ECLI:NL:PHR:2024:337

ECLI:NL:PHR:2024:337, Parket bij de Hoge Raad, 26-03-2024, 22/04049

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04049
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:801
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Conclusie AG. Caribische zaak. Passieve ambtelijke omkoping, witwassen en opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen van aangiften van de inkomstenbelasting door een politicus in Sint Maarten. Klachten over (i) de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, (ii) de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, (iii) de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, en (iv) de schending van de redelijke termijn in hoger beroep. De AG is van oordeel dat alle klachten falen en zich lenen voor afdoening door de Hoge Raad a.b.i. art. 81 lid 1 RO. Samenhang met 22/02491.

Uitspraak

2. Other

Vraag 2h: Did you, your spouse and/or minor children possess any of the following, during the fiscal year 2012:

 Shares in a limited liability company, making use of the transitional arrangements for the offshore regime NO

 Other stocks (shares and bonds)? NO

3. Income from emloyment pensions and allowances

Man

Vraag 3c: Other income derived from labor (extra earnings) fl [niets ingevuld]

13. Interest and dividends

Vraag 13b: Interest received on savings abroad fl [niets ingevuld]

Balances on December 31st 2012

Total of foreign bank balances and other claims fl [niets ingevuld]

14. Other incomefl [niets ingevuld]

fl 0

26. Een geschrift, te weten een Tax Return Form A Income tax, Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.A. 2013 (D-1626).

Dit formulier houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

2013

Tax return form A

Income tax

Premiums A.O.V./A.W.W./A.V.B.Z.

Fiscal year January 1st, 2013 to December 31th, 2013

[verdachte]

[betrokkene 18]

[a-straat 1]

[plaats]

I hereby declare to have filled our this Tax Return form (including enclosures) clearly, truthfully and without any reservation.

Date: 23 juni 2014

Handtekening geplaatst bij 'Signature of taxpayer' en bij 'Signature of spouse'.

2. Other

Vraag 2h: Did you, your spouse and/or minor children possess any of the following in 2013:

 Shares in a limited liability company, making use of the transitional arrangements for the offshore regime NO

 Other stocks (shares and bonds)? NO

3. Income from emloyment pensions and allowances subjected to wage tax

Man

Vraag 3c: Other income derived from labor (extra earnings) fl [niets ingevuld]

13. Interest and dividends

Vraag 13b: Interest received on foreign savings fl [niets ingevuld]

(savings account)

Balances on December 31st 2013

Total of foreign bank balances and other claims fl [niets ingevuld]

14. Other incomefl [niets ingevuld]

fl 0

27. Een geschrift, te weten een overzicht van de National Commercial Bank of Anguilla Ltd, met betrekking tot account [rekeningnummer 2] op naam van [verdachte] , [plaats], [a-straat], Sint Maarten (D-1641).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Date Description debits credits Balance

30-JUL-12 CRM 180,000.00

20-DEC-12 CRM CHQ#000019570 190,000.00

31-DEC-12 INT 437.72 272,322.35

31-DEC-13 INT 75.63 5,121.97”

De nadere overwegingen van het Hof

62. Het vonnis houdt ter zake het volgende in:

“Overwegingen ten aanzien van het bewijs en bespreking van verweren ten aanzien van feit 3 (onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften)

Standpunt verdediging

[…]

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan. Het is juist dat de verdachte de bedragen die hij op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen en zijn aandelen in [C] N.V. niet heeft opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013. De verdachte verkeerde namelijk in de veronderstelling dat hij dat niet behoefde te doen, omdat hij ten tijde van het doen van de aangifte uitging van een renteloze leningsovereenkomst tussen hem en [betrokkene 1] en er aldus geen belastbaar inkomen was genoten dat in de aangifte vermeld had moeten worden. Voor zover de ontvangen bedragen wel als inkomen gekwalificeerd hadden moeten worden, dan geldt dat de verdachte dat ten tijde van het doen van de aangifte niet had kunnen weten dat de aangifte op dat punt onvolledig of onjuist zou zijn.

Ter onderbouwing van het voorgaande heeft de raadsvrouw verwezen naar de verklaring van [betrokkene 19], waarin zij stelt dat een persoonlijke lening die via familie is gelopen niet hoeft te worden opgegeven in het aangifteformulier. Voorts heeft de raadsvrouw verwezen naar de verklaring van [betrokkene 20], waarin hij stelt dat 'de gewone man' die geen kennis van zaken heeft vraag 2h meestal niet invult. Volgens de raadsvrouw valt haar cliënt aan te merken als 'de gewone man'.

[…]

Oordeel Hof

[…]

Zoals hiervoor ten aanzien van het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde feit is uiteengezet, is het Hof van oordeel dat de geldbedragen van USD 180.000,- en USD 190.000,- die de verdachte op 30 juli 2012, respectievelijk 20 december 2012 van [betrokkene 1] heeft ontvangen, niet zien op geldbedragen die hij heeft ontvangen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening. Reeds daarom behoeft het verweer van de verdachte dat een lening niet op het aangifteformulier Inkomstenbelasting behoeft te worden vermeld en indien dat wel het geval is, hij dat niet had kunnen weten, geen bespreking.

Voor zover de verdediging met de verklaring van [betrokkene 20] heeft bedoeld te betogen dat de verdachte zijn aandelen in [C] N.V. niet had hoeven vermelden in zijn aangiftes, faalt dat verweer, reeds omdat de enkele verklaring van [betrokkene 20] – wat daarvan overigens ook zij – de verdachte niet ontslaat van zijn verplichting om zijn aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 juist en volledig te doen.

De verdachte heeft de van [betrokkene 1] ontvangen geldbedragen van USD 180.000,- en USD 190.000,-, zijn saldo op zijn bankrekening in Anguilla, de door hem over dit saldo ontvangen rente, en zijn aandelen in [C] N.V. niet opgegeven in de aangifteformulieren Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013. De verdachte is (eind)verantwoordelijk voor het juist invullen van zijn belastingaangiften en door deze objectieve norm te schenden, terwijl hij met deze inkomstenbronnen bekend mag worden verondersteld, heeft hij opzet gehad (al dan niet in voorwaardelijke vorm) op het begaan van het onder 3 ten laste gelegde feit. Omdat daardoor belastinginkomsten konden worden misgelopen, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat daardoor nadeel voor het Land Sint Maarten kon ontstaan.

Nu de verdachte de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2012 op 6 juni 2013 heeft gedaan en de aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2013 op 23 juni 2014, zal de bewezenverklaarde periode worden verkort tot de periode 1 juni 2013 tot en met 31 juni 2014.”

De bespreking van het middel

63. In de toelichting op het middel kunnen vijf deelklachten worden gelezen, die alle erop neerkomen dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is gekomen.

64. De eerste deelklacht houdt in dat uit het vonnis van het Hof niet blijkt dat en wanneer de aangiftebiljetten over de jaren 2012 en 2013 overeenkomstig art. 6, eerste lid, ALL zijn uitgereikt, zodat de in de bewezenverklaring van feit 3 besloten liggende vaststelling van het Hof dat de verdachte ingevolge art. 6, vierde lid, ALL tot het doen van aangifte verplicht was geen steun vindt in redengevende feiten en omstandigheden zoals voorgeschreven in art. 402 SvSM.

65. Art. 6, eerste en vierde lid, ALL luidde ten tijde van het onder 3 bewezenverklaarde (en luidt nog altijd):

“1. De Inspecteur kan aan een ieder die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is een aangiftebiljet uitreiken.

[…]

4. Een ieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden aangifte te doen door dat biljet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, met de daarin gevraagde bescheiden, in te leveren. Degene die de aangifte doet waarmerkt de over te leggen bescheiden.”

66. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte met de in de bewezenverklaring genoemde aangiftebiljetten belastingaangifte heeft gedaan (hierover gaat de tweede deelklacht die ik hierna bespreek). Daaruit volgt dat die aangiftebiljetten overeenkomstig art. 6, eerste lid, ALL op enig moment aan de verdachte zijn uitgereikt. Gelet daarop was de verdachte ingevolge art. 6, vierde lid, ALL gehouden aangifte te doen door die aangiftebiljetten ingevuld en ondertekend in te leveren. Anders dan de steller van het middel meent, doet daaraan niet af dat uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt wanneer de desbetreffende aangiftebiljetten zijn uitgereikt aan de verdachte.

67. Volgens de tweede deelklacht blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen evenmin dat de verdachte degene is geweest die met de hiervoor bedoelde aangiftebiljetten belastingaangifte heeft gedaan. Die aangiftebiljetten zijn weliswaar op 6 juni 2013 respectievelijk 23 juni 2014 ondertekend, maar niet zou blijken door wie deze zijn ondertekend. De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte inhoudende dat hij in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 van bepaalde gegevens geen melding heeft gemaakt, is, zo meent de steller van het middel, onvoldoende om de gesignaleerde leemte op te vullen.

68. Nog daargelaten (i) dat blijkens de nadere overwegingen van het Hof de verdediging in hoger beroep heeft onderkend dat de verdachte degene is geweest die de bedoelde belastingaangiften heeft gedaan, kan (ii) uit de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte dat hij de bedragen die hij op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen en zijn aandelen in [C] N.V. niet heeft opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013, en (iii) uit de eveneens tot het bewijs gebezigde ondertekende en (deels) ingevulde aangiftebiljetten inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 op naam van de verdachte en zijn partner, wel degelijk worden afgeleid dat het (mede) de verdachte is geweest die de bedoelde belastingaangiften heeft gedaan. Ik zie niet in waarom de verklaring van de verdachte onvoldoende zou zijn om de door de steller van het middel gestelde leemte op te vullen. Dit punt wordt in de schriftuur ook niet (nader) toegelicht.

69. Met de derde deelklacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt dat de geldbedragen die de verdachte op zijn bankrekening in Anguilla heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Het oordeel van het Hof dat die geldbedragen niet zijn ontvangen uit hoofde van een geldleningsovereenkomst betekent nog niet dat die geldbedragen dus kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Dat blijkens zijn bewijsoverwegingen het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde heeft vastgesteld dat de geldbedragen steekpenningen en dus inkomen betreffen, doet volgens de steller van het middel hieraan niet af, omdat deze omstandigheid had moeten blijken uit de ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen en niet uit de bewijsoverwegingen van het Hof ten aanzien van de overige bewezenverklaarde feiten.

70. Ik vermag niet in te zien waarom het Hof zijn eerdere vaststellingen (met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde) niet zou kunnen en mogen betrekken bij de beantwoording van de vraag of de door de verdachte op zijn bankrekening in Anguilla ontvangen geldbedragen kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen. Geen rechtsregel verzet zich daartegen. Het Hof heeft– zoals het kon doen – bij die beantwoording verwezen naar zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde. Daaruit blijkt dat die geldbedragen wel degelijk het geld (de steekpenningen) betreft waarmee de verdachte is omgekocht. Derhalve meen ik – anders dan de steller van het middel – dat uit de bewijsvoering van het Hof zonder meer kan worden afgeleid dat die geldbedragen kunnen worden aangemerkt als (belastbaar) inkomen.

71. Overigens merk ik op dat de derde deelklacht betrekking heeft op het in de bewezenverklaring van feit 3 opgenomen onderdeel “een te laag persoonlijk inkomen opgegeven”. Dat onderdeel zou probleemloos uit de bewezenverklaring kunnen worden geschrapt, zonder dat daarmee in enig opzicht afbreuk wordt gedaan aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Voor de kwalificatie van de feiten heeft het wegvallen van dit onderdeel evenmin consequenties. Kortom, zelfs indien deze klacht terecht zou zijn voorgesteld (quod non), dan nog zou het niet tot cassatie kunnen leiden.

72. De vierde deelklacht komt op tegen de volgende overweging van het Hof:

“Voor zover de verdediging met de verklaring van [betrokkene 20] heeft bedoeld te betogen dat de verdachte zijn aandelen in [C] N.V. niet had hoeven vermelden in zijn aangiftes, faalt dat verweer, reeds omdat de enkele verklaring van [betrokkene 20] – wat daarvan overigens ook zij – de verdachte niet ontslaat van zijn verplichting om zijn aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 juist en volledig te doen.”

73. Aangevoerd wordt dat de overweging van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Hof met zijn overweging heeft miskend dat de verdediging niet heeft betwist dat op de verdachte de verplichting rustte om zijn aandelen in [C] N.V. te vermelden in zijn belastingaangiften, maar dat het uitblijven van die vermelding niet aan opzet is te wijten. In essentie houdt deze deelklacht in dat het Hof een onderdeel van het opzetverweer verkeerd zou hebben opgevat. Nu de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, kan deze uitleg in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

74. De enkele omstandigheid dat het Hof een onderdeel van het opzetverweer anders zou hebben uitgelegd, maakt niet dat de bestreden overweging van het Hof in reactie op dat onderdeel van het opzetverweer reeds om die reden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt deze deelklacht reeds.

75. Verder acht ik de uitleg die het Hof heeft gegeven geenszins onbegrijpelijk. Daarbij weeg ik mee dat blijkens de nadere overwegingen van het Hof de raadsvrouw van de verdachte slechts heeft aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij de op zijn bankrekening in Anguilla ontvangen geldbedragen en zijn aandelen in [C] N.V. niet hoefde op te geven in zijn belastingaangiften en zij ter onderbouwing daarvan heeft verwezen naar de verklaring van [betrokkene 20], waarin deze [betrokkene 20] niet méér te berde brengt dan dat ‘de gewone man’ die geen kennis van zaken heeft, tot welke groep de verdachte volgens zijn raadsvrouw moet worden gerekend, vraag 2h (de vraag over het bezit van aandelen) meestal niet invult.

76. De vijfde deelklacht komt op tegen de volgende overweging van het Hof:

“De verdachte is (eind)verantwoordelijk voor het juist invullen van zijn belastingaangiften en door deze objectieve norm te schenden, terwijl hij met deze inkomstenbronnen bekend mag worden verondersteld, heeft hij opzet gehad (al dan niet in voorwaardelijke vorm) op het begaan van het onder 3 ten laste gelegde feit.”

77. Gesteld wordt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte opzet heeft gehad op het begaan van het onder 3 tenlastegelegde blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Verder wordt geklaagd dat de vereiste onderbouwing van dit aangenomen opzet achterwege is gebleven.

78. Art. 49, eerste lid aanhef en onderdeel a, en tweede lid, ALL luidde ten tijde van het onder 3 bewezenverklaarde als volgt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste NAF. 25.000,-- of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen wordt, indien van de handeling of het nalaten het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan, gestraft degene die ingevolge deze landsverordening verplicht is tot:

a. het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat niet binnen de gestelde termijn, onjuist of onvolledig doet;

[…]

2. Degene die zich opzettelijk schuldig maakt aan een in het eerste lid omschreven strafbaar gesteld feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van ten hoogste NAF. 100.000,-- of, indien de te weinig geheven belasting hoger is dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, dan wel met beide straffen.”

79. Bij de beoordeling van de vijfde deelklacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Onder opzet als bedoeld in art. 49 ALL moet voorwaardelijk opzet worden begrepen. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval het onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangiften – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden én dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

80. Over het algemeen zal van de aanmerkelijke kans op het doen van onjuiste of onvolledige aangifte snel sprake zijn, gezien de complexiteit van de fiscale regelgeving. Aan de kenniscomponent van voorwaardelijk opzet zal in fiscalibus snel zijn voldaan, omdat eenieder door de complexiteit en omvang van de regelgeving zich bewust is van de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte onjuist of onvolledig kan zijn. De wilscomponent van voorwaardelijk opzet vereist daarnaast dat de belastingplichtige die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Derhalve is in het fiscaal strafrecht een goede, voldoende geïndividualiseerde bewijsmotivering belangrijk bij de toepassing van het voorwaardelijk opzet, waarbij de specifieke omstandigheden van het geval veelal relevant zijn voor het bewijs daarvan.

81. Het Hof heeft – niet onbegrijpelijk – overwogen dat verondersteld mag worden dat de verdachte bekend was met de van [betrokkene 1] op zijn bankrekening ontvangen geldbedragen, het saldo op zijn bankrekening in Anguilla, de door hem over dit saldo ontvangen rente en zijn aandelen in [C] B.V, en dat de verdachte (eind)verantwoordelijk is voor het juist invullen van zijn belastingaangiften. Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte niettemin ten onrechte heeft nagelaten in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting daarvan melding te maken, terwijl in de aangiftebiljetten expliciet wordt gevraagd naar dergelijke inkomsten(bronnen). Verder heeft het Hof het standpunt van de verdediging dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij van (een deel van) de bovengenoemde inkomsten(bronnen) geen melding hoefde te maken genoegzaam weerlegd. In het licht van het voorgaande getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde aangiften voor de inkomstenbelasting met opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, niet van een onjuiste toepassing en is het evenmin onbegrijpelijk.

82. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het vijfde cassatiemiddel en de bespreking daarvan

Het middel

83. Het vijfde middel klaagt dat “het hof ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake was van undue delay in de zin van [art. 6, eerste lid, EVRM] en daarvoor ten onrechte geen compensatie heeft geboden in de strafoplegging”.

Het vonnis

84. Het Hof heeft in het vonnis over de berechting binnen een redelijke termijn het volgende overwogen:

“Oplegging van straffen

[…]

Redelijke termijn

Ten aanzien van de vraag of sprake is van schending van de redelijke termijn heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het Gerecht heeft hierover overwogen:

“Op 14 februari 2018 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Verdachte is die dag ook voor het eerst als verdachte gehoord, zijnde het eerste moment dat vanwege de overheid jegens de verdachte een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De verdachte is in totaal vier keer verhoord en op 23 februari 2018 is hij in vrijheid gesteld. Het politieonderzoek is op 26 maart 2018 afgerond. De inleidende dagvaarding voor de terechtzitting op 11 juni 2018 is op 21 mei 2018 uitgebracht en aan hem in persoon betekend. Ter terechtzitting is het onderzoek een aantal keren geschorst in verband met het horen van een groot aantal getuigen bij de rechter-commissaris. Er zijn vervolgens zestien getuigen gehoord in de periode tussen 11 juni 2018 en november 2019, waarna de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 16,17 en 18 december 2019. Het onderzoek is gesloten op 8 januari 2020 en de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg vindt plaats op 29 januari 2020.

Tussen de aanhouding van de verdachte op 14 februari 2018 en de uiteindelijke uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg op 29 januari 2020 is een periode van bijna twee jaar verstreken. Het geding in eerste aanleg is daarom afgerond binnen twee jaar na zijn aanhouding zodat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM."

Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.

Wat de gedingfase van het hoger beroep betreft, heeft eveneens te gelden dat de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn bij de berechting in hoger beroep. De verdachte heeft op 29 januari 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. De behandeling in tweede aanleg is heden – en aldus niet binnen twee jaren – met een eindvonnis afgerond. Door de raadsvrouw zijn in hoger beroep verzoeken gedaan tot het verrichten van nader onderzoek. Door maatregelen in het kader van de bestrijding van de Covid-19-pandemie is een vertraging opgetreden in de uitvoering van deze verzoeken, te weten het in persoon horen van getuigen in de Verenigde Staten van Amerika door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging. Deze vertraging is ingegeven door een bijzondere omstandigheid die niet aan de overheid te wijten is. Aldus acht het Hof de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk, waardoor van een schending van artikel 6 EVRM in hoger beroep evenmin sprake is.”

De toelichting op het middel

85. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te overwegen dat de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk is nu die vertraging is ingegeven door een bijzondere, niet aan de overheid te wijten omstandigheid – te weten de maatregelen in het kader van de bestrijding van de COVID-19-pandemie – waardoor het door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, in persoon horen van door de raadsvrouw van de verdachte verzochte getuigen in de Verenigde Staten van Amerika vertraging heeft opgelopen.

Het juridisch kader

86. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

87. Bij zijn oordeel over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de redelijke termijn moet worden verruimd, of over de vraag welk gevolg aan een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn moet worden verbonden, kan de rechter rekening houden met de vertraging die concreet in de behandeling van de zaak is ontstaan als gevolg van de overheidsmaatregelen naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus in 2020.

88. In het geval dat de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen.

De bespreking van het middel

89. Uit het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 29, 30 en 31 maart 2022 blijkt dat de zaak telkens is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw en dat door of namens de verdachte telkens geen verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De raadsvrouw heeft blijkens haar overgelegde pleitnotitie bij pleidooi hierover slechts het volgende opgemerkt: “College, wij zijn inmiddels ruim 2 jaar na het vonnis in Eerste Aanleg.” Zij heeft echter niet gerept van overschrijding van de redelijke termijn in enige fase en heeft evenmin met een beroep op die overschrijding verzocht om strafvermindering. De overwegingen van het Hof over de berechting binnen een redelijke termijn houden eveneens niet in dat door of namens de verdachte een dergelijk verweer is gevoerd. Uit de overige stukken van het geding blijkt evenmin welke uitlatingen van de verdachte en/of diens raadsvrouw tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als zodanig hebben te gelden en in de cassatieschriftuur is dit ook niet aangegeven. Gelet hierop en op hetgeen ik hierboven in het juridisch kader heb vooropgesteld, faalt het middel.

90. Ten overvloede merk ik op dat het Hof heeft geoordeeld dat, hoewel de behandeling van de zaak in hoger beroep langer heeft geduurd dan twee jaren na het instellen van het hoger beroep, de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd niet onredelijk is, waardoor geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder gelet op het nadere onderzoek dat in deze zaak heeft plaatsgevonden – te weten het door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, in persoon horen van door de raadsvrouw van de verdachte verzochte getuigen in de Verenigde Staten van Amerika – en de daarbij als gevolg van een bijzondere, niet aan de overheid te wijten omstandigheid – te weten de (overheids)maatregelen ter bestrijding van de COVID-19-pandemie – ontstane vertraging in de planning van die getuigenverhoren. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Slotsom

91. Alle middelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

92. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

93. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?