Nummer22/01970
Zitting 25 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het middel
3. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2022 houdt in verband met het aanhoudingsverzoek het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
wonende te [postcode] [plaats], [a-straat 1],
is niet verschenen.
De raadsvrouw van verdachte mr. E.D. van Elst, advocate te Veenendaal, is evenmin verschenen.
De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Vanochtend is bij het hof een e-mailbericht van de raadsvrouw binnengekomen waarin zij aangeeft dat zij geen contact met verdachte heeft kunnen krijgen en dat zij dus niet met hem heeft kunnen kortsluiten of hij op de hoogte is van de zitting en of zij gemachtigd is namens hem de verdediging te voeren. De raadsvrouw verzoekt dan ook de zaak aan te houden en geeft aan niet ter zitting te zullen verschijnen.
De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding voor de terechtzitting van vandaag op juiste wijze is betekend. Dit is de raadsvrouw door de griffier ook nog voor de zitting telefonisch meegedeeld. Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Ik verzet mij tegen het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden. Het verzoek is totaal niet onderbouwd, behalve dat de raadsvrouw geen contact heeft kunnen krijgen met verdachte. Het ligt op de weg van verdachte om contact te zoeken met zijn raadsvrouw. Er zijn geen grieven. Ik vorder de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het appel op grond artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat. De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede -zakelijk weergegeven-:
Het aanhoudingsverzoek is niet onderbouwd en bevat geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden. De betekening is in orde. Niet is gebleken waarom de behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden. Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af.
[…]
Onderwerp: [verdachte]/OM hb 21/ 004102-21 zitting vandaag 11.30 uur
Edelgrootachtbare Heer/Vrouwe,
Hedenochtend staat bovengenoemde zaak op zitting. Ik heb echter voor deze zitting geen contact met cliënt kunnen krijgen dus ik heb niet met hem kunnen kortsluiten of hij op de hoogte is van deze zitting en/of ik gemachtigd ben namens hem de verdediging te voeren.
Ik mag u dan ook verzoeken de zaak te houden. Overigens zal ik niet ter zitting verschijnen.
Met vriendelijke groet
E.D. van Elst”
5. In deze zaak heeft de (niet gemachtigde) raadsvrouw voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting van 23 mei 2022 per e-mail een verzoek tot aanhouding gedaan. In haar mail geeft zij aan dat zij voor de terechtzitting geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen en dat zij dus niet met hem heeft kunnen kortsluiten of hij op de hoogte is van de zitting en of zij gemachtigd is namens hem de verdediging te voeren.
6. Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting afgewezen bij gebrek aan onderbouwing en omdat het geen reden bevat om de behandeling van de zaak aan te houden, terwijl de betekening in orde is en niet is gebleken waarom de behandeling van de zaak zou moeten worden aangehouden. Het hof heeft daarmee (onder meer) als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de raadsvrouw niet concreet een omstandigheid aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Dat oordeel lijkt mij gelet op de inhoud van het e-mailbericht van de raadsvrouw niet onbegrijpelijk. De raadsvrouw brengt daarin naar voren dat zij geen contact heeft kunnen krijgen met de verdachte, maar maakt niet duidelijk of zij wel of niet verwacht dat de verdachte ter terechtzitting zal verschijnen en waarom de verdachte eventueel verhinderd zou zijn. Hoewel het bericht van de raadsvrouw met een welwillende lezing zo opgevat had kunnen worden dat zij het voor mogelijk hield dat de verdachte niet op de hoogte was van de zitting, volgt dit niet met zoveel woorden uit haar verzoek. De raadsvrouw is vervolgens niet ter terechtzitting verschenen om uitleg te geven over het aanhoudingsverzoek. Bij die stand van zaken heeft het hof zijn afwijzende beslissing wat mij betreft niet onbegrijpelijk en dus toereikend gemotiveerd.
Slotsom
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG