Nummer23/01283
Zitting 26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij verstekarrest van 8 maart 2023 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag waarbij hij wegens poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken en de politierechter beslissingen heeft genomen op vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.P. Friperson, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het hof heeft de verdachte – bij verstek – niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe overwogen:
“De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘akte instellen hoger beroep’, inhoudende dat op 17 maart 2022 door mr. A.C.H. Walkate namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 9 maart 2022. Aan deze akte is geen ‘grievenformulier hoger beroep’ gehecht.
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof geen acht heeft geslagen op de inhoud van het door de raadsvrouw van de verdachte per e-mail verzonden schrijven van 1 maart 2023 waarin grieven zijn opgenomen. Ter staving van die stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:
(i) de aan de raadsvrouw gerichte dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting van 8 maart 2023 om 10.07 uur, onder meer inhoudende:
“De terechtzitting van het hof, waarvoor uw cliënt nu is gedagvaard, is alleen bedoeld om de ontvankelijkheid vast te stellen en of van de kant van uw cliënt bezwarenbestaan tegen het vonnis, en zo ja, welke bezwaren dat zijn.
U kunt die bezwaren, bij voorkeur uiterlijk 24 uur voor het tijdstip van aanvang van de behandeling ter terechtzitting, alsnog schriftelijk indienen ter griffie van de rechtbank waar het vonnis is gewezen, of ter griffie van het gerechtshof Den Haag. Dat laatste heeft gelet op het korte tijdsbestek de voorkeur. Ook kunt de bezwaren tegen dat vonnis mondeling opgeven ter terechtzitting van het hof op 8 maart 2023 om 10:07 uur.”
(ii) een e-mail van 1 maart 2023 om 17.25 uur van mr. M.P. Friperson gericht aan de administratie van het gerechtshof Den Haag, onder meer inhoudende:
“Aan: ‘rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl’
Onderwerp: Opgave schriftelijke bezwaren (grieven) (22-000765-22
Inzake: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999
Rolnummer: 22/000765-22
Parketnummer: 09/042656-22
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij deel ik u mee dat het hoger beroep zich richt tegen de hoogte van de opgelegde straf, in het bijzonder tegen de toegewezen vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.
(...)
Met vriendelijke groet,
Monique Friperson”
6. Het e-mailadres dat wordt genoemd in het onder (ii) opgenomen bericht betreft het destijds in gebruik zijnde e-mailadres van de strafgriffie van het gerechtshof Den Haag. Daardoor bieden de aan de cassatieschriftuur gehechte stukken (aan de authenticiteit en integriteit waarvan niet hoeft te worden getwijfeld) grond voor het ernstig vermoeden dat namens de verdachte vóór het onderzoek ter terechtzitting op 8 maart 2023 een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond daarvan moet er in cassatie van worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur is ingediend.
7. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, niet begrijpelijk.
8. Het middel slaagt.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG