Nummer22/01350
Zitting 4 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het eerste middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof het door de raadsvrouw gedane aanhoudingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, althans dat de afwijzing ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 maart 2022 houdt ten aanzien van het aanhoudingsverzoek het volgende in:
“Verdachte is momenteel in Scandinavië. Hij heeft daar een bedrijfsruimte aan de gemeente aangeboden om vluchtelingen uit Oekraïne op te vangen. Hij heeft vandaag een afspraak bij de gemeente om het een en ander in gang te zetten. Daarom is hij niet verschenen. Ter onderbouwing heb ik e-mails van verdachte aan de gemeente. Ik zal nogmaals de onderzoekswensen kenbaar maken en daarna een verzoek tot aanhouding doen omdat verdachte het belangrijk vindt om aanwezig te zijn bij deze zitting.
[…]
Daarnaast wenst verdachte gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij was zich van geen kwaad bewust. Dat wordt ook door de rechtbank erkend. Verdachte voelt zich gepiepeld. Hij dacht dat het niet strafbaar was. Een veroordeling komt dan wel op zijn strafblad te staan. Daarom wenst verdachte zelf het woord te voeren. Verdachte reist binnen afzienbare tijd terug naar Nederland.
Op verzoek van de voorzitter mailt de raadsvrouw de e-mails van verdachte aan de gemeente naar de griffier.
De raadsvrouw voert het woord:
Er zijn twee e-mails. In één e-mail heeft verdachte contact met de gemeente. In de andere e-mail heeft verdachte contact met een journalist die als tussenpersoon tussen verdachte en de gemeente staat.
De advocaat-generaal vraagt aan de raadsvrouw wanneer zij door verdachte op de hoogte is gesteld dat verdachte vandaag niet zou verschijnen.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik heb deze informatie gisteren ontvangen. Verdachte verblijft al enige tijd in Scandinavië. Het was het idee dat hij voor deze zitting zou terugkomen. De ontwikkelingen met de gemeente zijn heel recent. Ik weet niet of hij zich daar officieel heeft ingeschreven. De Engelse tekst in de mail is van verdachte. De reactie van de gemeente daarop is in het Deens. Verdachte heeft nu een afspraak met de tussenpersoon.
De oudste raadsheer deelt mee dat verdachte huisvesting aanbiedt aan de gemeente om vluchtelingen op te vangen. De gemeente heeft daarop gereageerd dat zij daar op dit moment geen behoefte aan hebben, omdat er in die gemeente geen vluchtelingen zijn. De oudste raadsheer begrijpt het zo dat verdachte vervolgens contact heeft gezocht met de tussenpersoon. Het is niet zo dat verdachte noodzakelijkerwijs op dit moment iets of dingen moet regelen.
De raadsvrouw voert het woord:
Verdachte heeft vandaag een afspraak met de tussenpersoon. De tussenpersoon heeft contact gezocht met de gemeente. De tussenpersoon wil het een en ander in gang zetten. Verdachte vindt het heel vervelend dat hij hier strafrechtelijk vervolgd wordt. Daarom heeft hij niets over de afspraak op papier laten zetten door de tussenpersoon.”
5. Blijkens hetzelfde proces-verbaal heeft het hof als volgt op het aanhoudingsverzoek beslist:
“De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee dat beide verzoeken [ik begrijp: het aanhoudingsverzoek en het verzoek tot het doen van onderzoek, DP] worden afgewezen. De zaak zal inhoudelijk worden behandeld. Het hof ziet geen noodzaak om het aanwezigheidsrecht van verdachte voorrang te geven ten opzichte van de andere belangen, zoals de ouderdom van de zaak en daarmee het belang dat niet alleen verdachte maar ook de samenleving heeft bij een tijdige en doeltreffende berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging meer in het bijzonder de zittingsorganisatie van het hof.”
6. In zijn arrest van 16 oktober 2018 heeft de Hoge Raad een beoordelingskader geformuleerd voor het beoordelen van aanhoudingsverzoeken. Dat kader luidt als volgt:
“2.3.1. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, kan ter terechtzitting een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in art. 279, eerste lid, Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig art. 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
Indien het verzoek om aanhouding reeds voorafgaande aan de terechtzitting wordt gedaan, kan om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht eveneens voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt, worden kenbaar gemaakt hoe het voorlopige oordeel van het gerecht omtrent het verzoek luidt. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd. (Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454.)
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte - of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd - ware het juist - in de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan - afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. (Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:251, NJ 2018/119.)
Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. (Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.) Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. (Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466.)
Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, in geval van afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.”
7. Kort samengevat komt dit beoordelingskader erop neer dat de rechter eerst moet nagaan of aan het aanhoudingsverzoek een concrete omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, kan het verzoek worden afgewezen. Als dat wel het geval is, kan het verzoek worden afgewezen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden. Als er aan het verzoek een concrete omstandigheid ten grondslag is gelegd die niet onaannemelijk is, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Een afwijzing van het aanhoudingsverzoek dient te worden gemotiveerd en dient te zijn gebaseerd op de concrete omstandigheden van het geval.
8. In deze zaak heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek gedaan om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Aan het aanhoudingsverzoek is ten grondslag gelegd dat de verdachte, anders dan vooraf de bedoeling was, niet is verschenen omdat hij nog in Scandinavië verblijft in verband met een afspraak over een bedrijfsruimte die hij aan de gemeente had aangeboden voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen, maar dat de verdachte het wel belangrijk vindt om aanwezig te zijn bij de zitting om zelf het woord te voeren. Daarbij heeft de raadsvrouw aangegeven dat de verdachte binnen afzienbare tijd naar Nederland terugreist.
9. Het hof is overgegaan tot een belangenafweging en heeft het aanhoudingsverzoek vervolgens afgewezen. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het hof van oordeel is dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid – een (verlengd) verblijf in het buitenland wegens zakelijke omstandigheden – niet aannemelijk is. Die omstandigheid dient daarmee kenbaar in een daarop volgende afweging tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen te worden betrokken.
10. In het kader van de belangenafweging heeft het hof geoordeeld dat het “geen noodzaak [ziet] om het aanwezigheidsrecht van verdachte voorrang te geven ten opzichte van de andere belangen, zoals de ouderdom van de zaak en daarmee het belang dat niet alleen verdachte maar ook de samenleving heeft bij een tijdige en doeltreffende berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging meer in het bijzonder de zittingsorganisatie van het hof”. Daarmee heeft het hof slechts in zeer algemene bewoordingen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht meegewogen. Uit de motivering blijkt niet dat het hof de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid bij de belangenafweging heeft betrokken. Daarmee is de afwijzing van het verzoek tot aanhouding ontoereikend gemotiveerd.
11. Het middel slaagt.
Het tweede middel
12. Nu de zaak naar mijn oordeel op grond van het eerste middel moet worden teruggewezen naar het hof, behoeft het tweede middel geen bespreking. In verband evenwel met de redelijke termijn in cassatie die – zoals nog zal blijken – reeds is overschreden, behandel ik voor het geval de Hoge Raad tot een ander oordeel mocht komen over het eerste middel, voor de zekerheid ook het tweede middel. Dit middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de hennep heeft afgewezen, althans dat de motivering van die beslissing ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op hetgeen namens de verdachte aan dat verzoek ten grondslag is gelegd.
13. Bij de stukken van het geding bevindt zich de appelschriftuur van de raadsvrouw van 8 juli 2021. Dat stuk houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“3. Namens appellant is aangevoerd dat geen sprake is geweest van hennep, doch van vezelhennep. Appellant heeft reeds tijdens zijn eerste verklaring bij de politie verklaard dat sprake was van legale hennep. Ook ter zitting heeft hij verklaard dat sprake was van legale hennep. Op de vraag van de Politierechter of het volgens hem vezelhennep was, antwoordde appellant: “ja”.
4. Het standpunt van cliënt dat sprake was van legale vezelhennep is onderbouwd met bewijsstukken. Zo heeft cliënt een lijst overhandigd waarop de toegestane industriële hennepsoorten zijn vermeld. Deze lijst is opgesteld in het licht van artikel 17 Europese richtlijn 2002/53/EG. Op deze lijst is de soort Fedora genoemd. Bij de verstuurde hennep is een certificaat van Fedora aangetroffen. Cliënt meent dat gelet hierop voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake was van Fedora, welke hennepsoort door de Europese Unie op een lijst is vermeld van toegestane producten. Ook heeft cliënt een verklaring van de klant aan wie de hennep was verstuurd overgelegd.
5. Door de politie wordt aangegeven dat bekeken zal worden of de hennep getest kan worden, zodat het THC-gehalte kan worden bepaald. Dergelijk onderzoek wordt echter niet uitgevoerd. Als de verdediging vraagt om dit onderzoek wel uit te laten voeren, dan stelt de Officier van Justitie zich op het standpunt dat simpelweg sprake is van reguliere hennep en dit dus niet onderzocht hoeft te worden.
6. Ter zitting is wederom verzocht om de hennep te laten testen en te laten onderzoeken of sprake is van vezelhennep. Door de Politierechter is geoordeeld dat geen sprake is van vezelhennep, nu de hennep was bedoeld om thee mee te produceren. Doorslaggevend voor de vraag of sprake is van legale vezelhennep of illegale hennep is volgens de Politierechter waar de hennep voor wordt gebruikt.
7. Met dit oordeel van de Politierechter kan appellant zich niet verenigen. Volgens appellant is voor het antwoord op de vraag of de hennep legaal/illegaal is niet waar de hennep voor bedoeld is, maar welke soort hennepplant sprake van is. Appellant stelt dat van vezelhennep de bloem gebruikt kan worden om thee van te produceren. Appellant zelf heeft echter niet geproduceerd en slechts de door hem ontvangen hennep doorgestuurd naar een klant. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat een gedeelte van dezelfde plant wel legaal is en een ander gedeelte van de plant niet. Appellant stelt zich aldus op het standpunt dat door de Politierechter een onjuiste maatstaf is aangelegd. In ieder geval dient opnieuw beoordeeld te worden op welke wijze dient te worden getoetst of sprake is van legale (vezel)hennep. Appellant meent dat daarbij ook gekeken dient te worden naar de Europese regelgeving.
8. Appellant verzoekt gelet op het voorgaande de onderhavige hennep alsnog te laten onderzoeken door een deskundige om te bepalen of de hennep vezelhennep betreft met minder dan 0.2% THC.”
14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 maart 2022 is het volgende over het verzoek tot nader onderzoek naar de hennep aangevoerd:
“De raadsvrouw voert het woord:
De advocaat-generaal heeft schriftelijk gereageerd op de onderzoekswensen en heeft verzocht de onderzoekswensen af te wijzen. Het hof heeft de onderzoekswensen vooralsnog niet toegewezen en aangegeven dat de onderzoekswensen desgewenst op zitting herhaald kunnen worden. Ik zal specifiek ingaan op de punten die de advocaat-generaal in haar schriftelijke reactie heeft aangevoerd. Volgens de advocaat-generaal heeft de politierechter wel de juiste maatstaf gehanteerd op basis waarvan wordt aangegeven waarom hennep illegaal zou zijn. De aangetroffen hennep is niet in Nederland geteeld. Dat heeft verdachte ook verklaard. De teelt van de hennep staat ook niet ter discussie. Wat verdachte belangrijk vindt om te benoemen is dat vezelhennep een ander soort hennep is dan reguliere hennep. Er is een verschil in het telen en gebruiken van vezelhennep en hennep. Bij vezelhennep staan mannelijke en vrouwelijke planten door elkaar heen. Bij reguliere hennep gaat het alleen om de vrouwelijke plant. Daarbij is de hoeveelheid THC hoger waardoor het met plezier gerookt kan worden. Met vezelhennep is dat wezenlijk anders. Het zijn verschillende rassen. Of sprake is van vezelhennep hangt niet af van het doel van de hennep, maar van het ras. Daar komt bij dat van het doel van de teelt niets bekend is. Verdachte is namelijk niet betrokken geweest bij de teelt. Het gedeelte dat verdachte heeft gekregen is het bijproduct van dezelfde plant waar vezelhennep uit voortkomt. Het is van belang om vast te stellen of het hier gaat om vezelhennep of om reguliere hennep en dat kan simpelweg getest worden. In dat kader is het noodzakelijk om door een deskundige te laten onderzoeken of sprake is van vezelhennep met minder dan 0.2% THC. Als niet bekend is wat het is, dan kunnen er ook geen conclusies aan worden verbonden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal aangegeven dat als het om het ras Fedora gaat, het dan volgens de richtlijn nog niet in Nederland is toegelaten. Ik heb de richtlijn ook bekeken. In de tweede kolom staat waar het ras is toegelaten en niet wat is toegestaan. Zo wordt het wel door de advocaat-generaal uitgelegd. Toelating betekent niet dat het bij andere landen niet is toegestaan. In hetzelfde rijtje van Fedora staan andere soortgelijke rassen waarin ook Nederland als land van toelating is benoemd. Dat ras komt specifiek uit Nederland, maar dat betekent niet dat het ergens anders niet is toegestaan. In de inleiding van de richtlijn wordt benoemd dat de rassen die onder 1, 2 en 3 op de lijst staan zonder handelsbeperking verhandeld kunnen worden. Het gaat echt om de rassen die in de Europese gemeenschap zonder handelsbeperking kunnen werden verhandeld. Artikel 16 van die richtlijn houdt in dat de lidstaten zorgdragen dat, met ingang van de datum van de in artikel 17 bedoelde publicatie, zaad van rassen die zijn toegelaten overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn of overeenkomstig beginselen die overeenstemmen met die van deze richtlijn aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras wordt onderworpen. Het gaat dus om het ras dat op de gewassenlijst staat. De richtlijn heeft rechtstreekse werking. Het is noodzakelijk om vast te stellen dat het is wat op het certificaat staat. Daarom wordt verzocht onderzoek te laten doen naar het soort hennep waar het hier over gaat en wat het THC-gehalte is van deze hennep. Het THC-gehalte van vezelhennep is onder de 0,2%.
[…]
De advocaat-generaal voert het woord:
[…]
Ten aanzien van het verzoek tot het laten onderzoeken van de hennep merk ik het volgende op. Ik heb mijn standpunt al op papier gezet. Ik wil nog iets aanvullen. De raadsvrouw voert aan dat het doel van de teelt niet relevant is. Dat is een verkeerde kijk op de zaak. Artikel 3 van de Opiumwet is een verbodsbepaling. Artikel 12 van de richtlijn is daarop een uitzondering. Gelet op ECLI:NL:HR:2018:2337 is voor die uitzondering weinig ruimte. De uitzondering van artikel 12 van de richtlijn geldt als sprake is van teelt voor een industrieel doel en als het onlosmakelijk verbonden is met de productie van vezelhennep. In dit geval is geen sprake van een onlosmakelijk verband met de productie van vezelhennep. De raadsvrouw heeft een heel verhaal over rassen en soorten en het THC-gehalte daarvan. Er wordt verwezen naar het soort Fedora. Allereerst wil ik opmerken dat het hier niet alleen gaat om Fedora, maar ook om Gelato. In het schriftelijk standpunt heb ik ook aangevoerd dat Fedora alleen in Frankrijk is toegelaten en dus niet in Nederland. Vezelhennep mag in Nederland worden geteeld voor de zaden en vezels. Verdachte had henneptoppen in zijn bezit en heeft verklaard dat deze bedoeld waren voor thee. Er is in dit geval geen enkele ontheffing voor de strafbaarheid. Op geen enkele wijze had verdachte een dergelijke hoeveelheid van deze henneptoppen mogen afleveren, het THC-gehalte maakt daarvoor niets uit. Er is geen noodzaak om de hennep te laten onderzoeken. De uitkomst daarvan is namelijk niet relevant voor beslissingen van het hof. Ik verzoek het hof het verzoek af te wijzen.”
15. Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting van 16 maart 2022 met de volgende motivering afgewezen:
“Het hof ziet thans geen noodzaak in het laten verrichten van nader onderzoek naar de hennep gelet op de onderbouwing van het verzoek door de raadsvrouw in het licht van het aan verdachte tenlastegelegde feit. Als tijdens de beraadslaging zal blijken dat nader onderzoek wel noodzakelijk is, dan zal de zaak worden heropend en alsnog worden aangehouden teneinde dat onderzoek te laten uitvoeren.”
16. De raadsvrouw heeft vervolgens bij gelegenheid van pleidooi op de terechtzitting van 16 maart 2022 het volgende aangevoerd:
“De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat henneptoppen niet onder de uitzondering vallen. De verdediging kijkt daar anders tegenaan. Henneptoppen zijn onderdeel van de industriële hennepplanten. Er kan geen hennepplant worden gekweekt zonder henneptoppen. De henneptoppen zijn niet in Nederland gekweekt. Het kweekdoel is daarom niet vast te stellen. Het gaat hier om een bijproduct van een industriële hennepplant. Het is een onderdeel van het productieproces. Als je iets produceert, krijg je daar ook bijproducten van. Verdachte heeft de bijproducten verstuurd naar een ander land. Er is sprake van de uitzondering. Er kan in ieder geval niet worden uitgesloten dat de henneptoppen vallen onder de uitzondering. Het is noodzakelijk om te laten onderzoeken om wat voor hennep het gaat. Anders dient vrijspraak te volgen omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat het hier gaat om reguliere hennep. Dat er volgens een swaptest THC in de henneptoppen zit, zegt niets over de hoogte van het THC-gehalte. De politie heeft tijdens het verhoor van verdachte gezegd dat de henneptoppen nader onderzocht zouden worden. Die toezegging is gedaan. Dan mag je ook verwachten dat er onderzoek zal gaan plaatsvinden. Dat is niet gebeurd. Ik verzoek het hof om verdachte vrij te spreken en anders rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.”
17. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“Hij op 9 april 2019 te Utrecht opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van ongeveer 89,86 en 91,99 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst II.”
18. Het hof heeft in zijn arrest overwogen:
“Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om onderzoek te laten doen naar het THC-gehalte van de inbeslaggenomen hennep die verdachte voor verzending naar het buitenland heeft aangeboden dan wel om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Dat de swaptest een indicatie van THC heeft gegeven in de inbeslaggenomen hennep zegt niets over het gehalte van THC. De henneptoppen zijn bijproducten van de industriële hennepplant en bevatten niet meer dan 0.2% THC. Er is sprake van legale vezelhennep van het soort Fedora. Fedora staat als ras in de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen. Artikel 16 van de richtlijn 2002/53/EG van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen houdt in dat er geen enkele handelsbeperking is ten aanzien van de rassen uit de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen. Verdachte meent dat sprake is van vrij verkeer van goederen van Fedora en dat dit derhalve ook in Nederland is toegestaan. De politie heeft tijdens het verhoor van de verdachte nader onderzoek naar het THC-gehalte van de hennep toegezegd. Dit onderzoek heeft echter nooit plaatsgevonden.
Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat de door verdachte verstuurde hennep onder de uitzondering van artikel 12 van het Opiumwetbesluit valt. Verdachte is niet bij de teelt betrokken geweest. Het kweekdoel van de hennepplant is niet vast te stellen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de gebezigde bewijsmiddelen zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Verdachte heeft op 9 april 2019 bij een postagentschap in Utrecht vier pakketten afgeleverd voor verzending naar Noord-Ierland en Zwitserland. De politie werd geïnformeerd en vervolgens werden de aan Noord-Ierland geadresseerde pakketten in beslag genomen vanwege een hevige henneplucht aan die pakketten. In de inbeslaggenomen pakketten werden plastic zakjes met henneptoppen aangetroffen met een totaal gewicht van 181,85 gram. Uit de MMC-test kwam een positieve indicatie op THC van de in alle zakjes aangetroffen hennep naar voren.
De centrale vraag in deze zaak is of sprake is geweest van de aan verdachte verweten handelingen in relatie tot hennep als bedoeld in de Opiumwet en of sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 12 van het Opiumwetbesluit.
De raadsvrouw heeft bij pleidooi primair verzocht om het onderzoek ter zitting te schorsen en nader onderzoek te laten doen naar het THC-gehalte in de aangetroffen henneptoppen. Het hof wijst dit verzoek af.
Op grond van artikel 3 onder B van de Opiumwet is het verboden om hennep, als vermeld op lijst II te telen, te bereiden, te bewerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren. Bij de nadere omschrijving van hennep in lijst II is hennep gedefinieerd als ‘elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’. Daaruit volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het in artikel 3 onder B van de Opiumwet beschreven verboden handelen geldt voor alle delen van de hennepplant en daarmee ook henneprestanten, ongeacht het THC-gehalte van die planten en henneprestanten. Uit het door de politie ingestelde onderzoek is van de aanwezigheid van THC in de inbeslaggenomen hennep gebleken. Nader onderzoek naar het gehalte van THC is niet noodzakelijk nu de beantwoording van die vraag niet van belang is voor enige door het hof te beantwoorden vraag. Het hof concludeert in dat licht immers dat – gelet op de ruime uitleg die de Opiumwet geeft aan het begrip hennep – het THC-gehalte in de hennep niet relevant is voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het hof wijst het verzoek tot nader onderzoek naar het THC-gehalte van de hennep dan ook af.
Dat tijdens het verhoor door de politie tegen de verdachte is gezegd dat de inbeslaggenomen hennep nader zou worden onderzocht, maakt het vorenstaande niet anders nu het hof thans heeft beslist dat het herhaalde verzoek van de raadsvrouw om dat nadere onderzoek niet noodzakelijk is.
De raadsvrouw heeft tevens een beroep gedaan op de richtlijn 2002/53/EG van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenIijst van landbouwgewassen en gesteld dat de hennep(delen) die door verdachte ter verzending is (zijn) aangeboden onderdeel uitmaakt van een toegestaan ras dat binnen de Europese Unie vrij verhandeld en vervoerd mag worden. Het hof overweegt dat deze richtlijn in het licht van artikel 12 van het Opiumwetbesluit moet worden bezien, waarbij het hof voorts rekening houdt met het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2337). Artikel 12 van het Opiumwetbesluit houdt in dat de verboden, gesteld in artikel 3 onder B van de Opiumwet, niet gelden voor hennep die kennelijk bestemd is voor het winnen van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht. Deze uitzondering wordt ook de landbouwexceptie genoemd en geldt voor het gehele proces van telen tot en met verkopen en afleveren van vezels en zaden. Een ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een Opiumwetontheffing. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de door hem verstuurde henneptoppen afkomstig waren van hennep die in Oostenrijk is geteeld en bestemd waren voor thee en aromastoffen dan wel voor de productie van Cannabidiol (CBD). Gesteld, noch gebleken is dat het handelen van verdachte onderdeel uitmaakte van het proces gericht op de productie van vezel of de winning van (vezel)zaden. Daarenboven is het niet vast te stellen dat de teelt van de hennep waarvan verdachte de henneptoppen heeft afgeleverd in de volle grond en in de open lucht heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan is er geen sprake van een uitzondering als bedoeld in artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Verdachtes handelen is strafbaar.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 april 2019 te Utrecht opzettelijk heeft afgeleverd een hoeveelheid van 89,86 en 91,99 gram hennep.”
19. Zoals hiervoor al aangegeven, wordt met het middel betoogd dat het hof ten onrechte het verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de hennep heeft afgewezen, althans dat de motivering van de afwijzing van het verzoek – in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd – ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is.
20. Ik begin met de bespreking van de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat er geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek aan de hennep.
21. In de schriftuur wordt aangevoerd dat de verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat het gaat om vezelhennep, die op grond van art. 12 van het Opiumwetbesluit de uitzondering vormt op de verbodsbepaling van art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet en volgens de Richtlijn niet aan handelsbeperkingen mag worden onderworpen. Het is volgens de steller van het middel daarom wel degelijk noodzakelijk dat de vraag wordt beantwoord of er sprake is van hennep, zijnde een middel opgenomen op lijst II van de Opiumwet, of dat het gaat om hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep. Als er van laatstgenoemde hennep sprake is, dan zou – aldus de steller van het middel – het verbod van art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet gelet op de uitzonderingsbepaling van art. 12 Opiumwetbesluit en de Richtlijn 2002/53/EG betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen niet gelden.
22. Bij de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II [...]:
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.”
- Art. 3c lid 1 Opiumwet:
“Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen en toepassingen worden aangewezen waarvoor een in artikel 2 of 3 omschreven verbod geheel of ten dele niet geldt.”
- Lijst II behorende bij de Opiumwet, voor zover in cassatie van belang:
“Hennep”, waaronder volgende de nadere omschrijving wordt begrepen: “elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden”.
- Art. 12 Opiumwetbesluit:
“De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet [hier wordt bedoeld: de Opiumwet, DP], gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.”
- Art. 1 lid 1 van de Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (hierna: de Richtlijn):
“Deze richtlijn heeft betrekking op de opneming van rassen van bieten, groenvoedergewassen, granen, aardappelen, alsmede van oliehoudende planten en vezelgewassen in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het zaaizaad of pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de richtlijnen betreffende het in de handel brengen van respectievelijk bietenzaad (2002/54/EG), zaaizaad van groenvoedergewassen (66/401/EEG), zaaigranen (66/402/EEG), pootaardappelen (2002/56/EG), en zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (2002/57/EG).”
23. De nota van toelichting bij art. 12 Opiumwetbesluit houdt het volgende in:
“In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen.
Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering.”
24. Uit de hiervoor geciteerde wetsbepalingen volgt dat de soort hennep, en de daarmee samenhangende vraag naar het THC-gehalte van de aangetroffen hennep, in ieder geval niet bepalend is voor de vraag het in art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet gegeven verbod van toepassing is op de aangetroffen hennep. Uit de definitie van hennep op lijst II van de Opiumwet blijkt immers dat elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden, hennep betreft. Daaruit blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het voor de toepasselijkheid van het in art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet gegeven verbod niet van belang is welk THC-gehalte die hennep heeft. Ook vezelhennep – waar het volgens de verdediging in deze zaak om gaat – valt in beginsel onder dat verbod. In zoverre heeft het hof dus terecht en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat nader onderzoek naar het THC-gehalte van de aangetroffen hennep, en daarmee ook naar de soort hennep, in het licht van het tenlastegelegde feit niet noodzakelijk is.
25. Voorts ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het nader onderzoek naar de aangetroffen hennep ook in het licht van art. 12 Opiumwetbesluit niet noodzakelijk is. Zoals het hof in zijn bewijsoverweging met juistheid overweegt, geldt het verbod van art. 3, aanhef en onder B, Opiumwet op grond van art. 12 Opiumwetbesluit niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor het winnen van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep. Art. 12 Opiumwetbesluit maakt daarmee een uitzondering op de verboden van de Opiumwet voor een specifieke toepassing van hennep, namelijk het productieproces van vezelhennep. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat de door hem verstuurde henneptoppen bestemd waren voor thee en aromastoffen dan wel voor de productie van Cannabidiol en vervolgens overwogen dat niet gesteld en gebleken is dat het handelen van de verdachte onderdeel uitmaakte van het proces gericht op de productie van vezel of de winning van (vezel)zaden. Reeds op die grond faalt het beroep op de uitzondering van art. 12 Opiumwetbesluit. Ook in zoverre was nader onderzoek naar de aangetroffen hennep dus niet noodzakelijk.
26. Tot slot gaat ook het ter onderbouwing van het verzoek tot nader onderzoek gedane beroep op de Richtlijn niet op. Gelet op art. 1 lid 1 heeft de Richtlijn immers slechts betrekking op het in de handel brengen van zaaizaad en pootgoed. Nu het in de onderhavige zaak volgens de vaststellingen van het hof niet gaat om het in de handel brengen van zaaizaad of pootgoed maar om het afleveren van henneptoppen, is nader onderzoek naar de aangetroffen hennep in het licht van een beroep op de Richtlijn niet noodzakelijk.
27. Gelet op het voorgaande, heeft het hof dus terecht geoordeeld dat er geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek aan de hennep.
28. Voor zover het de motivering van de afwijzing betreft, richt de steller van het middel zich met name – zo leid ik af uit de toelichting – tegen de door het hof gegeven motivering op de terechtzitting van 16 maart 2022 (zie hiervoor onder 15). In dat verband wordt gesteld dat het hof het verzoek heeft afgewezen “met de enkele overweging dat het hof thans geen noodzaak ziet gelet op de onderbouwing van het verzoek in het licht van het tenlastegelegde feit.” Daarmee gaat de steller van het middel er evenwel aan voorbij dat het hof de afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek bij arrest van 30 maart 2022 nogmaals heeft afgewezen en van een nadere motivering heeft voorzien (zie hiervoor onder 18). Voor zover het middel zich richt tegen de door het hof tijdens de terechtzitting van 16 maart 2022 gegeven motivering, faalt het daarom bij gebrek aan belang.
29. Het tweede middel faalt.
Slotsom
30. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt.
31. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen na 13 april 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Als deze zaak wordt teruggewezen, zal het hof bij een (eventuele) strafoplegging met deze overschrijding rekening kunnen houden. Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG