3. Bewijsverweren
Primair- oplichting
Ik ga u een aantal dingen voorhouden die tot de conclusie moeten leiden dat:
- de pleegperiode korter is;
- binnen de tenlastegelegde pleegperiode er verschillende vaststellingen moeten worden gemaakt, namelijk:
o deels is geen sprake van oplichting omdat er te weinig bewijs daarvoor in het dossier zit − dit geldt voor de periode tot 1 januari 2017;
o voor de periode daarna geldt, dat geen sprake is van oplichting, omdat [slachtoffer] vanaf september 2016 al twijfels had, waardoor zij naar de politie is gestapt, waarna zij een jaar lang gesprekken heeft opgenomen maar wel is blijven lenen;
o in de periode vanaf februari 2018 komt daar nog eens bij dat terwijl al aangifte was gedaan, zij toch is blijven lenen. Dat kan geen oplichting opleveren omdat [verdachte] haar in die periode feitelijk niets nieuws vertelde;
- daarnaast geldt, dat wanneer naar de tenlastelegging wordt gekeken, de feiten die kunnen worden vastgesteld niet kunnen kwalificeren als oplichting;
- ook wanneer direct naar de in de tenlastelegging beschreven gedachtenstreepjes wordt gekeken, moet worden geconcludeerd dat, voor zover die kunnen worden bewezen, deze niet bewijzend zijn voor oplichting.
Wat in de aangifte van de nichten allereerst opvalt, is dat daaruit blijkt dat [slachtoffer] vaker aan mensen geld uitleent en het vervolgens niet terug durft te vragen.
Dat de gesprekken die in het dossier zitten, een beeld geven van een man die druk uitoefent op [slachtoffer] is duidelijk. Er zit overigens ook een gesprek in het dossier waarin [verdachte] op een opmerking van [slachtoffer] reageert met: "Nee, ik scheld je niet uit. Ik scheld je niet uit, Ineke. Af en toe ben ik boos omdat ik ook onder druk sta. Ja, dat er aan alle kanten aan me wordt getrokken."
Laten we in ieder geval drie dingen niet vergeten.
1. Deze gesprekken geven géén beeld dat representatief is voor de gehele tenlastegelegde periode.
2. [verdachte] is al jaren mentaal overbelast ( […] heeft het over Moral Injury en Extreme Arousal) door alles dat er is gebeurd. Dat blijkt toch wel overduidelijk uit alle medische stukken die in het dossier zitten, en uit de stukken die ik onlangs toestuurde. Oók [verdachte] ervaart al jaren grote druk. Ik wijs Uw Hof daar met nadruk op. Dat moet Uw Hof in het oog houden als Uw Hof deze gesprekken ziet.
3. De gesprekken die door [slachtoffer] zijn opgenomen, zijn zonder dat [verdachte] het wist, maar nadat zij met de politie had gesproken, door haar opgenomen. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij daardoor in die gesprekken een bepaalde mate van stress had. Bijvoorbeeld omdat zij, door met de politie te praten, de afspraak met [verdachte] om dingen geheim te houden mogelijk heeft geschonden. Haar reactie kan daardoor beïnvloed zijn.
Waar het om gaat, is of het lenen als oplichting is aan te merken. Ik besprak het hierboven al, en het blijkt ook uit de aangifte van de nichten van [slachtoffer] : de gedachte was aanvankelijk dat [verdachte] het bestaan van de procedure tegen de Staat uit zijn duim zoog.
Op grond van dat scenario wordt aangifte gedaan. Waarom het dan de nichten zijn, en welk belang zij hebben om het geld dat hun tante uitleent te willen beschermen, blijft onduidelijk. De nichten weten feitelijk niets. Zij zien van een afstand iets gebeuren en vertrouwen dat niet. De politie neemt dat zonder meer over en is op zijn zachtst gezegd niet al te kritisch.
Uit de aangifte die [slachtoffer] zelf (pas) doet op woensdag 11 juli 2018, blijkt van geen enkel oplichtingsmiddel, en evenmin van de overtuiging bij mevrouw zelf dat ze is opgelicht (!). Ze zegt wel: "Ik moet nu wel geloven dat [verdachte] een oplichter is, omdat iedereen het zegt". Ze doet aangifte, omdat dat van haar familie moet: "Je moet aangifte doen, anders heb je geen familie meer", zou er zijn gezegd. En daarna zegt ze, dat ze gelooft dat ze het geld nog terugkrijgt.
Haar aangifte is niet bewijzend voor oplichting. Eerder het tegenovergestelde.
Dat laatste geldt ook voor de verklaring die zij in hoger beroep heeft afgelegd ten overstaan van Uw Hof. "Ik vertrouwde het niet, en daarom heb ik de gesprekken opgenomen", verklaarde mevrouw. En: "de politie kwam in 2016 bij mij en zei "het klopt niet". En mevrouw heeft verklaard dat het klopte dat ze tegen [verdachte] had gezegd dat het niet uitmaakte waar hij het geld voor gebruikte. [verdachte] had stukken laten zien van advocaten en rechters, maar die hoefde ze niet te lezen.
Ik zal niet de hele verklaring citeren, maar ik kan niet anders dan concluderen dat [slachtoffer] telkens weer heeft besloten om nog meer te lenen, terwijl ze het niet meer vertrouwde, terwijl de politie langs was gekomen en alles had meegenomen, terwijl haar nichten haar hadden gewaarschuwd, terwijl ze al gesprekken aan het opnemen was etc. etc.
Ze wist dat [verdachte] van geleend geld leefde. Ze hoefde het allemaal niet precies te weten. Ze geloofde [verdachte] waar hij zei dat het geld zou terugkomen. Dat is de essentie.
En die essentie, die gelooft [verdachte] zelf ook. En hij gelooft dat, omdat meerdere advocaten hem dat al jarenlang vertellen. Ik verwijs Uw Hof daarvoor naar de e-mail van mr. De Boer van 5 mei 2017, welke zich bevindt bij de stukken die ik op 17 januari 2021 toestuurde. En ik verwijs Uw Hof naar de Memorie van Grieven van diezelfde mr. De Boer. In 2006 werd de schade op EUR 600.000,- geschat. In 2009 werd de schade op bijna een miljoen euro geschat.
Ik wil oprecht opmerken dat [slachtoffer] sympathie verdient vanwege al het geld dat zij aan diverse mensen heeft uitgeleend. Dat vindt [verdachte] uiteraard ook.
Maar waar het nu om gaat, is of zij zich heeft laten oplichten, of dat zij tegen beter weten in geld is blijven lenen. [slachtoffer] is blijven lenen omdat ze dacht dat ze het wel terug zou krijgen. Ja, [verdachte] heeft dat geloof gesterkt, omdat hij dat zelf ook gelooft. Tot op de dag van vandaag. [verdachte] zei onlangs tegen mij: "ik begin te denken dat ik zélf ben opgelicht door iedereen die telkens maar zei dat er écht een forse schadevergoeding in zit".
Op het moment dat je als "lener" twijfelt of je je geld wel terugkrijgt, moet je misschien stoppen met lenen. Dat snapt een kind van 10.
[slachtoffer] was al lang vóór februari 2018 gealarmeerd. Vanaf december 2016 tot 19 november 2017 neemt ze gesprekken met [verdachte] op. Ondanks de geheimhouding die zij had afgesproken met hem. Inmiddels weten we dat dat is gebeurd omdat ze bij de politie was geweest. Die zullen haar niet hebben geadviseerd om nog een paar ton uit te lenen. Verder blijkt uit de aangifte van [aangeefster] :
Mijn tante verliest het vertrouwen in [verdachte] , maar toch blijft ze wel geloven dat zij het geld van hem terugkrijgt. Ik heb al meerdere malen met mijn tante hierover gesproken. Omdat mijn tante het niet wilde inzien is er contact gezocht met een advocaat Mart van Genugten middels een vriend. Van Genugten heeft ook gesproken met haar en hierop is besloten politie in te schakelen. Eind september 2016 is de politie met haar gaan praten. Op dat moment was het bedrag wat zij geleend had aan [verdachte] tot ongeveer E 200.000, -.
Voorzitter, [slachtoffer] is volledig handelingsbekwaam. Ze kan naar de politie stappen, ze kan gesprekken opnemen, ze kan mailen en appen.
Het gaat te ver om te zeggen dat zij een onwetend, nietsvermoedend slachtoffer was.
Tenlastelegging / tijdlijn / oplichting algemeen
Het gaat in de tenlastelegging om de periode 1 januari 2014 tot en met 16 juli 2018. Het gaat om een totaalbedrag van ruim 5 ton. Kennelijk gaat het OM ervan uit dat het gehele bedrag middels oplichting is verkregen. De vordering van [slachtoffer] is overigens lager dan 5 ton.
Wanneer ik een tijdlijn maak van de gebeurtenissen, dan ziet het er als volgt uit:
- Het contact tussen de twee ontstaat in mei 2014. Dat valt trouwens samen met het tijdstip waarop de heer Joling zijn bekritiseerde advies gaf. Joling werd voor zijn gebrekkige handelen tot in hoger beroep door de CBB veroordeeld: zijn falen staat in rechte vast. Maar dat duurde wel twee jaar.
- De eerste leningsovereenkomst dateert van 22 mei 2014. Eind juli 2014 is de eerste storting gedaan. De overeenkomst meldt dat de lening geheel uit vrije wil geschiedt, nadat er goed over is nagedacht.
- De tweede overeenkomst dateert van 2 december 2014 en de derde is een convenant dat dateert van 26 februari 2015. De vierde, ook een convenant, is van 7 mei 2015, en de vijfde, een lening van EUR 4.800,-, is van 6 november 2016. Het geleende saldo is dan EUR 137.000,- + EUR 4.800,- = EUR 141.800,-. De gelden die tot aan eind 2016 zijn geleend, zijn geleend ter afwikkeling van het convenant van mei 2014.
- Over de periode van mei 2014 tot aan mei 2015 weten we verder niets (I).
- Het dossier bevat vervolgens een aantal apps in de periode oktober 2015 t/m augustus 2016. Ook bevinden zich kennelijk mails bij de stukken die de nichten hebben overgelegd. Eén van die mails is van [verdachte] . In deze mail, van mei 2016, staat dat er op dat moment daadwerkelijk EUR 153.000,- is geleend. Overigens: in juni 2016 diende een kort geding tegen de Staat, gevolgd door een bodemprocedure.
- Er bevindt zich een mail in het dossier van oktober 2016 waarin door [verdachte] een zeer grondig overzicht van de geleende bedragen wordt gegeven.
- Daarnaast is er in het dossier een mail van december 2016 van [verdachte] die spreekt over een nieuwe lening van november 2016 − terwijl het eerste convenant nog moet worden afgewikkeld.
- Vanaf eind 2016 heeft [slachtoffer] gesprekken opgenomen. Die overlappen de periode tot aan november 2017. Hoe komt dat? Mijn vermoeden is: omdat zij eind september 2016 met de politie is gaan praten.
Vóórdat Uw Hof moet beoordelen in hoeverre de communicatie tussen de twee bewijzend is voor de beschuldiging, zou u wat mij betreft in ieder geval moeten concluderen dat er sowieso tot aan eind 2016, en dan staat de teller op EUR 141.000 of op EUR 153.000, wanneer u uitgaat van de mail van [verdachte] , te weinig bewijs in het dossier zit dat redengevend kan zijn voor de conclusie dat [slachtoffer] is opgelicht. Er zijn overeenkomsten van geldlening. Maar die bewijzen denk ik eerder dat er géén oplichting is geweest.
Er is wel een aanvullend proces-verbaal, ambtshandeling 74, waarin is beschreven in hoeverre er een connectie kan worden gemaakt tussen de momenten van geldlening, en de uitgaven die daarop volgden, ook in het casino. En aan andere dingen. Dit gaat om 10, 20 dagen in 2016.
In deze ambtshandeling staan bedragen van [slachtoffer] , maar ook van andere leners. Leners, die hebben laten weten zich niet opgelicht te voelen. Leners, die achter [verdachte] blijven staan. Leners, die net als [slachtoffer] ervan overtuigd zijn dat zij hun geld terugkrijgen. Op grond van dit proces-verbaal kan dus niet worden geconcludeerd dat "in die hele periode al het geld dat werd geleend aan andere doelen is uitgegeven" − voor zover dat relevant zou zijn. Wat wél duidelijker wordt, is dat [slachtoffer] ervan op de hoogte was dat het geld aan allerlei doelen werd uitgegeven − en niet alleen aan juridische procedures. Dat zie je aan de apps(!).
Dan over de periode vanaf 2017. Op dat moment heeft [slachtoffer] met de politie gesproken, en neemt zij alle gesprekken met [verdachte] op. De vraag is, in hoeverre oplichting dan überhaupt nog kan spelen.
Verder maak ik uit het dossier op dat in die periode, dus vanaf 2017:
- In maart 2017 geld in het casino zou zijn uitgegeven.
- Ook in de periode tussen mei en met oktober 2017 zou er geld in het casino zijn uitgegeven. Dit kan deels van [slachtoffer] afkomstig zijn. Het gaat mogelijk om EU 23.000.
- In februari 2018 doen de nichten aangifte. [slachtoffer] weet dat. Ze heeft haar telefoons immers afgestaan om de berichten aan de politie te overhandigen.
- Uit BOB-5 blijkt ook dat er in januari 2018 al contact is geweest met [slachtoffer] .
- Op 23 juni 2018 stuurt [verdachte] een app aan [slachtoffer] waarin hij opmerkt dat hij haar in zijn testament zal opnemen. Dat is dus helemaal aan het einde van de tenlastegelegde periode.
Ook over die periode kan, ook na raadpleging van AMB 74, niet worden geconcludeerd dat "al het geld dat van [slachtoffer] afkomstig is, aan andere doelen is uitgegeven".
Even los van de toon: kijkt U eens naar het gesprek van 2 januari 2017. [verdachte] zegt nota bene zelf letterlijk dat [slachtoffer] hem, door alle bevestigingen, aan alle bomen kan ophangen omdat hij alles heeft vastgelegd. En hij neemt zélf het woord oplichter in de mond, in ontkennende zin natuurlijk. Kijkt U eens naar de gesprekken die daarna volgen. Wederom los van de toon en wie wat zegt: [slachtoffer] weet daar toch donders goed wat er speelt en waar het om gaat? Toch wordt er in het jaar 2017 door haar vervolgens tientallen malen geld geleend, voor een totaalbedrag van bijna EUR 230.000. Sterker nog: ik kan voor deze leningen geen leningsovereenkomst vinden. Dus waar er eerst een convenant was, leent [slachtoffer] vervolgens geld zónder convenant terwijl het eerste convenant niet was afgewikkeld.
Vanaf maart 2018, wanneer alle seinen op grond van alles dat [slachtoffer] weet én op grond van de aangifte die inmiddels is gedaan toch echt heel erg op rood staan leent zij nog een ton uit aan [verdachte] . Heel sympathiek, maar geen oplichting.
Ik weet niet waarom de politie, waar vanaf februari 2018 de aangifte heeft gelegen, het heeft laten gebeuren dat er daarna nog een ton werd uitgeleend.
Ik weet ook niet wat de politie heeft gezegd in september 2016. Maar: als zij [verdachte] reeds toen had gebeld, en had gezegd "meneer u moet oppassen, want u bent mogelijk strafbaar bezig", dan had dat [slachtoffer] tonnen kunnen schelen. Als de politie [slachtoffer] had gezegd "wat u ook doet, leen geen geld meer uit aan deze man", dan had dat haar als gezegd tonnen kunnen schelen.
In ieder geval geldt dat [slachtoffer] zelf de keuze heeft gemaakt om dat geld toch uit te lenen. Als er al leugens waren over het moment van terugbetalen en dergelijke, dan is in deze situatie geen sprake van oplichting. Het is geen samenweefsel van verdichtsels, er zijn geen listige kunstgrepen en het heeft te weinig het karakter van bedrog. Er is geen valse hoedanigheid, niets.
[verdachte] stelt dat het geld dat hij van [slachtoffer] leende, onder andere werd besteed aan de lopende procedure. [verdachte] stelt ook dat zij dat wist, maar dat zij dat niet wilde weten. Ze wist het, zo blijkt uit de leningsovereenkomsten die deel uitmaken van de stukken. Daar staat in dat de lening noodzakelijk is als gevolg van het conflict. Daar staat niet in dat het geld wordt besteed aan procedures.
[slachtoffer] heeft daarnaast gezegd: vertel het me later maar. Ik hoor het wel. Dat blijkt uit een mail van oktober 2016, welke als bijlage bij mijn brief van 17 april 2017 aan de rechtbank en aan het OM is gevoegd. Als alles achter de rug is, wilde ze het verhaal horen. Dit blijkt ook uit één van de mails die door de nichten is toegevoegd, en die als bijlage bij de aangifte van [aangeefster] zit. Ik doel op de mail die als Bijlage 3 bij AMB-01 zit. Het blijkt voorts ook uit telefoongesprekken die in het dossier zitten. En het blijkt uit de verklaring die [slachtoffer] ten overstaan van Uw Hof heeft afgelegd.
[slachtoffer] wist, althans vanaf 28 maart 2017, dat [verdachte] leefde van geleend geld. Hij heeft het letterlijk gezegd tegen haar. Er zitten diverse gesprekken in het dossier waarin [verdachte] wil vertellen hoe het zit, maar waarin [slachtoffer] aangeeft het niet te willen horen. Ook uit de apps die bij AMB-74 zijn gevoegd, blijkt hoeveel [slachtoffer] wist van het leven van [verdachte] .
Ik heb ook de andere mails van de nichten gezien, en de verslagen van de opgenomen telefoongesprekken, en ik moet u zeggen: ik kan ook daarin geen bedrog zien. Ja, [verdachte] verzoekt om geld. Ja, dat doet hij soms op een smekende of dwingende manier. En ja, [slachtoffer] geeft dan toe. Maar dat is geen bedrog. Nogmaals: [slachtoffer] was kennelijk niet in staat om 'nee' te zeggen tegen [verdachte] . Maar dat kan ze kennelijk ook niet tegen anderen, althans volgens haar nichten. Ondanks haar vermoeden van onraad is zij ruim anderhalf jaar doorgegaan met lenen. Ook zij spreekt over haar familie, over dat ze die kwijt is, en dat ze alleen is. Maar uiteindelijk doet toch haar familie aangifte. En daarna doet zij zelf aangifte, vóór haar familie.
Voorzitter, [verdachte] moet naar mijn mening worden vrijgesproken van oplichting. Op grond van het bovenstaande, maar ook als ik specifiek naar de huidige tenlastelegging kijk.
De tenlastelegging noemt de volgende oplichtingsmiddelen:
(…)
Het eerste gedachtestreepje is feitelijk juist, maar omdat het klopt met de werkelijkheid kan dit niet bijdragen tot het bewijs van oplichting. Dat geldt ook voor het tweede gedachtestreepje: dit herbergt geen element van bedrog. De overeenkomsten zijn immers niet afgesloten om iemand over de streep te halen, maar om vast te leggen wat de financiële verhouding is. Hiermee bevestigt [verdachte] dat hij schuldenaar is. Gedrag dat niet bij een oplichter past. Overigens zijn in 2017 en 2018 géén overeenkomsten opgemaakt, voor zover [verdachte] zich kan herinneren.
Het derde gedachtestreepje berust op de gedachte dat [verdachte] het geld wel niet meer zal terugbetalen. Echter: dat is hij wel van plan, zoals gezegd. Hij hoopt ook nog steeds op de schadevergoeding in het nog lopende proces tegen de Staat. Ik verwijs u wederom naar (bijvoorbeeld) de Memorie van Grieven die ik Uw Hof onlangs toestuurde. Als [verdachte] nooit van plan was geweest om het geld terug te betalen, waren er ook geen leningsovereenkomsten opgemaakt. Dan had hij niet gevraagd om het geld bancair over te maken, waardoor het makkelijk te traceren is.
En zelfs als bewezen kan worden dat [verdachte] niet van plan was om het geleende geld terug te betalen, wat ik dus ten zeerste betwist, dan nog kan geen sprake zijn van oplichting volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad. Omdat dat geen listige kunstgreep of valse hoedanigheid oplevert.
Het vierde gedachtestreepje is te vaag. Om welke leugens gaat het, en zijn dat wel leugens?
Daarnaast kan [slachtoffer] hierdoor niet zijn bewogen tot afgifte van geld: het gaat immers om leugens ná de termijn van terugbetaling.
Voor zover het zou gaan om gebeurtenissen of deadlines in de zaak tegen de Staat die telkens weer op een teleurstelling uitliepen, kan ik u zeggen dat van leugens geen sprake is. Ik heb zowel aan de rechtbank als aan Uw Hof informatie toegestuurd die aan het dossier is toegevoegd, waaruit het verloop van de Defensie-zaak in grote lijnen blijkt. [verdachte] heeft hierover niets 'verzonnen'.
Het vijfde gedachtestreepje komt voort uit de verklaring van aangeefster, en die zou mogelijk onderbouwd kunnen worden door een whats-appbericht dat zij aan de politie heeft gestuurd. Ik wil Uw Hof erop wijzen dat dit bericht dateert van 23 juni 2018. Dat kan dus niet als bewijs van oplichting gelden voor de daaraan voorafgegane periode. Even los van de vraag in hoeverre dit heeft geleid tot het afgeven van geld. Maar van oplichting kon in dat stadium geen sprake meer zijn, gezien de gehele voorgeschiedenis en gezien haar reeds bestaande wantrouwen, gezien het feit dat door haar nichten reeds aangifte was gedaan etc. etc.
Dit geldt ook voor het zesde gedachtestreepje. Ik vind dit niet terug in het dossier. Ik vind wel terug dat [verdachte] tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat Defensie heeft erkend dat er lasterlijke aantekeningen zijn gemaakt. Maar verder niets. De rechtbank heeft gewezen op de verklaring die [verdachte] ter zitting aflegde. Maar daarin bevestigde hij niet wat in het zesde gedachtestreepje is opgenomen.
Wanneer we de bovenstaande feiten en omstandigheden afzetten tegen het juridisch kader waarin moet worden beoordeeld of van oplichting sprake is, moeten we het volgende concluderen.
Er is, volgens de jurisprudentie, geen sprake van oplichting − gelet op de omstandigheden van het geval en de kennis van zaken die partijen hadden − wanneer het slachtoffer de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dit zogenaamde doorzienbaarheidsvereiste is door de Hoge Raad beschreven in het overzichtsarrest van 20 december 2016.
En dan bedoel ik niet dat het verhaal van de zaak tegen Defensie verzonnen is. Maar dat het slachtoffer had kunnen vermoeden dat geleende geldbedragen wellicht niet zo snel zouden terugkomen. Niet omdat [verdachte] dat niet wilde, maar omdat hij dat nog niet kon. Hij leefde van geleend geld en [slachtoffer] wist dat. Nadere uitleg wilde zij, zo haal ik uit de gesprekken, niet ontvangen. Ze wilde heel graag haar geld terug. Al maandenlang. Maar ze bleef maar meer uitlenen dan dat ze terugkreeg. Totdat [verdachte] werd opgepakt. Is dat oplichting? Nee.
Het primair tenlastegelegde kan dus niet worden bewezen. De gedachtestreepjes kunnen óf niet worden bewezen, óf in dit geval niet worden gekwalificeerd onder de noemer listige kunstgrepen enzovoort. Daarnaast kan niet worden bewezen dat [slachtoffer] is bewogen tot de afgifte van geldbedragen door de inzet van een voor oplichting geschikt middel.
Ik wil het volgende opmerken met betrekking tot het vonnis van de rechtbank als het gaat om de EUR 7.000. In dit stadium kon geen sprake meer zijn van oplichting. Evenmin kan de conclusie worden getrokken dat [verdachte] de intentie had om nu net dit bedrag wél zelf te houden en nooit terug te betalen.
(…)
6. De wensen van de verdediging
(…)
De verdediging heeft de volgende onderzoekswensen waarvan het naar mijn oordeel noodzakelijk is dat die worden uitgevoerd alvorens de zaak verder inhoudelijk aan de orde kan komen.
6.1.7.1 Allereerst zou een proces-verbaal moeten worden opgemaakt dat antwoord geeft op een aantal vragen, te weten:
o Welke medewerker van Defensie verstrekte de op p.462 bedoelde informatie in maart 2018, en waarom liep die informatie aanvankelijk tot aan 2004, en niet tot aan 2018? Is er verder nog contact geweest met deze medewerker, en heeft deze medewerker daarbij mondeling nog informatie gegeven aan de politie over het dienstverband en/of de juridische procedures van [verdachte] ? Zo ja, welke informatie was dat?
o In hoeverre is het zo dat naar aanleiding van de getapte gesprekken in juni 2018 (waarvoor de machtiging werd verkregen die via BOB-023 werd aangevraagd) de gedachte dat [verdachte] wellicht wel degelijk procedures had lopen tegen Defensie ontstond?
o In hoeverre is het zo dat die getapte gesprekken aanleiding gaven om, nadat [verdachte] was aangehouden, nog eens te verzoeken om de actuele stand van zaken? (Waarom) is dit nadere verzoek gedaan nadat [verdachte] werd aangehouden?
o Hoe kan het dat men bij de eerste aanvraag in maart 2018 een dossier kreeg dat tot 2004 liep, en dat men bij een opvolgend verzoek op basis van dezelfde vordering stukken ontving die tot aan 2018 liepen? Is daar vanuit Defensie een toelichting op gegeven, zo ja, door wie en wat hield die toelichting in?’
8. Vervolgens heeft het hof op 17 februari 2021 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek − mede gelet op het voorgaande − niet volledig is geweest.
Bij de beoordeling van de ten laste gelegde handelingen kunnen drie periodes worden onderscheiden:
- De periode vanaf 1 januari 2014 tot het eerste contact van [slachtoffer] met de politie in 2016;
- De periode vanaf het eerste contact van [slachtoffer] met de politie in 2016 tot de aangifte van [aangeefster] namens [slachtoffer] op 2 februari 2018;
- De periode vanaf de aangifte op 2 februari 2018 tot 16 juli 2018.
Voor de beoordeling is van belang dat [slachtoffer] nader wordt bevraagd over de voornoemde afzonderlijke periodes en het concrete handelen van de verdachte in die onderscheiden periodes. Daarnaast is van belang wat de politie met [slachtoffer] heeft besproken tijdens haar contacten met de politie in 2016 alsook tijdens haar verhoor in 2018.
Het hof acht daarom ook noodzakelijk dat de betrokken politieambtenaren, die deze gesprekken met [slachtoffer] hebben gevoerd en [aangeefster] , die namens [slachtoffer] aangifte heeft gedaan, als getuigen worden gehoord. De advocaat-generaal wordt verzocht te doen nagaan om welke politieambtenaren dit gaat en hiervan opgave te doen aan het hof, met afschrift aan de raadsman.
Verzoeken van de verdediging
De raadsman heeft bij brief van 10 januari 2020 aan de advocaat-generaal onderzoekswensen opgegeven, waarbij hij onder andere heeft verzocht [slachtoffer] als getuige te horen, alsmede heeft verzocht een aanvullend proces-verbaal op te laten maken ten aanzien van de informatieverstrekking door Defensie aan de politie met betrekking tot lopende procedures van de verdachte tegen Defensie.
(…)
Op de terechtzitting van 3 februari 2021 is het hof vanwege een gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen met het onderzoek. De verdediging heeft bovengenoemde verzoeken ter terechtzitting herhaald, zodat op deze verzoeken opnieuw moet worden beslist. Daarbij heeft de raadsman een aanvullend verzoek gedaan met betrekking tot de vastlegging van getuigenverhoren. Hij heeft aangevoerd dat de politie bij het horen van de getuigen onjuiste informatie heeft verstrekt over de lopende procedures van de verdachte tegen Defensie en zodoende deze getuigen heeft beïnvloed. De verklaringen van de getuigen zijn onvolledig uitgewerkt en de raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan dat, indien het hof de vastlegging van de raadsman met betrekking tot de getuigenverhoren niet over zou nemen, de desbetreffende getuigen in de gelegenheid dienen te worden gesteld de opnames van de verhoren zelf te beluisteren dan wel dat het openbaar ministerie opdracht wordt gegeven om de verhoren letterlijk uit te werken. Het voorgaande is naar de mening van de verdediging van belang zodat aan het licht komt dat deze getuigen zijn ‘overgehaald’ om aangifte te doen.
(…)
Er zijn geen aanwijzingen dat de politie van het ministerie van Defensie andere informatie heeft gekregen over de procedure met de verdachte dan is gerelateerd, of dat de politie bij het verkrijgen van de informatie verwijtbaar heeft gehandeld. Het is betreurenswaardig dat de politie − naar achteraf vast is komen te staan − een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad over die procedure en op basis daarvan onjuiste mededelingen aan aangeefsters/getuigen heeft gedaan. Zij hebben evenwel verklaard over de feiten en omstandigheden die zij zich uit eigen waarneming herinnerden en zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat deze herinneringen door een onjuiste informatieverstrekking over de procedure met Defensie kunnen zijn beïnvloed. Nader onderzoek hiernaar is dan ook niet noodzakelijk.
Het hof heeft voorshands geen reden te twijfelen aan hetgeen de raadsman stelt te hebben gehoord tijdens het uitluisteren van de verhoren van andere aangevers dan de aangeefster in deze zaak. Dezen hebben niet verklaard over wat in deze zaak aan de verdachte ten laste is gelegd. Het in hun aanwezigheid afspelen van de geluidsopnamen van de verhoren, of het letterlijk uitwerken van die verhoren, kan dan ook geen bijdrage vormen aan het onderzoek in deze zaak en is noch noodzakelijk, noch in het belang van de verdediging.
De conclusie is dat het onderzoek moet worden heropend en dat op de volgende terechtzitting de hierna te noemen getuigen zullen worden gehoord.
Beslissing:
Het hof:
Heropent het gesloten onderzoek, schorst dit in het belang ervan en beveelt de hervatting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte, de raadsman van de verdachte en de benadeelde partij tegen de nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping tegen de nader te bepalen dag van de terechtzitting van de getuigen:
- [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats] );
- [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] );
- De politieambtenaren met wie [slachtoffer] in 2016 en 2018 gesproken heeft;
Verzoekt de advocaat-generaal na te doen gaan om welke politieambtenaren dit gaat en hier van tevoren opgave te doen aan het hof, met afschrift aan de raadsman.’
9. Het onderzoek ter terechtzitting is daarna op 14 juni 2022 door het hof in dezelfde samenstelling hervat. Vervolgens zijn (op 14 juni) [getuige 7] (operationeel specialist bij de thematische recherche, afdeling fraude), [getuige 8] (operationeel specialis bij de dienst operationele informatieorganisatie), [getuige 9] (in het verleden werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar bij de thematische recherche), [aangeefster] , [getuige 10] en (op 15 juni) het slachtoffer als getuige verhoord. De verklaring van getuige [getuige 8] houdt onder meer het volgende in:
‘Mijn eerste contact met [slachtoffer] was in 2016. De advocaat door wie ik werd gebeld, was gebeld door vrienden van [slachtoffer] . De advocaat benaderde mij of wij een afspraak konden maken voor een gesprek met [slachtoffer] . Ik weet niet of hij haar advocaat was, maar hij was ingeschakeld door vrienden van [slachtoffer] . Vrienden van [slachtoffer] maakten zich zorgen en dachten dat [slachtoffer] werd opgelicht. Wij zijn toen bij haar thuis geweest. Ik kan me van dat gesprek nog flarden herinneren. Die advocaat was daarbij aanwezig en mijn collega [getuige 7] . [slachtoffer] vertelde over wat ze meemaakte en over het geld dat ze uitgeleend had. Ze vertelde ook dat ze ervan overtuigd was dat ze het geld nog terug zou krijgen. Het ging alle kanten op. Ze wilde van ons weten hoe dat ging als ze aangifte zou doen. Daar koos ze toen niet voor. Wij hebben haar uitgelegd dat we niet veel voor haar konden doen als ze geen aangifte zou gaan doen. Het was geen verrassing dat ze geen aangifte wilde doen. Slachtoffers in fraudezaken twijfelen vaak. Ik had ook geen verwachtingen. Ik had mijn spullen bij me en we reageren ter plaatse op wat er gebeurt. Ze gaf aan dat ze nog wilde nadenken over het doen van aangifte.
Na dat gesprek heeft ze nog een paar keer contact met me opgenomen. Ze heeft altijd gezegd dat ze twijfelde en geen aangifte wilde doen. Gedurende enkele maanden daarna belde ze mij wel regelmatig. Die gesprekken gingen veelal over het doen van aangifte en de gang van zaken daaromtrent. We zijn nog een tweede keer bij haar geweest op haar verzoek. Toen was er een vriend van [slachtoffer] bij. Ik dacht dat [getuige 7] toen ook mee was. Ik heb een aantal keren contact gehad met [slachtoffer] en toen werd duidelijk dat zij geen aangifte wilde doen. Daarna is er een tijd geen contact geweest. U vraagt of in het eerste gesprek aan de orde is geweest wat er feitelijk gebeurde. Zij vertelde ons wat haar overkwam: ze had contact met iemand na het overlijden van haar man en diegene had geld nodig voor een rechtszaak, omdat hij een klokkenluider was. Zij bewaarde stukken voor hem in haar kluis. Ze vertelde dat er steeds meer geld nodig was en dat hij zijn beloftes omtrent terugbetaling niet nakwam en dat ze met hem te doen had. Ze liet wat telefoongesprekken horen die ze had opgenomen. Ik heb haar niet geadviseerd om de gesprekken op te nemen. Ik denk dat ze die opnames liet horen tijdens het tweede gesprek. Ik dacht wel dat [getuige 7] daarbij was. De advocaat hield zich tijdens het gesprek op de achtergrond en was niet aanwezig bij het tweede gesprek.
Voor zover ik weet, is er geen invloed uitgeoefend op [slachtoffer] om aangifte te doen. Als iemand aangifte doet, dan moet diegene daar zelf achter staan. Ze ervaarde al veel druk. Wij hebben haar alleen geïnformeerd over de consequenties van het wel of niet aangifte doen. Wij hebben haar daarin niet geadviseerd.
Ik heb van dat gesprek een kort verslag en mutatie gemaakt. Ik heb de mutatie bij me. Ik heb ook een tijdlijn gemaakt, waarbij ik heb geprobeerd alle contactmomenten terug te halen.
Op 22 september 2016 ben ik benaderd door de advocaat, Van Genugten denk ik dat hij heet. Op 23 september 2016 is afgesproken dat we bij [slachtoffer] langs zouden gaan op 30 september 2016 om 11.00 uur. Op 30 september vond het gesprek plaats. Op 3 oktober 2016 liet Van Genugten mij weten dat [slachtoffer] haar telefoon aan hem had gegeven om de Whatsapp-gesprekken veilig te stellen. Op 4 oktober 2016 heeft Van Genugten mij laten weten dat er telefonisch contact was geweest tussen [slachtoffer] en de verdachte en dat zij dat opgenomen had en dat de betaaldatum verschoven was. Ik heb daarop gereageerd dat wij af zouden wachten. Op 26 oktober 2016 mailde de advocaat mij dat [slachtoffer] wilde dat alles geheim gehouden werd. Half november zijn we of weer langs geweest bij [slachtoffer] of ik heb haar telefonisch gesproken. Daarna is het een hele tijd stil geweest. De strekking van de telefoongesprekken tussen mij en [slachtoffer] was altijd hetzelfde, namelijk dat zij zich afvroeg of de verdachte erachter zou komen als zij informatie gaf.
(…)
Ik ben bij het gehele onderzoek betrokken geweest. Op een gegeven moment hebben de nichten van [slachtoffer] ons benaderd. Zij wilden aangifte doen. Vervolgens is de zaak aan de officier van justitie voorgelegd. De aangifte is opgenomen door Dol en Horeman. Dat zijn collega's. Ik had toen ook andere zaken, dus waarschijnlijk had ik geen tijd om de aangifte op te nemen. Ik coördineerde het onderzoek en was op de hoogte van wat er gebeurde. Ik heb nog sporadisch contact gehad met [slachtoffer] als ze vragen had of informatie wilde. U merkt op dat de verdachte had gezegd dat hij een procedure voerde tegen het Ministerie van Defensie en vraagt of ik daar onderzoek naar heb gedaan. Dat onderzoek is gedaan naar aanleiding van de aangifte van de nichten. Dat onderzoek hield in dat een vordering is gedaan om op te vragen of er procedures liepen. Daaruit kwam dat er wel een procedure liep, maar dat het om iets ander ging dan wat [slachtoffer] ons vertelde. Ik weet niet meer exact wat daaruit kwam. Wij hebben de vordering geverbaliseerd en daar zijn we verder mee gegaan. Wij hebben ook bij de verdachte en andere aangevers hiernaar gevraagd. Volgens mij hebben we niet andere instanties gevorderd om informatie.
Ik weet niet meer of ik de indruk had dat de verdachte de vordering op Defensie had verzonnen om geld af te kunnen troggelen. Toen wij de informatie opvroegen, bleek dat er een zaak liep, maar de inhoud van die zaak was anders dan wat wij van [slachtoffer] hadden gehoord. Wat er precies anders was, kan ik mij niet meer herinneren. U merkt op dat ik zojuist verklaarde dat wij [slachtoffer] geen druk hebben opgelegd om aangifte te doen en dat zij al veel druk voelde. U vraagt of dat druk van de verdachte was. Daar bedoel ik mee dat ze druk voelde, omdat ze haar geld graag terug wilde. Daar had zij veel spanning van. Ik had toen geen details over hoe het ging met het overmaken van geld. Ze vertelde alleen dat er geld nodig was en dat zij dat dan overmaakte. In 2018 heeft [slachtoffer] Whatsapp-gesprekken overgelegd. Toen de nichten aangifte deden, hebben we de telefoon van [slachtoffer] uitgelezen. Ik weet niet of die bestanden hetzelfde zijn.
U vraagt mij of ik de reden weet waarom [slachtoffer] geld overmaakte. Ze voelde zich betrokken en ze had medelijden met de verdachte. Ze vond het zielig dat hij in deze situatie zat. Zij en haar overleden man hielpen ook altijd mensen. Zij vertelde daarover en dat zij nu ook mensen wilde helpen. Er werd gehamerd op geheimhouding en ze was bang dat als de verdachte erachter zou komen dat zij naar de politie was geweest, ze haar geld niet meer terug zou krijgen.
De getuige antwoordt op vragen van de advocaat-generaal:
U vraagt mij waarom ik aan oplichting dacht in de situatie dat iemand zijn geld niet terug kreeg. Er werden beloftes gedaan die niet werden nagekomen. Aanvankelijk was er echter te weinig informatie om tot een verdenking van oplichting te komen. Na de aangifte van de nichten werd een onderzoek opgestart. Er werden toen stukken overhandigd, waardoor een vermoeden rees dat er onwaarheden verteld werden. Dat waren de stukken die bij [slachtoffer] in de kluis zaten. Ook de Whatsapp-gesprekken deden vragen rijzen. Het vermoeden ontstond toen dat er meer aan de hand was dan een enkele lening. De officier van justitie zag vervolgens voldoende aanleiding om een onderzoek te starten.
De getuige antwoordt op vragen van de raadsman:
U vraagt waarom het in een zaak als deze cruciaal is of iemand aangifte doet. In 2016 was er te weinig informatie en daar konden we geen onderzoek op starten. Ik kan me niet herinneren dat ik in 2016 tegen [slachtoffer] heb gezegd dat het beter is om geen geld meer over te maken. Achteraf bleek dat er al veel meer geld overgemaakt was dan dat zij aanvankelijk zei. In 2016 zijn er wel wat losse bedragen genoemd en is de mogelijke verkoop van het huis in Portugal aan de orde gekomen. Ik heb de leningsovereenkomsten tussen de verdachte en [slachtoffer] gezien. Dat zal na de aangifte van de nichten zijn geweest, in februari 2018. U vraagt of daar stukken bij zaten waarvan ik dacht dat het niet in de haak was. Dat weet ik niet meer. U vraagt of [slachtoffer] ooit heeft gezegd dat het haar niet uitmaakte waar het geld naartoe ging. Nee, dat kan ik me niet herinneren. Het ging altijd over de rechtszaken en ook een keer over een prothese en gezondheidskosten, maar ik weet niet zeker of dat bij [slachtoffer] was of bij de andere aangevers.
U vraagt mij naar de onwaarheden. Het waren opvallende details waarvan je kon vermoeden dat het niet helemaal klopte. Ik weet het niet goed meer. U vraagt of ik weet of er binnen de politie of de kring van [slachtoffer] banden zijn met het Ministerie van Defensie. Daar kan ik mij niets van herinneren. Ik heb wel met een collega contact gehad met betrekking tot de vordering aan Defensie. Die collega zou één en ander voor mij navragen, want ik wist niet hoe dat moest. Ik kan me niet herinneren dat de voortgang van het onderzoek zou zijn beïnvloed door iemand van Defensie. U merkt op dat alle verhoren zijn opgenomen, behalve het verhoor met [slachtoffer] . Daar kwamen wij later ook achter. Ik weet niet wat daarvan de reden is. Wellicht functioneerde de apparatuur niet goed of hadden we deze niet mee.’
10. De raadsman heeft, nadat het onderzoek ter terechtzitting op 16 juni 2022 is hervat, aldaar wederom het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van (reeds voor de terechtzitting) overgelegde pleitnotities. Deze houden onder meer het volgende in:
‘2. Inhoudelijk
Uit de verhoren is het volgende beeld naar voren gekomen:
(…)
[getuige 8] : werd in september 2016 benaderd door een advocaat, die was gebeld door vrienden van [slachtoffer]. Die dachten dat ze werd opgelicht. Ze zijn er in 2016 heen gegaan, [slachtoffer] wilde dat ook. In eerste instantie ging men er heen om aangifte op te nemen. Ze twijfelde en wilde weten wat er zou gebeuren als ze aangifte zou doen. Ze liet het open en ze heeft nadien nog een aantal malen contact opgenomen. Regelmatig. Vóór 2018 zijn ze er nog een keer geweest. [slachtoffer] vertelde wat er was gebeurd, dat er geld niet terug werd betaald. En van Defensie. Ze had met hem te doen. Ze liet ook gesprekken horen in het eerste of tweede gesprek. Dat had ze zelf opgenomen, niet op advies politie. [getuige 8] herinnert zich dat men heeft gezegd dat het beter is om geen geld meer uit te lenen.
[getuige 8] heeft ook een mutatie opgemaakt. Ze heeft de verdachte gehoord en sporadisch contact gehad met [slachtoffer] en met de nichten. De mutatie zat niet in het dossier. Waarom niet? Deze is toch zeer relevant.
Uit de vordering bij Defensie bleek wel van een procedure maar dat was iets anders dacht men dan wat [verdachte] aan [slachtoffer] vertelde.
Gek genoeg weet [getuige 8] niet meer in hoeverre zij nu zelf dacht dat [verdachte] alles had verzonnen. [slachtoffer] was bang dat [verdachte] er achter zou komen dat ze naar de politie was gegaan. En dat ze dan geen geld meer zou krijgen.
Er was in eerste instantie te weinig informatie, zegt [getuige 8] , om er een verdenking aan te hangen. Uit de stukken die de nichten overhandigden bleek van zaken die dat vermoeden wel rechtvaardigden. Maar meer kan ze daar niet over zeggen − het staat in het pv verdenking. De politie pakte het op omdat de nichten aangifte deden.
(…)
3. Conclusie
Formele punten:
Ik blijf bij hetgeen ik in februari vorig jaar bepleitte. Ik verzoek u met klem dat pleidooi nogmaals te lezen. Er staan vele uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in die een reactie behoeven. De pleitnota dient dus nogmaals als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
UOS] Ik blijf er bij: er is niet aan de criteria voldaan om te tappen, en om te doorzoeken. Ik begrijp de behoefte maar er zijn wettelijke grenzen te respecteren. Men had zonder gekund. Er was geen noodzaak. Er was een aangifte, er waren bankafschriften (op woensdag 7 februari 2018 wist men al dat die bankrekening op naam van [verdachte] stond, BOB-02 en BOB-O2a), er waren telefoons met talloze apps én opnames van gesprekken (over een periode van meer dan een jaar), er waren getuigen. Er was een leningsovereenkomst − eerder een contra-indicatie, maar toch. In maart 2018 wist men exact wie [verdachte] was en waar hij verbleef (…).
Waarom is er toen niet ingegrepen? Het was geen nieuws dat dit speelde voor de politie, en men kon zien dat [slachtoffer] maar doorging met geld uitlenen. Zij zullen toch ook gedacht hebben "we hebben haar gewaarschuwd"?
Voor de verdenking die er was, was de inzet van een tap en een doorzoeking niet noodzakelijk. Pak ik de wet erbij, dan staan daar eisen in. Het onderzoek moet het dringend vorderen (126m).
De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn duidelijk niet in acht genomen. Daar moeten consequenties aan worden verbonden. Er kan niet zomaar worden getapt en er kan ook niet zomaar worden doorzocht.
En zeker niet als de RC daarbij een onjuist plaatje gepresenteerd krijgt. In de aanvraag voor de doorzoeking staat een verhaal waarvan de context niet correct is, en dat kan de politie worden verweten (2.37 - 2.41). Ik verwijs verder naar mijn pleidooi. De conclusie is dat op basis van een achteraf onjuiste verdenking ("Hij verzint zijn Defensie-verhaal") opsporingsmiddelen zijn ingezet die niet hadden mogen worden ingezet.
(…)
En dan het pv verdenking. Daarin staat volgens de getuige [getuige 8] al het relevante m.b.t. de verdenking. Dat klopt feitelijk niet. Het pv zet je op het verkeerde been. Er wordt niet gerept over de gesprekken in 2016. Dit staat er:
Nadat [aangeefster] aangifte had gedaan heeft verbalisant [getuige 8] contact opgenomen met [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft aangegeven aangifte te willen doen maar vind het te emotioneel om het verhaal weer helemaal te vertellen. Zij heeft haar telefoons ter beschikking aan de politie gesteld met toestemming om de inhoud van de telefoons te bekijken en zo een aangifte op te stellen waarna deze met [slachtoffer] zal worden doorgenomen en aanvullende vragen kunnen worden gesteld. Deze telefoons zijn op maandag 19 februari 2018 opgehaald en de inhoud daarvan is veiliggesteld.
Waarom wordt er niet gesproken over de eerdere contacten? Deze zijn uitermate relevant. Voor elke jurist is het, in het kader van de vraag of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting, relevant om te weten welke contacten er zijn geweest met de politie. Dit zijn ervaren rechercheurs. Die moeten daarover hebben nagedacht. Het pv verdenking is onvolledig.
Er is veel gebeurd en ik heb heel hard moeten werken om uw Hof zover te krijgen om deze mensen allemaal te horen. Dat het niet voor niks is, lijkt mij evident.
Voor mijn conclusie over de formele punten verwijs ik uitdrukkelijk naar het eerdere pleidooi, par. 2.6-2.57. Met name het onjuist verbaliseren van getuigenverklaringen, van de aanvraag doorzoeking en ook van het pv verdenking dient zwaar te wegen. Het klopt gewoon niet. De mutatie waar [getuige 8] gisteren mee kwam had in het dossier moeten zitten zodat meteen duidelijk was geworden dat er al twee jaar op [slachtoffer] werd ingepraat. De rechtbank heeft dat niet eens kunnen zien in eerste aanleg.
Materiële punten
[verdachte] is veel, maar geen oplichter. Welke oplichter gaat er nou leningsovereenkomsten opstellen en zichzelf zo ophangen? Welke oplichter laat nu een enveloppe met zulke (kloppende) documenten achter bij een ander? Welke oplichter maakt er nu zulke gedetailleerde overzichten? Er is geen "oogmerk (!) tot wederrechtelijke bevoordeling" zoals in 326 Sr staat. Wat u ook vindt van de apps en de gesprekken: er zit geen oogmerk in. Er zit een overbelaste persoon in. Dwingend misschien, vervelend misschien − maar dat is iets anders. Het betreft een persoon die zelf gelooft dat het geld er uiteindelijk komt. En dat gelooft hij nog steeds. Naïef? Ik weet het niet. Maar "oogmerk" kan niet worden bewezen.
Ik verwijs naar de stukken die aangeven wat [verdachte] in de loop der jaren heeft gehoord van de mensen die hem in rechte bijstonden (3.14 van het eerdere pleidooi). Hij is in de overtuiging dat de strijd om de claim toegewezen te krijgen moet worden gestreden. Pasman, Bolt, Nicolaï (heeft ook in de zaak Oltmans opgetreden), Delissen Martens, Prakken d'Oliveira.
Ik begrijp de wens wel om [slachtoffer] het beste te gunnen. Dat doet iedereen, ja ook mijn cliënt. En ik begrijp de mogelijke behoefte van het OM om mijn cliënt ergens voor op te laten draaien. Om te gaan zoeken naar iets waardoor hem toch een bepaalde verplichting kan worden opgelegd.
Laten we eerlijk zijn: dat is valsspelen. De kern van de zaak is: op het moment dat je je lening niet terugkrijgt, moet je niet doorgaan met lenen. Ik riep al eerder: dat snapt een kind van 10.
Dat heeft de rechtbank toch ook een beetje gedaan, zoeken naar iets waaraan hij toch kon worden opgehangen. Ten onrechte wat mij betreft, want de bewezenverklaarde handeling vond in een dermate laat stadium plaats dat van oplichting echt geen sprake meer kon zijn. En na de verklaring van [slachtoffer] gisteren valt dat stukje helemaal weg. Ten onrechte is voor hetgeen bewezen is verklaard een hele forse straf opgelegd.
Er zijn talloze civiele verhoudingen waarin partij A nog geld krijgt van partij B. Partij A wist hier donders goed wat de risico's waren. Anders ga je geen gesprekken opnemen.
Ik herhaal (3.12 pleitnota): ik kan niet anders dan concluderen dat [slachtoffer] telkens weer heeft besloten om nog meer te lenen, terwijl ze het (vanaf ergens in 2016) niet meer vertrouwde, terwijl de politie langs was gekomen en alles had meegenomen, terwijl haar hele familie, haar nichten, een advocaat en de politie haar hadden gewaarschuwd, terwijl ze al gesprekken aan het opnemen was, terwijl ze wist dat [verdachte] van geleend geld leefde (par 3.13 / Z1, p. 217, par. 3.34 e.v.), terwijl ze aangaf dat ze het allemaal niet hoefde te weten (par. 3.13 / Z1, p. 214, p. 217, AMB-074, par. 3.34 e.v.), etc. etc. Ze heeft dit in haar verklaringen ten overstaan van uw Hof bevestigd. Hij wilde het vertellen, hij kwam met stukken, maar ze hoefde het niet te weten. Ze heeft nooit navraag gedaan, wilde nimmer weten wat er toch met al dat geld gebeurde.
[slachtoffer] is volledig handelingsbekwaam. Ze kan zich prima verwoorden. Ze kon naar de politie stappen, ze kon gesprekken opnemen, ze kon mailen en appen. Ze kon een advocaat weer wegsturen. Het gaat te ver om te zeggen dat zij een onwetend, nietsvermoedend slachtoffer was. Ja er was druk, van [verdachte], maar ook van de kant van de familie en vrienden. En wat dacht u van de druk die ze voelde omdat ze al sinds 2016, zo zeg ik het maar, een soort dubbelspel speelde? Geheimhouding / staatsgeheimen versus met de politie praten? Twee jaar lang heeft ze gedaan alsof er niets aan de hand was. Kijk maar naar de apps en de gesprekken. [verdachte] , argwanend als hij is, heeft haar meermalen gevraagd of ze de gesprekken aan het opnemen was. Dat ontkende ze dan. Maar wat voor druk levert dát op? De druk komt dus óók door haar eigen keuzes.
Onder uitdrukkelijke verwijzing naar mijn eerdere pleidooi en de tijdlijn daarin (die ook laat zien wat er tegelijkertijd in de Defensiecasus gebeurde), par. 3.22: herhaal ik: er zijn drie periodes:
1) Tot 1 januari 2017 / uitgeleend geld EUR 153.000 (par 3.23) − te weinig bewijs − géén oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling; er waren leningsovereenkomsten waar in staat dat het geld nodig is als gevolg van het conflict, en er kan niet worden bewezen dat [verdachte] zelf wel wist dat het geld niet/nooit kon worden terugbetaald; als dat al voldoende zou zijn om tot het bewijs van een strafbaar feit te komen;
2) Daarna / uitgeleend geld in 2017 EUR 230.000 (par 3.29): de periode nadat mevrouw al naar de politie was gestapt, gesprekken opnam etc. etc.; het verhaal van [verdachte] verandert niet. En toch gaat ze door. Ondanks alle waarschuwingen van iedereen. Ze geloofde hem nog steeds. Waren er nieuwe verhalen, nieuwe 'fraud schemes'? Nee; maar daar waar eerst nog geld werd geleend met convenant, wordt er nu ook geld geleend zonder convenant, terwijl het convenant niet was afgewikkeld.
3) Daarna vanaf februari 2018 (grofweg nog een ton uitgeleend): de periode dat er zelfs al aangifte was gedaan; hiervoor geldt hetzelfde, maar in nog sterkere mate.
Laten we niet vergeten dat het verhaal van [verdachte] in essentie gewoon klopt. Over de procedure. Over de staatsgeheimen (zie ook de stukken die ik u gisteren toestuurde). En laten we niet vergeten dat [slachtoffer] wist dat hij van geleend geld leefde. En dat ze vertelde dat ze het niet hoefde te weten allemaal. Terwijl hij het wel wilde uitleggen. En stukken wilde laten zien. Ja: het was geheim. Maar dat wás het ook. [verdachte] is zélf in de overtuiging dat, indien bleek dat er informatie was gedeeld met andere partijen, dit de zaak niet ten goede zou komen. Hij heeft een geheimhoudingsplicht, ook als ex-militair. Die geldt nog steeds. Dat levert risico's op. Ik heb bepaalde stukken ook niet durven verstrekken. Omdat ze gaan over bevindingen die betrekking hebben op de wijze van omgaan met staatsgeheime informatie. En als [verdachte] daar de verkeerde keuze in maakte, dan kan hem dat in de procedure (die toen sowieso nog liep) in de staart bijten. En dan komt er mogelijk niets meer. Dát bedoelde hij.
De tenlastelegging
Tevens moet − uiteraard - worden ingezoomd op de tenlastelegging. Bijna alle gedachtenstreepjes moeten − ik ben het eens met de rechtbank - komen te vervallen (ik verwijs uitdrukkelijk naar par. 3.39 e.v.) c.q. dragen niet bij aan het bewijs van het tenlastegelegde. Ik kan dit eventueel herhalen hier ter zitting.
In aanvulling op 3.46 en 3.52, over het vijfde streepje. Ter zitting heeft [slachtoffer] verklaard dat dit niet heeft geleid tot de afgifte van een geldbedrag. Het was niet de reden voor haar om toen dat bedrag uit te lenen. Dat kan dus niet worden bewezen.
Er is geen oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling, geen samenweefsel van verdichtselen en evenmin sprake van listige kunstgrepen. Er is geen "fraud scheme". Het moet gaan om meer dan onwaarheden of leugens. Het verhaal van [verdachte] was in essentie gewoon waar: hij had geld nodig als gevolg van het conflict met Defensie. Zo staat het ook in de leningsovereenkomsten.
In het meermalen genoemde overzichtsarrest (HR 20 december 2016, ECLI:HR:NL:2016:2889) staat dat het antwoord op de vraag of sprake is van oplichting afhankelijk is van vele omstandigheden. Onder andere de mate waarin de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke omzichtigheid het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen en zich daardoor niet te laten bedriegen. Oplichting is niet aan de orde wanneer het slachtoffer − alles bij elkaar genomen − de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het slachtoffer dient een voldoende mate van omzichtigheid te betrachten. Hoe beoordeelt u dat, in ieder geval voor de periode vanaf 2016, waarin de mensen die deel uitmaakten van het maatschappelijk verkeer 'en masse' waarschuwden?
Ik ben er als gezegd van overtuigd dat [verdachte] zelf altijd heeft gehoopt en nog steeds hoopt dat het geld er komt. Die leningsovereenkomsten met die beloftes zijn voor mij anders niet verklaarbaar. Nogmaals, waarom zou je jezelf zo ophangen tenzij je zelf gelooft dat het echt goed gaat komen. Waarom zou je er keihard in zetten dat er géén uitstel van terugbetaling komt? Een oplichter zou eerder vragen om continue uitstel. Waarom zou je een gedetailleerd overzicht maken van alles dat je schuldig bent (p. 38 en verder van het nieuwe dossier) Waarom zou je je eigen naam en je eigen handtekening en je eigen bankrekeningnummer gebruiken? Waarom zou je je eigen emailadres en je eigen telefoonnummer gebruiken? Waarom blijf je vindbaar? Waarom laat je een envelop achter met kopieën van documenten die echt en onvervalst zijn?
[verdachte] rust niet. Waarom zou hij anders vandaag bij de IGK zitten? Ik geloof niet dat hij zichzelf gek maakt en uitput alleen maar om aan de verdenking van oplichting en verduistering te ontkomen.
Nogmaals: het oogmerk ontbreekt. Niet bewezen kan worden dat hij met de zwaarste vorm van opzet [slachtoffer] om de tuin heeft geleid om geld te krijgen dat hij nimmer meer zou terugbetalen.
Daarnaast geldt dat het handelen zoals het is beschreven in de tenlastelegging niet kan worden gekwalificeerd als oplichtingsmiddel (in de zin van samenweefsel / kunstgreep / valse hoedanigheid)
En als u daar anders over denkt, dan geldt als gezegd dat er wel sprake is van doorzienbaarheid (HR 20 december 2016 / par. 3.50 van het pleidooi).
Het casino
Ik gaf al aan dat het niet zo is dat het dossier duidelijk beschrijft welk deel van het geld van [slachtoffer] op welk moment naar het casino is gegaan. Er is of was één pinautomaat in Valkenburg, dus je kunt niet concluderen dat alle cash die in Valkenburg is gepind, in het casino is vergokt.
Nog even los van de vraag of u [slachtoffer] gelooft als ze nu zegt "nee dan had ik het niet uitgeleend". Dat is maar de vraag. Nooit? Of had ze het een volgende keer wel uitgeleend als was gebleken dat hij eerder naar het casino was geweest?
Het is zeker niet zo dat het geld dat [slachtoffer] leende allemaal vergokt is. Niet kan worden vastgesteld welk deel van het geld dat van haar kwam in het casino werd uitgegeven.
Voor zover relevant uiteraard. Want ook hier geldt: [slachtoffer] wist dat [verdachte] van geleend geld leefde, ze hoefde het allemaal niet te weten, ze had beter moeten weten dan geld uit te lenen. En ik zei al: [verdachte] had zeker niet de tijd van zijn leven toen hij geld in de automaat stopte. Hij zat in de nesten, het was voor hem een uitlaatklep, hij had schulden en niemand gaat gokken met de bedoeling om geld te verliezen. [verdachte] verklaarde: het is gebeurd. Het betekende niet dat ik lak had aan [slachtoffer]. Het geeft aan hoe wanhopig ik was.
Mogelijk had [slachtoffer] het geld niet uitgeleend als ze had geweten dat het naar het casino ging. Mogelijk. Maar maakt dat het oplichting? Dit is geen "specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen" waarbij men er is "ingetuind na de nodige omzichtigheid te hebben betracht" (…). En hoe dan met de bedragen die níet naar het casino gingen?’
Bespreking van het eerste middel
11. Het eerste middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen en/of van (doelbewuste) schending van het recht op een eerlijk proces getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed. In de toelichting worden een aantal deelklachten naar voren gebracht. De eerste deelklacht ziet op de overweging van het hof dat in een vroeg stadium al wordt uitgegaan van een bestaand conflict tussen verdachte en het ministerie van Defensie, waarbij het hof wijst op het bevel gevangenhouding van 25 juli 2018. Die vaststelling zou juist aantonen dat ‘de onjuiste insteek’ van het onderzoek pas in een laat stadium is onderkend en gecorrigeerd.
12. De verdediging heeft gesteld, aldus het hof, dat de politie ten onrechte heeft aangenomen dat er geen gerechtelijke procedure tussen het ministerie van Defensie en de verdachte aanhangig was. Het hof heeft dat verweer verworpen op grond van de vaststelling dat ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal van 15 maart 2018 door de verbalisanten geen procedure aanhangig was. De juistheid van die vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Dat de onvolledigheid van de informatie in een vroeg stadium is hersteld, nu uit het bevel gevangenhouding volgt dat de rechtbank op dat moment heeft aangenomen dat er een conflict bestond tussen de verdachte en het ministerie van Defensie, is voor het hof een bijkomend argument. Het hof heeft op grond van een en ander kunnen oordelen dat het standpunt ‘dat het gehele opsporingsonderzoek een onjuiste insteek heeft gehad’ geen feitelijke grondslag heeft. Ik merk daarbij nog op dat het opsporingsonderzoek gericht was op aanwijzingen van oplichting, en dat het al dan niet bestaan van een conflict tussen de verdachte en het ministerie van Defensie niet van doorslaggevend belang was voor het al dan niet kunnen aannemen van die aanwijzingen.
13. De eerste deelklacht faalt.
14. De tweede deelklacht betreft ‘s hofs overweging dat het verweer ten aanzien van de inzet van opsporingsmethoden onvoldoende is onderbouwd. De steller van het middel meent dat het verweer in par. 2.27 t/m 2.42 van het pleidooi dat op 3 februari 2021 is gehouden wel toereikend is onderbouwd.
15. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat is gesteld ‘dat er eigenlijk in het geheel geen adequate verdenking is beschreven in AMB-01’ wijs ik erop dat de raadsman zich blijkens de pleitnota slechts heeft afgevraagd ‘of er nu werkelijk een verdenking uit dit pv volgt’ (2.34). Voor zover de steller van het middel spreekt over een ‘onderbouwde stelling dat er geen sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde’, attendeer ik erop dat slechts is aangevoerd dat een ‘vermeende oplichting’ geen ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en dat je uit de proces-verbaal AMB-01 ‘de conclusie (zou) moeten trekken dat geen sprake is van een “ernstige inbreuk op de rechtsorde”’ (2.30 en 2.35). Een onderbouwing ontbreekt; genoemd wordt slechts een uitspraak waarin bij oplichting wel een ernstige inbreuk op de rechtsorde werd aangenomen. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat in de pleitnota is onderbouwd dat er geen dringende noodzaak was om te tappen ‘om vast te stellen of de man die [slachtoffer] belt na de app-berichten, dezelfde man is als de man die voorkomt op de opgenomen telefoongesprekken’ merk ik op dat de omstandigheid dat [verdachte] ‘al jarenlang hetzelfde mobiele nummer’ heeft, nog ruimte laat voor het verweer dat een ander met dat mobieltje heeft gebeld (2.32 en 2.33). Daar komt bij dat door het opnemen van telefoongesprekken ook de inhoud daarvan wordt vastgelegd. Voor zover de steller van het middel betoogt dat is gesteld dat de rechter-commissaris op het verkeerde been is gezet omdat in proces-verbaal AMB-01 ‘ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat het conflict met Defensie’ door verdachte verzonnen is, stel ik vast dat deze stelling in dit onderdeel van de pleitnota niet is onderbouwd. Het citaat uit de aanvraag voor een doorzoeking in de pleitnota houdt juist in ‘dat [verdachte] veelvuldig klaagschriften en bezwaren heeft ingediend’ (2.37).
16. Al met al heeft het hof kunnen oordelen dat het verweer ten aanzien van de inzet van opsporingsmethoden onvoldoende is onderbouwd.
17. In verband met ’s hofs overweging dat de raadsman niets heeft gesteld over het nadeel dat door het vormverzuim concreet is veroorzaakt en dat het verweer ook om die reden strandt, voert de steller van het middel aan dat het inzetten van opsporingsmiddelen zoals een telefoontap en een doorzoeking van een woning in een situatie waarin niet aan de wettige vereisten is voldaan een onherstelbaar vormverzuim oplevert. En dat het opstellen van onjuiste en onvolledige processen-verbaal die aan de rechter-commissaris en de raadkamer worden voorgelegd apert in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Daarnaast zou de verdachte als gevolg van de vergaarde bewijsmiddelen ten onrechte in voorlopige hechtenis hebben gezeten.
18. Ik begrijp uit een en ander, wat daar verder ook van zij, dat de steller van het middel de juistheid van ’s hofs overweging dat de raadsman niets heeft gesteld over het nadeel dat door het vormverzuim concreet is veroorzaakt, niet bestrijdt. Deze overweging draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.
19. De tweede deelklacht faalt.
20. De derde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat niet is gebleken dat getuigen onjuiste informatie is voorgehouden, onbegrijpelijk is in het licht van (zo begrijp ik) de aantekeningen van de verdediging die naar aanleiding van het beluisteren van de opnames van de verhoren van diverse getuigen aan het dossier zijn toegevoegd, het verzoek aan het hof om zich te verenigen met de aantekeningen van de verdediging en het verzoek om, indien het hof daar niet toe bereid is, de zaak aan te houden om aan alle partijen de gelegenheid te geven om de opnames zelf te beluisteren of om het OM opdracht te geven om de opnames letterlijk uit te werken.
21. Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken ‘dat de politie de getuigen doelbewust onjuiste informatie heeft voorgehouden of heeft beïnvloed’. Ik kan uit de toelichting op het middel niet opmaken waarom ’s hofs oordeel in het licht van de daarin genoemde feiten en omstandigheden onbegrijpelijk zou zijn.
22. Geklaagd wordt vervolgens over de overweging waarmee het hof het bedoelde verzoek in het tussenarrest van 17 februari 2021 heeft afgewezen. Deze afwijzing luidt als volgt:
‘Het hof heeft voorshands geen reden te twijfelen aan hetgeen de raadsman stelt te hebben gehoord tijdens het uitluisteren van de verhoren van andere aangevers dan de aangeefster in deze zaak. Dezen hebben niet verklaard over wat in deze zaak aan de verdachte ten laste is gelegd. Het in hun aanwezigheid afspelen van de geluidsopnamen van de verhoren, of het letterlijk uitwerken van die verhoren, kan dan ook geen bijdrage vormen aan het onderzoek in deze zaak en is noch noodzakelijk, noch in het belang van de verdediging.’
23. De steller van het middel meent, zo begrijp ik, dat deze overweging onbegrijpelijk is nu verdachte op grond van die verklaringen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. En dat het hof, als het van oordeel was geweest dat onjuiste uitwerkingen van verhoren hebben plaatsgevonden, had moeten concluderen dat politieambtenaren in strijd met hun ambtseed/ambtsbelofte processen-verbaal onjuist hebben opgemaakt die ‘in het dossier terecht zijn gekomen en dus ook nog eens hebben bijgedragen aan de beslissing’ om de verdachte gevangen te houden. Daardoor zou, zo begrijp ik, het recht van de verdachte op een eerlijk proces zijn geschonden.
24. Dat de verklaringen van bedoelde getuigen mogelijkerwijs een rol hebben gespeeld bij beslissingen inzake de voorlopige hechtenis in de onderhavige strafzaak, brengt evenwel niet mee dat de afwijzing van bedoeld verzoek door het hof onbegrijpelijk is. En uit hetgeen de raadsman in verband met de processen-verbaal heeft aangevoerd volgt niet dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Het hof diende op grondslag van de tenlastelegging de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden; het hof heeft op grond van hetgeen door de raadsman is aangevoerd kunnen oordelen dat inwilliging van het geformuleerde verzoek voor die beantwoording niet van belang was.
25. De derde deelklacht faalt.
26. De vierde deelklacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van de raadsman dat het slachtoffer reeds in 2016 gesprekken met de politie voerde waarin haar leningen aan de verdachte aan de orde kwamen. Daardoor zou het verweer dat een onjuist/onvolledig proces-verbaal van verdenking is opgemaakt, waardoor de rechter-commissaris en de rechtbank/raadkamer in eerste aanleg onvolledig zijn geïnformeerd als gevolg waarvan de verdachte in zijn belangen is geschaad door de inzet van bepaalde opsporingsmiddelen en de toepassing van voorlopige hechtenis, op ontoereikende gronden zijn verworpen. De steller van het middel wijst daarbij op de aanvullende pleitnota (3.12 e.v.)
27. In de aanvullende pleitnota is onder het kopje ‘2. Inhoudelijk’ het een en ander weergegeven uit de verhoren. Die weergave houdt onder meer in dat [getuige 8] heeft verklaard dat zij in september 2016 naar [slachtoffer] is gegaan om een aangifte van oplichting op te nemen. Maar dat [slachtoffer] twijfelde, het open liet en nadien nog een aantal malen contact heeft opgenomen. En dat zij er vóór 2018 nog een keer is geweest. [slachtoffer] liet gesprekken horen die zij zelf had opgenomen. [getuige 8] heeft ook een mutatie gemaakt, die niet in het dossier zat. Onder het kopje ‘Formele punten’ (3.12) geeft de raadsman aan dat het ‘pv verdenking’ je ‘op het verkeerde been’ zet nu niet wordt gerept over ‘de gesprekken in 2016’. In het kader van de vraag ‘of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting’ zou het relevant zijn ‘om te weten welke contacten er zijn geweest met de politie’ (3.13). De raadsman wijst vervolgens voor zijn ‘conclusie over de formele punten (…) naar het eerdere pleidooi, par. 2.6-2.57’. Volgens de raadsman had de ‘mutatie waar [getuige 8] gisteren mee kwam (…) in het dossier moeten zitten zodat meteen duidelijk was geworden dat er al twee jaar op [slachtoffer] (BFK: [slachtoffer]) werd ingepraat.’
28. Uit een en ander volgt naar het mij voorkomt dat hetgeen in de aanvullende pleitnota is aangevoerd naar aanleiding van het verhoor van [getuige 8] door de raadsman niet als een zelfstandig verweer is geformuleerd dat een afzonderlijke reactie behoefde. Het is in verband gebracht met hetgeen in de eerdere pleitnota naar voren was gebracht. Op de punten die daarin zijn geformuleerd (zie 2.8) heeft het hof gerespondeerd.
29. Ik wijs er voorts op dat de raadsman de eerdere gesprekken in verband brengt met de vraag ‘of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting’; dat wijst erop dat de raadsman die gesprekken relevant heeft geacht in verband met de bewijsvoering, niet in verband met vormverzuimen. Dat al twee jaar op [slachtoffer] ‘werd ingepraat’ volgt daarbij niet uit de weergave van het verhoor van [getuige 8] . Daaruit volgt slechts dat er een aantal keren contact is geweest met [slachtoffer] , maar dat de omstandigheid dat zij geen aangifte deed er lange tijd toe heeft geleid dat geen opsporingsonderzoek is gestart.
30. De vierde deelklacht faalt.
31. Daarmee faalt het middel.
Bespreking van het tweede middel
32. Het tweede middel betreft de bewijsvoering; het hof zou ten onrechte althans onbegrijpelijk bewezen hebben verklaard dat sprake is geweest van oplichting. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof niet of onvoldoende zou hebben gerespondeerd op bewijsverweren, waardoor de conclusie dat sprake is van oplichting onjuist, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer dat bij de verdachte geen ‘oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling’ heeft bestaan. De steller van het middel wijst daarbij op het aanvullend pleidooi, randnummers 3.24, 3.28, 3.30 en 3.32.
33. Naar ik begrijp ziet de steller van het middel dit verweer in de stelling van de raadsman dat verdachte ‘zelf altijd heeft gehoopt en nog steeds hoopt dat het geld er komt’, omdat de ‘leningsovereenkomsten met die beloftes’ voor hem ‘anders niet verklaarbaar’ zijn (3.30).
34. Als schuldig aan oplichting wordt gestraft hij die ‘met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed’ etc. (art. 326 Sr). Het ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ wordt ook bij afpersing geëist (art. 317 Sr). Voor dat bevoordelingsoogmerk volstaat dat de dader heeft beseft dat zijn handelen ‘als noodzakelijk en dus ook door hem gewild gevolg met zich bracht’, dat hij bevoordeeld werd.
35. Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte – mogelijk – heeft gehoopt dat ‘het geld er komt’ en, zo begrijp ik, aanvoert bereid te zijn in dat geval de geleende bedragen terug te betalen, niet meebrengt dat de bewijsvoering van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling tekortschiet. Die mogelijke hoop en bereidheid doen er niet aan af dat de verdachte heeft beseft dat de op de bewezenverklaarde gedragingen volgende afgifte van geldbedragen met zich bracht dat hij bevoordeeld werd. Vastgesteld behoeft niet te worden dat verdachte ‘nimmer de intentie had om deze bedragen terug te betalen’. En ook de omstandigheid dat de verdachte niet in staat is de bedragen terug te betalen doet niet aan de toereikendheid van de bewijsvoering van het oogmerk af.
36. Ik merk daarbij op dat de leningsovereenkomsten waar de raadsman over spreekt niet enkel vanuit de hoop ‘dat het geld er komt’ verklaarbaar zijn. Die leningsovereenkomsten met de beloftes die erin besloten liggen kunnen ook aldus worden opgevat dat zij ertoe strekten [slachtoffer] van de oprechtheid van de verdachte en zijn intenties te overtuigen, en aldus een wezenlijk onderdeel vormden van het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels. Ik begrijp uit bewezenverklaring en bewijsvoering dat het hof aan de leningsovereenkomsten die betekenis heeft toegekend. Het hof heeft die betekenis er ook aan kunnen toekennen.
37. De eerste deelklacht faalt.
38. De tweede deelklacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘samenweefsel van verdichtsels’, althans op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd dat daarvan sprake is. Het hof zou hebben miskend dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenweefsel van verdichtsels ook van belang is ‘de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en de persoonlijkheid van het slachtoffer’.
39. Naar het mij voorkomt gaat de steller van het middel in zoverre uit van een verkeerde lezing van de overzichtsarresten van Uw Raad inzake oplichting. Uw Raad overweegt daarin dat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern gaat ‘om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen’ (rov. 2.3.2). In hoeverre ‘de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen’ speelt een rol bij de vraag of dat slachtoffer door het oplichtingsmiddel is ‘bewogen’ (rov. 2.4).
40. De steller van het middel wijst er vervolgens op dat is aangevoerd dat het verhaal van verdachte in essentie gewoon waar was, en dat het slachtoffer wist dat de verdachte van geleend geld leefde en dus a) wist dat het geld aan diverse doeleinden werd besteed en b) wist dan wel moest weten dat het geld pas terug zou komen als de procedure tegen de Staat succesvol werd afgerond. En dat voorts is aangevoerd dat de verdachte meermalen heeft willen uitleggen waarover de procedure ging, en dat het slachtoffer heeft nagelaten eigen onderzoek te doen, terwijl zij door haar omgeving werd gewaarschuwd om geen geld meer aan de verdachte uit te lenen. De steller van het middel wijst daarbij op de randnummers 3.25, 3.28 en 3.33 van het aanvullend pleidooi, alsmede de randnummers 3.13 e.v., 3.33 en 3.34 van het pleidooi.
41. De omstandigheid dat er daadwerkelijk een procedure van de verdachte tegen Defensie liep, doet er niet aan af dat het hof in de bewezenverklaarde gedragingen een samenweefsel van verdichtsels heeft kunnen zien. De onjuiste voorstelling van zaken werd (mede) in het leven geroepen doordat [slachtoffer] gevraagd werd om ‘geldbedragen te verschaffen om de noodzakelijke proces- en advocaatkosten te kunnen betalen’, niet door de mededeling dat er een procedure liep. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet evenmin af dat het slachtoffer wist dat de verdachte van geleend geld leefde, nu dat onverlet laat dat de geldbedragen waar de bewezenverklaring op ziet voor een ander doel werden gevraagd, en bij het slachtoffer de onjuiste voorstelling in het leven werd geroepen dat het voor een groot deel voor dat doel werd aangewend.
42. In een en ander ligt besloten dat ook de bereidheid van de verdachte om uit te leggen waar de procedure over ging en het nalaten van het slachtoffer om daarnaar onderzoek te doen, niet ter zake doen. De bewijsvoering berust niet op de aanname dat geen procedure gevoerd werd of dat de verdachte onwaarheid heeft gesproken over de inhoud van die procedure.
43. De steller van het middel voert voorts aan dat de (voortdurende) belofte dat het geld snel terug zou worden betaald niet is aan te merken als een samenweefsel van verdichtsels. Het zou eerder het omgekeerde zijn: op grond van die voortdurende belofte zou verwacht mogen worden dat het slachtoffer zou zijn gestopt met het uitlenen van geld.
44. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof in het doen van valse beloftes en toezeggingen aangaande de terugbetaling van de uitgeleende gelden een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels heeft kunnen zien. In samenhang met de gestelde ontwikkelingen in de procedure die de grond vormden voor de verzoeken om geldbedragen over te maken, vormden de beloften van spoedige terugbetaling een wezenlijk onderdeel van de gepresenteerde onjuiste voorstelling van zaken. Bij de bewijsvoering van het samenweefsel van verdichtsels doet, zo bleek, niet ter zake of de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen (en op te houden met geld overmaken).
45. De tweede deelklacht faalt.
46. De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het slachtoffer als gevolg van een samenweefsel van verdichtsels tot de afgifte van de geldbedragen is gekomen. De steller van het middel leidt uit de verklaringen van het slachtoffer af, zo begrijp ik, dat zij in essentie tot afgifte bewogen is door de belofte dat ze het geld snel terug zou krijgen.
47. Het hof heeft overwogen dat de verdachte ‘herhaaldelijk en indringend evident leugenachtige redenen aanvoerde waarom hij het geld nodig had en dat hij het geld snel nodig had’ en dat hij telkens druk uitoefende op [slachtoffer] ‘door haar voor te houden dat de terugbetaling niet plaats zou vinden als zij hem niet zou helpen met dit laatste bedrag’. Ook voerde hij volgens het hof ‘regelmatig emotionele druk op haar uit’. Door deze ‘opeenstapeling van leugens’ zag [slachtoffer] volgens het hof geen andere uitweg dan te betalen. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Daaraan doet niet af hetgeen de steller van het middel over de verklaringen van het slachtoffer aanvoert. Ik merk daarbij op dat in cassatie niet wordt aangevoerd dat en waarom de uitleg die het hof heeft gegeven aan de verklaring die [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd onbegrijpelijk zou zijn.
48. De derde deelklacht faalt.
49. De vierde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat geen sprake kan zijn van oplichting omdat het slachtoffer had moeten doorzien dat zij haar geld mogelijk niet (binnen de afgesproken of beloofde termijnen) terug zou krijgen en desondanks overging tot afgifte ervan.
50. Uw Raad heeft in de overzichtsarresten inzake oplichting onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’
51. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de persoonlijkheid van het slachtoffer mede bepaalt of (van ‘bewegen’ en daarmee) van oplichting sprake is. Ik heb eerder aarzelingen bij die benadering naar voren gebracht. Als de kwaliteiten van het slachtoffer een bepalende rol spelen bij de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid, kan dat tot een onderzoek naar de persoonlijkheid van het slachtoffer nopen, ‘tot en met een intelligentietest. Maar ook zonder dergelijk onderzoek kan een voor de vaststelling van aansprakelijkheid noodzakelijke inschatting van de kwaliteiten van het slachtoffer eenvoudig tot secundaire victimisatie leiden. Een veroordeling kan impliceren dat de verstandelijke vermogens van het slachtoffer niet erg hoog worden aangeslagen.’ Bemelmans en Hofstee hebben een andere uitleg voorgesteld: deze in het ‘bewegen’ ingelezen eis zou geen betrekking hebben ‘op de gedragingen van het slachtoffer maar op die van de dader. Het gaat hier om de kwaliteit en overtuigingskracht waarmee de oplichter te werk is gegaan’.
52. Recentelijk leidde deze eis tot cassatie in een arrest van 3 september 2024. In het bestreden arrest waren (onder meer) drie gevallen van oplichting bewezenverklaard. De verdachte had de aangeefsters telkens bewogen tot afgifte van één of meer mobiele telefoons en het aangaan van een schuld, te weten één of meer telefoonabonnementen. A-G Hofstee leidt in de conclusie die aan het arrest voorafgaat uit de vaststellingen van het hof af dat het samenweefsel van verdichtsels steeds inhield dat de betrokken aangeefster (veel) geld zou kunnen verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen door de verkoop van de verkregen telefoons en dat de verdachte iemand kende die de abonnementen uit het systeem kon verwijderen zodat de aangeefster er geen factuur van zou krijgen (randnummer 18). Dat laatste element is telkens (in andere bewoordingen) bewezenverklaard. A-G Hofstee leidt uit de bewijsoverwegingen af dat alle drie aangeefsters wel door hadden dat er iets niet klopte; uit de bewijsvoering volgt niet dat de persoonlijkheid van de vrouwen een rol van betekenis heeft gespeeld (randnummer 21). Hij meent dat het oordeel van het hof over het ‘bewegen tot’ onvoldoende is gemotiveerd. Uw Raad is van oordeel dat het middel slaagt en verwijst naar de conclusie.
53. Een belangrijk element in deze strafzaak en in een eerdere zaak waarin dit element in de interpretatie van ‘bewegen’ tot cassatie heeft geleid, is dat de slachtoffers is voorgespiegeld dat zij veel geld zouden kunnen verdienen. Dat element ontbreekt in de onderhavige zaak. [slachtoffer] is niet tot de afgifte van geldbedragen bewogen met de belofte dat zij meer terug zou krijgen dan zij aan verdachte betaalde en had betaald. Hebzucht was geen beweeg-reden.
54. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [slachtoffer] (mede) onder invloed van het in de bewezenverklaring weergegeven samenweefsel van verdichtsels tot afgifte van de geldbedragen is overgegaan. Wat de omstandigheden van het geval betreft, heeft het hof overwogen [slachtoffer] niet tot de afgifte van geldbedragen is bewogen ‘door een algemene belofte dat zij zou worden terugbetaald, maar door concrete en herhaalde leugens die door de verdachte op een zeer indringende manier aan haar werden verteld’. En dat de verdachte er ‘alles aan deed om de bij [slachtoffer] opkomende twijfels weg te nemen.’ Het hof acht voorts van belang dat de verdachte [slachtoffer] ‘doelbewust heeft afgesneden van hulp door familie of vrienden, door telkens aan te dringen op geheimhouding van de ‘leningen’.’ Het hof neemt wat de persoonlijkheid van [slachtoffer] betreft in aanmerking dat zij een alleenstaande weduwe op leeftijd was, die de (financiële) zaken tijdens haar huwelijk altijd had overgelaten aan haar echtgenoot. En dat zij ‘is omschreven als een enigszins naïeve vrouw, die graag mensen wilde helpen’.
55. Ik meen dat het hof aldus toereikend heeft gemotiveerd dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid [slachtoffer] geen aanleiding heeft moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, en toereikend heeft verhelderd waarom de persoonlijkheid van het slachtoffer eveneens bijdraagt aan de bewijsvoering van het ‘bewegen’.
56. De steller van het middel brengt tegen ’s hofs overweging in dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] wilde informeren maar zij het niet hoefde te weten, de reden die [slachtoffer] (naar ik begrijp, ter terechtzitting in hoger beroep) heeft gegeven voor het blijven uitlenen van het geld, en de omstandigheid dat het slachtoffer zelf ter terechtzitting in hoger beroep aangaf het op enig moment zelf ook niet meer helemaal te vertrouwen en om die reden telefoongesprekken is gaan opnemen en app-gesprekken is gaan bewaren. De steller van het middel wijst voorts op ‘alle waarschuwingen die het slachtoffer uit haar omgeving en van de politie ontving’. Het hof zou in het bijzonder in onvoldoende mate acht hebben geslagen op ‘ontlastend bewijs’; uit verklaringen van getuigen die in juni 2022 op de terechtzitting zijn gehoord leidt de steller van het middel af dat ‘het slachtoffer door diverse mensen in haar omgeving, waaronder de politie, was gewaarschuwd dat ze geen geld meer moest uitlenen aan’ de verdachte.
57. Deze bezwaren zien eraan voorbij dat het hof er niet van uitgaat dat bij het slachtoffer geen twijfels hebben bestaan over het waarheidsgehalte van de mededelingen van verdachte. Het hof spreekt over ‘concrete en herhaalde leugens’ die ‘op een zeer indringende manier’ werden verteld en over ‘het wegnemen van twijfels’. Dat bij het slachtoffer twijfels hebben bestaan, en dat deze zijn gevoed door contacten met derden, betekent evenwel nog niet dat de ‘in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, zodat haar de bescherming die de strafbaarstelling van oplichting biedt dient te worden ontzegd. Daar komt bij dat deze omstandigheid niets afdoet aan ’s hofs vaststellingen inzake de persoonlijkheid van het slachtoffer en de overtuigingskracht van de verdachte.
58. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op ontlastend bewijs merk ik nog op dat selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is. En dat in cassatie niet wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
59. Ook de vierde deelklacht faalt.
60. Daarmee faalt het middel
Bespreking van het derde middel
61. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een onderzoekswens ten onrechte dan wel, naar ik begrijp, op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Uit de toelichting blijkt dat het middel ziet op het verzoek een proces-verbaal te laten opmaken waarin wordt uiteengezet hoe de politie bij het Ministerie van Defensie eerst aan de informatie kwam dat er geen lopende procedures waren en later te horen kreeg dat die er toch wel waren.
62. De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2021, zo bleek, onderzoekswensen geformuleerd waarvan het noodzakelijk zou zijn dat zij ‘worden uitgevoerd alvorens de zaak verder inhoudelijk aan de orde kan komen’. Daartoe behoort een verzoek om een proces-verbaal op te maken dat antwoord geeft op een aantal vragen die zien op informatieverstrekking door Defensie (6.1.7 en 6.1.7.1). Ik teken daarbij aan dat de steller van het middel verwijst naar andere randnummers in de pleitnota.
63. Dit verzoek is in het tussenarrest van 17 februari 2021 door het hof afgewezen, in de kern omdat er ‘geen aanwijzingen (zijn) dat de politie van het ministerie van Defensie andere informatie heeft gekregen over de procedure met de verdachte dan is gerelateerd’. Nader onderzoek is volgens het hof niet noodzakelijk.
64. De steller van het middel meent dat deze afwijzing onbegrijpelijk is nu het verzochte proces-verbaal de vraag kan beantwoorden ‘in hoeverre (bijvoorbeeld) AMB-001 juist is opgemaakt’. Indien zou blijken ‘dat dit proces-verbaal en de daarmee gepaard gaande vorderingen onjuist of onvolledig zijn opgemaakt’ zou dat iets zeggen ‘over de vraag in hoeverre de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden’ en over de vraag of verdachte een eerlijk proces heeft gehad.
65. Uit een arrest van Uw Raad van 1 december 2020 kan worden afgeleid dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als processuele sanctie op een vormverzuim aangewezen kan zijn bij ‘een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd’.
66. In aanmerking genomen dat het verzoek ziet op informatieverstrekking door Defensie, dat de raadsman niet heeft aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat de politie de verkregen informatie incorrect heeft weergegeven, en dat niet wordt verhelderd waarom door deze informatieverstrekking het recht op een eerlijk proces gevaar zou hebben gelopen, meen ik dat het hof het verzoek op toereikende gronden heeft afgewezen.
67. Ten overvloede wijs ik erop dat (bij de bespreking van het eerste middel bleek dat) het hof in het bestreden arrest is ingegaan op het betoog dat sprake zou zijn van onherstelbare vormverzuimen. Dat betoog was onder meer gebaseerd op de stelling dat het onderzoek ten aanzien van lopende gerechtelijke procedures bij het Ministerie van Defensie onzorgvuldig is geweest, ‘omdat daarover een onjuist proces-verbaal is opgemaakt en er in het vervolg ten onrechte vanuit is gegaan dat de verdachte geen dienstverband had en dat er geen gerechtelijke procedures waren’. Het hof heeft in reactie op dit verweer aangegeven dat in het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2018 is gerelateerd ‘dat bij het Ministerie van Defensie geen informatie bekend was omtrent juridische procedures tussen de verdachte en Defensie’, en dat op die datum inderdaad ‘geen procedure aanhangig’ was. En dat er geen aanwijzingen zijn ‘dat de politie ervan op de hoogte is of had moeten zijn dat er nog andere procedures zouden komen’. Het hof heeft voorts overwogen ‘dat de onvolledigheid van de informatie in een vroeg stadium is hersteld’.
68. Het middel faalt.
Afronding
69. De drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld. Dat dient tot strafvermindering te leiden. Voorts vraagt de maximale duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel de aandacht. Het hof heeft de maximale duur bepaald op 365 dagen; nu de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2014 tot 16 juli 2018 kan de duur van de gijzeling evenwel maximaal 360 dagen bedragen. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
70. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, alsmede wat betreft het aantal dagen dat de gijzeling ten hoogste kan bedragen, tot vermindering van dat aantal tot 360, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG