ECLI:NL:PHR:2024:1259

ECLI:NL:PHR:2024:1259, Parket bij de Hoge Raad, 22-11-2024, 24/00589

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/00589
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:701
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005290

Samenvatting

Huurrecht woonruimte; procesrecht. Rechtsmiddelenverbod art. 7:262 lid 2 BW. Beslissing van de kantonrechter over ‘een punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht’ (7:262 lid 1 BW)

Uitspraak

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bevat klachten in vijf onderdelen tegen het oordeel in rov. 2.5-2.7 dat Verhuurder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep vanwege het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW. De rechtsklacht van onderdeel 1.2 (onderdeel 1.1 bevat geen klacht) klaagt dat het hof heeft miskend dat het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht volgens art. 7:262 lid 1 BW slechts betrekking heeft op de servicekosten die de verzoeker in zijn verzoek ex art. 7:260 lid 1 BW ook aan de huurcommissie ter beoordeling heeft voorgelegd en waartoe bescheiden zijn overgelegd aan de huurcommissie. De motiveringsklacht van onderdeel 1.3 klaagt dat nu uit rov. 2.1 blijkt dat Huurders de huurcommissie hebben verzocht de servicekosten over 2019 te beoordelen onder overlegging van de Eindafrekening 2019, terwijl er later door Verhuurder de Herziene Eindafrekening aan Huurders is verschaft, er in rov. 2.5-2.7 sprake is van ontoereikende motivering. Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof in de aangevallen passages heeft miskend dat bedoeld rechtsmiddelenverbod niet geldt voor servicekosten die de huurcommissie niet heeft beoordeeld en die (dus) voor het eerst aan de kantonrechter zijn voorgelegd. Volgens onderdeel 1.5 is zonder nadere, maar ontbrekende motivering niet in te zien waarom ten aanzien van de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’, die volgens Verhuurder niet door de huurcommissie is beoordeeld, bedoeld rechtsmiddelenverbod zou gelden. Voor zover het hof in rov. 2.6 wel heeft geoordeeld dat de huurcommissie de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ heeft beoordeeld, is dat oordeel volgens onderdeel 1.6 ontoereikend gemotiveerd.

Inleiding – art. 7:262 BW

Het gaat in deze zaak om art. 7:262 BW:

“1. Wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uitspraak heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht.

2. Tegen een beslissing krachtens dit artikel is geen hogere voorziening toegelaten.”

Art. 7:262 BW bevat bijzondere procedureregels die gelden nadat de huurcommissie een uitspraak heeft gedaan over de materie uit paragrafen 1 (‘Huurprijzen’ art. 7:246-257 BW) en 2 (‘Andere vergoedingen’, art. 7:258-261b BW) van onderafdeling 7.4.5.2 BW, getiteld ‘Huurprijzen en andere vergoedingen’. Dat zijn procedures waarin de huurcommissie wordt gevraagd om de huurprijs of een andere betalingsverplichting van de huurder vast te stellen – voor zover in deze zaak van belang: uit hoofde art. 7:260 BW met betrekking tot ‘kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten’. Uitspraken van de huurcommissie die niet zijn gebaseerd op deze twee paragrafen vallen niet onder de toepassing van art. 7:262 BW. De procedure bij de huurcommissie voor dit § 2 geschiltype uit art. 7:260 BW is niet exclusief te achten: de kantonrechter kan ook direct worden aangezocht hiervoor.

Het eerste deel van art. 7:262 lid 1 BW bepaalt hoe huurder en verhuurder aan de uitspraak van de huurcommissie worden gebonden. Dat geschiedt bij wege van een ‘fictieve wilsovereenstemming’: huurder en verhuurder worden geacht de uitspraak van de huurcommissie in de huurovereenkomst te zijn overeengekomen, waardoor zij direct aan die uitspraak zijn gebonden, nadat de huurcommissie-uitspraak naar partijen is gezonden.

Op grond van het tweede deel van art. 7:262 lid 1 BW vervalt die fictieve wilsovereenstemming, en daarmee de bindende kracht van de uitspraak van de huurcommissie, als een partij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een beslissing van de kantonrechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak is gevraagd. Hoe dat gecursiveerde gedeelte moet worden begrepen, komt hierna nader aan de orde bij de klachtenbespreking en valt volgens mij te begrijpen als: het aspect waarover een uitspraak van de huurcommissie is uitgelokt, zoals bijvoorbeeld in deze zaak de verschuldigde servicekosten.

Tegen een art 7:262 BW beslissing van de kantonrechter is op grond van lid 2 van dat artikel geen hoger beroep of cassatie mogelijk. Dit rechtsmiddelenverbod kan alleen worden doorbroken op grond van in de rechtspraak aanvaarde doorbrekingsgronden en dat zijn: (i) de situatie dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van het huurprijzenrecht is getreden of dit ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten en/of (ii) de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd, zodat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. De achtergrond van dit rechtsmiddelenverbod is dat discussies over huurprijzen van woonruimte in de ogen van de wetgever niet te lang moeten duren, waarbij beoordeling door één rechterlijke instantie voldoende is geacht.

In een prejudicieel arrest uit 2021, dat ging over de eis in reconventie in een art. 7:262 BW-procedure, is over het karakter van de art. 7:262 procedure geoordeeld dat die rechtsgang als een laagdrempelige procedure is bedoeld, waarin partijen zonder rechtsbijstand kunnen procederen. Daarbij past niet om formele eisen te stellen aan de manier waarop gedaagde geschilpunten aan de kantonrechter kan voorleggen. Daarnaast ontstaat rechtsonzekerheid wanneer de omvang van de rechtsstrijd zou afhangen van de mate van splitsbaarheid van de huurcommissie-uitspraak, bijvoorbeeld omdat samenhang kan bestaan tussen geschilpunten. Hieruit volgt volgens de Hoge Raad dat wanneer één van de partijen tijdig een art. 7:262 BW-vordering heeft ingesteld, partijen helemaal niet meer gebonden zijn aan de huurcommissie-uitspraak. Van een mogelijke splitsing van die uitspraak kan geen sprake zijn en het is vervolgens aan de kantonrechter om te beslissen over het (gehele) geschil tussen partijen. Dat is ook van belang voor onze zaak en ik kom daar bij de nu volgende bespreking van de klachten op terug.

Onderdeel 1.2

Volgens onderdeel 1.2 heeft het hof in rov. 2.5-2.7 miskend dat het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht uit art. 7:262 lid 1 BW slechts ziet op de servicekosten (en eventuele kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter) die door de verzoeker in zijn verzoek op grond van art. 7:260 lid 1 BW aan de huurcommissie ter beoordeling zijn voorgelegd en daartoe door de verzoeker zijn overgelegd in die procedure. Dat begrip ziet niet op (service)kosten die niet op grond van art. 7:260 lid 1 BW ter beoordeling zijn voorgelegd en overgelegd. Het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW geldt volgens deze klacht dan ook alleen voor (service)kosten die in het verzoek ter beoordeling aan de huurcommissie zijn opgenomen en overgelegd.

Het onderdeel gaat volgens mij uit van een onjuiste rechtsopvatting, die overigens ook in appel is verdedigd door Verhuurder, maar door het hof is verworpen in de nu in cassatie aangevallen rov. 2.5-2.7. Ik licht toe waarom de hier verdedigde uitleg van art. 7:262 BW naar ik meen onjuist én onwenselijk is.

De klacht miskent dat een huurder ook een procedure met als grondslag art. 7:260 BW bij de huurcommissie aanhangig kan maken zonder toevoeging van een (doorgaans door de verhuurder verstrekt) servicekostenoverzicht. Dat maakt al dat de voorgestane lijn van Verhuurder niet juist kan zijn. Daar komt bij dat de verhuurder op grond van art. 7:260 lid 3 BW in principe de plicht heeft om een overzicht te verstrekken van de servicekosten in een speciaal daartoe vastgesteld formulier, nadat de zaak bij de huurcommissie aanhangig is gemaakt. Weigert de verhuurder dit formulier (compleet) in te vullen, dan stelt de huurcommissie de servicekosten volgens art. 18 lid 4 UHW vast op een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag, of, indien de zaak of dienst door de verhuurder niet is geleverd, op € 0. Dat art. 7:262 BW niet zou zien op (service)kosten die niet door de verzoeker in zijn verzoek op grond van art. 7:260 lid 1 BW ter beoordeling aan de huurcommissie zijn voorgelegd en overgelegd, vindt dan ook geen steun in de wet.

Dat zou ook op gespannen voet komen met de strekking van art. 7:262 BW, waarover als besproken betrekkelijk recent prejudicieel is geoordeeld door de Hoge Raad dat daarmee een laagdrempelige procedure is beoogd waarbij het niet past om formele eisen te stellen aan de wijze waarop partijen geschilpunten aan de kantonrechter voorleggen. Het creëert ook rechtsonzekerheid, wanneer de omvang van de rechtsstrijd bij de kantonrechter zou afhangen van de mate van splitsbaarheid van de uitspraak van de huurcommissie; dat maakt zo’n art. 7:262 BW-procedure ongewenst gecompliceerd en doet afbreuk aan het laagdrempelige karakter van die rechtsgang.

Bovendien zou dit afbreuk doen aan de effectiviteit van de (voor)procedure bij de huurcommissie, doordat de verhuurder er dan, nadat de huurder een art. 7:260 BW-procedure bij de huurcommissie is gestart, voor zou kunnen kiezen om een herziene servicekostenafrekening aan de huurder te verstrekken, waarmee vervolgens de beoogde snelle rechtsgang zou worden gedwarsboomd. Dat is duidelijk niet de bedoeling van het geschetste stelsel. Als de verhuurder met een herziene afrekening van de servicekosten komt, dan kan hij deze (tijdig) in de procedure bij de huurcommissie inbrengen, of in de opvolgende procedure bij de kantonrechter zijn vordering overeenkomstig aanpassen. Dit neemt echter niet weg dat de huurcommissie al uit hoofde van art. 7:260 BW, en dus op grond van paragraaf 2 van afdeling 7.4.5.2. BW, uitspraak heeft gedaan over de hoogte van de servicekosten en de kantonrechter vervolgens over dat ‘punt’ of ‘aspect’ dan op grond van art. 7:262 BW een beslissing geeft. Het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW is dan volgens mij behoudens doorbrekingsgronden (die in deze zaak geen rol spelen) onverminderd van toepassing op die beslissing.

Om te bepalen of het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW van toepassing is, hoeft dus alleen te worden vastgesteld of de kantonrechter op grond van art. 7:262 BW een beslissing heeft gegeven: partijen kunnen als besproken binnen acht weken na een uitspraak van de huurcommissie op een verzoek uit paragrafen 1 en 2 van afdeling 7.4.5.2 BW een beslissing van de kantonrechter uitlokken over het punt of aspect waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht, zoals bijvoorbeeld vaststelling van de verschuldigde servicekosten in onze zaak. Dat behelst allicht een verzoek om een ándere beslissing te geven dan de huurcommissie heeft gedaan en dan is art. 7:262 BW met inbegrip van het rechtsmiddelenverbod van het tweede lid van toepassing, behoudens een geslaagd beroep op doorbrekingsgronden. Hieruit volgt dat in weerwil van de klacht voor de toepassing van art. 7:262 BW in het geval van de vaststelling van servicekosten in een huurcommissieprocedure volgens art. 7:260 BW niet vereist is dat op detailniveau wordt gekeken van welke servicekostenposten de huurder precies vaststelling heeft verzocht bij de huurcommissie – en al helemaal niet dat moet worden bezien wat hij daartoe bij de huurcommissie heeft overgelegd. Heeft een huurder eenmaal op de voet van art. 7:260 BW de huurcommissie verzocht de servicekosten vast te stellen, dan is art. 7:262 BW al ingeschakeld als een van partijen tijdig de zaak aan de kantonrechter heeft voorgelegd om een ander oordeel dan dat van de huurcommissie te krijgen daarover.

Deze uitleg van het rechtsmiddelenverbod is ook in lijn met de Toelichting op art. 7:262 BW, die leert dat art. 7:262 BW overeenstemt met art. 14 en 27-28 HPW (inmiddels vervallen), waar een vergelijkbaar systeem werd gehanteerd. Op grond van art. 14 lid 1 HPW konden huurder en verhuurder zich ieder schriftelijk wenden tot de kantonrechter met het verzoek te verklaren wat de servicekostenbetalingsverplichting was van de huurder. Art. 14 lid 3 HPW bepaalde dat een dergelijk verzoek gepaard ging met een advies van de huurcommissie als bedoeld in art. 13 lid 1 HPW (het huidige art. 7:260 BW). Tegen de beschikking van de kantonrechter op grond van art. 14 HPW stond geen hogere voorziening open volgens art. 14 lid 4 jo. art. 28 lid 3 HPW. Uit het stelsel dat aan de huidige regeling voorafging, waarvan voortzetting is beoogd, volgde zodoende ook al niet dat het rechtsmiddelenverbod van art. 14 lid 4 HPW slechts van toepassing was ten aanzien van (service)kosten die de verzoeker in zijn verzoek ter beoordeling door de huurcommissie had opgenomen en had overgelegd. Voldoende was dat vaststond dat partijen eerst naar de huurcommissie waren gestapt met het verzoek om de servicekosten vast te stellen en dit moest slechts blijken uit het vereiste dat het advies van de huurcommissie daarover werd bijgevoegd bij het (vervolg)verzoek aan de kantonrechter.

Ook literatuur en rechtspraak geven geen aanwijzingen dat de door de rechtsklacht bepleite uitleg juist is (zie voetnoot 17); PI en s.t. van Verhuurder noemen daar ook geen vindplaatsen voor. De lijn uit Verhuurders s.t. (bijv. 11-17) is dat de rechtsgang langs de huurcommissie niet verplicht is en over servicekosten ook rechtstreeks in een dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter kan worden geprocedeerd. Als die weg wordt gekozen, is er geen rechtsmiddelenverbod en kan men in appel, zodat ook dan in twee instanties een beoordeling kan volgen, net als in het geval dat na de huurcommissie de kantonrechter wordt aangezocht. Nog daargelaten dat dit soort kostenkwesties doorgaans de appelgrens niet zullen halen, overtuigt dit niet, gelet op de geschetste achtergrond van de huurcommissie/kantonrechterprocedure die is beoogd als een laagdrempelige procedure die snel duidelijkheid moet geven over dit soort (huur)kostenkwesties bij huur van woonruimte. De eerder besproken bezwaren wegen naar ik meen ook duidelijk zwaarder. Het punt lijkt hier veeleer te zijn dat Verhuurder is teruggefloten voor de ‘verpakking’ van wat huurrechtelijk servicekosten zijn in een separate overeenkomst en dit nog heeft trachten te ‘redden’ door de daarin opgenomen kostenposten alsnog onder de huurrechtelijke servicekostenbeoordeling voor het jaar 2019 meegenomen te krijgen, maar daarmee is men, zoals hierna in 3.17 wordt besproken, om procedurele redenen niet tijdig genoeg geweest naar het oordeel van de Huurcommissie (terwijl niet is toegelicht waarom daarmee aan Verhuurderszijde zo lang is gewacht).

Het hof heeft art. 7:262 lid 2 BW in onze zaak volgens mij dan ook correct toegepast. In rov. 2.5 is vastgesteld dat Huurders de huurcommissie hebben gevraagd een oordeel te geven over de verschuldigde servicekosten over 2019. Dat is een servicekostenprocedure volgens art. 7:260 BW (zie ook rov. 2.1) en valt daarmee onder de reikwijdte van de in art. 7:262 lid 1 BW genoemde paragrafen 1 en 2 van afdeling 7.4.5.2 BW. De daaropvolgende beoordeling door de kantonrechter van de verschuldigde servicekosten is dan ook terecht gekwalificeerd als een beslissing over het punt (servicekosten) waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht in de zin van art. 7:262 lid 1 BW. Ook de inleidende dagvaarding van Verhuurder is op die leest geschoeid, zoals de aanhef aangeeft (‘Dagvaarding ex artikel 7:262 BW’) en waarin op verschillende plaatsen wordt aangegeven dat Verhuurder zich niet kan vinden in de uitspraak van de huurcommissie en daarom op de voet van art. 7:262 BW vordert dat de kantonrechter zich uitspreekt over de servicekosten.

Dat de Herziene Eindafrekening bij de huurcommissie om procedurele redenen niet is meegenomen, is een uitvloeisel van de regels van de goede procesorde. Volgens Verhuurder zelf heeft zij de Aanvullende Diensten pas met de Herziene Eindafrekening in rekening gebracht bij Huurders, nadat het haar vanwege het Servicekostenvonnis duidelijk was geworden dat de Aanvullende Diensten als reguliere servicekosten moesten worden beschouwd en ook alleen onder die noemer in rekening konden worden gebracht bij Huurders. Het Servicekostenvonnis dateert van 21 juni 2021 en de Herziene Eindafrekening is ruim een half jaar later, op 26 januari 2022, aan Huurders verstuurd. Verhuurder heeft de huurcommissie ook pas op 20 januari 2022, vier dagen voor de zitting van 24 januari 2022, per mail verzocht om, naar aanleiding van het Servicekostenvonnis, uitspraak te doen op grond van de Herziene Eindafrekening onder het gelijktijdige verzoek om ten behoeve daarvan nadere stukken in het geding te mogen brengen. Een verklaring voor dit zo laattijdige verzoek heeft Verhuurder niet gegeven. De huurcommissie heeft dit verzoek als tardief gepasseerd. Dat dit Verhuurder niet wezenlijk behoeft te hebben benadeeld, zoals het hof ten overvloede overweegt in rov. 2.6, volgt ook al uit het rapport van onderzoek van 20 september 2021, dat vooraf is gegaan aan de uitspraak van de huurcommissie, waarin staat dat de rapporteur bekend was met het Servicekostenvonnis, dat een kopie daarvan in het dossier zat en dat hij dat vonnis bij de totstandkoming van zijn rapport heeft betrokken. Hoewel op procedurele gronden overlegging van de Herziene Eindafrekening als tardief is aangemerkt, hebben zowel de rapporteur als de huurcommissie zodoende rekening gehouden met de materie uit het Servicekostenvonnis. Voor de rechtsvraag of het rechtsmiddelenverbod hier geldt is dat overigens niet van belang.

Op dit één en ander ketst de rechtsklacht van onderdeel 1.2 af.

Onderdeel 1.3

Volgens de motiveringsklacht van onderdeel 1.3 tegen rov. 2.5-2.7 is in ieder geval sprake van ontoereikende motivering, omdat Huurders naar de eigen vaststelling van het hof in rov. 2.1 de huurcommissie hebben verzocht de servicekosten over 2019 te beoordelen onder overlegging van de afrekening van dat jaar, terwijl nadien door Verhuurder de Herziene Afrekening van de servicekosten over 2019 aan Huurders is gezonden. Daaruit volgt volgens de klacht dat Huurders in hun verzoeken op grond van art. 7:260 lid 1 BW de Eindafrekening 2019 ter beoordeling aan de huurcommissie hebben voorgelegd en overgelegd en niet de (aan het verzoek posterieure) Herziene Eindafrekening. Daaraan doet niet af dat de huurcommissie tevens een oordeel heeft gegeven over een deel van de eerst in de Herziene Eindafrekening opgenomen servicekosten (internet en stoffering), nu die servicekosten niet zijn opgenomen in het verzoek van Huurders dan wel in de in dat kader overgelegde Eindafrekening 2019.

In het spoor van de tevergeefs voorgestelde rechtsklacht van onderdeel 1.2, faalt deze motiveringsklacht ook. Dat Huurders bij hun verzoek de (eerder toegezonden) Eindafrekening 2019 ter beoordeling aan de huurcommissie hebben voorgelegd en ingebracht en niet de latere Herziene Eindafrekening, is voor de inschakeling van (het rechtsmiddelenverbod uit) art. 7:262 (lid 2) BW niet relevant, zo is hiervoor besproken bij subonderdeel 1.2. Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek als in de klacht bedoeld.

Onderdeel 1.4

In ieder geval heeft het hof, aldus onderdeel 1.4, in rov. 2.5-2.7 miskend dat het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW niet geldt ten aanzien van servicekosten die de huurcommissie niet heeft beoordeeld en die (dus) voor het eerst aan de kantonrechter zijn voorgelegd en door deze zijn beoordeeld. Dat geldt in ieder geval ten aanzien van kosten waarvan de beoordeling niet dwingendrechtelijk aan de huurcommissie hoeven te worden voorgelegd, maar waarvoor ook eerst en direct de gang naar de kantonrechter kan worden gemaakt, zoals servicekosten dan wel de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’.

Ook dit gaat net als onderdeel 1.2 uit van een onjuiste rechtsopvatting over het rechtsmiddelenverbod uit art. 7:262 lid 2 BW. Voor de toepassing daarvan is niet relevant dat bij de kantonrechter pas servicekosten voor het eerst zijn voorgelegd die niet eerder door de huurcommissie zijn beoordeeld of dat het om kosten gaat die ook direct zonder de huurcommissie-voorprocedure aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. Het rechtsmiddelenverbod is van toepassing op uitspraken van de kantonrechter die zijn gedaan volgens art. 7:262 lid 1 BW, dus zodra een verhuurder een huurcommissievaststelling van servicekosten ter herbeoordeling voorlegt aan de kantonrechter. Daaraan is hier voldaan. Dat hierover ook direct bij de kantonrechter had kunnen worden aangeklopt, doet daar niet aan af. De bij de bespreking van subonderdeel 1.2 aangegeven bezwaren gelden mutatis mutandis ook voor de lijn die subonderdeel 1.4 voorstaat. Ook dat zou de beoogde eenvoudige snelle rechtsgang frustreren en gecompliceerde splitsingsvragen oproepen die niet passen in het beoogde stelsel. De klacht lijkt mij dan ook tevergeefs.

Onderdeel 1.5

Hoe dan ook is het oordeel in rov. 2.5-2.7 volgens onderdeel 1.5 onvoldoende gemotiveerd, nu Verhuurder zich op het standpunt heeft gesteld dat (i) de Aanvullende Diensten mede betrekking hebben op de ‘community-diensten’, waaronder de post ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ van € 205.200,- valt en (ii) de huurcommissie de in de Herziene Eindafrekening opgenomen Aanvullende Diensten niet heeft beoordeeld en die posten daarom voor het eerst aan de kantonrechter zijn voorgelegd en door de kantonrechter zijn beoordeeld. Daaruit volgt immers dat Verhuurder zich mede op het standpunt heeft gesteld dat de post ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ in ieder geval niet door de huurcommissie is beoordeeld en daarom voor het eerst aan de kantonrechter is voorgelegd en beoordeeld. In het licht van die essentiële - want voor toepasselijkheid van het rechtsmiddelenverbod doorslaggevende - stelling valt zonder nadere, ontbrekende, motivering niet in te zien waarom ten aanzien van de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ desondanks het rechtsmiddelenverbod van art. 7:262 lid 2 BW geldt.

Op overeenkomstige grond als hiervoor besproken, kan ook deze klacht in mijn ogen geen doel treffen, omdat voor het rechtsmiddelenverbod niet relevant is of bepaalde servicekostenposten pas voor het eerst bij de kantonrechter aan de orde zijn gesteld en niet al in de voorafgaande procedure bij de huurcommissie daarover. Het gaat alleen om een ander type servicekosten dan voorheen is beoordeeld door de huurcommissie, dat vervolgens door de kantonrechter is beoordeeld (en afgewezen). Van onvoldoende responderen op een in de klacht als essentieel aangemerkte stelling is hier dan ook geen sprake. Ook deze klacht berust op de bij de bespreking van onderdeel 1.2 afgewezen opvatting dat het rechtsmiddelenverbod uit art. 7:262 lid 2 BW alleen zou gelden voor posten die in dezelfde vorm al door de huurcommissie zijn beoordeeld. Dat vindt volgens mij geen steun in het recht.

Onderdeel 1.6

Voor zover het hof in rov. 2.6 heeft geoordeeld dat de huurcommissie wel de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ heeft beoordeeld, is dat oordeel, aldus onderdeel 1.6, onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof in rov. 2.6 enkel de servicekostenposten ‘Home Interieur Pakket’/‘Stoffering’ en ‘Signaallevering’/‘Internet’ in de woning’ heeft besproken. Het hof heeft geen aandacht besteed aan de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’, terwijl Verhuurder zich blijkens de in het vorige onderdeel genoemde stellingen mede op het standpunt heeft gesteld dat de huurcommissie die servicekostenpost evenmin heeft beoordeeld. Het hof had op die essentiële - want voor de toepasselijkheid van het rechtsmiddelenverbod doorslaggevende - stelling expliciet moeten reageren.

Daargelaten dat deze klacht zich lijkt te richten tegen een overweging ten overvloede, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 2.6 niet geoordeeld dat de huurcommissie de servicekostenpost ‘Huismeester - Bewonersbegeleiding’ heeft beoordeeld. De klacht faalt.

4. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand