ECLI:NL:PHR:2024:1376

ECLI:NL:PHR:2024:1376, Parket bij de Hoge Raad, 17-12-2024, 23/04570

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/04570
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:312
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Opruiing tot plegen geweld tegen minister-president in besloten telegramgroep. Middel klaagt over bewezenverklaring bestanddeel 'in het openbaar'. Oordeel hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd nu verdachte bericht heeft verzonden aan grote hoeveelheid voor hem betrekkelijk willekeurige derden. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep (81 RO).

Uitspraak

Nummer23/04570

Zitting 17 december 2024

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 13 november 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “in het openbaar, bij geschrift, tot enig strafbaar feit en tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, opruien” en onder 3 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 43 voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel gaat over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘in het openbaar’.

De zaak

4. De verdachte heeft in een Telegramgroep met de titel ‘[telegramgroep]’ een bericht geplaatst met de tekst “Mark Rutte moet ter door veroordeeld worden. Hij moet hartstikke dood gemaakt worden. Ophangen op het Buitenhof”. De ‘besloten’ Telegramgroep had op het moment van plaatsen ongeveer 560 leden. Eén van die leden heeft een screenshot van het bericht van de verdachte op Twitter (nu: ‘X’) geplaatst. Daarna is de verdachte vervolgd en veroordeeld wegens (onder meer) opruiing.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“1. hij op een tijdstip in de periode van 1 maart 2020 tot en met 24 oktober 2021 te ’s-Gravenhage, in het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit en gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door via het Telegram-account [account 1] een bericht in de Telegram-groep ‘[telegramgroep]’ te plaatsen met daarin de tekst:

- “Mark Rutte moet ter dood veroordeeld worden. Hij moet hartstikke dood gemaakt worden. Ophangen op het Buitenhof””

6. Het hof heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende bewijsmiddel gebezigd:

“3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 november 2021 van de politie, eenheid Den Haag met nr. PL1500-2021317421-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 8 e.v.):

Op 24 oktober 2021 werden diverse berichten aangetroffen op Twitter, geplaatst door de gebruiker van het Twitter-account @[account 2]. In deze tweet werden 2 screenshots geplaatst van diverse berichten, geplaatst op Telegram in de Telegram-groep "[telegramgroep]..." met op dat moment 560 leden.

Op voornoemde screenshots zijn twee berichten te zien die zijn geplaatst door de gebruiker van het Telegram-account "[verdachte]".

Bericht 1

“Mark Rutte moet ter dood veroordeeld worden. Je krijgt er toch godverdomme tranen van in je ogen dat dit niet meer kan door die vieze rat. Hij moet hartstikke dood gemaakt worden. Tribunaal voor die landverrader. Ophangen op het Buitenhof .

7. Het hof heeft de bewezenverklaring van het bestanddeel “in het openbaar” als volgt gemotiveerd:

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 1: Kan het delictsbestanddeel ‘in het openbaar’ worden bewezen?

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, omdat het door de verdachte plaatsen van berichten in een besloten Telegram-groep niet kan worden aangemerkt als het doen van de uitlatingen ‘in het openbaar’ .

Aan het verweer ligt de opvatting ten grondslag dat uitlatingen kunnen worden gedaan binnen een groep van personen die door een zodanige beslotenheid wordt gekenmerkt dat niet langer kan worden gezegd dat zij zijn gedaan ‘in het openbaar”, zoals die woorden zijn bedoeld in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). In haar algemeenheid onderschrijft het hof deze opvatting. De vraag wanneer een groep van personen door de zojuist bedoelde mate van beslotenheid wordt gekenmerkt laat zich echter niet in het algemeen beantwoorden. Die beoordeling zal van geval tot geval moeten plaatsvinden, waarbij betekenis kan toekomen aan de antwoorden op onder meer de volgende vragen:

Is het een groep die fysiek bijeenkomt (in de ‘analoge’ wereld) of is het een groep die zich heeft gevormd binnen een sociaal medium (of elders) op het internet?

Hoeveel leden telt de groep?

Door welk criterium (of door welke criteria) wordt de groep gedefinieerd?

Zijn er specifieke voorwaarden voor toetreding tot de groep? (Te denken valt aan ballotage en/of contributie en/of registratie.)

Hoe goed kennen de leden van de groep elkaar?

Welke verwachting van vertrouwelijkheid mogen de leden van de groep over en weer hebben?

In het onderhavige geval heeft de verdachte zijn uitlatingen gedaan binnen een groep van het sociale medium Telegram. De groep was genaamd ‘[telegramgroep]’. Ten tijde van het opsporingsonderzoek heeft de politie de mate van beslotenheid van deze groep niet kunnen vaststellen omdat de groep toen niet meer werd aangetroffen. Op basis van schermafbeeldingen die zich in het politiedossier bevinden is aangenomen dat de groep, toen de verdachte daarbinnen zijn uitlatingen deed, 560 leden telde. De ordegrootte van dit getal is door de verdediging niet betwist; de raadsman heeft in dit verband telkens gesproken van ‘ruim 500’.

Het hof begrijpt de kern van het verweer aldus dat de verdachte ervan is uitgegaan dat van personen die vrijwillig toetreden tot een groep die opereert onder de naam ‘[telegramgroep]’ gezegd kan worden dat zij gelijkgestemden zijn en dat de verdachte alleen al aan die gelijkgestemdheid een verwachting van vertrouwelijkheid mocht ontlenen. In zijn pleidooi heeft de raadsman dit als volgt onder woorden gebracht: “Deze besloten groep heeft een beperkt aantal leden (...). Cliënt kon niet verwachten of vermoeden dat er berichten uit die groep zouden worden ‘gestolen’, uit de context zouden worden gehaald en door anderen op internet geframed zouden worden.”

In het bijzonder het betrekkelijk grote gemak waarmee iemand tot de bewuste groep kon toetreden en het feit dat die groep ten tijde van de uitlatingen van de verdachte uit honderden leden - en daarmee niet uit "een beperkt aantal leden" – bestond, vormen omstandigheden die in de - weg staan aan het oordeel dat van een zodanige - beslotenheid sprake was dat niet meer kan worden toegekomen aan bewijs van het bestanddeel ‘in het openbaar’. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen beheerder was van de Telegramgroep en dat hij geen idee had wie de andere leden waren. Hij had er dus geen enkele invloed op wie in de groep zijn berichten te zien zouden krijgen en wat zij daarmee zouden doen. In het onderhavige geval, waarin de berichten van de verdachte in de bewuste groep zichtbaar waren voor een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden, die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over die berichten konden beschikken, was het - anders dan de raadsman heeft gesteld - voor de verdachte wel degelijk voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten dat een of meer van de door hem geplaatste berichten verder zouden worden verspreid, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd doordat derden schermafbeeldingen van de berichten van verdachte op Twitter hebben geplaatst.

Hoewel de bewezenverklaring hieromtrent geen misverstand laat bestaan, merkt het hof voor de duidelijkheid op dat het bovenstaande hierop neerkomt dat, naar zijn oordeel, het door de verdachte plaatsen van de berichten binnen de Telegram-groep reeds ‘in het openbaar’ geschiedde. Het is dus niet de - door derden bewerkstelligde – ‘overheveling’ van verdachtes berichten naar Twitter geweest die ervoor heeft gezorgd dat aan het 1 openbaarheidsvereiste was voldaan.

Het bovenstaande betekent dat het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

De toelichting op het middel

8. In de toelichting op het middel wordt niet onderbouwd waarom het oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte in het openbaar heeft plaatsgevonden, zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De toets in cassatie gaat daarom enkel over de begrijpelijkheid en de motivering van dat oordeel.

9. Ik begrijp het middel verder zo dat geklaagd wordt over de vaststelling van het hof dat de Telegramgroep 560 leden telde en het daarmee samenhangende oordeel dat de uitlating van de verdachte in het openbaar plaatsvond. Ook lees ik de klacht dat de verdachte geen opzet had op de verdere verspreiding van zijn bericht buiten de Telegramgroep.

Het beoordelingskader

10. Op grond van artikel 131 lid 1 Sr vindt opruiing plaats ‘in het openbaar’. De wetsgeschiedenis wijst uit dat het bij de invulling van dit bestanddeel niet zozeer gaat om (de toegankelijkheid van) de plaats waar de uitlating is gedaan, als wel om de omstandigheid dat deze in het publiek is gedaan. Dat betekent dat opruiing ook kan plaatsvinden op plaatsen die niet voor iedereen vrijelijk toegankelijk zijn. Denk daarbij aan plaatsen waar voorwaarden voor toegang gelden, zoals het betalen van entree. Verder is niet vereist dat opruiing plaatsvindt in de fysieke wereld. Dat kan net zo goed online. Centraal staat de vraag of de uitlating (potentieel) ter kennis van het publiek is gekomen. Wat daarbij de minimale omvang moet zijn van een groep mensen, wil dat als ‘publiek’ kunnen worden aangemerkt, is niet adequaat in getallen uit te drukken. Waar het om gaat is dat de uitlating door (willekeurige) derden kon worden geconsumeerd.

De bespreking van het middel

11. Het hof heeft geoordeeld dat de uitlating van de verdachte in het openbaar heeft plaatsgevonden. Aan dat oordeel legt het hof ten grondslag (1) dat de groep op het moment dat de verdachte het bericht plaatste 560 deelnemers telde, (2) dat mensen met betrekkelijk groot gemak tot de bewuste groep konden toetreden, (3) dat de verdachte geen beheerder was van de groep en (4) dat hij niet wist wie de andere leden waren.

12. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de 560 (of eigenlijk: 559) leden van de Telegramgroep niet persoonlijk kende en dat hij überhaupt niet op de hoogte was van wie zij waren. De verdachte heeft zijn bericht dus verzonden aan een grote hoeveelheid voor hem betrekkelijk willekeurige derden. Ik acht het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte zijn uitlating in het openbaar heeft gedaan niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.

13. Wat betreft de klacht over de vaststelling dat de groep 560 leden had, merk ik op dat de verdediging deze groepsomvang in hoger beroep niet heeft betwist (de raadsman spreekt zelf steeds van ‘ruim 500 leden’). Bovendien volgt dit aantal rechtstreeks uit bewijsmiddel 3.

14. Voor zover nog geklaagd wordt over het opzet van de verdachte op de verspreiding van zijn bericht buiten de Telegramgroep, faalt de klacht. Het hof heeft immers expliciet overwogen dat de bewezenverklaring van “in het openbaar” enkel betrekking heeft op het plaatsen van het bericht in de Telegramgroep en niet op de overheveling van dat bericht naar Twitter door een ander.

15. Het middel faalt.

Slotsom

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

17. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?