4. Het eerste middel
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat onder de reikwijdte van het verschoningsrecht niet valt de informatie van hulpverleners over de aan [patiënt] verleende zorg, al dan niet voorzien van mogelijke opmerkingen ten aanzien van verbeteringen in de zorgverlening, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overwegingen van de rechtbank die zien op de reikwijdte van het verschoningsrecht met elkaar in tegenspraak zijn. Enerzijds overweegt de rechtbank immers dat de calamiteitenrapportage (in beginsel) onder het verschoningsrecht valt, terwijl de rechtbank anderzijds oordeelt dat onder de reikwijdte van het verschoningsrecht niet de informatie valt van hulpverleners over de aan [patiënt] verleende zorg, al dan niet voorzien van mogelijke opmerkingen ten aanzien van verbeteringen in de zorgverlening. Volgens de steller van het middel vallen de details over de aan [patiënt] verleende zorg zonder enige redelijke twijfel onder het beroepsgeheim en het verschoningsrecht. Art. 88 Wet BIG, art. 7:457 BW en art. 272 Sr zouden niet voor niets ruim zijn geformuleerd. In beginsel valt alles wat de hulpverlener in het kader van de zorg aan de patiënt te weten komt onder de reikwijdte van het beroepsgeheim.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er na het overlijden van [patiënt] en zijn echtgenote door een onafhankelijke toezichthouder onderzoek is verricht en het verslag en de uitkomst daarvan zijn neergelegd in het rapport waarvan de uitlevering is gevraagd. Tussen partijen is niet in het geschil dat het rapport in beginsel valt onder de reikwijdte van het verschoningsrecht van de klaagster op grond van art. 98, eerste lid, Sv. De rechtbank oordeelt dat ook voor haar buiten twijfel staat dat het rapport valt onder de reikwijdte van het verschoningsrecht. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht in het onderhavige geval rechtvaardigen. De rechtbank overweegt in het kader van die beoordeling dat zij begrijpt dat het rapport, naast medische gegevens van [patiënt], ook andere gegevens omtrent de aard van de verstrekte hulpverlening bevat en dat vrijgave van dergelijke rapporten op grote bezwaren van de klaagster stuit. De rechtbank onderkent dat het van groot belang is dat niet alleen patiënten vrijuit kunnen spreken bij zorgverleners, maar ook dat zorgverleners vrijuit kunnen spreken bij een onderzoek als het onderhavige calamiteitenonderzoek. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het onderzoek dat heeft geleid tot het rapport een ander belang dient dan het verschoningsrecht, omdat een dergelijk onderzoek betrekking heeft op informatie over de aan [patiënt] verleende zorg, al dan niet voorzien van mogelijke opmerkingen ten aanzien van verbeteringen in de zorgverlening. Deze overweging begrijp ik zo dat de rechtbank daarmee tot uitdrukkelijk heeft willen brengen dat het onderzoek dat heeft geleid tot het calamiteitenrapport tot doel heeft om inzicht te geven in de kwaliteit van het zorgproces en derhalve niet uitsluitend betrekking heeft op de (medische) informatie die een arts over een patiënt heeft en waarop een beroepsgeheim en verschoningsrecht rust. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu informatie over de aan [patiënt] verleende zorg niet louter hoeft te zien op informatie over wat er in medisch opzicht met [patiënt] aan de hand zou zijn geweest en over de mogelijke oorzaken daarvan, maar ook ziet op de wijze waarop door de zorgverleners is gehandeld (feitenvaststelling). Genoemde overwegingen hangen zo bezien ook samen met het oordeel van de rechtbank dat het opvragen van dit rapport - in plaats van het medisch dossier - passend is.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
Het middel klaagt dat de rechtbank verzuimd heeft te toetsen aan art. 9, zesde lid, Wkkgz, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans is er sprake van een motiveringsgebrek.
Geklaagd wordt dat de rechtbank geen enkele overweging heeft gewijd aan art. 9, zesde lid, Wkkgz - een lex specialis met betrekking tot de verstrekking van calamiteitenrapporten - inhoudende dat gegevens uit het calamiteitenregister niet als bewijs gebruikt mogen worden in een strafrechtelijke procedure (nee, tenzij). Betoogd wordt dat de rechtbank allereerst de toets uit deze wet had moeten uitvoeren en de vraag had moeten beantwoorden of de gevraagde gegevens ‘redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen’, waarbij de Wkkgz een zeer strikte toets beoogt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:202 zou blijken dat met grote terughoudendheid moet worden omgegaan met het uitleveren van een calamiteitenrapportage om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van het melden van incidenten (incl. calamiteiten). Bovendien strekt de uitzondering in genoemd artikellid ertoe eventuele maatregelen te treffen tegen een zorgaanbieder (incl. degenen die voor die zorgaanbieder werkzaam zijn) indien daartoe redenen zouden zijn. Nu de klaagster geen verdachte is, is er in het onderhavige geval geen grond voor het toepassen van de uitzondering.
Art. 9, zesde lid, Wkkgz luidt als volgt:
“Gegevens in het register, bedoeld in artikel 7, tweede lid, betreffende intern gemelde incidenten, behoudens die met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie, kunnen niet in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt, noch kan een disciplinaire maatregel, een bestuurlijke sanctie of een bestuurlijke maatregel daarop worden gebaseerd. In afwijking van de eerste volzin kunnen de gegevens voor het strafrechtelijk bewijs worden gebruikt indien zij redelijkerwijs niet op een andere manier kunnen worden verkregen.”
Uit genoemde bepaling volgt dat gegevens in het interne incidentenregister als bedoeld in art. 7, tweede lid, Wkkgz, behoudens die met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie, niet in een - voor zover hier van belang - strafrechtelijke procedure als bewijs kunnen worden gebruikt. Het begrip “calamiteit” wordt in art. 1 Wkkgz gedefinieerd als “een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid”. Hieruit volgt dat de tweede volzin van genoemd artikel in het onderhavige geval toepassing mist. Overigens heeft de rechtbank als één van de beoordelingsfactoren in de belangenafweging betrokken of de informatie ook op andere wijze te verkrijgen is.
Het middel faalt.
6. Het derde middel
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
In de toelichting op het middel wordt een aantal deelklachten opgeworpen. In de eerste plaats wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van veronderstelde toestemming tot inzage in de medische gegevens c.q. het rapport. Geklaagd wordt dat het een rol laten spelen van veronderstelde toestemming in de belangenafweging onbegrijpelijk is, omdat veronderstelde toestemming in alle gevallen waarin het ernstige vermoeden bestaat dat een patiënt is overleden als gevolg van een verwijtbare fout van zijn of haar arts kan (of moet) worden aangenomen. Veronderstelde toestemming om medische gegevens vrij te geven kan volgens de steller van het middel dan ook nimmer bijdragen aan een optelsom van omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het concept van de zeer uitzonderlijke omstandigheden zou anders wel heel erg worden opgerekt. De rechtbank zou deze veronderstelde toestemming derhalve ten onrechte hebben laten meewegen, althans is dit oordeel onbegrijpelijk.
Vooropgesteld moet worden dat het geven van toestemming op zichzelf geen doorslaggevend argument is, maar het gegeven zijn van toestemming wel een aspect kan zijn dat een rol speelt in de afweging. Blijkens de overwegingen van de rechtbank is de rechtbank ook van dit beoordelingskader uitgegaan. Verder blijkt uit de overwegingen in hun geheel beschouwd dat aan de door de rechtbank aangenomen veronderstelde toestemming bij het oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheden geen doorslaggevende betekenis is toegekend. Daarop stuit deze deelklacht mijns inziens af.
In de tweede plaats wordt opgekomen tegen de grondslag waarop het oordeel van de rechtbank berust dat niet kan worden volstaan met enkel de verstrekking van de conclusie van het rapport. Volgens de steller van het middel miskent de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat een verschoningsgerechtigde als verdachte wordt aangemerkt niet toereikend is om zijn verschoningsrecht te doorbreken, maar dat slechts bij een ernstig vermoeden van verwijtbaar ondeskundig handelen van een arts de gegevens die - veelal verplicht - met betrekking tot de medische behandeling in het medisch dossier zijn vastgelegd voor onderzoek door de justitiële autoriteiten beschikbaar (moeten) zijn. Betoogd is dat de verdenkingen juist zijn ontzenuwd door de conclusie van het calamiteitenrapport. Er zou niet langer sprake zijn van culpa. Volgens de steller van het middel had de vordering reeds daarop moeten stranden, maar heeft de rechtbank dit wezenlijke element ten onrechte buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat de conclusie van het calamiteitenrapport luidt dat medisch zorgvuldig is gehandeld losstaat van het feit dat het Openbaar Ministerie in het kader van een strafrechtelijk kader moet kunnen toetsen of daarvan sprake is geweest, temeer nu wat door of namens [patiënt] is aangegeven wat hij van plan was te doen bij hemzelf en zijn echtgenote ook daadwerkelijk is gebeurd. Volgens de rechtbank kan in het calamiteitenrapport mogelijk nadere informatie worden gevonden over hoe door de zorgverleners is gehandeld. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de onderzoekscommissie bij een calamiteitenrapportage een ander onderzoeksdoel heeft dan het opsporen van strafbare feiten, namelijk het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. De enkele omstandigheid dat het rapport concludeert dat er geen tekortkomingen zijn gesignaleerd maakt derhalve niet dat de verdenking tegen eventuele hulpverleners - op basis van de door en namens [patiënt] gedane meldingen - is komen te vervallen. Een medisch-professioneel oordeel naar aanleiding van een onderzoek met een ander doel dan de opsporing van strafbare feiten is niet toereikend voor het strafvorderlijk onderzoek.
In de derde plaats wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de informatie niet op andere wijze te verkrijgen zou zijn. Volgens de steller van het middel is het oordeel van de rechtbank dat niet duidelijk is welke zorgverleners er betrokken waren bij de zorg van [patiënt] en dat om die reden de informatie die het Openbaar Ministerie wenst niet op andere wijze dan door verstrekking van het calamiteitenrapport te verkrijgen zou zijn onbegrijpelijk, omdat uit het onderzoek in raadkamer niet blijkt dat de rechtbank aan de officier van justitie heeft gevraagd wat het Openbaar Ministerie heeft gedaan om duidelijk te krijgen wie de betrokken hulpverleners waren. Dit zou gelet op de toepasselijke beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit wel van belang zijn. Bij het horen van de betrokken hulpverleners kan per vraag worden beoordeeld of er al dan niet een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht waardoor er minder medische gegevens worden verstrekt, terwijl er ook gericht doorgevraagd kan worden op aspecten die de zorgverlening betreffen. Ook een mogelijk beroep op het verschoningsrecht door de zorgverleners zou geen reden kunnen zijn om het beroepsgeheim buiten spel te zetten. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank de alternatieven niet onderzocht. Bovendien zou de rechtbank in het geheel niet zijn ingegaan op het in het klaagschrift aangevoerde alternatief om een onafhankelijk deskundig psychiater het rapport te laten beoordelen en vragen van het Openbaar Ministerie te beantwoorden.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de informatie niet op andere wijze te verkrijgen is. Aan dat oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet duidelijk is welke zorgverleners betrokken waren en dat daarbij komt dat zij zich op hun verschoningsrecht en/of zwijgrecht zouden kunnen beroepen. De rechtbank heeft daarmee het standpunt van het Openbaar Ministerie, zoals weergegeven in het schriftelijk standpunt van 30 augustus 2023 en ook in raadkamer ter sprake gebracht, gevolgd. Dat oordeel is, mede gelet op het tijdrovende aspect van het achterhalen van dergelijke getuigen, niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat het genoemde standpunt van het Openbaar Ministerie inhoudt dat getuigen weliswaar hebben verklaard over het handelen van de hulpverlening, maar dat deze informatie een eenzijdig beeld zou geven en dat veel waarde wordt gehecht aan de feitelijke informatie vanuit de hulpverlening zelf. Verder merk ik op dat de rechtbank weliswaar geen woorden heeft gewijd aan het in het klaagschrift aangevoerde alternatief om een onafhankelijk deskundig psychiater het rapport te laten beoordelen, maar het daarbij dan (wederom) zou gaan om een medisch-professioneel oordeel (over de kwaliteit van de zorgverlening).
Resumerend kom ik tot de slotsom dat het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG