4. Het derde middel
Als ik het middel – mede gelet op de toelichting – goed begrijp, klagen de stellers ervan in de kern dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bestanddeel “de nodige verzorging te onthouden” als bedoeld in art. 2.2 lid 8 Wet dieren (hierna: Wd), aangezien het hof kennelijk heeft geoordeeld dat art. 1.3 lid 3 Wd het kader vormt ter beoordeling van de vraag of sprake is van “het onthouden van de nodige verzorging” in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd.
Volgens de stellers van het middel heeft het hof in de hiervoor onder 3.4 reeds weergegeven bewijsoverweging als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begrip “de nodige zorg te onthouden” in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd moet worden ingevuld aan de hand van de vijf vrijheden van Brambell die zijn opgenomen in art. 1.3 lid 3 Wd. De stellers van het middel menen dat dit impliciete oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat art. 1.3 lid 3 Wd zich niet richt tot houders van dieren en geen zelfstandig handhaafbare norm is. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen de stellers van het middel naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor het Bedrijfsleven van 18 februari 2016.
Voor de beoordeling van het middel zijn (onderdelen van) de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 1.3 Wd:
“1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.”
- Art. 2.2 lid 8 Wd:
“Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”
- Art. 8.11 Wd:
“Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid […] zijn misdrijven.”
- Art. 8.12 Wd:
“1. Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid […], worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vijfde categorie.
[…]
6. Indien gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen […] 2.2, achtste lid, […], in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie.”
- Art. 1.8 lid 2 Besluit houders van dieren (hierna: Bhvd):
“Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.”
- Art. 2.35 Bhvd:
“1. De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer.”
- Art. 2.36 Bhvd:
“1. De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren.
2. De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.
3. Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.
4. De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 m2 beschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m2 beschikbare ruimte per kalf.”
De tenlastelegging is toegesneden op art. 2.2 lid 8 Wd. Daarom moet worden aangenomen dat de in de bewezenverklaring voorkomende woorden “de nodige verzorging heeft onthouden” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
Het middel doet de vraag rijzen hoe het begrip “de nodige verzorging heeft onthouden” moet worden ingevuld. Ter beantwoording van deze vraag zal ik de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2.2 lid 8 Wd weergegeven. Daarna zal ik kort ingaan op gedelegeerde regelgeving. Tot slot zal ik jurisprudentie van de Hoge Raad over (de voorloper van) deze bepaling bespreken.
Art. 2.2 lid 8 Wd is als volgt tot stand gekomen. In 1886 werd in art. 254 Sr de mishandeling van een dier strafbaar gesteld. Het verbod strekte enkel tot het beschermen van menselijke belangen, zoals de economische waarde en de utiliteitswaarde van een dier. De bescherming van de belangen van het dier zelf werd niet nagestreefd met dit verbod. In 1920 werd art. 254 Sr gewijzigd. In lid 1 werd onder 1° strafbaar gesteld: “het zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk aan een dier pijn of letsel veroorzaken of de gezondheid van een dier benadelen”. Onder 2° werd “het zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van een zodaanig doel toelaatbaar is, opzettelijk aan een dier dat geheel of ten deele aan hem toebehoort en onder zijn opzicht staat of aan een dier tot welks onderhoud hij verplicht is, het noodige levensonderhoud onthoud[en]” strafbaar gesteld. Vervolgens werd in 1961 het onthouden van “het noodige levensonderhoud” veranderd in het onthouden van “de nodige verzorging”. Hiermee werd beoogd verwaarlozing ook onder het bereik van art. 254 Sr te brengen. Dat viel voor die tijd niet onder art. 254 Sr, omdat het “opzettelijk de gezondheid benadelen” in veel gevallen niet te bewijzen was.
In 1996 werd het voorschrift van art. 254 Sr in enigszins gewijzigde vorm overgeheveld naar art. 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWWD). Dit artikel hield in: “Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden”. De wijziging was ingegeven door een veranderde kijk op dieren. Waar in 1886 nog het uitgangspunt was dat dieren geen rechten hebben en art. 254 Sr enkel strekte tot bescherming van de mens, werd met art. 37 GWWD beoogd het dier zelf te beschermen. De gedachte achter de redactie van de tekst van art. 37 GWWD was dat er geen enkel doel is dat het onthouden van de nodige verzorging als middel rechtvaardigt.
Toen op 1 juli 2014 de GWWD verviel, werd dit verbod opgenomen in art. 2.2 lid 8 Wd. Aan deze laatste wijziging lag geen gewijzigd inzicht ten grondslag. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de Wd (Wet van 19 mei 2011, Stb. 2011, 345) werd aangegeven dat het uitgangspunt van de Wd is dat dieren een eigen, zelfstandige waarde hebben, die losstaat van de gebruikswaarde die de mens aan dieren toekent. Deze intrinsieke waarde van het dier kwam, aldus de Memorie van Toelichting, in de GWWD al tot uitdrukking in onder meer het verbod op verwaarlozing. In de Wd is de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier expliciet vastgelegd in art. 1.3 Wd. Meermalen is benadrukt dat uit de erkenning dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, geen concreet normatief gevolg voortvloeit.
Behalve de totstandkomingsgeschiedenis van art. 2.2 lid 8 Wd, kan gedelegeerde regelgeving aanknopingspunten bieden voor de invulling van het begrip “de nodige verzorging te onthouden”. In het Bhvd zijn de welzijnsbepalingen uit de Wd voor bepaalde diersoorten nader ingevuld. Het Bhvd bevat allereerst algemene bepalingen die voor alle diersoorten gelden, waaronder art. 1.8 lid 2 Bhvd. Dit artikel houdt onder meer in dat de behuizingen waarin een dier verblijft, waaronder de vloer wordt begrepen, op een zodanige manier moet zijn ontworpen en gebouwd dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. Daarnaast behelst het Bhvd specifieke bepalingen voor bepaalde diersoorten. Met betrekking tot kalveren zijn dat onder meer art. 2.35 en 2.36 Bhvd. Uit deze artikelen vloeit onder andere voort dat de vloer van de stal waarin kalveren verblijven moet zijn aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte moet vormen, evenals dat kalveren moeten beschikken over een ligruimte die is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag. De normen in het Bhvd betreffen minimumeisen die gelden voor het welzijn van dieren. Zij vullen daarmee het welzijnsbegrip in.
Voorts kan informatie over de betekenis van het onthouden van “de nodige verzorging” worden ontleend aan de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 2.2 lid 8 Wd en art. 37 GWWD. Een concrete omschrijving van dit bestanddeel heb ik in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet aangetroffen. Wel bevat de rechtspraak van de Hoge Raad een aantal zaken waarin het oordeel van het hof dat sprake was van het onthouden van de nodige verzorging aan (een) dier(en), in stand bleef.
Allereerst kan het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1095 worden genoemd. In deze zaak had de verdachte zijn hond achtergelaten bij een supermarkt, niet gereageerd op oproepen van supermarktpersoneel en de hond uiteindelijk 3 uur en 45 minuten achtergelaten, waarna de hond uiteindelijk werd meegenomen door de dierenambulance. Mijn ambtgenoot Spronken oordeelde dat deze situatie kon worden aangemerkt als het onthouden van de nodige verzorging aan de hond. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Daarnaast kan gewezen worden op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1081. Het betrof een hond die verbleef op de kamer van de verdachte zonder dat een voederbak en verpakkingen hondenvoedsel waren aangetroffen. Het hof had vastgesteld dat de hond geen beschikking had over vers voedsel en drinkwater. Een dierenarts had verklaard dat de hond erg mager was. Spronken stelde in haar conclusie dat het hof kon oordelen dat aan de hond de nodige verzorging was onthouden, doordat onvoldoende voedsel was verstrekt. Ook hier verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep met een verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.
In een andere zaak was vastgesteld dat de verdachte onvoldoende en/of beschimmeld en bevroren voedsel en drinkwater had gegeven aan dieren, dat deze dieren zich in hun verblijven konden bezeren aan scherpe voorwerpen, dat hun vachten vervuild waren geraakt met mest en urine en dat een aantal paarden te lang niet bekapte voorhoeven hadden. Volgens mijn ambtgenoot Paridaens kon het hof uit deze vaststellingen afleiden dat de verdachte de nodige zorg had onthouden aan de dieren. In zijn arrest van 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2150, verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
In de zaak die resulteerde in het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1674, ging het om honden die zich bevonden in een schuur met een bodem die vervuild was door urine en ontlasting, een sterke ammoniaklucht en gebrek aan ventilatie en verlichting. Mijn ambtgenoot Keulen stelde in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest dat dit kan worden aangemerkt als een situatie van verwaarlozing en dat in de vastgestelde feiten en omstandigheden besloten ligt dat voor de dieren sprake was van fysiek en fysiologisch ongerief, zodat het hof kon oordelen dat aan de honden de nodige verzorging is onthouden. Ook deze zaak deed de Hoge Raad af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Als laatste noem ik het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1154. In deze zaak draaide het vooral om de vraag of het vaststellen van een welzijnsaantasting op één specifiek moment toereikend is voor de bewezenverklaring van het onthouden van de nodige verzorging aan een dier. Spronken betoogde in haar conclusie dat dit afhangt van de aard en de ernst van de welzijnsaantasting. Soms zal uit de welzijnsaantasting kunnen worden afgeleid dat deze niet in één keer kan zijn ontstaan en dus het gevolg moet zijn van een langere periode van het onthouden van de nodige verzorging. Daarnaast speelt mee of de houder van een dier wist van de welzijnsaantasting, maar desondanks niet de zorg heeft verleend die nodig was. Uit de bewijsvoering in deze zaak bleek dat aan de wanden en hokafscheidingen van de verblijven van runderen scherpe randen en uitsteeksels zaten, dat de runderen geen schone en droge ligplaats hadden en dat er een ziek rund niet was afgescheiden in een daarvoor geschikt onderkomen. Bij hercontroles werd ongeveer hetzelfde vastgesteld. Volgens Spronken getuigde het oordeel van het hof dat daarmee sprake was van het onthouden van de nodige zorg aan de dieren, niet van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met een verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.
Uit het voorgaande volgt mijns inziens het volgende over het begrip “de nodige verzorging te onthouden” als bedoeld in art. 2.2 lid 8 Wd. Hiervan is in ieder geval sprake bij verwaarlozing. Een evident voorbeeld hiervan is het volledig ontbreken van medische verzorging of voedsel. In minder evidente gevallen kan de vraag worden beantwoord of sprake is van een aantasting van het welzijn van het dier die ofwel is ontstaan door het doen of nalaten van de houder van het dier, ofwel heeft voortgeduurd doordat de houder van het dier geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de welzijnsaantasting terwijl dit wel geboden was. Voor het vaststellen van een welzijnsaantasting kunnen de vijf vrijheden van Brambell die zijn genoemd in art. 1.3 lid 3 Wd relevant zijn. Dit betekent niet dat art. 1.3 lid 3 Wd de norm is waarmee art. 2.2 lid 8 Wd wordt ingevuld; het vaststellen van een welzijnsaantasting is immers niet voldoende om te constateren dat de nodige zorg is onthouden aan een dier. Daarvoor is ook vereist dat blijkt waarom het ontstaan of het voortduren van die welzijnsaantasting aan de houder van het dier is te wijten. Dat neemt evenwel niet weg dat de vraag of het welzijn van de dieren is benadeeld, wel een relevante factor is bij het beantwoorden van de vraag of de nodige zorg is onthouden. Een aantasting van het welzijn kan immers een aanwijzing zijn dat sprake is van een slechte verzorging. Daarnaast is een overtreding van een norm uit het Bhvd mijns inziens een belangrijke indicatie dat sprake is van een welzijnsaantasting die aan de houder van het dier te wijten is.
In de onderhavige zaak blijkt uit de bewijsvoering van het hof het volgende. Het als bewijsmiddel 3 gebruikte proces-verbaal van bevindingen van de NVWA houdt onder meer in dat tijdens een inspectie bij de verdachte rechtspersoon op 7 maart 2016 de bodem van meerdere hokken bedekt was met mest, urine en nat strooisel, dat runderen bedekt waren met een laag en klonten mest en dat zij niet konden beschikken over een schone en droge ligplaats. Verder konden kalveren niet beschikken over drinkwater en stonden in een loods waarin schapen werden gehouden landbouwmachines met scherpe delen waaraan de schapen zich konden bezeren. Deze feiten en omstandigheden vinden bevestiging in de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4).
Op 23 januari 2017 heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 3 mei 2017 (bewijsmiddel 7) en de veterinaire verklaring van de dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 8) opnieuw een inspectie plaatsgevonden. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat op die datum wederom meerdere runderen niet konden beschikken over voldoende schoon en vers voer en drinkwater en dat hokken vervuild waren met mest en urine. Ook bleek dat de klauwen van twee runderen te lang waren.
Tijdens een inspectie op 29 maart 2018 werd blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 3 mei 2018 (bewijsmiddel 11) en de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] van 11 april 2018, opnieuw geconstateerd dat een hok met kalveren en een hok met pinken bevuild was met mest en urine, waardoor de kalveren en pinken niet alle over een schone en droge ligplaats konden beschikken.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 31 augustus 2018 (bewijsmiddel 9) en uit de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] van 28 augustus 2018 (bewijsmiddel 10) blijkt dat bij een inspectie op 16 augustus 2018 werd vastgesteld dat kalveren verbleven in een verblijf of in een wei waarin voorwerpen lagen waaraan de kalveren zich konden verwonden, zoals een badkuip met scherpe randen en losliggend prikkeldraad, evenals dat kalveren toegang hadden tot verblijven met een roostervloer die voor runderen bestemd is. De spleetbreedte van deze vloer was te breed voor de klauwen van de kalveren, waardoor zij met hun klauwen daarin klem kunnen komen te zitten.
Het als bewijsmiddel 5 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de NVWA en de als bewijsmiddel 6 gebruikte veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] , geven weer dat tijdens de inspectie op 5 december 2018 bleek dat van diverse kalveren de vacht, de poten en de buik vervuild waren met mest, dat de voergoot onvoldoende gereinigd was en dat daarin rot hooi lag, dat een voorwerp met scherpe randen in het verblijf van de pinken lag, dat oude en/of aangekoekte mestresten in een hok waarin een pink verbleef lagen, dat de spleetbreedte van de roosters waar een kalf kon komen zodanig breed waren dat dat kalf ontschoend kon raken of klem kon komen te zitten, dat een rund kreupel was en dat de klauwen van dit rund te lang waren.
Op 14 februari 2019 werd volgens het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA (bewijsmiddel 1) en de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2) geconstateerd dat vier kalveren als gevolg van het stoten en schuren langs een buis aan het voerhek nekbeschadigingen vertoonden. Ook bleek dat in diverse ligboxen van de runderen oude, verse en aangekoekte mestresten lagen, alsmede dat de vachten van de runderen in die hokken vervuild waren met verse en aangedroogde mest. Voorts had de waterbak op verschillende plaatsen scherpe randen, waaraan de runderen zich kunnen verwonden wanneer zij drinken. In het gedeelte tussen de loods en de ligboxenstal waar 35 schapen toegang tot hadden bevonden lagen materialen waaraan de schapen zich kunnen verwonden en/of bezeren.
Tot slot blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 26 juni 2019 (bewijsmiddel 13) dat op 10 mei 2019 een aantal kalveren tijdens het eten hun nek stootten en schuurden aan een buis die aan het voerhek was bevestigd, waardoor hun nekken kaal werden, dat de voergoot onvoldoende gereinigd was in een hok waarin twaalf pinken en/of runderen verbleven, dat in het gedeelte waar de jongere kalveren met de melkgevende runderen verbleven de vloer was voorzien van (beton)roosters. Gelet op de grootte van de spleten van de roosters konden jonge kalveren met hun klauwtjes tussen de spleten raken, waardoor zij ontschoend konden raken en klem konden komen te zitten. Alle gemeten spleten waren boven de 3,0 cm, waardoor de vloer geen stevige, vlakke en stabiele oppervlakte vormt voor jonge kalveren. Tot slot blijkt dat zich op het buitenterrein ijzeren en houten platen bevonden met scherpe en losse delen, waaraan runderen zich konden verwonden en bezeren. Dit alles wordt bevestigd door de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 14).
Het hof heeft in de onder 3.4 weergegeven bewijsoverweging een passage geciteerd. Deze passage is afkomstig uit het rapport van [betrokkene 1] van 24 mei 2019 en uit de andere rapporten van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , zoals genoemd in de bewijsmiddelen. Het citaat bevat een positieve beantwoording van de vraag of de gezondheid en/of het welzijn van de dieren is benadeeld. Daarbij wordt verwezen naar art. 1.3 Wd en de vijf vrijheden van Brambell. Een toetsing van het voorliggende geval bevat het citaat niet. Vervolgens wordt opgemerkt dat deze vrijheden van Brambell als minimumnorm voor de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven zijn opgenomen in art. 1.3 lid 3 Wd. De overweging sluit af met de opmerking van het hof dat ‘hieruit volgt’ dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie.
Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat het hof hiermee niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bestanddeel “de nodige zorg te onthouden”. De strafbepaling die het hof heeft toegepast, is art. 2.2 lid 8 Wd en niet art. 1.3 lid 3 Wd. Alleen al om die reden is de onderliggende zaak niet vergelijkbaar met de in de schriftuur aangehaalde uitspraak van het CBB. Het oordeel van het hof dat de verbalisanten en toezichthoudend dierenartsen de juiste norm hebben toegepast in hun beoordeling van de situatie, moet worden gelezen in het licht van de beantwoording van de vraag of de gezondheid en/of het welzijn van de dieren is benadeeld. Verder bieden de bewijsmiddelen meer dan voldoende grond voor de bewezenverklaring. In de vastgestelde feiten en omstandigheden ligt besloten dat sprake was van verwaarlozing en dat voor de dieren sprake was van fysiek en fysiologisch ongerief. Het oordeel van het hof dat de verdachte rechtspersoon de nodige verzorging heeft onthouden aan de dieren, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Het middel faalt.
5. Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gereageerd op door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de verschillende tenlastegelegde feiten.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdediging in hoger beroep bij pleidooi diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren heeft gebracht. Van deze diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn in de schriftuur – zo begrijp ik – twee voorbeelden gegeven. De schriftuur blinkt niet uit in helderheid wat betreft het weergeven van deze voorbeelden en het formuleren van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
Met enig giswerk meen ik uit de schriftuur te kunnen opmaken dat het eerste voorbeeld van (een) uitdrukkelijk onderbouwd(e) standpunt(en) betrekking heeft op de feiten die zijn tenlastegelegd in de zaken met de parketnummers 82-127647-19, 83-187118-18 en 83-177078-19, voor zover deze gaan over de spleetbreedte van de roostervloeren. De stellers van het middel verwijzen in dit verband naar de punten 97 tot en met 103, 104 en 105 en 146 tot en met 149 van de pleitnota in hoger beroep.
Deze punten van de pleitnota houden het volgende in (met weglating van voetnoten):
“83-187118-18
[…]
2de gedachtestreepje: spleetbreedtes
97. Onder het 2de gedachtestreepje gaat het om de spleetbreedtes in de roostervloeren. Gesteld wordt dat de kalveren met hun klauwen klem zouden kunnen komen te zitten in de spleetbreedte van de bodem van sommige verblijven. Hier is ook in eerste aanleg uitgebreid bij stilgestaan en dit is een discussiepunt dat al langer bestaat, zoals ook blijkt uit de verwijzing naar de rapporten van VetVice in het proces-verbaal.
98. Het is volstrekt gebruikelijk om runderen, waaronder ook kalveren, op roostervloeren te huisvesten. Cliënte stelt ook dat haar roostervloeren voldoen aan de eisen en dat de maximale spleetbreedte geschikt is voor kalveren. Die stelling wordt niet bestreden. Uit de tenlastelegging, de daaraan ten grondslag liggende rapporten of uit het rapport van VetVice blijkt niet dat de spleetbreedtes zijn nagemeten, evenmin blijkt dat de spleten bij cliënte te breed zijn of waar die stelling op gebaseerd is, zoals gezegd worden concrete breedtes in het geheel niet genoemd in die stukken, volstaan wordt met de stelling dat de spleten ‘te breed’ zouden zijn, zonder die stelling te concretiseren. De roosters bij cliënt hebben een spleetbreedte van 3 centimeter (30 mm).
99. Ook op de site van de RVO is onder de welzijnseisen voor kalveren in het geheel niets opgemerkt over de roostervloeren of de spleetbreedtes. In het besluit houders van dieren zijn in artikel 2.35 regels opgenomen met betrekking tot de eisen waar de vloer voor productiekalveren aan moet voldoen, maar daar is zoals gezegd niets opgenomen met betrekking tot roostervloeren of spleetbreedtes. Ook is een dergelijke nadere uitwerking niet gevolgd in enige ministeriële regeling. Aldus is nergens in de regelgeving opgenomen dat een spleetbreedte van 30 millimeter niet zou kunnen bij jonge kalveren.
100. Daarentegen is bijvoorbeeld op de site melkvee.nl, een artikel opgenomen over de overgang van een strohok naar ligboxen, waarin wordt opgemerkt dat de spleetbreedte voor de roosters maximaal 30 mm zou moeten zijn.
101. Sterker nog, op de site van VetVice zelf is een basisboek standaard werkwijzen opfok jongvee te vinden. In een tabel (tabel 8) onder paragraaf 4.1 ‘huisvesting’ op p. 27 van dat basisboek worden richtlijnen voor huisvesting van kalveren gegeven, zowel in de leeftijd 0,5 tot 3 maand en 3 tot 6 maand. Bij ‘Spleetbreedte roosters (cm)’ is in die tabel ‘3’ vermeldt. 3 centimeter aldus. Waarom de huisvesting bij cliënte niet zou voldoen, is reeds om die reden volstrekt onduidelijk, de spleten zijn daar immers 3 cm, 30mm.
102. Op basis van de enkele stelling van de toezichthouders van de NVWA kan dan ook niet gezegd worden dat de roostervloeren van cliënt ongeschikt zijn om jonge kalveren op te houden. De enkele stelling van de toezichthouders dat het risico op het ontschoend raken van de kalveren daarbij bestaat, is onvoldoende. Zoals gezegd is het gebruikelijk dat kalveren op een roostervloer worden gehouden en blijkt uit de rapporten niet dat de spleetbreedtes te smal zijn of iets dergelijks, vooral niet nu nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn voor jongvee. Een zoektocht op internet leert dat er wel richtlijnen zijn, maar dus geen regels. Bovendien blijkt dat cliënte aan die richtlijnen voldoet! Het bestaan van een overtreding is op dit punt dan ook volstrekt onvoldoende onderbouwd.
103. Ook voor het onder het 2de gedachtestreepje tenlastegelegde dient aldus vrijspraak te volgen, dat de roostervloeren van cliënte niet zouden voldoen en dat op dit punt van een zorgonthouding sprake is, blijkt gewoonweg niet.
Lex certa
104. Zou al aangenomen worden dat de vloer niet geschikt is, dan is onvoldoende kenbaar en voorzienbaar dat dit enige overtreding op zou leveren, zodat ook daarom op dit punt geen veroordeling kan volgen. Ook dit verweer is overigens door de rechtbank geheel en al onbesproken gelaten. Zoals gezegd is de regelgeving met betrekking tot de eisen waar een vloer aan moet voldoen niet nader uitgewerkt. Ook is nergens vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn. Het is voor cliënte dan ook in het geheel niet kenbaar en voorzienbaar dat zijn vloeren niet zouden voldoen voor het huisvesten van jonge kalveren, vooral niet nu hij wel aan de vindbare richtlijnen voldoet en nu bovendien richtlijnen over de roostervloer niet zijn opgenomen op de officiële, van de overheid afkomstige, informatie-websites over de huisvesting van jongvee.
105. Zou al gezegd worden dat aldus het feit dat de kalveren op een roostervloer met spleetbreedtes van 3 centimeter komen een overtreding oplevert -quod non- dan was dit voor cliënte niet kenbaar en voorzienbaar, zodat van strijd met het lex certa-beginsel sprake is. Dit maakt dat van een strafbare overtreding geen sprake is, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen op dit punt.
[…]
83-177078-19
[…]
3de gedachtestreepje
146. Ook hier is wederom de inmiddels befaamde spleetbreedte opgenomen. Een overtreding op dit punt blijkt gewoonweg niet. Nergens volgt uit dat kalveren niet op roostervloeren gehouden zouden mogen worden, sterker nog, uit de informatie op internet en uit het onderzoek dat cliënte zelf heeft laten doen, volgt het tegendeel.
147. Voor het eerst hier wordt gesteld dat de spleetbreedtes bij cliënt ruim boven de drie centimeter zouden zijn. Het is van belang te benadrukken dat zulks eerder nooit het geval was, telkens is uitgegaan van 3 centimeter. Voor de eerdere tenlasteleggingen ontbreekt ook ieder bewijs dat de spleten breder zijn dan drie centimeter.
148. Cliënte bestrijdt dit echter ook in deze zaak. Uit het onderzoek dat cliënte heeft laten uitvoeren, waarvan de stukken zich in het dossier bevinden, blijkt ook de roosters 3 centimeter brede spleten hebben. Door slijtage zijn sommige plekken iets breder, maar zeker geen 4 centimeter.
149. In het dossier nu wordt, overigens na de in het bijzijn van de controleurs al herhaaldelijk in verschillende rechtszalen gevoerde discussie over de vraag of kalveren wel of niet op een roostervloer van 3 centimeter mogen, plots gesteld dat wel spleten van bijna 4 centimeter zijn aangetroffen. Er is slechts een aantal zeer onduidelijke overbelichte foto’s bijgevoegd, waaruit ook niet blijkt of het meetlint loodrecht lag. Voorts is het de verdediging onduidelijk waar precies is gemeten en of hier kalveren liepen. Ik verzoek u dan ook cliënt van dit onderdeel vrij te spreken. Indien uw hof uitgaat van de spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, doet de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek om ofwel middels inschakeling van een deskundige, dan wel middels descente, de breedte deugdelijk te doen vaststellen.”
Uit deze onderdelen van de pleitnota kan in de eerste plaats het primaire verweer worden gedestilleerd dat geen sprake is van onthouding van de nodige verzorging, aangezien met betrekking tot de zaken 83-187118-18 en 82-127647-19 niet uit de bewijsmiddelen blijkt hoe breed de spleten precies waren en met betrekking tot de zaak 83-177078-19 onduidelijke, overbelichte foto’s zijn bijgevoegd waaruit niet blijkt of het meetlint loodrecht lag en onduidelijk is waar precies gemeten is, zodat niet vaststaat dat de spleten breder waren dan 30 millimeter en nergens uit volgt dat een roostervloer van 30 millimeter ongeschikt is voor kalveren, zodat vrijspraak dient te volgen. In de tweede plaats volgt uit deze onderdelen van de pleitnota het subsidiaire standpunt dat, voor zover het houden van kalveren op een roostervloer met spleetbreedtes van 30 millimeter al een overtreding van art. 2.2 lid 8 Wd oplevert, dit voor de verdachte rechtspersoon niet kenbaar en voorzienbaar was, aangezien nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn, zodat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel en ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
Het tweede voorbeeld ziet op het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit in de zaak met het parketnummer 83-127647-19, te weten: “lagen in de ligboxen in het hok waar een pink met nummer 6353 verbleef oude en aangekoekte mestresten.” De stellers van het middel verwijzen met betrekking tot dit voorbeeld naar de punten 118 tot en met 120 van de pleitnota in hoger beroep.
Dit onderdeel van de pleitnota luidt als volgt:
“83-127674-19
[…]
4de gedachtestreepje
118. Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, is wederom van belang dat niet duidelijk is welk verwijt ten aanzien van de zorgonthouding cliënte wordt gemaakt. Het tenlastegelegde verwijt is immers dat er oude en aangekoekte mestresten in het verblijf lagen.
119. Op welke wijze deze enkele aanwezigheid een zorgonthouding oplevert, blijkt niet. Niet blijkt bijvoorbeeld dat het rund in het geheel niet schoof of droog kon liggen.
120. Ook op dit punt blijkt aldus niet van een overtreding. Ik verzoek u dan ook cliënte van het onder het vierde gedachtestreepje tenlastegelegde vrij te spreken.”
Het in dit gedeelte van de pleitnota opgenomen standpunt houdt in dat de enkele aanwezigheid van oude en aangekoekte mestresten in het verblijf nog geen zorgonthouding oplevert, omdat niet blijkt dat het rund niet schoon of droog kon liggen, zodat vrijspraak moet volgen.
Het arrest bevat geen bewijsoverweging(en) of een uitdrukkelijke reactie op enig verweer. Wel is in de bewijsmiddelenbijlage de onder 3.4 reeds weergegeven overweging opgenomen.
Volgens de stellers van het middel heeft het hof niet gereageerd op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De algemene bewijsoverweging kan volgens hem niet gelden als een weerlegging van deze standpunten.
Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De rechter is verplicht te reageren op een standpunt wanneer dit duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht. De verwerping van het standpunt kan ook besloten liggen in de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsmotivering. Het ontbreken van een reactie is niet fataal wanneer het gaat om een ondergeschikt punt.
De hiervoor weergegeven standpunten kunnen mijns inziens niet anders worden opgevat dan als standpunten die duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof zijn voorgelegd. Het hof is van deze standpunten afgeweken, doordat het de feiten heeft bewezenverklaard. Het hof heeft niet uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het van deze standpunten is afgeweken. De weerlegging van de verweren ligt echter besloten in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Ik zal dat toelichten.
[…] het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel 5). Dit proces-verbaal houdt onder andere in dat een jong kalf vanuit het strohok liep naar het gedeelte van de stal waar de melkgevende runderen zich bevonden. In dit gedeelte met melkgevende runderen was de vloer voorzien van roosters. Kalfjes kunnen gelet op de grootte van de spleten van de roosters met hun klauwtjes en poten tussen de spleten van de roosters geraken, waardoor zij zelfs “ontschoend” kunnen raken, hetgeen zeer pijnlijk is.
Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (bewijsmiddel 13), dat het hof voor het bewijs heeft gebruikt in de zaak met het parketnummer 83-177078-19, bevat een vergelijkbare constatering van de verbalisanten. Ook blijkt uit de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] (bewijsmiddel 14), die eveneens is gebruikt voor het bewijs in de zaak met dit parketnummer, dat in de ligboxenstal bij de melkkoeien twee kalveren van nog geen tien dagen oud stonden, terwijl het houden van pasgeboren kalveren in een ligboxenstal met roostervloer met roosterspleten die geschikt zijn voor volwassen melkkoeien zeer risicovol is, omdat de spleetbreedte in de roostervloer van de melkkoeien is gebaseerd op de grootte van een volwassen runderklauw en dat de klauw van een kalf hierin gemakkelijk kan wegzakken, met ernstige gezondheidsrisico’s voor het kalf, te weten ontschoenen en/of fracturen in de klauw met veelal fatale gevolgen.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [betrokkene 4] (bewijsmiddel 9), dat het hof voor het bewijs heeft gebezigd in de zaak met het parketnummer 83-187118-19, bevat met betrekking tot het achterste hok aan de linkerzijde van de ligboxenstal eveneens de vaststelling dat jonge kalveren, gelet op de grootte van de spleten van de roosters, zoals deze zich in dit stalgedeelte bevonden, met de klauwtjes en poten tussen de spleten van de roosters kunnen geraken en dat zij zelfs ontschoend kunnen raken. Ook houdt de veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 4] (bewijsmiddel 10) in dat de spleetbreedte van de vloer in het achterste hok aan de linkerkant “te breed” was voor de klauwen van het kalf en dat het kalf met de klauwen klem kon komen te zitten tussen de roosters. Voorts blijkt uit dit bewijsmiddel dat vijf kalveren die zich in de wei bevonden, toegang hadden tot de ligboxenstal met een roostervloer, waarvan de spleten ook voor deze kalveren te breed waren.
Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de spleten van de roosters waar de kalveren konden komen te breed waren voor de klauwen van de kalveren, waardoor die kalveren klem konden komen te zitten of ontschoend konden raken, zoals bewezenverklaard. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsmiddelen niet zou blijken hoeveel millimeter de spleetbreedtes precies waren en dat een spleetbreedte van 30 millimeter ongeschikt zou zijn voor kalveren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de spleten dusdanig breed waren dat de kalfjes hier met hun klauwen tussen konden komen te zitten. Bij die stand van zaken is het niet relevant dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt hoe breed de spleten precies waren.
Dat de feitelijke omstandigheid dat de spleten zo breed waren dat de kalfjes er met hun klauwen in konden komen vast te zitten, het oordeel kunnen dragen dat de verdachte rechtspersoon aan de kalveren de nodige verzorging heeft onthouden in de zin van art. 2.2 lid 8 Wd, volgt eveneens uit deze bewijsmiddelen.
Hetzelfde geldt voor het verweer dat het voor de verdachte rechtspersoon niet kenbaar en voorzienbaar was dat dit een overtreding van art. 2.2 lid 8 Wd zou opleveren. Art. 1.8 lid 2 Bhvd houdt onder meer in dat de behuizingen waarin een dier verblijft, waaronder de vloer wordt begrepen, zo moeten zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. Art. 2.35 Bhvd specificeert met betrekking tot kalveren dat de vloer van de stal aangepast moet zijn aan het gewicht en de grootte van de kalveren en een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte moet vormen. Art. 2.36 Bhvd bepaalt dat de ligruimte van kalveren, met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden, is ingestrooid of voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.
Daarmee was het mijns inziens voor de verdachte rechtspersoon kenbaar en voorzienbaar dat de kalveren geen toegang mogen hebben tot een verblijf met een roostervloer die zodanig breed is dat de kalveren hier met hun klauwtjes tussen konden komen zitten, zoals is bewezenverklaard. Daaraan doet niet af dat nergens is vastgelegd wat de maximale spleetbreedtes zijn. In het Bhvd is wel vastgelegd dat de vloer een stevige, vlakke en stabiele ondergrond moet zijn en moet zijn aangepast aan de grootte van de kalveren, alsmede dat de vloer van het verblijf geen pijn of letsel mag veroorzaken. De verdachte rechtspersoon had gelet hierop kunnen en moeten weten dat een vloer waarin kalfjes met hun klauwen kunnen komen vast te zitten, hieraan niet voldoet. Van een schending van het lex certa-beginsel is (nog los van het geponeerde rechtsgevolg daarvan) geen sprake.
Ook de verwerping van het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het vierde gedachtestreepje van het tenlastegelegde feit in de zaak met het parketnummer 83-127647-19, omdat de enkele aanwezigheid van oude en aangekoekte mestresten in het verblijf nog geen zorgonthouding oplevert nu niet blijkt dat het rund niet schoon of droog kon liggen, ligt besloten in de gebruikte bewijsmiddelen. Dit betrof het rund met het nummer 6353. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de NVWA van 8 februari 2019 (bewijsmiddel 5) blijkt dat de toezichthouders hebben vastgesteld dat de ligboxen in het hok waarin een rund met werknummer 6353 verbleef, niet waren gereinigd en niet waren ingestrooid met schoon strooisel, evenals dat in de ligboxen oude, verse en aangekoekte mestresten lagen. De veterinaire verklaring van dierenarts [betrokkene 1] van 5 december 2018 (bewijsmiddel 6) houdt onder meer in dat de huisvesting van het rund met werknummer 6353 “kale, onconfortabele en vuile ligboxen” betrof. Uit het feit dat in dit bewijsmiddel is opgetekend dat de ligboxen niet waren gereinigd en ingestrooid met schoon strooisel, volgt reeds dat de runderen niet droog en schoon konden liggen en dat zodoende sprake was van een zorgonthouding.
Al met al liggen in ’s hofs bewijsvoering in toereikende mate de redenen besloten waarom het hof bij de bewijsbeslissing is afgeweken van de bewijsverweren die in hoger beroep zijn gevoerd.
Het middel faalt.
6. Het tweede middel
Het middel houdt – gelet op de toelichting – in dat het hof niet heeft beslist op het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het houden van een schouw en het benoemen en horen van een deskundige, ten behoeve van het vaststellen van de spleetbreedtes van de roostervloeren met betrekking tot de zaak met parketnummer 83-177078-19.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2021 heeft de raadsman van de verdachte rechtspersoon hier het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“83-177078-19
[…]
148. Cliënte bestrijdt dit echter ook in deze zaak. Uit het onderzoek dat cliënte heeft laten uitvoeren, waarvan de stukken zich in het dossier bevinden, blijkt ook de roosters 3 centimeter brede spleten hebben. Door slijtage zijn sommige plekken iets breder, maar zeker geen 4 centimeter.
149. In het dossier nu wordt, overigens na de in het bijzijn van de controleurs al herhaaldelijk in verschillende rechtszalen gevoerde discussie over de vraag of kalveren wel of niet op een roostervloer van 3 centimeter mogen, plots gesteld dat wel spleten van bijna 4 centimeter zijn aangetroffen. Er is slechts een aantal zeer onduidelijke overbelichte foto’s bijgevoegd, waaruit ook niet blijkt of het meetlint loodrecht lag. Voorts is het de verdediging onduidelijk waar precies is gemeten en of hier kalveren liepen. Ik verzoek u dan ook cliënt van dit onderdeel vrij te spreken. Indien uw hof uitgaat van de spleetbreedte van meer dan 3 centimeter, doet de verdediging hierbij het voorwaardelijke verzoek om ofwel middels inschakeling van een deskundige, dan wel middels descente, de breedte deugdelijk te doen vaststellen.”
Het (voorwaardelijke) verzoek om de spleetbreedte deugdelijk te doen vaststellen middels inschakeling van een deskundige dan wel een descente, betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv, om toepassing te geven aan respectievelijk art. 316 Sv en art. 318 Sv. Deze bepalingen zijn op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing. De rechter moet ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing geven ten aanzien van dit soort verzoeken. Dat is niet anders wanneer de verzoeken voorwaardelijk zijn voldaan en de daaraan gestelde voorwaarden zijn vervuld.
De voorwaarde die in dit geval aan het verzoek is verbonden, houdt in dat het hof met betrekking tot het in de zaak met het parketnummer 83-177078-19 tenlastegelegde feit uitgaat van een spleetbreedte van meer dan 3 centimeter.
Zoals bij het vorige middel is gebleken, blijkt uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen onder meer dat de jonge kalveren gelet op de grootte van de spleten van de roosters met hun klauwtjes tussen de spleten van de roosters kunnen raken, waardoor zij “ontschoend” kunnen raken, hetgeen zeer pijnlijk is.
Ik meen dat het hof reeds hieruit heeft afgeleid dat sprake was van het onthouden van de nodige zorg aan de kalveren en dat het hof dus niet zonder meer is uitgegaan van een spleetbreedte van meer dan 3 centimeter. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde die is verbonden aan het verzoek tot het houden van een schouw en het benoemen en horen van een deskundige. Het hof hoefde dan ook niet op het verzoek te beslissen.
Het middel faalt.
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG