PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03492
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Het hof doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
De dagvaarding in hoger beroep is niet in persoon betekend. Op 6 juli 2022 is de dagvaarding aangeboden aan iemand anders op de [a-straat] . Op 29 juni 2022 heeft er ook een OM-betekening plaatsgevonden.
De advocaat-generaal merkt op, zakelijk weergegeven:
Verdachte heeft sinds 15 juli 2021 geen vaste woon- of verblijfplaats blijkens het recente uittreksel van de basisadministratie persoonsgegevens.
De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
De betekening is in orde.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte tijdens zijn politieverhoor het adres [b-straat 1] , [plaats] heeft opgegeven en de verdachte na dit verhoor nimmer heeft aangegeven dat dit (post)adres niet langer geldig zou zijn. Volgens de steller van het middel had, indien een betekening in persoon niet mogelijk was, de betekening in elk geval op het laatst bekende door de verdachte opgegeven adres moeten plaatsvinden. De vaststellingen in het proces-verbaal van de terechtzitting zouden onvoldoende inzichtelijk maken of de betekening rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Ook zou het hof ten onrechte hebben nagelaten een onderzoek te doen naar de betekening in eerste aanleg, nu ook deze dagvaarding niet is betekend aan het door de verdachte opgegeven adres.
De gedingstukken houden in:
- een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 26 april 2021 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, waarbij als adres is vermeld “vertrokken onbekend waarheen”;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2022 op 29 juni 2022 is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats bekend is;
- een Informatiestaat SKDB betreffende de verdachte van 29 juni 2022, inhoudende onder het hoofdje “Huidig BRP-adres” dat de verdachte vanaf 15 juli 2021 de status heeft van niet-ingezetene en is vertrokken onbekend waarheen (VOW);
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2022 op 6 juli 2022 is uitgereikt aan een persoon die zich op het adres [a-straat 1] , [plaats] bevond en die zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
- een Informatiestaat SKDB betreffende de verdachte van 2 augustus 2022, inhoudende onder het hoofdje “Huidig BRP-adres” dat de verdachte vanaf 15 juli 2021 de status heeft van niet-ingezetene en is vertrokken onbekend waarheen (VOW).
Gelet op de vaststellingen vermeld onder 3.4 is in het onderhavige geval voldaan aan de voorschriften voor het rechtsgeldig betekenen van een dagvaarding, zoals opgenomen in art. 36e, tweede lid onder a en b, Sv. Verzending van een afschrift van de dagvaarding naar het door de verdachte bij zijn eerste verhoor opgegeven adres - als bedoeld in art. 36g, eerste lid onder a, Sv - kon gelet op het bepaalde in art. 36g, derde lid onder c, Sv achterwege blijven, nu de verdachte vanaf 26 mei 2021 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] , [plaats] . Het hof was verder niet gehouden een onderzoek te doen naar de betekening in eerste aanleg, nu de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding eerst aan de orde komt, wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep bevestigend is beantwoord en onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv "of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt" mede moet worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden