Nummer22/02402
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
“1. Primair
hij op 8 februari 2019 te Apeldoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen de Europaweg en de Eendrachtstraat, daarmede rijdende over de weg, de Europaweg, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- onder invloed van alcohol,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Europaweg) en het zich daarop bevindende verkeer; en
- ter hoogte van die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand die hij, verdachte die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was; en
- met een snelheid gelegen tussen de 104 en 116 kilometer per uur, die kruising is op- en overgereden; en
- is gebotst tegen een fietser, welke fietser – komende uit de richting van de Parallelweg van de Europaweg – doende was die Europaweg oversteken in de richting van de Eendrachtstraat,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
- terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en
- welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij verdachte een krachtens de Wegenverkeersweg 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;
2.
hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Apeldoorn, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 275 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn”.
Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat “de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend gemotiveerd is, omdat ten aanzien van de verdachte, voorafgaand aan het ademonderzoek als bedoeld in art. 10, eerste lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, “onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden bestonden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan het rijden onder invloed kon voortvloeien”.
De hier toepasselijke bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 luiden:
- Art. 8, eerste en tweede lid:
“1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (…)”.
- Art. 160, vijfde lid, onder b:
“Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:
(…)
b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid”.
- Art. 163, eerste en achtste lid:
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
De hier toepasselijke bepalingen van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen en het verkeer luidden in de tenlastegelegde periode als volgt:
- Art. 6, eerste lid:
“Een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (…) geschiedt door degene bij wie het onderzoek wordt verricht, in een voor het onderzoek bestemde ademtester die bij ministeriële regeling is aangewezen, ademlucht te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen.”
- Art. 10, eerste lid:
“Een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a (…) van de Wegenverkeerswet 1994 (…) geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.”
De Instructie handhaving rijden onder invloed luidde in de tenlastegelegde periode, voor zover hier relevant, als volgt:
- 1. Begripsbepalingen, eerste, tweede en derde bullet:
“• Besluit: Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer;
• Ademtest: Een voorlopig ademonderzoek in de zin van artikel 6, eerste lid van het Besluit;
• Ademanalyse: Een ademonderzoek in de zin van artikel 10 van het Besluit;”
- 2.2.2. Controlesituaties, eerste en tweede bullet:
“A. De opsporing van alcohol in het verkeer
• Voorlopig ademonderzoek
Op eerste vordering van één van de in artikel 159, onderdeel a van de WVW 1994 bedoelde personen, zijn bestuurders of degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen, verplicht medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid WVW 1994.
Het voorlopig ademonderzoek is geregeld in paragraaf 3.2. van het Besluit. Het voorlopig ademonderzoek is niet bestemd als bewijsmiddel, maar heeft de functie van selectiemiddel. Voorts is van belang dat bij inzet van dit voorlopig ademonderzoek het mondstuk telkens wordt gewisseld (HR 8 juli 1997, VR 1998, 1).
Op het voorselectieapparaat verschijnen voor alcohol in het verkeer de volgende relevante aanduidingen
P (pass)
Indicatie alcohol onder de vervolgingsgrens van 95 ug/l
P/A (pass/alert)
Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 95 ug/l wordt aangetroffen (170-300 ug/l)
A (alert)
Indicatie dat bij ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 235 ug/l wordt aangetroffen (300-650 ug/l)
F (fail)
Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de 570 ug/l (<650 ug/l) wordt aangetroffen
• Verdenking
Een verdenking ontstaat wanneer de uitslag van het voorlopig ademonderzoek F of A inhoudt. Bij een P/A houdt de aanduiding P van pass voor de ervaren bestuurder in dat hij niet verdacht is. Daarentegen geeft de uitslag A in de combinatieaanduiding P/A bij beginnende bestuurders wel voldoende grond voor een verdenking en volgt een bevel medewerking ademanalyse, nadat eerst het resultaat van dat vooronderzoek direct aan de verdachte is medegedeeld.
Indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft is toch verdenking mogelijk, namelijk op grond van uiterlijke kenmerken, zoals een dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak (trias alcoholica). In die omstandigheden volgt eveneens een bevel medewerking ademanalyse. Zie wat betreft adem, die ruikt naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank: (HR 3 maart 1981, VR 1981, 70).”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit het voorlopig ademonderzoek, als bedoeld in art. 6, eerste lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen en het verkeer, niet bleek dat sprake was van “een te hoge alcoholwaarde in de uitgeademde lucht”, dat het hof bij het bestreden oordeel het feit heeft meegewogen “dat er aanwijzingen waren dat de verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt”, terwijl deze omstandigheid niet behoort tot de uiterlijke kenmerken van de “Trias Alcoholica”, dat de “Trias Alcoholica” dwingend cumulatieve eisen formuleert die niet door de verbalisanten zijn waargenomen, en dat de bij de verdachte waargenomen bloeddoorlopen ogen op verschillende wijzen verklaard konden worden.
Het hof heeft inzake het rijden onder invloed als volgt overwogen:
“Overweging met betrekking tot het rijden onder invloed
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het rijden onder invloed niet strookt met de rechtspraak over het stelsel van strikte waarborgen voor de uitvoering van alcoholonderzoek.
De verdediging heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de bewijsbeslissing van de rechtbank op het punt van het rijden onder invloed in hoger beroep moet worden gevolgd. Deze beslissing houdt in dat aan verdachte - na de uitslag 'P/A' bij het voorlopig ademonderzoek, gelet op de betekenis daarvan zoals die voortvloeit uit de Instructie handhaving rijden onder invloed - geen bevel tot medewerking aan een ademanalyseonderzoek op grond van artikel 163, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 mocht worden gegeven. Met de uitslag 'P/A' was er immers geen verdenking ter zake het rijden onder invloed en dat kan slechts anders zijn als er sprake is van een cumulatie van een dranklucht èn een waggelende gang èn belemmerde spraak bij verdachte; de zogeheten 'trias alcoholica'. De resultaten van het ademanalyseonderzoek moeten derhalve worden uitgesloten van het bewijs, zodat de strafverzwarende omstandigheid in het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kunnen worden.
Beoordeling van het hof
In artikel 163, eerste lid Wegenverkeerswet 1994 staat dat een opsporingsambtenaar bij een verdenking dat een bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, die bestuurder kan bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek. Van een verdenking is volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering sprake wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het voorlopig ademonderzoek is volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed één van de mogelijkheden op basis waarvan een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen. Volgens de jurisprudentie (HR 18 december 1979, VR 1980, 59 en HR 3 maart 1981, VR 1981, 70) is een verdenking ter zake rijden onder invloed echter ook mogelijk wanneer een verdachte riekt naar inwendig gebruik van alcohol.
In de onderhavige zaak - zo staat vast - is de politie bij de plaats van het dodelijke ongeval gearriveerd en is de verdachte als bestuurder van de daarbij mogelijk betrokken personenauto onderworpen aan het controlemiddel van een voorlopig ademonderzoek. Het voorlopig ademonderzoek gaf bij verdachte een uitslag 'P/A'. Deze uitslag geeft volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed een indicatie van een ademalcoholgehalte van boven de 95 ug/l, met een bereik tussen de 170-300 ug/l. Verbalisant heeft verdachte vervolgens bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek omdat hij opmerkte dat verdachtes adem rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had.
Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed. Dat verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een indicatie 'P/A' blies doet daar niets aan af. Van enigerlei vormverzuim, laat staan enige schending van een strikte waarborg, is derhalve geen sprake. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.”
Het middel gaat er kort gezegd van uit (i) dat, indien de uitslag van het voorlopig ademonderzoek niet F of A inhoudt, op geen andere wijze een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen bij een ervaren (dat is: een niet-beginnende) bestuurder, (ii) dat een dergelijke verdenking alleen kan rijzen op grond van de uiterlijk waargenomen kenmerken van de “trias alcoholica” en (iii) dat, voordat sprake kan zijn van een dergelijke verdenking, zowel een dranklucht als een waggelende gang als een belemmerde spraak dient te worden waargenomen.
Geen van deze opvattingen vinden steun in het recht. In een arrest van 3 maart 1981 overwoog de Hoge Raad dat de “aan het middel ten grondslag liggende opvatting, volgens welke de enkele omstandigheid dat de bestuurder van een motorrijtuig riekt naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank geen voldoende grond kan opleveren voor een ’verdenking’ als bedoeld in art. 33a lid 1 WVW”, geen steun vindt in het recht. Dat geldt ook wanneer een voorlopig ademonderzoek geen belastende waarde oplevert. In meer algemene zin dient uit de bewijsvoering de feiten en omstandigheden waaruit het redelijk vermoeden van schuld voortvloeit te volgen, welke feiten en omstandigheden niet zijn beperkt tot de “trias alcoholica”.
Bij het bovenstaande sluit ook de Instructie handhaving rijden onder invloed aan. Die Instructie stelt dat verdenking toch mogelijk is zelfs indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft en dat een verdenking kan rijzen op grond van de niet limitatief en niet cumulatief genoemde uiterlijke kenmerken in de Instructie: dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak.
Het hof heeft overwogen dat van een verdenking sprake is wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit, dat volgens de Instructie, het voorlopig ademonderzoek “één van de mogelijkheden op basis waarvan een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen” is, en dat op basis van jurisprudentie – waarbij wordt verwezen naar het hierboven kort aangehaalde arrest van de Hoge Raad – “een verdenking ter zake rijden onder invloed echter ook mogelijk [is] wanneer een verdachte riekt naar inwendig gebruik van alcohol”.
Het hof heeft vastgesteld dat het voorlopig ademonderzoek bij verdachte een uitslag 'P/A' gaf en dat de verbalisant de verdachte vervolgens heeft bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek “omdat hij opmerkte dat verdachtes adem rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had”. Het hof heeft geoordeeld dat de “verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed”. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd. Dat de bij de verdachte waargenomen bloeddoorlopen ogen op verschillende wijzen verklaard konden worden, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, doet daaraan niet af.
Het middel faalt.
Het tweede middel
4. Het tweede middel bevat de klacht dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn voor het onder 1. primair bewezenverklaarde. De steller van het middel wijst daarbij op de in bewijsmiddel 3 en bewijsmiddel 6 vervatte omstandigheden dat [slachtoffer], komend van links geen voorrang had verleend aan de verdachte en dat het zicht dat de verdachte en [slachtoffer] op elkaar hadden werd belemmerd door een struikgewas.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijden, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De bewezenverklaring van het onder 1. primair tenlastegelegde berust onder meer op de volgende in het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“3. een proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, (…), opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Oost-Nederland, en [verbalisant 2], inspecteur van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 24 februari 2020, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:
Op pagina 17:
Op vrijdag 8 februari 2019, was de fietser de plaats van het verkeersongeval genaderd over de parallelweg van de Europaweg, rijdende in Noordelijke richting. Op het kruispunt van de Europaweg en de Eendrachtstraat, stak de fietser de Europaweg over (in de richting van de Eendrachtstraat). Gezien vanuit de rijrichting van de fietser, naderde op dat moment van links de bestuurder van de personenauto. De fietser verleende geen voorrang aan de voor hem van links komende bestuurder van de personenauto. Daarop kwamen de personenauto en de fietser elkaar in botsing.
Op pagina 29:
Het tijdstip dat het ongeval werd vermeld was 20:08. Op dat moment was het donker.
Op pagina 48:
Het zicht op elkaar werd belemmerd door struikgewas.
(…)
5. een kort proces-verbaal analyse VRI-data, (…), opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 7 februari 2020, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op pagina 66:
Ik heb de betreffende VRI van 8 februari 2019 vanaf 20:00 uur tot 20:10 uur geanalyseerd. De bestuurder van de Ford was het kruispunt Europaweg-Jachtlaan genaderd over de Europaweg, komende uit de richting van de Laan van de Mensenrechten. De bestuurder van de Ford reed op richting 5. Omstreeks 20:07:15 uur zag ik op richting vijf één voertuig dat (beduidend) sneller reed dan de andere voertuigen. Dat voertuig passeerde het betreffende kruispunt met een indicatieve snelheid van minimaal 64 km/u en maximaal 66 km/u. Het betreffende voertuig was de stopstreep van richting 5 genaderd met een indicatieve snelheid van minimaal 68 km/u en maximaal 75 km/u (over een traject van ongeveer 50 m). Dat voertuig was (vrijwel zeker) de Ford. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid bedroeg 50 km/u.
6. een NFI-rapport ‘Beeldonderzoek naar de snelheid van een auto naar aanleiding van een aanrijding op de Europaweg te Apeldoorn op 8 februari 2019’, (…), opgemaakt door ir. B. Hoogeboom, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als bevindingen van de deskundige:
Op pagina 165:
Te onderzoeken materiaal: SIN AAKN1839NL, videobeelden van aanrijding.
Verkregen informatie: De bestuurder van de een Ford Mondeo reed over de Europaweg, komende vanuit de richting van de kruising Jachtlaan/Europaweg (VRI) en gaande in de richting van het politiebureau aldaar. Ter hoogte van de T-aansluiting van de Eendrachtstraat met de Europaweg stak de fietser over (rijrichting parallelweg Europaweg - Eendrachtstraat), deze diende de Ford voorrang te verlenen. De fietser werd tijdens de oversteek in de linkerflank geraakt door de voorzijde van de Ford. Er zijn videobeelden van de RABOBANK gesitueerd op de kruising waar het ongeval heeft plaatsgevonden.
Vraagstelling: Bepaal de snelheid van de Ford Mondeo die na 8 minuten en 10 seconden na de start van het bestand 'beelden 8-2 20u10.avi' waar te nemen is.
Op pagina 179
Conclusie: Het onderzoek naar de gemiddelde snelheid van de auto zichtbaar in de camerabeelden [AAKN1839NL] heeft plaatsgevonden op basis van metingen aan de beelden zoals gedefinieerd in Figuur 1 en Figuur 2 van deze rapportage. De beste schatter voor de gemiddelde snelheid van de auto bedraagt 110 km/u. Deze gemiddelde snelheid is bepaald overeen afstand van ongeveer 12 meter. De grenzen van het 95%-kansinterval zijn [104, 116] km/u.
(…)
8. een aanvullend proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, dynamische vermijdbaarheid, (…), opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 24 februari 2020, (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op pagina 101:
Op 8 februari 2019 had op het kruispunt van de Europaweg en de Eendrachtstraat in Apeldoorn een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij het verkeersongeval waren de bestuurder van een Ford Mondeo personenauto en een fietser betrokken. De fietser is door het verkeersongeval overleden. Mij is verzocht onderzoek te doen naar de dynamische vermijdbaarheid van het verkeersongeval.
Op pagina 103:
Bij dynamische vermijdbaarheid gaat het er om of de fietser veilig de Europaweg had kunnen oversteken, indien de Ford had gereden met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u.
Op pagina 131:
Met behulp van simulaties is de dynamische vermijdbaarheid van het verkeersongeval onderzocht. Bij alle onderzochte scenario’s, vanaf een erg lage fietssnelheid van 10 km/u tot een erg hoge fietssnelheid van 24 km/u, bleek de kritieke snelheid van de Ford ongeveer 75 km/u, vanaf het moment dat de linker koplamp van de Ford direct zichtbaar werd voor de fietser. Indien de bestuurder van de Ford, vanaf dat punt met die snelheid had gereden, zou hij zonder snelheid te minderen net achter het achterwiel van de fietser langs zijn gereden. Uit het voorgaande volgt dat het aannemelijk is dat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de bestuurder van de Ford. Zelfs bij een erg lage fietssnelheid (10 km/u) was de fietser, op het moment dat hij de linker koplamp van de naderende Ford had kunnen zien, al voorbij het beslispunt/beslismoment om over te steken.
9. een proces-verbaal rijden onder invloed, (…), opgemaakt door [verbalisant 4], agent van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 8 februari 2019, (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op pagina 206:
Op 8 februari 2019 heb ik verdachte onderworpen aan een ademanalyseonderzoek. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Het onderzoeksresultaat van de ademanalyse bedroeg 275 μ/l.”
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring van het onder 1. primair tenlastegelegde onder meer als volgt overwogen:
“Namens verdachte is vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet weet of hij schuld heeft aan het ongeval en dat in dat verband onvoldoende vast te stellen is in welke mate het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat verdachte het onaannemelijk acht dat hij met de door de politie berekende snelheid heeft gereden, dat verdachte slecht zicht had op de verkeersdeelnemers vanuit de richting van de parallelrijbaan van de Europaweg en dat het slachtoffer ook slecht zicht had op de Europaweg vanaf de parallelrijbaan van de Europaweg. Volgens de raadsman kan slechts worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden, maar is dat onvoldoende voor de vaststelling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
(…)
Het hof acht het ten laste gelegde feit bewezen. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hierboven gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij als volgt.
(…)
Verdachte reed op de avond van 8 februari 2019 met zijn Ford Mondeo over de Europaweg in Apeldoorn. Dit betreft een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van vijftig kilometer per uur geldt. Op de kruising van de Europaweg met de Eendrachtstraat is verdachte in botsing gekomen met de achttienjarige fietser [slachtoffer] . De aanrijding is [slachtoffer] fataal geworden. Ten tijde van het ongeval was het donker en werd het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar belemmerd door een struikgewas in de berm. Op het kruispunt gelegen voor het kruispunt waar het fatale verkeersongeval heeft plaatsgevonden, het kruispunt van de Europaweg met de Jachtlaan, is de verkeersregelinstallatie onderzocht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte het kruispunt met een snelheid van tussen de 68 en 75 kilometer per uur is genaderd en dat hij de kruising met een snelheid van tussen de 64 en 66 kilometer per uur is overgereden. Een beveiligingscamera heeft een deel van het kruispunt van het fatale ongeval vastgelegd. Uit een onderzoek naar de snelheid die op basis van die camerabeelden is te berekenen kan met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat verdachte met een gemiddelde snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur reed (volgens het onderzoek kan met een betrouwbaarheid van 95% worden bepaald dat de snelheid van verdachte tussen de 104 en 116 kilometer per uur lag). Uit het ademanalyseonderzoek blijkt voorts dat verdachte onder invloed van 275 μg/l alcohol reed. Onderzoek heeft uitgewezen dat als verdachte met een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden, hij [slachtoffer] net niet zou hebben aangereden, zodat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de bestuurder van de Ford.
Door het fatale kruispunt met Eendrachtstraat te naderen met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed en terwijl hij onder invloed van alcohol reed, heeft verdachte zichzelf grovelijk overschat, uitgaande van een goede afloop, en heeft hij zichzelf en het slachtoffer iedere mogelijkheid op een goede afloop ontnomen. Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande dan ook bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg.”
Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en zijn hiervoor weergegeven bewijsoverweging onder meer vastgesteld dat de verdachte op de kruising van de Europaweg met de Eendrachtstraat in botsing is gekomen met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] ten gevolge daarvan is komen te overlijden. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het ten tijde van het ongeluk donker was, dat het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar werd belemmerd door een struikgewas in de berm, dat de verdachte met een gemiddelde snelheid van 110 kilometer per uur heeft gereden, dat hij onder invloed van 275 μg/l alcohol reed en dat – als verdachte met een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden – hij [slachtoffer] net niet zou hebben aangereden, zodat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de verdachte. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat de verdachte, door het kruispunt te naderen met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed en terwijl hij onder invloed van alcohol reed, zichzelf grovelijk heeft overschat, uitgaande van een goede afloop, dat hij zichzelf en het slachtoffer iedere mogelijkheid op een goede afloop heeft ontnomen en dat de verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg.
Met betrekking tot de in bewijsmiddel 3 en bewijsmiddel 6 vervatte omstandigheid, dat [slachtoffer] geen voorrang aan de verdachte had verleend, heeft het hof overwogen, dat als de verdachte een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden, de aanrijding was voorkomen. Met betrekking tot de in bewijsmiddel 3 vervatte omstandigheid, dat het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar belemmerd werd door een struikgewas, heeft het hof overwogen dat, kort gezegd, de verdachte het kruispunt naderde met ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed, zodat de verdachte niet in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand op de weg die hij kon overzien en waarover deze vrij was. ’s Hofs oordeel is toereikend gemotiveerd.
Voorts bevat het middel de klacht dat het hof het door de raadsman gevoerde verweer onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, omdat de berekende snelheid waarmee de verdachte heeft gereden voor het bewijs van zijn schuld aan het ongeval onvoldoende is.
De klacht gaat ervan uit dat ’s hofs oordeel, “dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg”, enkel steunt op de omstandigheid dat de verdachte, “met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid” reed. Die klacht berust, gelet op het bovenstaande, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist daardoor feitelijke grondslag.
Het middel faalt.
Slotsom
5. Beide middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het onder 2. tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Afdoening van middel 1 door de Hoge Raad op de voet van art. 81, eerste lid, RO ligt daarom niet in de rede. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 1 juli 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG