ECLI:NL:PHR:2024:797

ECLI:NL:PHR:2024:797, Parket bij de Hoge Raad, 03-09-2024, 22/01950

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/01950
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1512
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen uitvoer, vervoer en aanwezig hebben heroïne (art. 2 onder A, B en C Opiumwet) en witwassen (art. 420bis Sr). Falende bewijsklachten over bestanddeel 'buiten grondgebied van Nederland brengen' en witwassen. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en verwerping voor het overige.

Uitspraak

Nummer22/01950

Zitting 3 september 2024

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

Inleiding

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 ontoereikend is gemotiveerd en richt zich in het bijzonder tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in of omstreeks de periode 4 maart 2019 tot en met 7 maart 2019, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad ongeveer 3,06 kilogram heroïne, heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;”

5. De bewezenverklaring steunt op acht bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. De volgende bewijsmiddelen zijn in verband met het middel in het bijzonder van belang:

“1. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] , verbalisant, gesloten en getekend op 8 maart 2019, p. 108-109, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit informatie van een nog lopend opsporingsonderzoek wordt vermoed dat een persoon genaamd [verdachte] , die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] zich bezig houdt met activiteiten die te duiden zijn als ondergronds bankieren.

Sinds 22 februari 2019 worden de gesprekken gevoerd met het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] opgenomen en afgeluisterd.

25-02-2019

[verdachte] heeft contact met de NNMan2813 (Marokkaan/Spanjaard).

27-02-2019

NNMan vraagt of [verdachte] een monster van het spul kan klaarleggen.

05-03-2019

NNMan zegt dat diegene overmorgen gaat komen (dit zou 7-3-2019 moeten zijn). [verdachte] vraagt hoeveel hij moet klaarzetten. NNMan zegt 25 a 30 aarde en iets van 2 van dat andere spul. [verdachte] zegt dat hij 30 van aarde en 3 van het andere aan NNMan gaat sturen.

[verdachte] zegt dat de locatie 65 km van hem vandaan is. Hij vindt dit te ver weg. [verdachte] vraagt of de man (chauffeur) bij hem langs kan rijden.

NNMan zegt dat de Italiaan gaat parkeren bij [verdachte] . Op een parkeerplaats voor vrachtwagens buiten de stad, bij/in een park.

07-03-2022

Gesprek gaat over de prijs van het te leveren goed. NNMan gaat later een hoeveelheid aarde van 50 of 60 bestellen, omdat hij niet steeds een andere kleur aan de junkies wil leveren.

[…]

3. Een proces-verbaal van observeren, opgemaakt, gesloten en ondertekend door [verbalisant 2] , verbalisant, p. 124-131, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gedurende de tijd gelegen tussen : donderdag 7 maart 2019 te 13.50 uur en

: donderdag 7 maart 2019 te 19:22 uur

Subject(en)/Object(en) : [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1982 te

[geboorteplaats]

4. Een proces-verbaal van bevindingen observatie, opgemaakt door [verbalisant 3] , verbalisant, gesloten en getekend op 18 maart 2019, p. 141, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Observatie Spaanse vrachtauto

Vanaf 7 maart 2019 te 16.50 uur hebben de rechercheurs de Scania vrachtwagen voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 1] vanaf de [c-straat ] te [plaats] onder observatie genomen. Gezien werd dat de Scania middels de rijkswegen A1 en A6 in de richting van Heereveen reed.

Overname door FIT

Op 7 maart 2019 omstreeks 18.10 uur heeft en Flexibel Interventieteam (FIT) van de Landelijke Eenheid de observatie op de A6 overgenomen. Kort hierna werden de vrachtwagenbestuurder en zijn bijrijdster in het dorpje [plaats] aangehouden.

5. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , verbalisanten, gesloten en getekend op 7 maart 2019, p. 119, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 maart 2019 kregen wij het verzoek van de Landelijke recherche om een Spaanse vrachtwagen, voorzien van kenteken [kenteken 1] en opleggen met kenteken [kenteken 4] staande te houden in verband met hun onderzoek.

Betreft onderzoek onder nummer LERED19001.

Deze vrachtwagen werd door medewerkers van de Landelijke recherche aan ons overgedragen op de rijksweg A6 in Noordelijke richting.

Wij zagen betrokken vrachtwagen vervolgens rijden op de rijksweg A6 in Noordelijke richting ter hoogte van afslag 18.

Hierop hebben wij de genoemde vrachtwagen meegenomen de provinciale N354 op in de richting van [plaats] .

Hierop hebben wij de vrachtwagen staande gehouden op de [weg] te [plaats] .

Op 7 maart 2019 omstreeks 18:15 uur is door ons de bestuurder, zijnde [betrokkene 1] aangehouden.”

6. Uit de tekst van de Opiumwet en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat het in art. 2 onder A Opiumwet voorkomende bestanddeel ‘binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen’ ruim moet worden geïnterpreteerd. In art. 1 lid 5 Opiumwet is bepaald dat onder ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ mede moet worden begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden van verdovende middelen. Ook handelingen van de verdachte ten aanzien van de verdovende middelen die plaatsvinden voorafgaand aan de feitelijke uitvoer daarvan, kunnen dus worden aangemerkt als het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ als bedoeld in art. 2 onder A Opiumwet. Ook bij deze ruime interpretatie van dit bestanddeel zal evenwel uit de bewijsvoering van het hof moeten kunnen worden afgeleid dat de verdovende middelen het buitenland als bestemming hadden.

7. De steller van het middel meent dat het oordeel van het hof dat de in de vrachtwagen gelegde tassen met heroïne het buitenland als bestemming hadden, niet zonder meer begrijpelijk is nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de tassen met heroïne eerst in noordelijke richting heeft vervoerd (vanuit [plaats] naar [plaats] ), dat ze in [plaats] in een vrachtwagen zijn gelegd en dat deze vrachtwagen vervolgens rijdend in noordelijke richting, op weg richting Heerenveen, is staande gehouden. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat de verdachte eerder telefonisch contact heeft gehad met een Marokkaan/Spanjaard en dat de vrachtwagen een Spaans kenteken had.

8. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging geen bijzondere aandacht besteed aan de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’. Daaraan zal hebben bijgedragen dat ter terechtzitting in hoger beroep de bewezenverklaring van dit bestanddeel in eerste aanleg door de verdediging niet is betwist, ook niet nadat de rechtbank had overwogen dat het de bedoeling was de heroïne naar Spanje te vervoeren en de advocaat-generaal zich in hoger beroep vervolgens ook uitdrukkelijk op het standpunt had gesteld dat de heroïne Spanje als bestemming had en sprake is van verlengde uitvoer van de heroïne.

9. Daarmee rijst nog wel de vraag of de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ voldoende wordt gesteund door de inhoud van de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen.

10. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in februari 2019 contact heeft gehad met een onbekende “Marokkaan/Spanjaard” (bewijsmiddel 1). Deze Marokkaan/Spanjaard heeft op 5 maart 2019 gezegd dat iemand overmorgen gaat komen en de verdachte heeft daarna tegen hem gezegd dat hij “30 van aarde en 3 van het andere” aan de Marokkaan/Spanjaard gaat sturen (bewijsmiddel 1), waarbij het hof er blijkens zijn bewijsoverweging vanuit gaat dat met “3 van het andere” de later aangetroffen drie kilo heroïne wordt bedoeld. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte op 7 maart 2019 twee boodschappentassen, waarin later de drie kilo heroïne is aangetroffen, van [plaats] naar [plaats] heeft vervoerd en daar heeft overgedragen aan een vrachtwagenchauffeur (bewijsmiddel 3 en 6). De vrachtwagenchauffeur heeft deze tassen vervolgens in zijn vrachtwagen – voorzien van een Spaans kenteken – gelegd en is als bestuurder ingestapt (bewijsmiddel 3 en 6). De vrachtwagen is vervolgens in Friesland staande gehouden en in de cabineruimte werden de twee boodschappentassen aangetroffen met daarin 3,06 kilogram heroïne (bewijsmiddel 3, 7 en 8).

11. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde uitvoer van heroïne het resultaat is geweest van een (telefonische) afspraak op 5 maart 2019 tussen de verdachte en een onbekend gebleven man (“Marokkaan/Spanjaard”). De verdachte heeft in het kader van die afspraak gezegd dat hij drie kilo heroïne naar deze onbekend gebleven Marokkaan/Spanjaard toe gaat sturen nadat hij had gehoord dat iemand na 1,5 dag zou arriveren om dit op te halen. De verdachte heeft vervolgens op 7 maart 2019 tassen, waarin later de heroïne is aangetroffen, aan een vrachtwagenchauffeur overgedragen die deze in zijn vrachtwagen – voorzien van een Spaans kenteken – heeft gelegd en daarmee is weggereden. Het hof heeft kennelijk op grond van deze nadere – in de bewijsmiddelen besloten liggende – vaststellingen geoordeeld dat het de bedoeling was dat de tassen met heroïne naar de onbekende man zouden worden vervoerd en dat die man zich in Spanje bevond, zodat de heroïne aldus het buitenland als bestemming had. Hoewel het hof de bewijsvoering mager heeft aangekleed, acht ik dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de vrachtwagen op 7 maart 2019 rijdend in noordelijke richting, op de weg richting Heerenveen en dus niet in de richting van het buitenland, is staande gehouden. Die enkele omstandigheid zegt immers op zichzelf niets over de eindbestemming van de tassen met heroïne.

12. Gelet op het voorgaande, is de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

13. Het middel faalt.

Het tweede middel

14. Het tweede middel richt zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde feit en valt in drie deelklachten uiteen.

15. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 primair bewezenverklaard dat:

“Hij op 7 maart 2019 te [plaats] , althans in Nederland,

b) geldbedragen, te weten

- een geldbedrag van EUR 12.400,-, en

- een geldbedrag van EUR 3.000,-,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”

16. Ten eerste wordt in de schriftuur aangevoerd dat het hof in de bewezenverklaring geen keuze heeft gemaakt uit het alternatief tenlastegelegde (opzet)witwassen en schuldwitwassen, terwijl die keuze niet achterwege had mogen blijven omdat de in artikel 420bis Sr tegen witwassen bedreigde gevangenisstraf hoger is dan de in artikel 420quater Sr op schuldwitwassen gestelde gevangenisstraf.

17. De tenlastelegging in de onderhavige zaak bevat het bestanddeel “wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden”. Daarmee wordt aan de verdachte gelijktijdig zowel (opzet)witwassen (art. 420bis Sr) als schuldwitwassen (art. 420quater Sr) tenlastegelegd. Het is bij een dergelijke (impliciet) alternatieve tenlastelegging vervolgens voorbehouden aan de rechter om een keuze te maken tussen de tenlastegelegde alternatieven. In de onderhavige zaak heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte “wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden” dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf en aldus geen keuze gemaakt tussen de opzet- en de schuldvariant, terwijl die keuze wel van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

18. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, aangezien er naar mijn oordeel sprake is van een kennelijke misslag van het hof. De kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde feit als “witwassen” wijst er immers op dat het hof toepassing heeft willen geven aan art. 420bis Sr. Bovendien wordt bij de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 420bis Sr genoemd en niet art. 420quater Sr. Tot slot heeft het hof in de strafmotivering overwogen dat de verdachte “zich schuldig [heeft] gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van € 15.400”. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring in zoverre verbeterd lezen, waarmee de feitelijke grondslag aan de klacht komt te ontvallen en dus niet tot cassatie kan leiden.

19. Ten tweede wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de geldbedragen op 7 maart 2019 heeft verworven. Nu het hof ook heeft bewezenverklaard dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad en daarover in cassatie niet wordt geklaagd, zie ik reeds op voorhand niet welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij deze klacht. Deze klacht faalt bij gebrek aan belang.

20. Ten derde wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het hof ten onrechte door het hof als leugenachtig of ongeloofwaardig aangemerkte verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt.

18. De hiervoor onder 15 weergegeven bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal doorzoeking woning, opgemaakt door [verbalisant 8] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, opgemaakt en ondertekend op 8 maart 2019, p. 270-271, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 7 maart 2019 ben ik gearriveerd in de hal van het appartementencomplex aan de [a-straat] te [plaats] .

[betrokkene 2] heeft op mijn verzoek aangewezen waar het contante geld zich bevond. Het was verstopt in pannen en een fluitketel in de servieskast in de keuken. Zij verklaarde dat het spaargeld was van haar en haar man en dat ze dit contant van de bankrekening had gepind. Het zou gaan om o.a. de kinderbijslag.

In het bijzijn van [betrokkene 2] heb ik samen met collega [verbalisant 9] het aanwezige contante geld geteld. Het bedroeg een totaal van € 12.400,- uit de keuken en € 3.000,- uit de beautycase in de slaapkamer.

2. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 oktober 2019 van de meervoudige kamer in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Het geld dat contant bij mij is aangetroffen, is onder andere van de kinderbijslag.

3. Een proces-verbaal Analyse bevraagde bankrekening, opgemaakt door [verbalisant 10] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, gesloten op 22 juli 2019, p. 77-78 van het zaaksdossier witwassen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

22. Het hof heeft ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“Anders dan de rechtbank, is het gerechtshof van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Uit de tapgesprekken volgde een vermoeden dat verdachte bezig was met handel in harddrugs. Daarnaast is sprake van contante gelden, terwijl verdachte beschikte over bankrekeningen en is het ongebruikelijk om grote hoeveelheden contant geld thuis te bewaren vanwege veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat hef aan verdachte is om een voldoende concrete en verifieerbare verklaring te geven voor de aanwezigheid van de contante geldbedragen.

Verdachte heeft aanvankelijk geen verklaring afgelegd. Pas in een later stadium heeft hij verklaard dat de € 12.400,- en € 3.000,- spaargeld en een restant van de bruidsschat is. Het hof acht deze, in een laat stadium afgelegde verklaring, die niet concreet en verifieerbaar is onderbouwd, onaannemelijk. Het hof betrekt hierbij dat de echtgenoot van verdachte eerder verklaarde dat het bedrag van € 12.400, afkomstig was van contant opgenomen kinderbijslag, terwijl nadien is vastgesteld dat van de rekening waarop de kinderbijslag werd gestort geen opnamen ter hoogte van (in totaal) dit bedrag hebben plaatsgevonden.”

23. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde mede doen steunen op de verklaring van [betrokkene 2] (als onderdeel van bewijsmiddel 1) en van de verdachte zelf (bewijsmiddel 2), waaruit telkens blijkt dat het aangetroffen contante geld onder andere afkomstig zou zijn van de kinderbijslag. Uit de onder 22 geciteerde bewijsoverweging en ook uit de als bewijsmiddel 3 gebruikte analyse van de bankrekening kan evenwel worden afgeleid dat het hof die afkomst van het aangetroffen geld onaannemelijk, of zelfs ongeloofwaardig vindt.

24. Verklaringen die de rechter in zijn bewijsoverweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht en die in zoverre dus niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, behoren niet onder de bewijsmiddelen te worden opgenomen. Daarover klaagt het middel dus terecht.

25. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt echter dat het hof voor de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde redengevend heeft geacht dat sprake is van een vermoeden van witwassen onder meer door de aanwezigheid bij de verdachte thuis van in totaal € 15.400 aan contant geld (zie bewijsmiddel 1), terwijl daarvoor een concrete en verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte ontbreekt. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte aanvankelijk geen verklaring heeft afgelegd en dat de verklaring die de verdachte pas in een laat stadium heeft afgelegd, en die inhoudt dat het aangetroffen contante geld spaargeld en een restant van de bruidsschat is, niet concreet en verifieerbaar is onderbouwd en onaannemelijk is.

26. Deze redenering van het hof kan naar mijn oordeel de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde dragen. Dat brengt mee dat – ook als de ten onrechte opgenomen onderdelen van de verklaringen over de kinderbijslag worden weggedacht – nog steeds sprake is van een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring. Dat is overigens – zoals ik hiervoor heb uitgelegd – in overeenstemming met de nadere bewijsoverweging van het hof. Gelet op het voorgaande, heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.

27. Het tweede middel leidt niet tot cassatie.

Slotsom

28. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Bij het tweede middel ligt toepassing van art. 81 lid 1 RO minder in de rede, aangezien dat middel een klacht bevat over de bewijsvoering van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.

29. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatieberoep is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?