PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03632
Zitting 26 november 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
‘Op 29 september 2029 heeft verdachte evenwel zelf ook tijdig cassatie ingesteld althans getracht tijdig cassatie in te stellen, zoals uit bijgevoegde brief (voorzien van een datumstempel van de Postkamer van het hof) blijkt (bijlage). De medewerker van het hof die de brief in ontvangst heeft genomen en verdachte daarbij verzekerd heeft dat dit tijdig plaatsvond en de stempel op de brief heeft gezet heeft kennelijk geen akte opgemaakt dan wel verdachte medegedeeld dat hij zich bij een collega diende te vervoegen teneinde een akte op te laten stellen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte niet tijdig cassatie heeft ingesteld zodat verdachte ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.’
5. Namens de verdachte is, zo begrijp ik, door de steller van het middel als bijlage bij de cassatieschriftuur een brief gevoegd die het volgende inhoudt:
‘Gerechtshof Den Haag
T.a.v. de griffie
Prins Clauslaan 60
2595 AJ Den Haag
Betreft : instellen cassatieberoep
Parketnummer : 09-238268-20
Voorschoten, 29 september 2022
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij verzoek ik de griffie, in de zaak met bovengenoemd parketnummer, cassatieberoep in te stellen tegen de uitspraak van het gerechtshof d.d. 15 september 2022.
Het gerechtshof heeft geoordeeld dat ik op 22 september 2020 lokaalvredebreuk (art. 139 Sr) in het politiebureau aan de Vijf Meilaan in Leiden gepleegd zou hebben.
Naar mijn mening tonen bewegende beelden dat ik de openbare ruimte van het politiebureau niet wederrechterlijk ben binnengedrongen en dat ik niet wederrechtelijk aldaar vertoevende was op 22 september 2020.
Naar mijn mening is ten onrechte voorbijgegaan aan o.a. art. 27c. eerste lid Sv en aan het disproportionele geweld bij de aanhouding.
Cassatiemiddel: meervoudig vormverzuim.
Ten behoeve van het instellen van het cassatieberoep verleen ik hierbij schriftelijk volmacht aan een medewerker ter griffie. Graag ontvang ik een ontvangstbevestiging per brief op onderstaand adres.
Bij voorbaat dank,
met vriendelijke groet,
[handtekening]
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats] ’
6. Op de brief is een stempel geplaatst met de tekst: ‘Paleis van Justitie Den Haag 29 september 2022 Ingekomen bij de Postkamer’. In het vonnis dat in de onderhavige zaak is gewezen door de politierechter in de rechtbank Den Haag is als parketnummer ’09-238268-20’ vermeld.
7. Bij de stukken van het geding bevindt zich een brief van 10 november 2022 van het gerechtshof Den Haag aan de Hoge Raad, ondertekend door de voorzitter van de strafkamer die het bestreden arrest heeft gewezen, die (onder meer) het volgende inhoudt:
‘Geachte heer, mevrouw,
Hierbij doe ik u toekomen het procesdossier met rolnummer 22-002908-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, in welke zaak het gerechtshof Den Haag arrest heeft gewezen dat ter openbare terechtzitting van 15 september 2022 is uitgesproken.
Tegen dit arrest is namens de verdachte cassatie ingesteld. Het e-mailbericht waarin de raadsman mr. P.H.W. Spoelstra kenbaar heeft gemaakt namens de verdachte cassatie in te stellen is op 29 september 2022 te 19:24 uur aan dit gerechtshof verzonden. De brief waarin de verdachte de wens heeft uitgedrukt cassatie te willen instellen is op 6 oktober 2022 ter griffie van dit gerechtshof ontvangen.
De verdachte is op 1 september 2022 ter terechtzitting in hoger beroep verschenen.
Nu de beslissing van de Hoge Raad vermoedelijk zal luiden dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, is een verkort arrest en een verkort proces-verbaal bij de stukken gevoegd.’
8. Bij de stukken van het geding bevindt zich inderdaad een brief, op het oog identiek aan de brief die door de steller van het middel is overgelegd, met daarop een stempel waaruit kan worden afgeleid dat de brief op 6 oktober 2022 is binnengekomen bij de Unit strafzaken van het gerechtshof Den Haag.
9. Uit het poststempel dat op de brief van de verdachte is geplaatst die in cassatie is overgelegd, in samenhang met de brief die zich bij de stukken van het geding bevindt, kan – meen ik – voldoende steun worden afgeleid voor de gang van zaken die de steller van het middel in de schriftuur uiteenzet. Dat betekent dat de brief binnen de termijn waarin beroep in cassatie openstond bij een medewerker van het Paleis van Justitie is binnengekomen. Deze brief kan niet anders worden verstaan dan als een uiting van de wens van verdachte om tegen het daarin vermelde arrest van het gerechtshof Den Haag cassatieberoep in te stellen en dient te worden opgevat als een bijzondere volmacht in de zin van artikel 450, eerste lid, onder b, Sv, verleend aan een medewerker van de griffie (vgl. artikel 450, derde lid, Sv). Dat de brief van de verdachte, zoals uit de brief van het gerechtshof kan worden afgeleid, pas op 6 oktober 2022 op de griffie van het gerechtshof is beland, mag niet voor rekening van de verdachte komen.
10. Het cassatieberoep is ontvankelijk.
11. Het middel behelst de klacht dat de griffier geen (volledig) proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 september 2022 heeft gehouden en vastgesteld althans dat artikel 327a Sv ten onrechte niet is nageleefd. En dat het arrest niet de inhoud van de bewijsmiddelen houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevat.
12. Bij de door het hof aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich inderdaad geen uitgewerkt proces-verbaal van de in hoger beroep gehouden terechtzitting, en evenmin een aanvulling met bewijsmiddelen. De redenen waarom uitwerking achterwege is gebleven kunnen uit de door de voorzitter van de strafkamer ondertekende brief worden afgeleid.
13. Het middel slaagt.
14. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad niet binnen twee jaren nadat cassatieberoep is ingesteld arrest zal wijzen. Indien Uw Raad de zaak terugwijst, kan het tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden