27. Is dit het originele beeldmateriaal?
De verbalisant heeft geen eerdere of andere versies van het materiaal gevonden op andere websites. Daar staat echter tegenover dat op dezelfde website wel vijf video's zijn aangetroffen die deels hetzelfde materiaal betreffen, maar onder andere afwijken omdat zij niet het logo hebben dat video 1 heeft. Video 1 betreft duidelijk een compilatie, waarbij onbekend is wat er aan beeldmateriaal is weggeknipt, waar het beeldmateriaal vandaan komt, en hoe de verschillende fragmenten zich tot elkaar verhouden. Dat geldt zelfs als we alleen op de beelden in de nacht focussen: zelfs van die beelden heeft de verbalisant niet kunnen vaststellen dat zij op dezelfde dag en plek zijn gemaakt. De beelden die voor het bewijs worden gewenst betreffen dan ook niet origineel beeldmateriaal, maar een bewerkte compilatie.
28. Wie is de uploader en wat is zijn motivatie?
[verdachte] wordt ook verdacht de uploader van de video te zijn, maar dat wordt definitief weersproken door het feit dat het e-mailadres dat bij het Youtube-account hoort ook gebruikt werd na de aanhouding van cliënt. Zelfs als de verklaring van [betrokkene 5] wordt geloofd dat cliënt hem de link heeft gestuurd bewijst dat hooguit dat cliënt wetenschap had van de video, niet dat hij ook betrokken was bij het uploaden daarvan. De opmerking van [betrokkene 5] dat hij denkt dat dit kanaal van cliënt is omdat het dezelfde achternaam heeft is naar zijn aard al speculatief en niet uit eigen wetenschap. Hij verduidelijkt dan ook dat hij de naam [naam 1] slechts van het kanaal kent. Evenmin is er enig bewijs dat één van de andere personen op de beelden de uploader is. De politie concludeert dan ook terecht dat niet vastgesteld is wie de uploader is.
29. Het account zelf heeft na 26 april 2015 niets meer geplaatst, had ten tijde van het politieonderzoek 15 filmpjes erop staan en had welgeteld 27 abonnees, wat op Youtube bijzonder weinig is. Het was ook geen mediakanaal van een organisatie. Al deze omstandigheden doen afbreuk aan de betrouwbaarheid van het materiaal: we weten niet wie het op internet geplaatst heeft, waar hij zit en wat hij als motieven heeft gehad om deze video te uploaden. Dat geldt bovendien ook allemaal voor de maker van de compilatie, waarvan we niet weten of dat dezelfde persoon als de uploader is en of hij of zij bij het incident betrokken was.
30. Wanneer en waar is het materiaal gemaakt?
Ook deze cruciale vragen zijn niet betrouwbaar te beantwoorden. De metadata van de video is niet beschikbaar, en uit de beelden is geen plaats- of tijdbepaling mogelijk middels geolocating of chronolocating. De politie houdt sterk vast aan het feit dat de video op Youtube als titel de slag bij al-Ghab heeft gekregen, in de video het logo van Ahrar al-Sham is gemonteerd en er enkele plaatsen genoemd worden waar tijdens de slag bij al-Ghab op 25 en 26 april 2015 zou zijn gevochten. Maar die omstandigheden bewijzen niet dat de beelden ook daadwerkelijk daarbij horen; hooguit dat de maker en/of uploader dacht of het wilde doen voorkomen dat deze beelden van die slag waren. De slag bij al-Ghab was één van de belangrijkste militaire veldslagen die heeft plaatsgevonden in Syrië en heeft geruime tijd geduurd; er zijn tal van redenen te bedenken waarom iemand beelden zou uploaden als zouden zij tijdens die slag hebben plaatsgevonden, ook als ze daar niet van zijn. Als we ervan uitgaan dat de uploader een supporter van Ahrar al-Sham of Liwa al Adiyat was kan hij zich hebben vergist, of hebben willen doen voorkomen dat deze groepen succes boekten voor support. Bovendien blijkt uit de bespreking van Leenders dat het goed mogelijk is dat (supporters van) Liwa al Adiyat wilden doen alsof het bij Ahrar al-Sham hoorde, maar dat Ahrar al-Sham dat anders zag. Dit zou een belangrijk motief kunnen zijn filmpjes uit te brengen alsof ze betrokken waren bij activiteiten van Ahrar al-Sham.
31. Het is bovendien in de eerste plaats aan de autoriteiten om voldoende betrouwbaar bewijsmateriaal voor de tenlastegelegde periode en plaats te leveren: dat staat ten aanzien van deze video simpelweg niet vast. Een contra-indicatie zit juist in het moment van uploaden: dat zou op dezelfde dag om 9:42:28 UTC zijn geweest als dat de beelden zouden zijn gemaakt. Ziyarah was immers op 25 april 2015 nog niet bevrijd. Nu het beelden van een actief strijdgebied voorstellen, die zijn geknipt, geplakt, en van een logo zijn voorzien, lijkt het moeilijk voorstelbaar dat dat allemaal op dezelfde dag zou plaatsvinden. Wel is het voorstelbaar dat iemand alvast een filmpje ter ere van de winst maakt, en daar andere beelden voor gebruikt.
32. Nu de plaats, tijd en datum van de beelden niet goed vast te stellen is, is er ook niets bekend over de context van deze beelden. Waarom zijn ze gemaakt? Op de beelden zelf is er wat discussie te horen over het filmen: kennelijk was dat een redelijk spontane keus en niet een vooropgezet plan. Het is ook niet duidelijk wat de relatie is tussen de personen die we zien rondlopen en de overledenen. Zo lijken er zowel personen in burgerkleding als meer militaire kleding te lopen. Zijn dit dorpsbewoners die na de strijd een kijkje zijn gaan nemen op het slagveld? Voor wie zijn de beelden bovendien gemaakt? Was het de bedoeling van de makers dat ze zouden worden gepubliceerd, of hadden ze een andere functie? Er lijkt ook meerdere keren een vergelijkbare introductie op de slachtoffers te worden gegeven: waren dit aparte video's die door de maker van video 1 achter elkaar zijn geplakt, of is het allemaal van één filmer afkomstig? In hoeverre de overdag gefilmde beelden en de beelden 's nachts met elkaar te maken hebben is evenmin duidelijk, maar ze kunnen wel invloed hebben op uw perceptie: er wordt immers de indruk van gevechten gewekt.
33. Tot slot is er nog één factor die hierbij relevant is, en dat is de kwaliteit van het materiaal. Die is ronduit slecht, zo wordt ook door de verbalisant en het NFI bevestigd. De resolutie en scherpte zijn slecht, de verhoudingen zijn veranderd en het geluid is van zeer slechte kwaliteit. Het zijn bovendien beelden 's nachts, in groen en zwarttinten. Dat beperkt enerzijds wat je kunt zien, en wekt anderzijds de indruk van geweld: dergelijke nachtkijkers associëren we met actiefilms en geweld. Bovendien kan de ondertiteling verstorend werken. Zo lijkt de tekst 'alawieten' door iemand anders dan man 1 te worden gezegd. En op minuut 3:03 staat in de ondertiteling 'verwijzend naar zijn kameraden'; dat is echter een interpretatie, wellicht verwijst hij wel naar de burgers van Ziyarah die ernaast en achter staan.
34. Wat zijn nu de risico's als u deze video wel voor het bewijs zou bezigen? Ten eerste dat de verdediging door het volstrekt gebrek aan kennis over context en achtergrond van deze video de mogelijkheid voor het nader onderbouwen van het onbetrouwbaarheidsverweer wordt ontnomen. Ten tweede dat u op basis van de bewerking van de video conclusies zou trekken over de inhoud van de video: dat u de daden op de video aan Ahrar al-Sham zou toeschrijven, hoewel dit niet uit de beelden zelf blijkt en we geen idee hebben welke motieven er zijn geweest de video te maken en te uploaden. Ten derde dat u onbewust de beelden verkeerd zou interpreteren: waarneming en waardering lopen door elkaar heen. Dat is bijvoorbeeld een risico bij de beoordeling van de ernst van wat er gebeurt: Personen komen mogelijk gevaarlijker over door de nachtkijkerkleur, het gebruik van vuurringen tussen de knipsels en de beschietingen overdag. De vervorming, duisternis en het knippen en plakken van verschillende fragmenten is kan eveneens bijdragen aan de beoordeling dat gedragingen ernstiger zijn dan ze waren.
35. Al met al wordt op geen enkele manier voldaan aan de maatstaf van de internationale tribunalen. Hoewel geen van de hiervoor besproken factoren een absoluut vereiste is, zal als een video op alle fronten te kort schiet moeten worden geconcludeerd dat die video onvoldoende betrouwbaar is voor het bewijs, zeker wanneer de video een decisive rol in de bewijsvoering zou spelen. Deze video moet dan ook uitgesloten worden van het bewijs. Vervolgens is er geen bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde oorlogsmisdrijf, en dient cliënt hiervan te worden vrijgesproken.
(…)
Onvoldoende bewijs cliënt in video 1
88. Mocht u onverhoopt van mening zijn dat er wel een oorlogsmisdrijf is gefilmd, dan zal nog moeten worden vastgesteld of cliënt ook de man 1 op de film is. Cliënt zelf heeft dit consequent ontkend.
89. Ik wees op het feit dat bij de tribunalen video-bewijs normaliter wordt geïntroduceerd door getuigen die bij het incident aanwezig waren. Dergelijke getuigen zijn er niet in deze zaak. De getuigen die hebben verklaard cliënt te hebben herkend waren niet aanwezig en kenden cliënt slechts kort. Hiervoor heb ik al uitvoerig over [betrokkene 5] gesproken. Met name het feit dat hij de huidskleur van deze groene man als herkenningspunt benoemt maakt zijn herkenning onbetrouwbaar, zelfs als u de verklaring niet volledig uitsluit. Datzelfde geldt voor de stemherkenning van [betrokkene 6] : hij twijfelt zelf al, heeft slechts één autorit met cliënt gedeeld en krijgt de leidende vraag: " , zou de hoofdpersoon in de video [verdachte] kunnen zijn?
90. Er zijn dan ook geen betrouwbare getuigenverklaringen die cliënt als man 1 in de video herkennen. Ik breng in herinnering dat u bij de regiezitting al heeft besloten het rapport van SCM niet voor de herkenning te gebruiken, nu de verdediging geen enkele manier heeft de anonieme verklaringen daarin te controleren. Het op 11 februari 2022 voorwaardelijke verzoek tot het horen van de in het rapport aangehaalde anonieme getuigen van het SCM wanneer u deze voor het bewijs gebruikt blijft gehandhaafd.
91. Ook de andere vergelijkingen bieden onvoldoende betrouwbaar bewijs. Daarbij is van belang dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat diverse familieleden van cliënt actief zijn geweest bij gewapende groeperingen als Ahrar al-Sham en het Vrije Syrische Leger (VSL). Cliënt heeft dit al ten tijde van de gezichtsvergelijking opgemerkt. [verdachte] wil geen concrete familieleden belasten, vanwege de risico’s in Syrië zelf en omdat hij niemand wil blootstellen aan een vervolging zoals hij zelf ondergaat. Dat cliënt geen concrete namen wil noemen valt onder zijn zwijgrecht. Dit ontslaat u echter niet van de verplichting bij de beoordeling van de bewijsmiddelen rekening te houden met de mogelijkheid dat de persoon in de beelden familie is van cliënt.
92. Dit is relevant, omdat de onafhankelijke deskundigen die een vergelijkend onderzoek hebben gedaan telkens als hypothese tegen elkaar zetten dat man 1 (I) cliënt is of (II) een volkomen onbekend iemand, niet zijnde familie, die wel op cliënt lijkt. Dan komen ze al tot buitengewoon zwakke vaststellingen, maar die worden nog verder verzwakt wanneer uitgegaan zou worden in de tweede hypothese van een familielid. Het NFI wijst daar expliciet op.
93. Het NFI is verzocht zowel de stem als het gezicht te vergelijken. Ten aanzien van de stem is het NFI tot de conclusie gekomen dat het materiaal van slechte kwaliteit is en zeer beperkt representatief voor de spreker. Daarbij wordt ook overwogen dat de video niet kan worden vergeleken omdat het hoogstwaarschijnlijk verschilt van het dialect wat cliënt bij de IND sprak. Dat is relevant nu de getuige [betrokkene 5] stelt de spreker aan zijn dialect te herkennen.
94. Er is door het NFI ook een gezichtsvergelijking uitgevoerd, waar cliënt vrijwillig aan heeft meegewerkt. Daarbij merken de onderzoekers op dat het beeldmateriaal van de video van matige kwaliteit en vervormd is. Er zijn geen sterk kwalificerende overeenkomsten aangetroffen en enkele verschillen. Uiteindelijk concludeert men dat het waarschijnlijker is dat het wel cliënt is dan dat het een niet-gerelateerde andere persoon is; in de ordegrootte van bewijskracht betekent dit dat de kans op het verkrijgen van de onderzoeksresultaten onder hypothese 1 een factor 10 groter is dan onder hypothese 2. Het zegt alleen nog niets over de kracht van die onderzoeksresultaten voor hypothese 1: ook als er maar een kans van 10 % is dat je deze onderzoeksresultaten zou krijgen als het cliënt is, wordt dat toch waarschijnlijker beoordeeld als de kans maar 1% is dat je deze onderzoeksresultaten zou krijgen bij een ander.
95. In Duitsland is aan de hand van foto’s in winter 2016 onderzoek gedaan. Ook toen werden overeenkomsten en afwijkingen aangetroffen, en toen was de conclusie dat er kon worden bevestigd noch kon worden uitgesloten dat man 1 cliënt is. Tot diezelfde conclusie kwam het LFSC.
96. Het NFI heeft ook ten aanzien van video 2 een vergelijking uitgevoerd, en daarbij gesteld dat het zeer veel waarschijnlijker is dat cliënt op die video staat dan een niet aan cliënt gerelateerd persoon. Opnieuw geldt echter dat de mogelijkheid van een familielid niet is meegenomen,
97. Een verbalisant heeft daarnaast gesteld dat de persoon in video 2 dezelfde persoon is als man 1 in video 1. Die vergelijking is echter niet betrouwbaar. Daarbij wordt ten eerste opgemerkt dat niet blijkt dat de verbalisant rekening heeft gehouden met de slechte kwaliteit van video 1: zo trekt hij conclusies over de lengte van de baard en hoe een borstzak zitten die net zo goed het gevolg kunnen zijn van de geconstateerde vervorming van het beeld en het feit dat video 1 zwart-groen is: daardoor is eigenlijk geen onderscheid te maken tussen schaduwen en zwarte haren of klittenband. Het vest en het wapen -en in mindere mate de baard en haardracht- zijn ten tweede niet voldoende onderscheidend; heel veel rebellen in Syrië lopen er zo bij. Tot slot heeft deze verbalisant geen duidelijke alternatieve hypothese, namelijk dat het iemand anders dan cliënt is die op hem lijkt, onderzocht.
98. Overigens kunnen ten aanzien van deze video 2 verschillende van de bedenkingen die ten aanzien van de eerste video zijn gemaakt worden herhaald. Ook hier is niet bekend geworden wie de uploader is, wat zijn motieven waren, en is evenmin aan de hand van de beelden vastgesteld waar en wanneer ze plaatsvonden. Maar als we ervan uitgaan dat deze beelden authentiek zijn, dan roept dat wel vragen op over de verhouding tot video 1 en de aannames die over die video worden gedaan. Waarom zou de man in beeld binnen enkele dagen zijn geswitched van groepering? Zelfs binnen coalitiegenoten is dat wel een hele snelle stap. En als er zou worden geloofd dat video 1 door één van de mensen in beeld was geüpload, waarom was dan niet ook video 2 op het kanaal [account 2] ? Eén en ander spreekt eerder tegen dat de persoon op video 1 en 2 dezelfde zijn dan dat deze stelling door onafhankelijk bewijs wordt ondersteund.
99. Er is dan ook onvoldoende bewijs dat cliënt man 1 op video 1 is. Ook om deze reden dient cliënt te worden vrijgesproken van het eerste feit op de tenlastelegging.”
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“8.3 Het videomateriaal
De YouTube video (video 1)
De Nederlandse politie heeft op 9 oktober 2019 een video veiliggesteld van de website YouTube en heeft vastgesteld dat die op 26 april 2015 is geplaatst door een gebruiker met de naam ‘ [account 2] ’. De titel van de. video is 'Ahrar Al-Sham - Liwa Al-Adiyat - slag om de Al-Ghab vlakte (Sahl al-Ghab)'. Deze video zal hierna - in lijn met het procesdossier - video 1 genoemd worden.
De video betreft een compilatie van verschillende aan elkaar gemonteerde beelden, waarop de verbalisant die de video uitkijkt het volgende ziet en bevindt.
In de eerste seconde is een scherm vullend logo te zien, dat verder in kleiner formaat in de rechterbovenhoek te zien is. Dit is het logo van Ahrar al-Sham met daaronder de toevoeging 'Liwa' al-Adiyat'. Eerst is te zien hoe de Adiyat-brigade van Ahrar al-Sham een MIG-straaljager beschiet. Vanaf minuut 2:01 bestaan de beelden uit groene en zwarte tinten, mogelijk gemaakt met de camera-instelling nachtvisie. Er zijn acht of meer mannen, deels gewapend en in gevechtskleding, in beeld te zien. Sommige van de mannen zingen en roepen leuzen. Ook liggen er drie of meer mannelijke lichamen op de grond. Deze zien er levenloos uit en zijn zeer zwaar gehavend.
Tussen minuut 2:00 en 2:13 zegt (een man, aangeduid als) man 1: "Allah is groter en glorie is voor Allah. Dit is spijtig in het dorp Al-Ziyarah. Deze zijn de karkassen van Al- Assad. Wij vroegen hen de vrede maar ze wilden niet. Dit is het einde van de Al-Shabiha. De honden. Allah is groter en de glorie is voor Allah."
Tussen minuut 2:17 en 2:24 zegt man 1, terwijl hij enthousiaste [sic] liederen zingt: "wij hebben de glorie “Ziyarah" en hebben wij de Gargat [opmerking tolk: dit is de plaats Qarqur in dialect gesproken] en Frecha [opmerking tolk: dit is de plaats Frikeh in dialect gesproken] omsingeld."
Tussen minuut 2:25 en 2:32 zegt man 1: "Allah is groter en glorie is voor Allah. Hier liggen de lichamen van doden van Al-Assad in dorp ‘Ziyarah’. Allah is groter en glorie is voor Allah. Hier liggen de Al- shabiha."
Tussen minuut 2:32 en 2:39 zegt man 1: "Dit is het einde van de honden. Wij zijn de leeuwen van onze heer Mohammed."
Tussen minuut 2:57 en 3:27 zegt man 1: "In de naam van God de barmhartige, de genadeloze. Allah is groter en de glorie voor Allah. Hier liggen de lichamen van doden van Al-Assad in dorp 'Ziyarah'.
Allah is groter en de glorie voor Allah, (verwijzend naar zijn kameraden) Zij zijn helden. De helden van 'Ziyarah '[niet hoorbaar]. Hier zijn de lichamen van de Al-shabiha Allah is groter en de glorie voor Allah."
Tussen minuut 3:27 en 3:50 zegt man 1: "In de naam van God de barmhartige, de genadeloze. Allah is groter en de glorie voor Allah. Hier zijn de shabiha van Al-Assad. Ze [lees: shabiha] werden gearresteerd tijdens hun terugkeer uit het dorp Al-Qatwiya [fonetisch] vlakbij plaats Al Mashik [fonetisch, niet-hoorbaar ] en werden gearresteerd en gedood. Zij zijn 7...7 karkassen.. Allah is groter en de glorie voor Allah. Allah is groter en de glorie voor Allah. Deze is één van de honden.” Een onbekende stem zegt: "Neem maar op... Neem maar op."
Tussen minuut 4:02 en 4:31 zegt man 1 onder meer: "en deze is één van de honden [zijn naam] [betrokkene 7] .’
Hierop vraagt een onbekende stem:
"Is hij Alawiet?"
Waarna door iemand wordt geantwoord:
"Ja drie Alawieten. "
Aan het dossier is in hoger beroep toegevoegd een van ondertiteling voorziene versie van video 1. Volgens de hierbij betrokken tolk is tussen 4:26 en 4:30 te horen dat er wordt gezegd: "De vlag van de Islam wordt gehesen bij de [sic] checkpoint Mashik".
Ter terechtzitting van het hof is video 1 afgespeeld. In minuut 2:46 is te zien dat een voet gezet wordt op het lichaam van een (kennelijk) dode man pp de grond. Op het moment 3:08 is te zien dat de man, hiervoor aangeduid als man 1, zijn linkerbeen richting een (kennelijk) dode man voor hem op de grond brengt en weer terughaalt. Niet te zien is wat hij met zijn voet bij de dode man doet omdat, dit net buiten beeld valt.
Deze man 1 is met een machinegeweer gewapend, en draagt een tactisch vest. Wanneer hij spreekt, spreekt hij regelmatig in de richting van de camera. De hiervoor weergegeven woorden tussen minuut 3:27 en 3:50 spreekt hij uit, terwijl hij zich tot de camera richt en wijst naar een op de grond liggend lichaam. Op de momenten 3:19 respectievelijk 3:20 is te zien dat twee personen spugen richting een op de grond liggend lichaam. Man 1 bevindt zich in de verschillende fragmenten steeds tussen andere mannen, die deels bewapend zijn en die zich steeds ophouden bij - naar het zich laat aanzien - andere gedode, op de grond liggende personen.
(…)
Het gebruik van video 1 voor het bewijs
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat video 1 als bewijs onvoldoende betrouwbaar is en daarvan uitgesloten moet worden. Zij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat onvoldoende bekend is over deze video, nu niet vast staat waar en wanneer die gemaakt is, van wie die afkomstig is en of het beeldmateriaal compleet is. De raadsvrouw heeft zich hierbij beroepen op de jurisprudentie van de internationale tribunalen.
Vooropgesteld zij dat voor de Nederlandse strafrechter bij de selectie en waardering van het bewijs steeds de regels van het Nederlandse bewijsrecht van toepassing zijn, ook als de strafzaak (mede) handelt om een strafbaar feit in de zin van de WIM.
Ten aanzien van bewijsmateriaal als het onderhavige (videomateriaal uit openbare bronnen) geldt in het algemeen dat bij de bewijswaardering de nodige behoedzaamheid geboden is.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat er aspecten van de video zijn, die niet bekend zijn geworden, zoals, de identiteit van de maker en uploader, en de precieze tijdstippen waarop de video is opgenomen. Het materiaal is visueel bovendien slecht van kwaliteit. Dit maakt echter niet dat het materiaal zelf onbetrouwbaar is.
Over deze video 1 is, naast wat hiervoor al is weergegeven, het volgende wèl bekend. De Nederlandse politie kreeg op 9 oktober 2019 een 'SIENA information exchange message’, dat (via Europol) door de contraterrorisme-eenheid van de Bundeskriminalamt in Duitsland werd verstuurd. Als bijlage werd een document bijgevoegd, waarin de YouTube-video met de url https://www.youtube.com/watch(...) werd gedeeld. De gebruiker met de naam [account 2] heeft als profielfoto een tijger. Van de video heeft de politie het unieke ID-nummer, de uploaddatum en uploadtijd vastgesteld (zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2019, LERFA19006-00013).
Bij nader proces-verbaal van bevindingen (d.d. 28 maart 2022, LERFA19006-160) heeft de verbalisant, die onderzoek heeft verricht aan de video, op vragen van de verdediging in hoger beroep het volgende gerelateerd.
Video 1 is ook bij Google gevorderd en verkregen. De video was - zoals vermeld - geplaatst door een gebruiker met de naam ' [account 2] ’, en werd bij nader onderzoek niet op enig andere plek aangetroffen dan op dit kanaal. De video is een compilatie van vijf verschillende video’s die alle - behoudens het logo, dat niet te zien is op de vijf afzonderlijke video's - tevens op het YouTube-kanaal ' [account 2] ' te vinden zijn.
Er is onderzoek gedaan naar de authenticiteit van deze video's; deze zijn niet op een andere plek op internet aangetroffen en er zijn geen andere of eerdere versies van de video's gevonden.
De video's zijn geüpload op of kort na de dag waarop de incidenten in Ziyara hebben plaatsgevonden, hetgeen volgens de verbalisant een indicatie is dat de geüploade video's origineel zijn.
In alle delen, die in het donker zijn gemaakt, wordt in video 1 gezegd dat ze in Ziyara zijn, of wordt aan die plaats gerefereerd, danwel aan Mashik en Frikeh, die net als Ziyara op de Al-Ghab vlakte liggen.
Hoewel er altijd rekening gehouden wordt met manipulatie van het beeldmateriaal was er in het geval van video 1 geen aanleiding om te vermoeden dat de video bewerkt is (het hof begrijpt: anders dan dat het een compilatie is, en het logo toegevoegd is), zoals bij 'false context' of 'manipulated content'. Op basis van de strijdgroepen, locaties uit de omschrijvingen en titels van de video’s en de uploaddata is onderzoek gedaan naar de locaties van de video's. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de genoemde strijdgroepen deel hebben genomen aan de slag om de Al-Ghab vlakte in dezelfde periode als waarin video 1 en 2 zijn geüpload. Hieruit kan worden afgeleid dat deze betrekking hebben op incidenten die eind april 2015 plaatsvonden tijdens de slag om de Al-Ghab vlakte.
Het hof is van oordeel dat de video voldoende betrouwbaar is. De wijze van veiligstellen is zorgvuldig geweest, en onderzoek heeft relevante uploadinformatie opgeleverd. Er is geen reden te veronderstellen dat de inhoud van de video is gemanipuleerd of gebeurtenissen in scene zijn gezet. De opmerking "film maar door" duidt eerder op enige spontaniteit, dus op het tegendeel.
Dat het een compilatie - en daarmee bewerking - is van verschillende andere video's doet daar niet aan af. Zowel de video zelf als de vijf video's, waaruit de fragmenten afkomstig waren, zijn niet elders of in andere vorm aangetroffen. De plaatsen die genoemd worden in de video zijn duidelijk in verband te brengen met gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan bij de slag om de Al-Ghab vlakte, waarbij Ahrar al-Sham een van de strijdende partijen was, en de brigade Liwa' al-Adiyat zich, presenteerde als onderdeel van Ahrar al-Sham. De strijdgroep en brigade zijn beide te zien in het logo.
Ook hetgeen op de beelden te zien en te horen is (bijvoorbeeld dat ze de glorie hebben, de doden zijn de shabiha van Al-Assad, Alawieten) past bij de slag om Al-Ghab, waarbij de rebellengroepen - zoals overwogen - overwinningen behaalden op het militaire regime in alawitische, pro-regime dorpen. De betekenis van de video is dan ook duidelijk: de overwinning op de strijders van het regime wordt getoond. De datum waarop de video is geüpload is - het hof is het eens met de verbalisant - een indicatie dat de geüploade video origineel is. Dat in de video niet genoeg visuele kenmerken te zien zijn om een exacte locatie te bepalen, en dat het precieze tijdstip van het maken niet bekend is, is onder deze omstandigheden van ondergeschikt belang.
Van belang is tenslotte dat de video niet op zichzelf staat. Deze is aan de Duitse politie getoond door de getuige [betrokkene 5] , die de link naar de video naar eigen zeggen van de verdachte heeft gekregen (zie proces-verbaal van bevindingen 27 mei 2020, LERFA19006-3, bijlage 1, p. 38 einddossier). Het hof zal hierna nog terugkomen op de verklaring van [betrokkene 5] ; op deze plaats is van belang dat de verklaring van deze getuige steun geeft aan de inhoud en herkomst van de video. Immers, [betrokkene 5] heeft verklaard dat de verdachte hem in januari 2016 een YouTube-link naar een video heeft gestuurd (toen nog van een kanaal genaamd [naam 1] ) op welke video de getuige zag dat er op mensen werd getrapt en gespuugd. De verdachte zei dat hij hem net zo om het leven zou brengen als ‘zij’ toen die mensen hadden gedood. De verdachte was volgens [betrokkene 5] betrokken geweest bij gevechtshandelingen in Hama (hof: de provincie waarin de Al-Ghab vlakte ligt), en had een broer, die verbonden was aan Ahrar al-Sham en overleden is (hetgeen de verdachte heeft bevestigd). Tenslotte heeft internetonderzoek uitgewezen dat het Facebookaccount van de vader van de verdachte beeldmateriaal behelst dat ook terug te vinden is op het YouTube kanaal [account 2] (zie proces-verbaal van bevindingen 18 december 2019 LERFA19006-00055, p. 450 en 460 einddossier).
Het hof is alles bij elkaar van oordeel dat video 1 betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het verweer wordt verworpen.
Video’s betrekking op Al-Ghab
Het hof stelt vast dat beide video's betrekking hebben op de Slag om Al-Ghab, die - zoals hiervoor vermeld - rond april 2015 plaatsvond. Het uitdrukkelijk aanhalen van deze slag in de titel dan wel het commentaar hierop wijzen hier onmiskenbaar op, en ook de in dit verband genoemde plaatsnamen alsmede de data waarop ze geüpload zijn (26 respectievelijk 30 april 2015) passen hierbij. Hierbij zij vermeld dat juist deze data ook passen bij hetgeen de Midden-Oosten-deskundige bij de politie heeft bevonden. Zij heeft onderzoek verricht naar de slag om Al-Ghab in combinatie met de plaats Ziyara, waarnaar in de video wordt verwezen. Daaruit is gebleken dat op 22 april 2015 Ahrar al-Sham en andere strijdgroepen een slag om de bevrijding van Sahl al-Ghab hebben aangekondigd. Op 25 april 2015 hebben Ahrar al-Sham en enkele andere strijdgroepen vijf dorpen en enkele checkpoints in het noordelijk deel van de Al-Ghab vlakte veroverd ten zuiden van de stad Jisr al-Sughr. Op 25 en 26 april 2015 zijn via Twitter berichten verspreid waaruit blijkt dat ‘de commandant van Liwa' al-Adiyat in de beweging Ahrar al-Sham' Abu Qasim (ook wel Zafer Khataab genoemd), gewond is geraakt bij de slag om Sahl al-Ghab. Uit een video van de televisiezender Al-Jazeera die is geüpload op 27 april 2015, blijkt dat de plaats Al-Ziyara, gelegen in het betreffende, gebied, is veroverd op het regime.
Is de verdachte te zien op video 1?
Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat de verdachte te zien is op video 1. Hij loopt te midden van andere mannen bij lichamen van gesneuvelde strijders en maakt hen uit voor honden en de karkassen van Al-Assad. De verdachte heeft ontkend op de video te staan. Hij heeft verklaard dat het gebied waar hij woonde de Al-Ghab vlakte was, maar dat hij zich ten tijde van de slag om Al-Ghab in Turkije bevond.
Het vergelijkend onderzoek naar een persoon in video 1 door het NFI
Het hof overweegt dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een vergelijkend onderzoek heeft gedaan naar het gezicht van een persoon (hierna ook: man 1) die te zien is op video 1 en met een been een beweging maakt in de richting van een lichaam van een overleden persoon en vergelijkingsopnamen (foto's) die van de verdachte zijn gemaakt. De conclusie van het NFI -onder de aanname dat geen naaste bloedverwant in aanmerking komt als de verdachte - luidt als volgt:
"De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker als de persoon afgebeeld in de betwiste beelden wel dezelfde is als de persoon op de aangeleverde foto's dan wanneer het iemand anders met vergelijkbare algemene gezichtskenmerken betreft.”
Het hof stelt voorop dat de lichte graad van waarschijnlijkheid in de rapportage van het NFI - de ordegrootte van de bewijskracht is 10 tot 100 - op zichzelf weinig bewijswaarde heeft. Van een bewijsconstructie in haar geheel hangt echter af of het verantwoord is om de bewezenverklaring (mede) op een dergelijke herkenning te baseren. In dat verband overweegt het hof het volgende.
De verklaringen van de getuige [betrokkene 5]
Op 21 januari 2016 is de getuige [betrokkene 5] verhoord door de Duitse politie. Hij heeft verklaard enkele maanden daarvoor tezamen met de verdachte te hebben verbleven in een asielzoekerscentrum in Duitsland. De verdachte heeft erkend dat hij met [betrokkene 5] in Duitsland in een asielzoekerscentrum heeft gezeten. Volgens [betrokkene 5] deelden hij en de verdachte daar (met anderen) meerdere weken een kamer. Nadat zij ruzie hadden gekregen over religie, heeft de verdachte een video aan [betrokkene 5] laten zien. De verdachte zei tegen [betrokkene 5] dat hij hem net zo om het leven zou brengen als zij (hof: de verdachte en zijn medestrijders) toentertijd die mensen hadden gedood. De verdachte was volgens [betrokkene 5] betrokken geweest bij gevechtshandelingen in Hama en hij zei dat hij in Syrië al veel mensen had afgeslacht. Tijdens het verhoor heeft de politie [betrokkene 5] met de door hem genoemde video geconfronteerd. Daarop verklaarde [betrokkene 5] dat hij de verdachte in de video door zijn taalgebruik en manier van gebaren voor 100% herkende. De verdachte gebruikte WhatsApp op het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op het WhatsApp-account is - aldus nog steeds [betrokkene 5] - de foto van verdachtes overleden broer te zien.
De Nederlandse politie heeft [betrokkene 5] op 11 december 2019 verhoord. [betrokkene 5] heeft toen verklaard dat de verdachte hem in januari 2016 vanaf een telefoonnummer dat begint met +90 - de landcode van Turkije - de YouTube-link met de video had toegestuurd. Dit YouTube kanaal genaamd [account 2] is van de verdachte want zijn achternaam ' [account 2] ' staat erbij. Eerder heette dit kanaal [naam 1] . [betrokkene 5] verklaarde verder dat hij de verdachte in de video herkent aan zijn stem, de wijze waarop hij zijn Arabisch uitspreekt. Hij heeft een tongval uit Hama. Het is hetzelfde gezicht. Hij is degene die zingt. Hij is de commandant. Verdachtes broer was de oprichter van Ahrar al-Sham. Hij is gedood tijdens een bijeenkomst van de leiders. Tenslotte verklaarde [betrokkene 5] dat de verdachte de bijnaam [bijnaam] had. Zo noemde hij zichzelf.
[betrokkene 5] is bij de Nederlandse rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat de verdachte - die ook [bijnaam] werd genoemd - hem in januari 2016 vanuit Turkije via WhatsApp de link heeft gestuurd naar de YouTube video. Je ziet iemand op mensen trappen. [betrokkene 5] herkende de verdachte in de video aan zijn stem en gezicht. In de video zegt de verdachte: kijk naar deze honden die liggen op de grond. De verdachte zei daarnaast in een aan de getuige gestuurd stembericht: kijk wat wij met de mensen deden. Hij zei daarin ook dat hij 'emir' (leider) van de beweging Liwa’ Al-Adiat was. Ook vertelde hij in de twee stemberichten vanuit Turkije via WhatsApp dat zijn broer [betrokkene 1] Naser [verdachte] de oprichter is van Ahrar al-Sham.
Het twitteraccount @ [account 1]
De politie heeft onderzoek gedaan naar de verklaring van [betrokkene 5] en met name de social media kanalen met de aan de verdachte toegeschreven bijnaam [bijnaam] . Daarbij is in de eerste plaats onderzoek gedaan naar het Twitter-account @ [account 1] . Als profielfoto is een afbeelding van de broer van de verdachte genaamd [betrokkene 1] ingesteld. De verdachte heeft een overleden broer met die naam, die een bekende militaire leider was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat zijn broer in september 2014 is omgekomen. Uit openbare bronnen blijkt dat op 9 september 2014 belangrijke leiders van Ahrar al-Sham bij een bomaanslag in Idlib zijn omgekomen. Een op 26 september 2015 door @ [account 1] geplaatste tweet liet een foto zien van drie grafstenen. Op een ervan staat: ‘Islammartelaar, met Allah's permissie, [betrokkene 1] , moge Allah hem genadig zijn. Hij stierf de martelaarsdood op 9-9-2014. Het overlijden van ‘de heldhaftige martelaar [betrokkene 1] ’ wordt in een tweet van @ [account 1] van 11 januari 2016 betreurd. Daarbij is een foto van [betrokkene 1] gepost of geretweet. @ [account 1] noemt [betrokkene 1] zijn 'dierbare broer'. Een en ander in onderling verband beschouwd komt het hof tot het oordeel dat de verdachte de beheerder is van het twitteraccount @ [account 1] .
Tussenconclusie
Het hof acht deze vaststelling van belang in verband met het aan @ [account 1] gekoppelde telefoonnummer. De politie heeft de gebruikersgegevens van het twitteraccount @ [account 1] gevorderd bij het mediaplatform Twitter. Uit de verstrekte gegevens is gebleken dat bij het aanmaken op 20 mei 2015 - voordat de verdachte en [betrokkene 5] elkaar voor het eerst ontmoetten - van het twitteraccount @ [account 1] het telefoonnummer + [telefoonnummer] (hierna ook wel: het Turkse telefoonnummer) is gekoppeld. Daarin vindt het hof voldoende aanwijzing om te concluderen dat de verdachte in januari 2016 dit telefoonnummer gebruikte. Die vaststelling versterkt de bewijskracht van de verklaring van [betrokkene 5] , die dit telefoonnummer al in zijn verhoor van 21 januari 2016 noemde als het WhatsAppnummer via welk hij de YouTube link naar video 1 en de spraakberichten van de verdachte had ontvangen.
Het vergelijkend onderzoek naar een persoon in video 2 door het NFI
Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte in video 1 is te zien, slaat het hof tevens acht op video 2. Het NFI heeft onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of de in video 2 genoemde persoon D die naast de gevangengenomen man staat, dezelfde persoon is als de persoon waarvan het NFI de vergelijkingsopnamen (foto's) heeft gemaakt. De conclusie van het NFI - onder de aanname, dat geen naaste bloedverwant in aanmerking komt als verdachte - luidt dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de persoon afgebeeld in de betwiste beelden de verdachte is, dan wanneer de persoon afgebeeld in de betwiste beelden iemand anders is dan de verdachte, maar wel vergelijkbare algemene gezichtskenmerken heeft.
Het hof wijst er verder op dat video 1 is geüpload op 26 april 2015 en video 2 is geüpload op 30 april 2015. Hiervoor is reeds vastgesteld dat video 1 betrekking heeft op de slag om Al-Ghab. Uit het moment van uploaden en de overeenkomsten in de genoemde plaatsen in beide video's leidt het hof af dat ook video 2 betrekking heeft op de slag om Al-Ghab in april 2015.
Verder wijst het hof op de overeenkomsten in de genoemde locaties in beide video's.
- In beide video’s wordt gerefereerd aan de ‘strijd om de Al-Ghab vlakte te bevrijden’ of ‘de slag om de Al-Ghab vlakte’;
- In beide video’s wordt gerefereerd aan de plaats Al-Ziyara. In video 2 zou de persoon die is gevangengenomen volgens persoon A zijn gevlucht na de ‘veldslagen die plaatsvonden in de regio van Al-Ghab vlakte, specifiek in de stad Al Ziyarah’. In video 1 lijken de personen die tegen de camera spreken te zeggen dat ze op dat moment in Ziyara zijn: “Hier liggen de lichamen van doden van al-Assad in dorp ‘Ziyarah’.”;
- In beide video’s wordt gerefereerd aan het plaatsje Mashik. In video 2 wordt het genoemd door de gevangene als de plaats waar hij diende. In video 1 wordt het genoemd als de plaats waar de zeven gedode personen vlakbij werden gearresteerd: “Hier zijn de shabiha van Al-Assad. Ze werden gearresteerd tijdens hun terugkeer uit dorp Al-Qatwiya (fonetisch) vlakbij plaats Al-Mashik (fonetisch) en werden gearresteerd en gedood.”.
Tenslotte stelt het hof vast dat het zogeheten ops vest van man 1 (video 1) en persoon D (video 2) sterke gelijkenissen vertonen. Hetzelfde geldt voor het vuurwapen dat de mannen dragen.
Tussenconclusie
Het hof is van oordeel dat de verdachte als persoon D te zien is in video 2. Deze vaststelling versterkt de bewijskracht van de bovenvermelde conclusie van het NFI over video 1 gelet op de overeenkomsten tussen beide video's op andere gebieden (genoemde plaatsen, ops vest, vuurwapen en data uploaden).
Betrouwbaarheid verklaring [betrokkene 5]
Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de getuige [betrokkene 5] niet in ieder verhoor hetzelfde heeft verklaard. De hoofdlijn van zijn verklaring is echter consistent. Die luidt dat hij een video heeft bekeken die afkomstig was van de verdachte en dat hij de verdachte daarop herkende. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen over het Turkse telefoonnummer van de verdachte, de bevindingen van het NFI ten aanzien van de beide video's en de bevindingen op grond van openbare bronnen acht het hof de verklaringen van [betrokkene 5] bruikbaar voor het bewijs. Het hof verwerpt het verweer dat de verklaring van [betrokkene 5] van het bewijs moet worden uitgesloten.
Ten overvloede over de verklaring van de verdachte
Het hof tekent ten overvloede nog aan dat de verklaringen van de verdachte over het Turkse telefoonnummer weinig geloofwaardig overkomen. Zo heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg over dit telefoonnummer slechts verklaard dat dit niet van hem is en dat de Duitse politie dit had moeten uitzoeken. Hoe [betrokkene 5] aan dit nummer komt, moet de verdachte niet worden gevraagd. De verdachte had in Duitsland een Syrisch telefoonnummer. Ook heeft hij - gevraagd naar een op social media geplaatste foto waarop de verdachte te zien lijkt te zijn - verklaard dat hij een familielid heeft dat op hem lijkt en [bijnaam] wordt genoemd. Dat familielid heeft volgens de verdachte ook op precies dezelfde plek als de verdachte een moedervlek en is ook in video 2 naast de gevangene te zien. Hij wilde verder niet praten over familie. In zijn politieverhoren heeft hij er niet over verklaard. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het Turkse telefoonnummer aan een familielid in Turkije toebehoorde. De verdachte heeft dit telefoonnummer aan [betrokkene 5] gegeven. Over dit familielid, dat [bijnaam] werd genoemd, wilde hij verder niet verklaren.
Het hof acht het weinig aannemelijk dat de verdachte - hoog opgeleid en welbespraakt - laatstgenoemde verklaring over het Turkse telefoonnummer in eerste aanleg achterwege zou laten en pas in hoger beroep zou geven indien deze de werkelijke gang van zaken met betrekking tot dit telefoonnummer zou weergeven. Een persoonsverwisseling van degene aan wie het Turkse telefoonnummer behoorde met de verdachte die het slechts aan [betrokkene 5] heeft gegeven zou toch in politieverhoren en ter terechtzitting in eerste aanleg zeer het vermelden waard zijn geweest. De verdachte lijkt het Turkse telefoonnummer pas na de terechtzitting en de veroordeling in eerste aanleg aan het onbekende, maar volgens hem zeer op de verdachte lijkende en in Turkije verblijvende, familielid [bijnaam] te hebben toegeschreven. Het staat de verdachte vrij dit te doen, maar het draagt niet bij aan de aannemelijkheid van een alternatief scenario.
Conclusie
De door de raadsvrouw gesignaleerde inconsistenties in de verschillende in de loop der jaren afgelegde verklaringen van [betrokkene 5] leggen hiertegenover (te) weinig gewicht in de schaal. Het hof concludeert dat de verdachte als man 1 op video 1 is te zien. Hij is de man die hoofdzakelijk het woord voert, de overleden strijders honden en karkassen noemt en zijn voet richting een lichaam brengt. Het alternatieve scenario van de verdediging, inhoudende dat de getuige [betrokkene 5] op andere wijze kennis heeft genomen van de video, heeft bedacht dat de persoon erin wellicht op de verdachte lijkt en vervolgens de verdachte heeft aangewezen als degene die hem de video heeft verstuurd, is gelet op het bovenstaande niet aannemelijk geworden.
(…)
10. Overweging ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft betwist dat de verdachte behoorde tot Ahrar al-Sham, en het terroristisch oogmerk van deze organisatie bestreden. Verder heeft zij aangevoerd dat de verdachte geen ondersteunende gedragingen heeft verricht, en in elk geval geen opzet heeft gehad deel te nemen aan een terroristische organisatie.
Het hof zal in het hiernavolgende eerst het terroristisch oogmerk bespreken, daarna beoordelen of de verdachte daaraan heeft deelgenomen en sprake is van ondersteunende gedragingen door de verdachte, en tenslotte ingaan op het vereiste opzet.
(…)
Deelname en ondersteunende gedragingen
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet (in elk geval niet na november 2015) heeft behoord tot het samenwerkingsverband en geen deelnemingshandelingen heeft verricht.
Juridisch kader
Van deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan, of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor deelneming is tenslotte voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Beoordeling door het hof
Deelnemingshandelingen
In de eerder besproken video 1, afkomstig van Liwa’ al-Adiyat als onderdeel van Ahrar al-Sham, deed de verdachte, kijkend in de lens, gewapend en in uniform, verslag van de laatste veroveringen in de slag om Al-Ghab. Hij deed dat in sterk religieus getinte bewoordingen. De lijken op de grond betroffen de "honden van Assad”, door "de leeuwen van onze heer Mohammed” gearresteerd en daarna gedood. Er werd door de verdachte en de anderen die aan het woord zijn in de video . neerbuigend gedaan over de doodgeschoten tegenstanders, en hun alawitische afkomst is hierbij kennelijk een belangrijk gegeven.
Het actief meestrijden met Ahrar al-Sham alsmede de gedragingen die op deze video's zijn waar te nemen, houden rechtstreeks verband met de verwezenlijking van het oogmerk van Ahrar al-Sham, zoals dat hiervoor is weergegeven. De slag om Al-Ghab werd immers gevoerd tegen het regime van Al-Assad, welk regime Ahrar al-Sham wilde omverwerpen. Daarnaast geeft de video, gelet op de daarin gebruikte bewoordingen voor de slachtoffers (honden en karkassen, drie alawieten), blijk van sektarisch gemotiveerd geweld.
Feitelijk heeft de verdachte zich aldus beschikbaar gesteld voor en ook daadwerkelijk een bijdrage geleverd aan de gewapende strijd. De verdachte vond kennelijk ook zelf dat hij in deze strijd een belangrijke rol heeft vervuld, mede gelet op de rol van emir die hij zichzelf toedichtte. Door zich op de wijze als te zien in de video's te laten filmen, heeft de verdachte bovendien bijgedragen aan het verspreiden van het terroristisch gedachtengoed van de organisatie, en de promotie daarvan. Hetzelfde geldt voor zijn twittergedrag op social media.
Wetenschap terroristisch oogmerk
De verdachte wist in zijn algemeenheid dat deze organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Het is een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van het tenlastegelegde, maar ook al vóór die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden, waarbij de in Syrië woonachtige bevolking werd geterroriseerd. Zeker als strijder moet de verdachte, die bovendien goed ingevoerd was op social media, hiervan hebben geweten. Zijn opmerking in het spraakbericht aan [betrokkene 5] in relatie tot video 1 (kijk wat wij met de mensen deden) is illustratief. Het hiervoor beschreven twittergedrag toont niet alleen dat de verdachte de organisatie een warm hart toedroeg, maar ook dat hij in de bewezenverklaarde periode goed op de hoogte was van de organisatie, haar leden, en de samenwerkingsverbanden.
Als de vraag of Ahrar al-Sham in die tijd niet als terroristische organisatie was opgenomen op internationale sanctielijsten - waarvoor overigens andere criteria gelden - en de vraag of de verdachte meende dat het zich (tevens) richtte tegen een abject regime bevestigend beantwoord zouden moeten worden - het hof laat het antwoord hier in het midden - legt dat onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het hiervoor overwogene.”
Het eerste namen de verdachte voorgestelde middel
Het middel bevat de klacht dat het hof de verwerping van het verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs van de van YouTube afkomstige video (‘video 1’), mede in het licht van hetgeen door de verdediging ten aanzien van die video is aangevoerd, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Ik herhaal dat bij de beoordeling van het middel voorop kan worden gesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv brengt wel mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zover dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
Hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Het gaat hier immers om een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. In de kern komt het verweer erop neer dat de YouTube video (video 1) onbruikbaar is voor het bewijs omdat (i) het geen origineel beeldmateriaal betreft maar een bewerkte compilatie, (ii) dat de verdachte niet de uploader van de video kan zijn geweest en dat onbekend is wie de video heeft geplaatst en wat zijn motieven waren en (iii) dat niet kan worden vastgesteld wanneer en waar het (video)materiaal is gemaakt.
Het hof heeft dit verweer onder ogen gezien en gemotiveerd waarom het van oordeel is dat video 1 betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het hof heeft in dat verband allereerst opgemerkt dat bij bewijsmateriaal als het onderhavige, videomateriaal uit openbare bronnen, in het algemeen bij de bewijswaardering de nodige behoedzaamheid geboden is. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat sommige aspecten van de video, zoals de identiteit van de maker en uploader, en de precieze tijdstippen waarop de video is opgenomen niet bekend zijn geworden. Dat maakt naar het oordeel van het hof het materiaal zelf niet onbetrouwbaar.
Het hof heeft vervolgens uiteengezet wat wél bekend is over de video. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat de politie het unieke ID-nummer, de uploaddatum en uploadtijd van de video heeft kunnen vaststellen, dat de video is geplaatst door een gebruiker met de naam ‘ [account 2] ’ en dat de video en de vijf afzonderlijke video’s waaruit video 1 bestaat allen op dit kanaal en niet op enig andere plek werd aangetroffen. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de betekenis van de video duidelijk is, namelijk de overwinning op de strijders van het regime wordt getoond.
Het hof heeft daarnaast gemotiveerd waarom het van oordeel is dat video 1 origineel is. In dat verband heeft het hof erop gewezen dat de video’s niet op een andere plek op internet zijn aangetroffen en dat er geen andere of eerdere versies van de video's zijn gevonden. Het hof heeft daarnaast bij zijn oordeel betrokken dat de video’s op of kort na de dag waarop de incidenten in Ziyara hebben plaatsgevonden een indicatie is dat dat geüploade video’s origineel zijn en dat de plaatsen die genoemd worden in de video duidelijk in verband te brengen zijn met gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan bij de slag om de Al-Ghab vlakte, waarbij Ahrar al-Sham een van de strijdende partijen was en de brigade Liwa' al-Adiyat zich presenteerde als onderdeel van Ahrar al-Sham. Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat op basis van onderzoek kan worden gesteld dat de genoemde strijdgroepen deel hebben genomen aan de slag om de Al-Ghab vlakte in dezelfde periode als waarin video 1 en 2 zijn geüpload. En dat hieruit kan worden afgeleid dat deze betrekking hebben op incidenten die eind april 2015 plaatsvonden tijdens de slag om de Al-Ghab vlakte. Het hof heeft tot slot nog overwogen dat de video niet op zichzelf staat: getuige [betrokkene 5] heeft de link naar de video naar eigen zeggen van de verdachte gekregen.
In de toelichting op het middel aangevoerd dat “de maker van video 1 (…) door het knippen en plakken van afzonderlijke videofragmenten, het hof succesvol [heeft] gemanipuleerd en naar bepaalde conclusies geleid over video 1 als geheel, terwijl ieder origineel fragment op zichzelf, diezelfde conclusies niet kon dragen”. Begrijp ik het goed, dan gaat het de stellers van het middel om de conclusie van het hof dat video 1 beelden bevat van de gebeurtenissen rond de slag om Al-Ghab.
Ik volg de stellers van het middel hierin niet. Het hof heeft van de afzonderlijke fragmenten vastgesteld dat het gaat om beelden die betrekking hebben op de slag om Al-Ghab. Het hof heeft immers overwogen dat in alle delen wordt gezegd dat ze in Ziyara zijn of wordt aan die plaats gerefereerd, dan wel aan Mashik en Frikeh, die net als Ziyara op de Al-Ghab vlakte liggen. Deze klacht faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Ook de klacht dat het hof zich er geen rekenschap van zou hebben gegeven dat aan video 1 logo’s van Ahrar Al-Sham en Liwa’ al-Adiyat zijn toegevoegd, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers geoordeeld dat in het geval van video 1 geen aanleiding is om te vermoeden dat de video bewerkt is, anders dan dat het compilatie is en dat het logo is toegevoegd. Dat het hof niet expliciet heeft gereageerd op het argument van de verdediging dat die logo’s mogelijk zijn toegevoegd om de kijker van video 1 te doen geloven dat de beelden die daarop te zien zijn van de slag om Al-Ghab waren, maakt dat niet anders. In dat verband wijs ik erop dat het hof enerzijds niet is gehouden om op ieder detail van de argumentatie in te gaan en anderzijds dat het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van mening is dat deze beelden geen ‘false context’ of ‘manipulated context’ bevatten. Ik merk tot slot nog op dat het toevoegen van een logo niet betekent dat daarmee de verdere inhoud van een video onbetrouwbaar of onjuist is.
Tot slot richten de stellers van het middel hun pijlen nog op de overweging van het hof dat de video niet op zichzelf staat, maar dat getuige [betrokkene 5] de link naar de video naar eigen zeggen van de verdachte heeft gekregen. Het hof heeft geoordeeld dat de getuige [betrokkene 5] niet in ieder verhoor hetzelfde heeft verklaard, maar dat de hoofdlijn van zijn verklaring consistent is, namelijk dat hij een video heeft bekeken die afkomstig was van de verdachte en dat hij de verdachte daarop herkende. Het hof heeft ter onderbouwing van de bruikbaarheid van de verklaring van [betrokkene 5] gewezen op hetgeen het hof heeft overwogen over het Turkse telefoonnummer van de verdachte, de bevindingen van het NFI ten aanzien van video 1 en video 2 en de bevindingen op grond van openbare bronnen. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘De verklaringen van de getuige [betrokkene 5] ’ de verschillende verklaringen van de getuige [betrokkene 5] uiteengezet. Uit die weergave door het hof volgt dat het hof, anders dan de stellers van het middel kennelijke menen, onder ogen heeft gezien dat de getuige wisselend heeft verklaard over hoe hij de video onder ogen heeft gekregen.
Aangevoerd wordt voorts dat het hof uitgaat van de feitelijke misvatting dat getuige [betrokkene 5] al in januari 2016 verklaarde dat verzoeker hem via Whatsapp een link had gestuurd naar de video. De overweging van het hof waar de stellers van het middel het oog op hebben, laat zich echter ook anders lezen, namelijk dat de getuige reeds in dat verhoor het (Turkse) telefoonnummer noemt en dat hij (in een latere verklaring) aangeeft dat hij via dat telefoonnummer de link naar video van de verdachte heeft ontvangen. In zoverre faalt deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Al met al heeft het hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen onder 5.5 is overwogen behoefde het hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman voor het overige en met betrekking tot de YouTube video (video 1) is aangevoerd.
Het middel faalt.
Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte als “man 1” te zien is op video 1 niet uit de inhoud van de bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat dit oordeel, mede in het licht van hetgeen door de verdediging daarover is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. De stellers van het middel voeren voorts aan dat de verwerping door het hof van het alternatief scenario dat een familielid van verzoeker te zien is op de beelden onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd.
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat het hof “een sterke bewijskracht” toekent aan de verklaring van de getuige [betrokkene 5] . Het hof heeft in het bestreden arrest gemotiveerd waarom het, ondanks dat [betrokkene 5] niet in ieder verhoor hetzelfde heeft verklaard, zijn verklaring bruikbaar heeft geacht. De stellers van het middel herhalen vooral wat reeds in hoger beroep is aangevoerd over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 5] en geven verder geen argumenten waarom het andersluidende oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is.
Het middel faalt.
Het derde namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte “behoorde tot” Ahrar Al-Sham. De tweede deelklacht heeft betrekking op het bewezenverklaarde opzet. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat ten tijde van het tenlastegelegde, maar ook vooral in die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden, waarbij de in Syrië woonachtige bevolking werd geterroriseerd.
De eerste deelklacht
In de toelichting op deze deelklacht wordt aangevoerd dat het hof in zijn geheel niet heeft besproken of bewezen kan worden dat de verdachte behoorde tot Ahrar al-Sham. In het verlengde daarvan zou het hof niet, of onvoldoende hebben gerespondeerd op het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de vraag of de verdachte behoorde tot Ahrar Al-Sham. De stellers van het middel wijzen in dat verband op de randnummers 101-115 van de pleitnota.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het behoren tot een organisatie betekent dat buitenstaanders, sympathisanten en dergelijke in beginsel geen deelnemer zijn. Mij komt het voor dat het vereiste dat iemand behoort tot het samenwerkingsverband en het vereiste dat de betrokkene gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140a Sr bedoelde oogmerk niet geheel los van elkaar kunnen worden gezien. Bij de vraag of de betrokkene ‘behoort tot’ het samenwerkingsverband kan immers betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat diegene en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk.
Het hof heeft vastgesteld dat in video 1, afkomstig van Liwa’ al-Adiyat (ik begrijp: voorzien van het logo van Liwa’ al-Adiyat) als onderdeel van Ahrar al-Sham, de verdachte, kijkend in de lens, gewapend en in uniform, verslag deed van de laatste veroveringen in de slag om Al-Ghab. Het hof heeft op basis van deze video vastgesteld dat door de verdachte en de anderen die aan het woord zijn in de video, neerbuigend wordt gedaan over de doodgeschoten tegenstanders, en dat hun alawitische afkomst hierbij kennelijk een belangrijk gegeven is, hetgeen overeenkomt met de ideologie van Ahrar al-Sham. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de slag om Al-Ghab werd gevoerd tegen het regime van Al-Assad en dat Ahrar al-Sham dat regime omver wilde werpen. Het hof komt vervolgens tot de conclusie dat de verdachte zich feitelijk beschikbaar heeft gesteld voor en ook daadwerkelijk een bijdrage geleverd aan de gewapende strijd. En dat de verdachte ook zelf kennelijk vond dat hij in deze strijd een belangrijke rol heeft vervuld, mede gelet op de rol van emir die hij zichzelf toedichtte. Het hof heeft tot slot nog bij zijn oordeel betrokken dat de verdachte door zich op de wijze als te zien in de video's te laten filmen bovendien heeft bijgedragen aan het verspreiden van het terroristisch gedachtengoed van de organisatie, en de promotie daarvan. En dat geldt ook voor zijn twittergedrag op sociale media.
Het op deze feiten en omstandigheden gebaseerde (kennelijke) oordeel van het hof dat de verdachte behoorde tot Ahrar al-Sham acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de beheerder is van het twitteraccount @ [account 1] en dat via dit account op 23 mei 2015 wordt geplaatst: "Ons leger Jaysh al-Fatah, heeft op hen veroverd, het regime en Daesh van hun spullen beroofd, wees niet genadig tegen hun leden, o Jaysh al-Fath jij hebt hen verpletterd" en "De overwinningen van Jaysh al-Fatah heeft de hele wereld en de regeringen geschokt, de onderdrukkers doen huiveren en Daesh neergeslagen”. Het hof heeft vastgesteld dat Jaysh al-Fatah een coalitie was van Jund al-Aqsa, Jabhat al-Nusra en Ahrar al-Sham. En dat op 13 september 2015 door de verdachte een foto werd gedeeld met daarop de leiders van Ahrar al-Sham en als bijschrift “Onze dierbare beweging en haar nieuwe leiders dienen de grootste vijand van de beweging te onthullen, namelijk het geheim van de moord op onze leiders moge Allah hen genade schenken."
De tweede deelklacht houdt in dat de vaststelling van het hof dat het terroristisch oogmerk van Ahrar Al-Sham een feit van algemene bekendheid is, mede in het licht van hetgeen de verdediging daarover heeft aangevoerd, onbegrijpelijk is.
Ik merk allereerst op dat het hof niet heeft vastgesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat Ahrar Al-Sham een terroristisch oogmerk heeft. In zoverre ontbeert deze klacht feitelijke grondslag nu wordt geklaagd over een oordeel dat niet aan het hof kan worden toegedicht.
Het hof heeft wel vastgesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat dat ten tijde van het tenlastegelegde, maar ook al voor die periode, jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden, waarbij de in Syrië woonachtige bevolking werd geterroriseerd. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte als strijder en goed ingevoerd op sociale media hiervan moet hebben geweten. Het hof heeft in dat verband gewezen op video 1 en het spraakbericht dat hij aan de getuige [betrokkene 5] heeft gestuurd waarin hij opmerkt “kijk wat mij met de mensen deden”. Het hof heeft op basis van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat Ahrar al-Sham tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
Dat betekent dat het middel faalt in al zijn onderdelen.
Afronding
Het eerste namens het openbaar ministerie voorgestelde middel faalt. Het tweede namens het openbaar ministerie voorgestelde middel slaagt. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.
Deze conclusie strekt vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG