ECLI:NL:PHR:2024:603

ECLI:NL:PHR:2024:603, Parket bij de Hoge Raad, 18-06-2024, 23/02771

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/02771
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1348
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen poging tot moord (art. 45 jo. 47 jo. 289 Sr) en bezit vuurwapen en munitie (art. 26 WWM). Het eerste middel, dat klaagt over het oordeel van het hof omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, is terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden, omdat ter terechtzitting geen verweer is gevoerd op dit punt. Het tweede middel, dat klaagt dat de opgelegde gevangenisstraf verbazing wekt, faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02771

Zitting 18 juni 2024

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1 primair "medeplegen van poging tot moord" en onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het tweede middel klaagt over de motivering van de hoogte van de door het hof opgelegde gevangenisstraf.

Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de overwegingen van het hof omtrent de strafoplegging weer.

2. Strafmotivering hof

Het hof heeft ten aanzien van de oplegging van de straf het volgende overwogen:

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte tot de maximaal mogelijke straf moet worden veroordeeld. Op basis van zijn requisitoir, waarin is uitgegaan van een bewezenverklaring voor feit 1 primair, 2, 3 primair en 4 meer subsidiair, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een duur van veertien jaren en zeven maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om - gelet op de conclusies van de deskundigen uit het persoonlijkheidsonderzoek dat is verricht, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de inmiddels veranderde regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling - bij een bewezenverklaring van één of meer feiten een straf op te leggen die naar ratio lager is dan de straf die in eerste aanleg is opgelegd.

Oordeel van het hof

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de poging tot moord op [slachtoffer], door die [slachtoffer] meermalen van dichtbij met een vuurwapen te beschieten en er vervolgens met een vluchtauto vandoor te gaan. Op de avond van de beschieting hebben verdachte en zijn mededader het slachtoffer vanuit Nederland naar zijn woning in Duitsland achtervolgd in een gestolen BMW, om daar het vuur op hem te openen. [slachtoffer] is door meerdere kogels in zijn been en zij geraakt. Het is een wonder dat hij deze poging tot liquidatie heeft overleefd. Voorafgaand aan de aanslag heeft verdachte al zicht gehouden op auto’s in Gronau, zodat kan worden aangenomen dat hij ook intensief betrokken is geweest bij de voorbereiding van het feit. De aanleiding voor de aanslag lijkt te zijn gelegen in een conflict vanuit een crimineel milieu met de broer van het slachtoffer, die waarschijnlijk het beoogde doelwit was. Het hof is van oordeel dat uit de kille en berekenende wijze van uitvoering een bepaalde onverschilligheid blijkt. Voor verdachte leek het niet van belang wie er neergeschoten werd of wat de redenen daarvoor waren. Dat is wat de feiten naar het oordeel van het hof zo ernstig en schokkend maken.

Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die niet alleen operaties heeft moeten ondergaan en fysieke beperkingen aan de beschieting over heeft gehouden, maar ook gedurende de achtervolging en na 24 mei 2017 gevoelens van angst en onveiligheid moet hebben gehad als gevolg van deze aanslag op zijn leven.

Daarnaast heeft verdachte bijgedragen aan de publieke onrust en verontwaardiging die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaat. Het gronddelict van het feit waar verdachte zich schuldig aan heeft gemaakt, te weten moord, behoort tot de ernstigste feiten die strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Een (poging tot) moord in de vorm van een (poging tot) liquidatie benadrukt die ernst des te meer.

Het hof houdt in het kader van de te bepalen op te leggen strafrekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters worden opgelegd. Voor één moord die zich als liquidatie laat aanmerken, geldt in de rechtspraak inmiddels een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren als uitgangspunt. In dit geval is er sprake van een poging, zodat dit uitgangspunt met een derde wordt verminderd.

In strafverzwarende zin houdt het hof er rekening mee dat verdachte ook nog een verboden vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Het hof heeft verder gelet op het verdachte betreffend Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 1 mei 2023, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor overtredingen van de Wet Wapens en munitie en het plegen van vermogens-, gewelds- en Opiumdelicten. In het bijzonder houdt het hof rekening met de veroordeling van dit hof van 6 april 2022 waarbij verdachte tot twaalf jaren gevangenisstraf is veroordeeld voor twee maal medeplegen van poging tot moord door middel van opzettelijke brandstichting in een woning.

Over verdachte zijn in het kader van die onderzoeken met de zaaknamen Zeelt en Tapir rapportages opgemaakt door de reclassering op 5 maart 2021, door de psycholoog C. Sipma op 26 oktober 2021 en de psychiater K.N. Broek op 25 oktober 2021. Deze rapportages zijn gevoegd in het strafdossier van de zaak Egypte. Uit die rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van ontwikkelingsproblematiek in de vorm van ADHD en dat er sprake is van een stoornis in het gebruik van amfetamine. De psychiater is van mening dat er ook sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Door de deskundigen wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Verdachte wordt omschreven als iemand die zich impulsief gedraagt, waardoor hij eerst doét en daarna pas denkt. Hij kan de gevolgen van zijn handelen op lange termijn niet goed overzien. Binnen de detentie laat verdachte positief gedrag zien. Nu de psychiater en de psycholoog verschillen van mening over de vraag of er verband bestaat tussen de gestelde diagnose en het delict en het hof vaststelt dat de feiten waarvan verdachte in het onderzoek Egypte wordt verdacht door de beide deskundigen niet in hun onderzoek zijn betrokken, ziet het hof in deze zaak geen aanleiding om de bewezenverklaarde feiten niet volledig aan verdachte toe te rekenen.

De redelijke termijn voor de berechting is in hoger beroep overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 30 december 2019, terwijl het hof arrest wijst op 12 juli 2023. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ruim achttien maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen met 3 maanden.

Voor de strafoplegging in hoger beroep ziet het hof daarnaast aanleiding om rekening te houden met het feit dat na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg, de regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling per 1 juli 2021 is gewijzigd. De maximale periode van voorwaardelijke invrijheidstelling is na 1 juli 2021 twee jaar voor het einde van de duur van de opgelegde gevangenisstraf geworden. Dit betekent dat verdachte bij eenzelfde straf in hoger beroep als in eerste aanleg is opgelegd, feitelijk langer vast zou komen te zitten. Ook hierin ziet het hof aanleiding om de beoogde gevangenisstraf in hoger beroep te matigen.

Alles afwegend zal het hof verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten.

De op te leggen straf is - ondanks de vrijspraken voor de beschietingen van een uitgaansgelegenheid en een woning onder feit 3 en 4 - feitelijk hoger dan de straf die in eerste aanleg is opgelegd. Dit heeft er enkel mee te maken dat het hof in het vonnis van de rechtbank leest dat de rechtbank weliswaar de bedoeling had om de maximaal op te leggen gevangenisstraf op te leggen, maar dat die beperkt werd door de werking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht vanwege een andere veroordeling van 16 jaar gevangenisstraf. Die laatstgenoemde straf is inmiddels in hoger beroep veranderd in 12 jaar gevangenisstraf. In de onderhavige zaak acht het hof voor de twee bewezenverklaarde feiten opnieuw een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, gelet op de achteloosheid en de onverschilligheid waaronder deze feiten zijn begaan. Het hof overweegt daarbij dat als de grenzen in het gedrag worden opgezocht, daar ook tegenover staat dat de grenzen in de op te leggen straffen moeten worden opgezocht. In dit geval is daarbij wel rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de wijziging van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”

3. Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat de overweging van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaren met achttien maanden is overschreden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De verdachte bevond zich immers in voorlopige hechtenis, wat betekent dat de redelijke termijn zestien maanden bedroeg en dat deze dus met 26 maanden is overschreden. In dit licht bezien is de strafverlaging van drie maanden (en daarmee de opgelegde straf) niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.

Bespreking van het eerste middel

Het middel klaagt terecht dat het hof ten onrechte de tweejaarstermijn als uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de redelijke termijn. Uit het zich in het dossier bevindende detentieoverzicht van de verdachte blijkt dat hij zich vanaf de dag van zijn veroordeling in eerste aanleg op 20 december 2019 tot aan zijn veroordeling in hoger beroep continu in voorlopige hechtenis heeft bevonden in verband met de onderhavige zaak. Het hof had dus de termijn van zestien maanden als uitgangspunt moeten nemen bij zijn oordeel. De vraag is echter of dit tot cassatie moet leiden. Vaste rechtspraak is dat een cassatieklacht inzake de redelijke termijn niet kan slagen als “de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn”, omdat in zo’n geval “moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd”.

In de onderhavige zaak waren zowel de verdachte als zijn raadsvrouw aanwezig op de zitting van 1 juli 2023. In aanvulling op haar pleitnota heeft zij volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juli 2023 het volgende aangevoerd:

“Uw hof heeft heel terecht in de andere strafzaak van mijn cliënt van de brandstichtingen rekening gehouden met de veranderde regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. In eerste instantie zou er in die zaak een week voor het veranderen van de regeling uitspraak worden gedaan, maar de zaak moest worden aangehouden. Uiteindelijk heeft uw hof in die zaak in plaats van een gevangenisstraf van 16 jaren, een gevangenisstraf van 12 jaren opgelegd. Het maakt nogal verschil of je 1/3° aftrek krijgt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling of slechts twee jaren. Ik vind dat deze zaak zo lang heeft voortgesleept en zo lang boven het hoofd van mijn cliënt heeft gehangen, dat ik hoop dat u daar bij het bepalen van de strafmaat - als u daaraan toekomt - rekening mee houdt en let op het verschil in uit te zitten straf zou door het veranderen van die regeling. Het betekent namelijk een verschil van zeven jaar en ik wil u vragen om daar oog voor te hebben.”

Hoewel de raadsvrouw heeft gewezen op de lange duur van de zaak, meen ik dat dit verweer is gevoerd in het kader van de nieuwe VI-regeling welke geldt voor verdachten die op of na 1 juli 2021 zijn veroordeeld en niet ziet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Mocht de Hoge Raad hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd wel als een responsieplichtig redelijke termijn-verweer zien, dan slaagt het middel en kan de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf zelf matigen.

4. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt over de motivering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Deze straf wekt volgens de steller van het middel verbazing, nu

i) deze aanzienlijk hoger is dan de straf die in eerste aanleg is opgelegd, terwijl het hof de verdachte heeft vrijgesproken van een aantal feiten waarvoor hij door de rechtbank is veroordeeld;

ii) de straf maar in zeer beperkte mate lager is dan de in hoger beroep geformuleerde strafeis die gebaseerd was op een bewezenverklaring van meer (ernstige) strafbare feiten dan waarvoor de verdachte door het hof is veroordeeld;

iii) de straf ten opzichte van de straf in eerste aanleg een langere effectieve vrijheidsbeneming met zich meebrengt, gelet op de nieuwe VI-regeling die de voorwaardelijke invrijheidsstelling maximeert tot twee jaar. Bij dit laatste is het hof voorbij gegaan aan het argument van de raadsvrouw dat hierbij ook rekening moet worden gehouden met de opgelegde straf in een andere strafzaak tegen de verdachte, omdat deze straffen in het kader van de VI-regeling ingevolge art. 6:2:6 en 6:2:10 Sv als één straf worden gezien.

Bespreking van het tweede middel

Bij de bespreking van het tweede middel dient voorop te worden gesteld dat de feitenrechter beschikt over ruime straftoemetingsvrijheid. Hij is binnen de grenzen die de wet stelt vrij te kiezen welke factoren hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht en hoe hij deze factoren weegt. De Hoge Raad stelt zich bij de beoordeling van de straftoemeting terughoudend op. Wel geldt voor de rechter een nadere ambtshalve motiveringsplicht als het ontbreken van een aanvullende motivering tot verbazing over de opgelegde straf zou leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de rechter een aanzienlijk zwaardere straf oplegt dan is gevorderd door de aanklager of als een aanzienlijk zwaardere straf wordt opgelegd dan in eerste aanleg het geval was.

In de onderhavige zaak is door het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 jaren opgelegd voor het medeplegen van een poging tot moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof heeft deze strafoplegging uitvoerig gemotiveerd. Het stond het hof vrij om hierbij acht te slaan op de ernst van het feit, de publieke onrust die dergelijke feiten teweegbrengen, de omstandigheid dat de verdachte ook een verboden vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad, dat hij eerder is veroordeeld voor overtreding van de WWM en vermogens-, gewelds- en opiumdelicten en op straffen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters worden opgelegd. Wat mij betreft wekt deze straf geen verbazing. Hetgeen de steller van het middel hierover aanvoert, maakt dit niet anders.

Het argument dat het verbazing wekt dat het hof de verdachte een hogere straf heeft opgelegd dan de 10 jaren en 7 maanden waartoe de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld, terwijl het hem – anders dan de rechtbank – heeft vrijgesproken van de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot moord en het onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van bedreiging met een levensdelict, gaat niet op. Dit verschil kan namelijk worden verklaard door de beperkingen die de werking van art. 63 Sr met zich meebrengt voor de straftoemetingsvrijheid van de rechtbank. In eerste aanleg is door de officier van justitie de maximale straf geëist die de wet toestaat voor de door de verdachte gepleegde delicten, namelijk 26 jaren en 7 maanden. De rechtbank was het blijkens haar strafmotivering eens met deze eis, nu zij heeft overwogen dat “geen andere reactie kan volgen dan de maximaal op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf”. De rechtbank achtte dus in beginsel, in navolging van de OvJ, een gevangenisstraf van 26 jaren en 7 maanden passend en geboden, maar moest hierbij conform de wettelijke vereisten de “eerder dit jaar opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaren” verdisconteren, zodat de opgelegde straf uiteindelijk op ruim 10 jaren uitkwam. Het hof heeft hier in de strafmotivering ook bij stilgestaan, zodat het verschil met de door de rechtbank opgelegde straf evenmin verbazing wekt.

Het betoog dat de straf eveneens verbazing wekt, omdat deze maar in zeer beperkte mate lager is dan de in hoger beroep geformuleerde strafeis die gebaseerd was op een bewezenverklaring van meer (ernstige) strafbare feiten dan waarvoor de verdachte door het hof is veroordeeld, kan ik ook niet volgen, omdat dit wederom te maken heeft met de beperkingen die art. 63 Sr aan de rechter in het kader van de strafoplegging stelt. Het openbaar ministerie – zo blijkt uit het requisitoir – achtte de maximumstraf van 26 jaar en 8 maanden passend en geboden, maar heeft – genoodzaakt door art. 63 Sr – uiteindelijk een gevangenisstraf van 14 jaren en 5 maanden geëist. Dit betekent dat – ook rekening houdend met de feiten waarvoor het hof heeft vrijgesproken – geen sprake is van een beslissing die verbazing wekt ten opzichte van de straf die de OvJ voor ogen stond.

Dan rest het argument dat de straf verbazing wekt, omdat de straf – gezien de nieuwe VI-regeling – de facto hoger is dan de in eerste aanleg opgelegde straf die nog onder het oude VI-regime viel. Ook op dit punt ben ik een andere mening toegedaan dan de steller van het middel. Vaste rechtspraak is dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met de manier waarop de op te leggen straf ten uitvoer zal worden gelegd, de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling daaronder begrepen, en anderzijds dat geen rechtsregel de rechter voorschrijft daarmee wel rekening te houden. In de onderhavige zaak heeft het hof de nieuwe VI-regeling in strafmatigende zin laten meewegen. Zulks stond het hof vrij, maar dit betekent niet dat het hof in zo’n geval is gehouden de straf zo sterk te matigen dat de verdachte in dezelfde positie wordt gebracht als het geval zou zijn geweest bij toepassing van de oude VI-regeling. Het hof was dus niet gehouden om nader te motiveren waarom de straf niet verder is gematigd. Dat art. 6:2:6 Sv meebrengt dat de gevangenisstraf van 12 jaren die aan de verdachte in de andere strafzaak is opgelegd voor het tweemaal medeplegen van moord door middel van brandstichting en de straf die aan hem is opgelegd in de onderhavige zaak voor toepassing van art. 6:2:10 Sv als één vrijheidsstraf moeten worden gezien, maakt dit wat mij betreft niet anders.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Slotsom

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?