PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03748
Zitting 24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte
- een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 20 september 2022 namens de bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman van de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het door de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 27 mei 2022 gewezen eindvonnis. Op deze akte is als woonplaats van de verdachte vermeld: “[adres 1] [plaats 1], Filipijnen”;
- de Informatiestaat SKDB-persoon van 5 januari 2023, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 16 augustus 2022 [adres 1] [plaats 1] in de Filipijnen, (b) als de laatst opgegeven woon-of verblijfplaats het adres [adres 2] te [plaats 2] (met als datum van registratie 3 juni 2021) en (c) dat de verdachte niet is gedetineerd;
- een akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep voor de rolzitting van 26 september 2023, waaruit blijkt dat die dagvaarding op 5 januari 2023 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat is geconstateerd dat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is;
- een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep van 5 januari 2023 gericht aan de raadsman van de verdachte, waarin is medegedeeld dat de rolzitting bij het hof Amsterdam tegen de verdachte plaats zal vinden op 26 september 2023 om 09.00 uur. Onder het adres van de verdachte is vermeld: “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”.
- een e-mailbericht namens S.V. Ramdihal, de raadsman van de verdachte, van 26 september 2023, gericht aan het hof Amsterdam, inhoudende onder meer het volgende: “Vandaag was er blijkbaar om 09.00 uur een rolzitting in de procedure met bovenvermeld parketnummer. Nu ik problemen met mijn reader heb, heb ik de oproep gemist en was ik derhalve niet ter zitting verschenen.”
- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2023, waaruit onder meer blijkt dat noch de verdachte noch de raadsman ter terechtzitting is verschenen, dat de advocaat-generaal een formulier heeft overgelegd waaruit blijkt dat “zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als twee dagen voor de zitting van heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn” en dat het hof verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte;
- het arrest van 26 september 2023, waarin het hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, dat evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven en dat ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.
Voor zover het middel klaagt dat art. 48 Sv niet is nageleefd faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep van 5 januari 2023 gericht aan de raadsman. Bij de toegezonden stukken bevindt zich ook een e-mail die namens de raadsman van de verdachte is opgesteld, waaruit blijkt dat de raadsman de oproep heeft gemist, en derhalve niet ter terechtzitting is verschenen, vanwege problemen met zijn “reader”. Uit het voorgaande leid ik af dat de raadsman, conform art. 48 Sv, een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep heeft ontvangen.
Voor de bespreking van de tweede deelklacht is art. 36e, derde lid, Sv van belang. Deze bepaling luidt als volgt:
“3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP, niet in Nederland is gedetineerd en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt – zoals volgt uit artikel 36e lid 3 Sv – de betekening van de dagvaarding plaats door toezending van de dagvaarding hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep op 5 januari 2023 heeft plaatsgevonden aan het openbaar ministerie omdat de woon-of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is, terwijl uit de akte instellen hoger beroep en de Informatiestaat SKDB-persoon kan worden afgeleid dat van de verdachte op het moment van betekening een adres op de Filipijnen bekend was, en niet blijkt dat de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 3 Sv is verzonden naar dit adres van de verdachte in het buitenland, is de dagvaarding in hoger beroep niet rechtsgeldig betekend.
Het hof had derhalve de dagvaarding in hoger beroep nietig moeten verklaren. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het. De Hoge Raad kan deze nietigheid zelf uitspreken.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden