4. Het eerste middel
Het eerste middel valt uiteen in vijf deelklachten die opkomen op tegen het door het hof onder 2 primair bewezenverklaarde feit. De derde en vijfde deelklacht raken tevens de door het hof respectievelijk onder 3 en 1 bewezenverklaarde feiten. De eerste en vierde deelklacht bespreek ik gezamenlijk.
De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit (doodslag) ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende van die auto is gebeurd en dat uit niets is gebleken dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen. Dat de auto van het slachtoffer in het water is beland heeft verdachte, aldus de stellers van het middel, dan ook niet waargenomen. De vierde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, “dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden - welk gevaar zich een aantal dagen na de botsing heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate hulp in te (doen) roepen”, op schuld duidt en ook onvoldoende is om opzet aan te nemen.
Ik stel voorop dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De materiële norm neergelegd in art. 287 Sr behelst niet alleen een verbod op het teweegbrengen van het in die bepaling gespecificeerde gevolg door een opzettelijk handelen. Onder omstandigheden kan ook diegene die opzettelijk niet heeft gehandeld waar dat wel geboden was – dat wil zeggen, heeft nagelaten – art. 287 Sr overtreden. Men spreekt dan wel van een oneigenlijk omissiedelict, of in het juridisch Latijn van ooit: delictum comissionis per omissionem. Voor de nalater moet in een dergelijk geval, volgens de heersende leer in de literatuur, een ‘bijzondere zorgplicht’ ten aanzien van het betrokken rechtsgoed bestaan.
Het is het bestaan van een bijzondere zorgplicht dat het strafrechtelijk irrelevante niet doen onderscheidt van het strafrechtelijk wel relevante nalaten. De aansprakelijkheid van het nalaten – die anders oeverloos zou worden – wordt daarmee ingeperkt. De rechtsplicht is bijzonder in die zin dat hij niet is ontleend aan de delictsomschrijving, maar zijn oorsprong elders vindt. De bijzondere zorgplicht kan zo worden gedifferentieerd, aldus Knigge, “van de algemene (op een ieder rustende) zorgplicht die bij elk delict kan worden verondersteld”.
Over de oorsprong, aard en vorm van de plicht bestaat in de literatuur discussie. Ik merk daarbij op dat de Hoge Raad in het hierna te bespreken arrest van 8 juni 1971 de term ‘bijzondere zorgplicht’ niet bezigt. Ook in arresten van latere datum kom ik het begrip ‘bijzondere zorgplicht’ in het kader van art. 287 Sr als zodanig niet tegen. In het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2000, waarin het hof (passieve) medeplichtigheid aan doodslag door na te laten het slachtoffer te beschermen bewezen had verklaard, oordeelde de Hoge Raad dat het hof – overeenkomstig hetgeen kon worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen – had vastgesteld dat “de verdachte wist dat het slachtoffer, tevens zijn huisgenoot, volstrekt weerloos was” en dat, omdat het hof tevens had vastgesteld dat die weerloosheid door de verdachte was veroorzaakt, het hof kennelijk en terecht had geoordeeld dat daardoor op de verdachte de rechtsplicht was komen te rusten om het slachtoffer te beschermen tegen het door de medeverdachte in de woning van de verdachte en in diens bijzijn jegens het slachtoffer gepleegde geweld. Knigge merkt in zijn noot onder het arrest op dat de Hoge Raad heeft gekozen voor een sterk situatie-gebonden ‘rechtsplicht’ en dat de term ‘zorgplicht’ wordt vermeden. Een verklaring daarvoor kan worden gevonden in de omstandigheid dat tussen de verdachte en het slachtoffer geen verzorgingsrelatie bestond. Op de vraag waarop de rechtsplicht tot ingrijpen is gebaseerd heeft de Hoge Raad, aldus Knigge, in dit arrest geen “kant en klaar” antwoord gegeven en heeft de Hoge Raad volstaan met “met het noemen van de factoren die hebben gemaakt dat op de verdachte een rechtsplicht kwam te rusten”.
In de onderhavige zaak heeft het hof, in zijn bewijsoverweging, de “specifieke zorgplicht” die volgt uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 tot uitgangspunt heeft genomen. Nu richt die norm zich eensdeels tot iedere betrokkene bij een verkeersongeval, maar anderdeels ook tot de veroorzaker van het ongeval. Op die laatste categorie heeft het hof klaarblijkelijk het oog, nu het heeft overwogen dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, waaronder ook valt de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd. Over het bestaan van die plicht wordt in cassatie niet geklaagd. In de rest van deze conclusie hanteer ik – in de wetenschap van alle daarmee gepaard gaande haken en ogen – het begrip ‘plicht’.
Illustratief voor de plicht tot (anders) handelen is de casus, bestaande uit een complex van handelen en nalaten, die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 1971. De verdachte had het dronken slachtoffer eerst geslagen, gestompt en geschopt, het slachtoffer van zijn kleding ontdaan en daarna ‘s nachts, vrijwel naakt in de vrieskou achtergelaten, ten gevolge waarvan het slachtoffer kwam te overlijden. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer kon worden afgeleid en verwierp het cassatieberoep. Lindenberg en Wolswijk leiden uit dit arrest af dat verdachtes voorafgaand gevaarzettend handelen de bijzondere plicht schiep om voor het slachtoffer te zorgen.
In de onderhavige zaak heeft het hof inzake het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer vastgesteld dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien. Het hof heeft overwogen dat bij een dergelijke botsing de aanmerkelijke kans bestaat dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond raken en dat op de veroorzaker van de botsing de plicht rust “te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden”, waaronder ook de plicht valt om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van hetgeen met de andere auto en de inzittenden van die auto is gebeurd.
Het hof heeft uit de bewijsmiddelen onder meer afgeleid dat de verdachte, kort gezegd, geen hulp heeft geboden aan de inzittende van de andere auto; dat de verdachte zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de andere auto en de inzittende is gebeurd, terwijl hij wel in staat was de situatie te overzien, dat vaststaat dat de auto waar hij tegen aan was gereden niet meer op de kruising stond en dat direct achter de eindpositie van de auto waar de verdachte in reed zich de sloot bevond waarin de auto van het slachtoffer als gevolg van de botsing terecht was gekomen; dat uit niets blijkt dat de verdachte op enig moment heeft gekeken waar de auto die hij zojuist had aangereden terecht was gekomen; dat de verdachte niemand in kennis heeft gesteld van de betrokkenheid van een andere auto bij het ongeval; dat de verdachte de hulpdiensten niet heeft gebeld terwijl hij daar alle gelegenheid toe had; en dat de verdachte op intimiderende wijze tegen een omstander heeft gezegd dat hij er geen politie bij wilde.
Het hof heeft op grond van de bewijsmiddelen geoordeeld dat de verdachte niet heeft gehandeld waar dat, gelet op de plicht die op hem in de onderhavige omstandigheden rustte wel geboden was en dat de verdachte, gelet op onder meer die omstandigheid, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is naar ik meen ook niet onbegrijpelijk.
Dat de verdachte – zoals door de stellers van het middel is aangevoerd – niet heeft gezien dat de auto van het slachtoffer in het water is beland, al zou dat zo zijn, doet, mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.9 tot en met 4.11 is besproken, aan de toereikendheid van de motivering van het onder 2 primair bewezenverklaarde dan ook niet af. Dat er ook omstanders aanwezig waren en zij de auto in het water niet hebben waargenomen doet aan de toereikendheid van de motivering evenmin af. Uit bewijsmiddelen 8 en 9 blijkt dat zij, in tegenstelling tot de verdachte, niet de daaraan voorafgaande aanrijding hebben gezien.
Gelet op het voorgaande kan voorts – anders dan het middel aanvoert – niet worden gezegd dat het bestreden oordeel op schuld duidt en/of onvoldoende is om opzet aan te nemen. Ten overvloede merk ik op dat de door de stellers aangehaalde overweging van het hof met betrekking tot de causaliteit evenmin op schuld duidt; deze staat immers (uitsluitend) in het teken van het oorzakelijk verband.
De eerste deelklacht en de vierde deelklacht falen.
De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring onder 2 primair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het hof, aldus de stellers van het middel, heeft overwogen dat het niet aannemelijk heeft geacht “dat verdachte na de aanrijding in paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard”, terwijl het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij in paniek is weggegaan, in de aanvulling op het arrest tot het bewijs heeft gebezigd.
Het hof heeft onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?” geoordeeld dat de verdachte “zeer wel in staat” was “de situatie te overzien”, dat de verdachte bij kennis was, dat hij zijn vrienden heeft geholpen met uit de auto komen – “waarbij hij zich er ook van bewust is geweest dat er ontploffingsgevaar was aangezien de auto rookte” – en dat de verdachte daarmee in staat was “om na te denken en om zich heen te kijken”. Dat de verdachte “in shock of paniek was, zoals hij enkele malen heeft verklaard” heeft het hof niet aannemelijk geacht.
In de aanvulling op het arrest is bewijsmiddel 2 opgenomen, inhoudende een proces-verbaal van verhoor van verdachte (zie 3.2 voor de volledige weergave). Op de vraag “En toen?” heeft de verdachte als volgt verklaard: “Toen was de ongeluk gebeurd. De auto draaide rondjes, ik weet het niet meer. Toen we stil stonden, zag ik getuigen. Ik stapte uit. ik haalde [betrokkene 1] eruit. Ik probeerde de deur open te doen, maar dat lukte niet. Ik ben daarna weggegaan. Ik hoorde politie aan komen. Ik ben in paniek weggegaan.”
Uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof verdachtes verklaringen dat hij onmiddellijk na het verkeersongeval in paniek verkeerde – en, zo begrijp ik, om die reden zich niet op de hoogte heeft gesteld van hetgeen met de auto en het slachtoffer is gebeurd – niet aannemelijk heeft geacht. Uit bewijsmiddel 2 blijkt dat de verdachte de politie hoorde aankomen en in paniek is weggegaan. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid dat de paniek bij de verdachte ontstond op het moment dat hij de politie hoorde aankomen en wegging en niet eerder, in de momenten onmiddellijk na het verkeersongeval. Het hof heeft aldus in de bewijsmiddelen ook niet een verklaring van de verdachte gebezigd die het niet aannemelijk heeft geacht. Niet gezegd kan worden dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en dat de bewezenverklaring onder 2 primair om die reden niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ook de tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, niet te rijmen is met hetgeen het hof onder 3 bewezen heeft verklaard, te weten dat de verdachte, “als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op de [b-straat] , op 09 december 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.”
Het hof heeft, onder het tussenkopje “(Voorwaardelijk) opzet op de dood van [benadeelde 3] ?”, geoordeeld dat de “verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de inzittende(n) van het betrokken voertuig, [benadeelde 3] , zonder hulpverlening of als gevolg van te late hulpverlening zou komen te overlijden”, welk gevolg – zo heeft het hof verderop in het arrest overwogen – zich een aantal dagen nadien heeft verwezenlijkt. Ter onderbouwing van dit oordeel heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat bij de door de verdachte waargenomen aanrijding, en de omstandigheden waaronder deze zich heeft afgespeeld, de aanmerkelijke kans bestond dat inzittenden van de andere auto ernstig of levensgevaarlijk gewond zouden raken, dat op de veroorzaker van een dergelijke aanrijding de plicht rust te doen wat in zijn vermogen ligt om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijk hulp wordt verschaft aan de inzittenden van de auto waartegen hij is aangereden, en dat de verdachte dat heeft nagelaten.
Het onder 3 bewezenverklaarde betreft het verwijt dat de verdachte op het moment dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, heeft geweten of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer letsel en schade was toegebracht. Het hof heeft inzake het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde feit overwogen dat dit blijkt uit “hetgeen reeds ten aan zien van feit 2 is overwogen”. Ik begrijp dat het hof hiermee verwijst naar zijn eerdere vaststellingen, inhoudende dat de verdachte met een snelheid van zo’n 70 kilometer per uur frontaal in botsing is gekomen met de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte dit heeft gezien.
De nadruk bij het in de deelklacht bestreden oordeel van het hof, en in bredere zin het onder 2 primair bewezenverklaarde, ligt, kort gezegd, op het nalaten en het door de verdachte bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden, terwijl het bij het onder 3 bewezenverklaarde gaat over het verlaten van de plaats van het ongeval hoewel hij op dat moment wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat letsel en schade aan het slachtoffer was toegebracht ten gevolge van dat verkeersongeval. ’s Hofs bestreden oordeel inzake het voorwaardelijk opzet en ’s hofs bewezenverklaring onder 3 kunnen naar mijn oordeel naast elkaar bestaan zonder afbreuk te doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit of aan de bewezenverklaring onder 3. Daartoe wijs ik er nog op dat het begrip ‘weet’, dat onderdeel is van het samenstel ‘weten of redelijkerwijze moeten vermoeden’ uit art. 7, eerste lid, WVW 1994 ook voorwaardelijk opzet bestrijkt.
Ook de derde deelklacht faalt.
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs arrest lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid, doordat het hof enerzijds het onder 1 tenlastegelegde (art. 6 WVW 1994) heeft bewezenverklaard – dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ongeval waarbij een ander wordt gedood en dat hierin is vastgesteld dat de verdachte aan die dood schuld (culpa) heeft – en anderzijds het onder 2 primair tenlastegelegde (doodslag) heeft bewezenverklaard – dat de dood van het slachtoffer niet is veroorzaakt door schuld, maar door voorwaardelijk opzet (dolus). Een persoon kan, aldus de stellers van het middel, maar eenmaal het leven verliezen, en een verdachte kan daaraan schuld óf opzet hebben: de “gradatie van 'opzet' absorbeert de lagere gradatie schuld”.
In de toelichting op het middel wordt, ter onderbouwing van het bovenstaande, een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015. De uitspraak die in cassatie voorlag betrof het volgende feitencomplex. De verdachte was bij nadering van politieambtenaren weggerend met een plastic boodschappentas, welke € 39.520,- aan bankbiljetten bleek te bevatten. De verdachte verklaarde dat hij dat geld had verdiend met de verkoop van kleding. Aan de verdachte was tenlastegelegd dat hij, kort gezegd, bankbiljetten had verworven, voorhanden had gehad, had overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik had gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die biljetten afkomstig waren uit enig misdrijf. Niet witwassen (art. 420bis Sr) maar schuldwitwassen (art. 420quater Sr) was ten laste gelegd. Het hof had de verdachte in het bestreden arrest vrijgesproken van schuldwitwassen, na te hebben vastgesteld dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan opzetwitwassen, welk feit niet aan de verdachte ten laste was gelegd.
In zijn tot cassatie strekkende conclusie voor HR 16 juni 2015 is (destijds) AG Bleichrodt ingegaan op de vraag of schuld iets geheel anders is dan opzet dan wel dat opzet schuld insluit. Die vraag kreeg betekenis doordat de tenlastelegging in de betrokken zaak enkel was toegesneden op de culpoze variant van een strafbaarstelling (schuldwitwassen, art. 420quater Sr), terwijl de rechter van mening was dat opzettelijk was gehandeld (witwassen, art. 420bis Sr). In de ‘aliud-theorie’, waarin opzet als iets wezenlijk anders wordt gezien dan schuld, zou de rechter in deze situatie niet tot een veroordeling kunnen komen. In de ‘minus-theorie’, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat opzet schuld insluit, behoort een veroordeling wegens het culpoze feit wel tot de mogelijkheden. In zijn conclusie geeft Bleichrodt vervolgens een overzicht van de argumenten die voor deze beide theorieën naar voren zijn gebracht. Ik verwijs daarvoor graag naar zijn uitgebreide verhandeling op dit punt. Vervolgens komt Bleichrodt tot de volgende slotsom: “Naar mijn mening past de zogenoemde ‘minus’-theorie, zeker in een zaak waarin de verhouding tussen opzetwitwassen en schuldwitwassen centraal staat, beter bij de ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraak ten aanzien van beide schuldvormen dan de ‘aliud’- theorie. Deze kent bovendien niet de praktische nadelen van laatstgenoemde theorie.” Met die praktische nadelen duidt Bleichrodt op de situatie waarin de officier van justitie een persoon vervolgt ter zake van (bijvoorbeeld) schuldheling, terwijl de rechter van oordeel is dat opzet kan worden aangenomen. Dan zou bij hantering van de ‘aliud’-theorie vrijspraak moeten volgen.
De Hoge Raad casseerde in de hierboven beschreven zaak en overwoog onder meer dat de omstandigheid dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld op zichzelf “niet uitsluit” dat, “indien zulks is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte "redelijkerwijs moest vermoeden" dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte daarom kan worden aangemerkt als schuldwitwassen als bedoeld in art. 420quater Sr”.
Als ik de stellers van het middel goed begrijp beogen deze in de onderhavige zaak, met het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2015, een variant op de ‘minus-theorie’ ingang te doen vinden. De consequentie daarvan zou dan (moeten) zijn dat verdachtes opzet op de dood van het slachtoffer (feit 2, art. 287 Sr) de schuld daaraan (feit 1, art. 6 WVW 1994) absorbeert. De tegenstrijdigheid in het arrest zou, bij het aanhangen van deze theorie, bestaan in de omstandigheid dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zowel opzet als schuld op de dood van het slachtoffer had. Het lijkt mij dat de stellers van het middel hierbij begripsmatig gezien niet het juiste spoor volgen. Als schuld - zoals zijzelf postuleren - een ‘lagere’ gradatie van opzet is, is een bewezenverklaring van beide juist niet uit te sluiten. Of het meerdere het mindere absorbeert is dan hooguit een vraag naar de toepassing van de samenloopregeling op beide feiten. Maar daarop is het middel niet gericht, zodat ik dat punt laat rusten.
Belangrijker is echter dat de strijd tussen aanhangers van de ‘aliud-theorie’ en de ‘minus-theorie’ in deze zaak noch in zijn algemeenheid noch toegespitst op de artikelen 6 WVW 1994 en 287 Sr hoeft te worden beslecht. De vraag die in 2015 in cassatie voorlag – kort gezegd, of een verdachte die één verwijt is gemaakt voor een culpoos delict kan worden veroordeeld, wanneer opzettelijk handelen zou kunnen worden vastgesteld – is wezenlijk anders dan de vraag die in de onderhavige zaak speelt. De verdachte in de onderhavige zaak wordt, voor zover voor de bespreking van het middel hier van belang, niet één maar een tweetal verwijten gemaakt: kort gezegd dat hij zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden (onder 1 tenlastegelegd) én het hebben nagelaten hulp te bieden aan het slachtoffer nadat zij met haar auto door voornoemd ongeluk in een sloot terecht was gekomen, terwijl de verdachte wist dat de auto van het slachtoffer bij de aanrijding betrokken was en de verdachte niet heeft gekeken waar de auto van het slachtoffer terecht was gekomen en zich er niet van heeft vergewist dat het slachtoffer veilig was (onder 2 primair tenlastegelegd). Het gevolg, de dood van het slachtoffer, vindt zijn oorzaak – zo heeft het hof vastgesteld – in verwikkelingen van een auto-ongeval, te weten (traumatische) hersenbeschadiging én longbeschadiging ten gevolge van (bijna) verdrinking. Het is uitsluitend in het gevolg dat de twee tenlastegelegde gedragingen convergeren.
Dat het hof ervan uit is gegaan dat de verdachte aan de dood van het slachtoffer zowel opzet als schuld heeft gehad, zoals door de stellers van het middel is aangevoerd, berust op een verkeerde lezing van het arrest, nu in ’s hofs arrest de opvatting besloten ligt dat de schuld in art. 6 WVW 1994 op het verkeersongeval betrokken is en niet op het gevolg. Die opvatting getuigt naar ik meen niet van een onjuiste rechtsopvatting.
De opvatting dat het schuldvereiste slechts betrokken is op het verkeersongeval leid ik allereerst af uit de redactionele wijziging die de delictsomschrijving bij de totstandkoming van de WVW 1994 heeft ondergaan. Art. 36, eerste lid, van de oude Wegenverkeerswet uit 1935 luidde als volgt: “Degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van eene botsing, aan- of overrijding met een door hem bestuurd motorrijtuig, of bij gelegenheid van eenige handeling ter voorkoming van botsing met of aan- of overrijding door dat motorrijtuig, de dood van een ander te wijten is, wordt, indien de dood door de botsing, aan- of overrijding dan wel door de handeling ter voorkoming daarvan is veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie”. Het huidige art. 6 WVW 1994 luidt als volgt: “Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat”. In art. 36 WVW 1935 was het schuldverband duidelijk betrokken op de dood. Het gebruik van het woord ‘waardoor’ in het gewijzigde art. 6 WVW 1994 wijst er evenwel op dat tussen het verkeersongeval en het gevolg enkel een oorzakelijk verband moet bestaan. Het schuldverband is uitsluitend betrokken op het ongeval en niet op het gevolg.
De wetsgeschiedenis biedt ook aanwijzingen voor de door mij voorgestane lezing van art. 6 WVW 1994: “Waar het om gaat is dat er een aan schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden”, aldus de memorie van toelichting. Ook wordt in dezelfde memorie van toelichting, inzake “de voor deze bepaling zo kenmerkende dubbele causaliteit”, opgemerkt dat geen wijziging optreedt. Wel brengt de gewijzigde redactie mee “dat die dubbele causaliteit anders van opzet wordt. In de voorgestelde bepaling wordt primair causaal verband geëist tussen de schuld en het ongeval en vervolgens tussen het ongeval en het gevolg.”
Ook de vooropstelling die de Hoge Raad steevast hanteert inzake dood door schuld in het verkeer spreekt over schuld aan het verkeersongeval. Zo stelt de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juni 2004 voorop dat in cassatie slechts kan “worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (…) uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”. De Hoge Raad heeft die vooropstelling in 2024, zo blijkt uit zijn arrest van 15 oktober 2024, niet losgelaten.
Het standpunt dat tussen het verkeersongeval en het gevolg slechts een causaal verband vereist is, heeft eveneens in de literatuur pleitbezorgers gevonden. Krabbe heeft beargumenteert dat met de gewijzigde redactie in art. 6 WVW 1994 een systeembreuk heeft plaatsgevonden, dat art. 6 zelfstandig is geworden ten opzichte van art. 307 Sr en art. 308 Sr, dat art. 6 meer gelijkenissen vertoont met de misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht, en dat met de gewijzigde redactie het “object van de schuld is verplaatst van het uiteindelijke gevolg bij het slachtoffer naar het typische verkeersrechtelijke onderdeel, het verkeersongeval”. Ik onderschrijf die opvatting.
Gelet op het bovenstaande lijdt ’s hofs arrest naar ik meen niet aan innerlijke tegenstrijdigheid. In ’s hofs arrest ligt besloten dat het slachtoffer opzettelijk door de verdachte van het leven is beroofd en dat, hoewel het verkeersongeluk aan verdachtes onvoorzichtige en onoplettende rijden te wijten is, dat niet geldt voor dood die mede ten gevolge daarvan is ingetreden. Deswege faalt de vijfde deelklacht.
Ik ben mij er echter wel van bewust dat een andere lezing van art. 6 WVW 1994, waarbij het schuldverband wel op de dood is betrokken, niet is uitgesloten. Zo zou het ontbreken van een komma tussen ‘plaatsvindt’ en ‘waardoor’ in de delictsomschrijving er volgens Van Dijk op wijzen dat sprake is van “een samenhangend geheel” waaruit volgt “dat de schuld betrekking heeft op ‘een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood’.” Ook elders in de literatuur is het standpunt bepleit dat de schuld betrokken is op de dood. Otte schrijft dat, wil “veroordeling voor dood door schuld volgen”, het nodig is dat “de verdachte schuld heeft aan de dodelijke gevolgen. De culpose dader kon en behoorde te voorzien dat zijn onvoorzichtige verkeersgedrag tot deze gevolgen zou kunnen leiden. Kon de dader niet voorzien dat zijn gedrag tot zo'n ernstig gevolg kon leiden, dan is van schuld geen sprake”. De wetsgeschiedenis bevat ook wel aanwijzingen in die richting. De memorie van toelichting wijst er namelijk, naast hetgeen hierboven is opgenomen, ook op dat “voor wat betreft de inhoud van het begrip schuld” geen wijziging is beoogd.
Dat er onduidelijkheid bestaat over het schuldverband van art. 6 WVW 1994 wordt in de literatuur ook wel als zodanig opgemerkt. Wolswijk, Postma en Keulen schrijven dat het duidelijk is dat in ieder geval de schuld op het ongeval betrokken is. “Minder duidelijk is of ook de dood of het (zware) letsel aan verdachtes schuld te wijten moet zijn”. Zij wijzen erop dat de reeds hierboven besproken redactie van art. 6 WVW 1994 en de wetsgeschiedenis voor meerdere lezingen vatbaar zijn. Indien de Hoge Raad al dan niet de door mij gekozen koers bij de bespreking van de deelklacht volgt, kan dat wellicht de nodige opheldering over het schuldverband van art. 6 WVW 1994 verschaffen.
Het eerste middel faalt.
5. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Op 10 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie is ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 januari 2024 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden met meer dan twee maanden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden.
Het middel slaagt.
Slotsom
6. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG