PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03677 B
Zitting 18 juni 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 20 september 2022 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van twee personenauto’s en een geldbedrag waarvan de klaagster stelt dat die haar in eigendom toebehoren ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/03678. In deze zaak is het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
In het middel wordt geklaagd over de ongegrondverklaring van het klaagschrift, in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat sterke aanwijzingen bestaan dat de voorwerpen niet aan de klaagster toebehoren.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
In het kader van de strafzaak tegen verdachte [ betrokkene 1] is op 30 juni 2021 op een Volkswagen Golf, een Seat Leon en een geldbedrag beslag gelegd. Op 14 juli 2022 is door de klaagster een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de auto’s en het geldbedrag waarvan zij stelt de rechthebbende te zijn. Het beklag is op 20 september 2022 door de rechtbank Den Haag ongegrond verklaard.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 november 2022 in de strafzaak tegen [ betrokkene 1] . In dit vonnis is de in beslag genomen Seat onttrokken aan het verkeer. Mij is ambtshalve bekend dat dit vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden, zodat het cassatieberoep van de klaagster op dit punt niet-ontvankelijk is.
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt voorts dat de Volkswagen Golf is verkocht voor een bedrag van € 9.345 en dat dit bedrag inmiddels is teruggegeven aan de klaagster. Hetzelfde geldt voor het in beslag genomen geldbedrag van € 12.500. Dit betekent dat het beslag op de auto en het geldbedrag op grond van art. 134 lid 2 onder a Sv is geëindigd en de klaagster ook ten aanzien van deze voorwerpen niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep.
3. Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG