Nummer22/02749
Zitting 18 juni 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
De bewezenverklaring, de bespreking van verweren, de bewijsoverwegingen, de overwegingen inzake de onttrekking aan het verkeer
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij
In de perioden van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 en 1 september 2017 tot en met 17 maart 2019 te [plaats], in elk geval in Nederland, meermalen een aantal afbeeldingen, te weten een aantal foto’s en/of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen te weten een computer (Lenovo ThinkCentre) en in bezit heeft gehad en,
terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer):
het oraal en/of vaginaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
(bestandsnamen: receivedj5557664250943708.png, received_1557664377610362.png en received_1557665157610284.png)
en
het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een person die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt;
en
het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand;
(bestandsnamen; reveived_1557664437610356.png en received_1557664767610323.png)
en
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, waarbij deze personen gekleed zijn en/of poseren in (een) (erotisch getinte houding op een wijze die niet bij hun leeftijd past (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
(bestandnamen: 23772443-1557663867610413_1593485490 n.png en FBJMG1460049993810.jpg)
van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.’
Het hof heeft inzake de verweren met betrekking tot de gestelde vormverzuimen het volgende overwogen:
‘Verweren met betrekking tot gestelde vormverzuimen
(…)
Onderzoek aan de laptop
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van het onderzoek aan de computer uitgesloten moeten worden van het bewijs. Hieraan heeft de verdediging, naar het hof begrijpt, het volgende ten grondslag gelegd. Niet voorstelbaar is dat slechts gericht is gezocht op de aanwezigheid van kinderporno. De onderzoekers hebben alle mappen op de computer onderzocht. Hier is toestemming van een rechter voor nodig. Verder dient vastgesteld te worden of de door [getuige] overgelegde usb-sticks eerst, voorafgaand aan het onderzoek van de laptop, zijn onderzocht. Omdat op die usb-sticks, in tegenstelling tot de verklaringen van [getuige], geen kinderporno aanwezig was, bestond er geen aanleiding de computer te onderzoeken, aldus de verdediging.
(…)
Het hof stelt allereerst vast dat het veiligstellen van en onderzoek aan de gegevens op de inbeslaggenomen computer en usb-sticks blijkens het dossier heeft plaatsgevonden met toestemming van de met de leiding van dit onderzoek belaste officier van justitie, mr. E. Leunk.
Aan de onderzoekende verbalisant is gevraagd om een forensisch verantwoorde kopie ('image') van de inhoud van de geheugendragers (van de laptop en de usb-sticks) te maken en onderzoek aan de geheugendragers te verrichten op mogelijke aanwezigheid van mogelijk kinderpornografisch materiaal. Het onderzoek heeft vervolgens plaatsgevonden met daarvoor geschikte hard- en software. Door dit onderzoek zijn afbeeldingen en videobestanden aangetroffen. Het hof gaat, er gelet op de gehanteerde wijze van onderzoek, vanuit dat dat onderzoek slechts gericht is geweest op het aantreffen van kinderpornografisch materiaal. Niet gebleken dat ook andere soortige bestanden op de laptop, zoals bijvoorbeeld financiële administratie of agenda's zijn onderzocht.
De afbeeldingen en videobestanden zijn aangetroffen in diverse mappen op de computer. Meerdere mappen hadden vrouwennamen als mapnaam. Deze mappen zouden volgens de politie betrekking hebben op (ex-)vriendinnen van verdachte, dan wel hun dochters. Ook zijn mappen onderzocht van bijvoorbeeld vakantiefoto's of een door verdachte georganiseerde veteranendag. Deze mappen (ex-vriendinnen, vakanties en de veteranendag) zouden betrekking kunnen hebben bepaalde aspecten van verdachtes persoonlijke leven.
Het hof is echter van oordeel dat de door de officier van justitie afgegeven toestemming voldoende grondslag bood voor het verrichtte onderzoek. Daarbij is ook van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij de computer niet meer in gebruik had. Verder heeft de verdediging niet nader geconcretiseerd dat en op grond waarvan sprake zou zijn geweest van een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Het verweer dat eerst de overgelegde usb-sticks op aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal had moeten worden onderzocht, kan, gelet op het voorgaande, dan ook niet slagen. Dit nog afgezien van het feit dat op een van die usb-sticks ook daadwerkelijk kinderpornografiche afbeeldingen zijn aangetroffen.
Het hof is dan ook niet gebleken van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en verwerpt de verweren daaromtrent.’
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘Overwegingen met betrekking tot het bewijs
(…)
Onder verdachte is onder andere een computer Lenovo ThinkCentre in beslag genomen. Verdachte heeft verklaard dat deze computer van hem is. Op de computer zijn meer dan 300 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen die voor de gebruiker van de computer normaal toegankelijk zijn. Van het aangetroffen pornografische materiaal is een representatieve doorsnede samengesteld. De seksuele gedragingen bestonden - zakelijk weergeven - uit:
het oraal en/of vaginaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en
het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt en
het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand en
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of poseert/poseren in (een)(erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen.
De kinderpornografische bestanden zijn aangemaakt in de periode van januari 2016 tot en met september 2016 en van september 2017 tot en met augustus 2018.
Verdachte heeft verklaard dat hij handmatig mappen op zijn computer heeft aangemaakt waarin hij foto's van bijvoorbeeld zijn kinderen, vakanties en dergelijke heeft geplaatst. Hij heeft ontkend de kinderpornografische bestanden op de computer te hebben geplaatst.
Vooropgesteld wordt dat behoudens sterke aanwijzingen voor het tegendeel, de rechter ervan uit mag gaan dat de op een computer aangetroffen bestanden daarop zijn gezet door de eigenaar van die computer. Bovendien is uit onderzoek aan de computer gebleken dat onder de naam van verdachte (Users - [verdachte] - Desktop) handmatig een groot aantal mappen is aangemaakt. Bijna elke map is direct of indirect te linken aan verdachte nu in vele mappen foto's zijn aangetroffen van verdachte zelf, zijn familie, ex-vriendinnen en/of kinderen van hen. Voorts zijn de kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen in diverse mappen waarin ook foto's van verdachte staan of foto's van mensen die direct aan verdachte te linken zijn.
Het verweer van verdachte dat een ander dan hij de kinderpornografische bestanden op zijn computer moet hebben geplaatst - nog daargelaten dat dit verweer door verdachte niet nader is geconcretiseerd of onderbouwd - kan gelet op bovenstaande als volstrekt onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Verdachte was immers de eigenaar en gebruiker van de computer, er is een mappenstructuur onder zijn naam aangemaakt en de mappen waarin de kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen kunnen worden geIinkt aan verdachte.
Het hof acht gelet op bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit en verkrijgen van, alsmede het toegang verschaffen tot kinderpornografische afbeeldingen in de ten laste gelegde perioden. Gelet op de perioden en het aantal afbeeldingen acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van de bewezenverklaarde gedragingen een gewoonte heeft gemaakt.
Voor het verspreiden van kinderpornografische afbeeldingen bevat het dossier onvoldoende bewijs zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de usb-sticks overweegt het hof dat niet onomstreden vastgesteld kan worden dat verdachte deze usb-sticks in het bezit heeft gehad en de bestanden op die usb-sticks heeft geplaatst. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat deze niet van hem waren. Deze usb-sticks zijn niet tijdens de doorzoeking aangetroffen. De enkele verklaring van een getuige hieromtrent zijn onvoldoende. Het hof zal verdachte vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.’
Het hof heeft inzake de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen het volgende overwogen:
‘Het beslag
Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen computer (Pc Lenovo) en usb-stick (Adata) moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bewezenverklaarde feit met die laptop is begaan. Voorts zijn beide gegevensdragers van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Verdachte heeft ten aanzien van de drie overige usb-sticks (Usb stick verbatim, usb stick merkloos en usb wireless adapter/tp link wifi-dongel) verklaard dat deze niet hem toebehoren. Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van deze usb-sticks gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Pc Lenovo en
- usb stick Adata 8gb.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- Usb stick verbatim,
- usb stick merkloos en
- usb wireless adapter/tp link wifi-dong.’
Het eerste middel
5. Het eerste middel richt zich tegen ’s hofs beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen usb-stick ‘Adata’. Het middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het niet mogelijk was, gelet op de (partiële) vrijspraak ten aanzien van de usb-stick (Adata), de onttrekking aan het verkeer van deze usb-stick te bevelen.
Voor de onttrekking aan het verkeer zijn voor de bespreking van het middel de volgende wettelijke bepalingen van belang:
‘Artikel 36b Sr
1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
1° bij de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2° bij de rechterlijke uitspraak waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd;
3° bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan;
4° bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie;
5° bij een strafbeschikking.
2. De artikelen 33b en 33c, tweede en derde lid, alsmede artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De maatregel kan tezamen met straffen en met andere maatregelen worden opgelegd.
Artikel 36c Sr
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1° die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
3° met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4° met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5° die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.’
Aan de verdachte is, kort gezegd, tenlastegelegd dat hij een aantal afbeeldingen en/of gegevensdragers, te weten een computer (‘Lenovo ThinkCentre’) en een usb-stick (‘Adata’), met daarop kinderpornografische afbeeldingen, heeft verspreid en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe toegang heeft verschaft en dat de verdachte van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
Bewezenverklaard is dat de verdachte de computer ‘Lenovo ThinkCentre’ met daarop kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het bezit van de usb-stick ‘Adata’. Deze usb-stick, samen met nog drie andere usb-sticks, zijn niet tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte aangetroffen. [getuige], de ex-vriendin van de verdachte, heeft de vier usb-sticks na de doorzoeking, zo blijkt uit het dossier, overgelegd. Op de usb stick ‘Adata’ zijn kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Op de overige drie usb-sticks niet. De verdachte heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 juni 2022, als volgt verklaard: ‘De USB-sticks zijn niet van mij. Ik heb ze daar niet neergelegd. De inhoud is sowieso niet van mij’. Het hof heeft overwogen ‘dat niet onomstreden vastgesteld kan worden dat verdachte deze usb-sticks in het bezit heeft gehad en de bestanden op die usb-sticks heeft geplaatst. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat deze niet van hem waren. De enkele verklaring van een getuige hieromtrent zijn onvoldoende’.
Het hof heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen computer en usb-stick ‘Adata’, met daarop kinderpornografische afbeeldingen, moeten worden onttrokken aan het verkeer, ‘omdat het bewezenverklaarde feit met die laptop is begaan. Voorts zijn beide gegevensdragers van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang’.
Art. 36b, eerste lid onder 1°, Sr bood een grondslag voor het hof om de computer te onttrekken aan het verkeer. Deze bepaling betreft de situatie waarin de verdachte voor een ten laste gelegd feit is veroordeeld. Het middel gaat er, zo begrijp ik, vanuit dat art. 36b, eerste lid onder 1°, Sr ook als grond diende voor de door het hof opgelegde maatregel van onttrekking aan het verkeer van de usb-stick ‘Adata’. Ik meen echter dat het hof daarvoor kennelijk een andere grondslag heeft gehanteerd. Art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr maakt immers onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen mogelijk indien bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan. Art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr omvat aldus onder meer een situatie als de onderhavige, waarin de verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, maar waarin de rechter heeft vastgesteld dat een (onbekende) ander dat feit wel heeft begaan.
Het middel faalt
Het tweede middel
6. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd, het verweer dat het onderzoek aan de laptop van de verdachte onrechtmatig was en dat de resultaten daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs heeft verworpen, omdat de wijze waarop de (specifieke bestanden op de) laptop van de verdachte zijn doorzocht een meer dan beperkte – en zelfs een zeer ingrijpende – inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt. Dientengevolge zou ‘s hofs oordeel, dat de door de officier van justitie afgegeven toestemming voldoende grondslag bood voor het verrichtte onderzoek aan de computer, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk (gemotiveerd) zijn.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, gelet op het door de raadsman gevoerde verweer, het niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet als zeer ingrijpend heeft aangemerkt, nu het hof heeft vastgesteld dat een ‘image’ van de inhoud van de geheugendragers is gemaakt, dat het onderzoek hieraan heeft plaatsgevonden ‘met daarvoor geschikte hard- en software’ waarbij ‘de afbeeldingen en videobestanden zijn aangetroffen in diverse mappen op de computer’ en meerdere mappen vrouwennamen - van ex-vriendinnen en hun kinderen - of namen van privéactiviteiten van de verdachte hadden. Het doorzoeken van dergelijke bestanden zou zonder meer een meer dan beperkte - en zelfs zeer ingrijpende - inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengen. Het daarop volgende oordeel van het hof, dat de door de officier van justitie afgegeven toestemming voldoende grondslag bood voor het verrichtte onderzoek, zou dan ook getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk (gemotiveerd) zijn, omdat op voorhand was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zou zijn.
De raadsman van de verdachte heeft zich, blijkens het bestreden arrest, ‘op het standpunt gesteld dat de resultaten van het onderzoek aan de computer uitgesloten moeten worden van het bewijs’, omdat niet voorstelbaar zou zijn dat ‘slechts gericht is gezocht op de aanwezigheid van kinderporno. De onderzoekers hebben alle mappen op de computer onderzocht’. Hier zou toestemming van een rechter voor nodig zijn.
In zijn arrest van 4 april 2017 overwoog de Hoge Raad als volgt:
‘2.5. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994: AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.
2.6. Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.
(…)
2.8. Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen - waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken - dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt - in het licht van art. 8 EVRM - aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.’
Het hof heeft, onder het tussenkopje ‘onderzoek aan laptop’, vastgesteld dat de met de leiding van het onderzoek belaste officier van justitie toestemming heeft verleend voor het veiligstellen van en onderzoek aan de gegevens op de inbeslaggenomen computer en usb-sticks, dat een kopie is gemaakt van de computer en de usb-sticks teneinde onderzoek te verrichten naar de ‘mogelijke aanwezigheid van mogelijk kinderpornografisch materiaal’, dat het onderzoek aan de computer en de usb-sticks heeft plaatsgevonden met daarvoor ‘geschikte hard- en software’ en dat door dit onderzoek afbeeldingen en videobestanden zijn aangetroffen.
Uit ’s hofs vaststellingen leid ik af dat, voorafgaand aan het onderzoeken van de op de computer opgeslagen of beschikbare gegevens, een kopie is vervaardigd van de gehele inhoud van onder meer de computer. Teneinde het onderzoek naar de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal te verrichten, is vervolgens gebruik gemaakt een technisch hulpmiddel: de ‘daarvoor geschikte hard- en software’.
Het onderzoek was, daar is het hof vanuit gegaan, ‘slechts gericht’ op het aantreffen van kinderpornografisch materiaal en niet is gebleken dat ook ‘andere soortige bestanden’ op de computer zijn onderzocht. De financiële administratie of agenda’s zijn niet onderzocht. Het onderzoek was ook in de tijd beperkt. De verdachte heeft verklaard, zo blijkt uit ’s hofs overwegingen, dat hij de computer niet meer in gebruik had.
Voorts heeft het hof overwogen dat de afbeeldingen en videobestanden zijn ‘aangetroffen in diverse mappen op de computer, dat meerdere mappen vrouwennamen als mapnaam hadden, dat deze mappen betrekking zouden kunnen hebben op (ex-)vriendinnen van de verdachte dan wel hun dochters, dat ook mappen zijn onderzocht van ‘bijvoorbeeld vakantiefoto’s of een door verdachte georganiseerde veteranendag’ en dat deze mappen ‘ex-vriendinnen, vakanties en de veteranendag’ betrekking zouden kunnen hebben op bepaalde aspecten van verdachtes persoonlijke leven.
Uit deze overweging van het hof valt af te leiden dat de onderzochte afbeeldingen en videobestanden met daarop kinderpornografisch materiaal zich bevonden in verschillende mappen, waaronder een aantal mappen waarin mogelijk ook afbeeldingen en videobestanden zijn opgeslagen die niet zijn onderzocht. Deze mappen zouden, gelet op de titels, betrekking kunnen hebben op bepaalde aspecten op verdachtes persoonlijke leven. Dat die (andere) afbeeldingen en videobestanden niet zijn onderzocht volgt meen ik uit de door het hof gekozen bewoordingen: ‘deze mappen (ex-vriendinnen, vakanties en de veteranendag) zouden betrekking kunnen hebben [AEH: op] bepaalde aspecten van verdachtes persoonlijke leven’.
Ten slotte heeft het hof nog opgemerkt dat door de raadsman niet nader is geconcretiseerd dat en op grond waarvan sprake zou zijn geweest van een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte.
Het hof heeft op grond van het bovenstaande geoordeeld dat de door de officier van justitie afgegeven toestemming voldoende grondslag bood voor het verrichte onderzoek. Daarin ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onderzoek van de gegevensdrager waarbij op voorhand was te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn en dat dus een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris niet was vereist. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk, waarbij ik in het bijzonder wijs op het feit dat, zoals het hof heeft overwogen, de raadsman niet heeft geconcretiseerd dat en waarom er sprake was van een dergelijke zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De conclusie van het hof, dat van enig vormverzuim geen is sprake geweest, en het door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen is evenmin onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt.
Slotsom
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG