vordering benadeelde partij
101. Vanwege de bepleite vrijspraak wordt primair verzocht de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
102. Subsidiair, de benadeelde partij kan zijn vordering in hoger beroep niet vermeerderen met de gevraagde verhuiskosten. Hij heeft deze verhuiskostenpost bij de politierechter niet gevorderd/ingetrokken, zodat dit niet binnen de grenzen van vordering in EA valt (zoals bedoeld in art. 421, lid 3 Sv). Ten tweede is deze post volstrekt onvoldoende onderbouwd en te ingewikkeld.
103. Niet-ontvankelijkheid van de totale vordering is op z'n plaats, omdat de benadeelde partij een actieve en weerbare derde betreft, die zijn weg reeds naar de civiele rechter heeft gevonden. Hij vordert dezelfde schade: immateriële vanwege stalking en reputatieschade etc. De schade is door en namens cliënte uitvoerig betwist in de civiele procedure. De civiele rechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hoger beroep daartegen van [benadeelde] loopt nog. Het is dan ook daar de plaats om daarover te oordelen.
104. Verder is uiteraard van belang dat vanwege voornoemde "actie-reactie" omstandigheden en
het feit dat [benadeelde] dikwijls het contact zelf in stand hield, sprake is van culpa in causa complexiteit, zodat ook daarom de zaak te ingewikkeld is om in het strafrecht af te doen. De behandeling van de vordering bp levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot
schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.010,00, bestaande uit € 13.010,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De vordering bedraagt - na matiging ter terechtzitting in hoger beroep - € 9.000,00, bestaande uit € 6.000,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en de vordering tot vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 1000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Primair heeft hij daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij zijn vordering al bij de civiele rechter heeft ingediend en subsidiair dat er sprake is van deels eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op het stelselmatige karakter van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, de inbreuk die zij heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en op hetgeen in soortgelijke zaken aan schadevergoeding is toegekend. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen, omdat dit de grenzen van de billijkheid te buiten gaat.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal voor bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden, te weten 9 maart 2018.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00
(tweeduizend euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 maart 2018.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof door enkel te overwegen “dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende [is] gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden” in zijn geheel niet inzichtelijk maakt op grond van welke categorie als genoemd in art. 6:106 BW deze vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen.
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Hoewel de vordering in de onderhavige zaak ten aanzien van de in art. 6:106 BW vermelde grondslagen niet inhoudelijk is betwist, meen ik dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Uit de overwegingen van het hof kan immers niet worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Dat het hof in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade in algemene zin refereert aan het stelselmatige karakter van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt dit mijns inziens niet anders.
Het middel slaagt.
7. Het vierde middel
Het middel klaagt over de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Nu het derde middel terecht is voorgesteld, kan ook de oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
8. Het vijfde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
De akte cassatie houdt in dat het cassatieberoep op 30 mei 2023, op grond van een op 26 mei 2023 ontvangen volmacht, namens de verdachte is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 februari 2024 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, kan met de enkele constatering dat de termijn is overschreden worden volstaan.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde de zaak ten aanzien daarvan opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG