ECLI:NL:PHR:2024:820

ECLI:NL:PHR:2024:820, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 22/01699

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/01699
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1506
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0002320

Samenvatting

Conclusie AG. Feitelijke leidinggeven aan opgeven van onjuiste/onvolledige gegevens aan Belastingdienst en doen plegen van valsheid in geschrift. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de inkeerregeling van art. 69 lid 3 AWR niet van toepassing is. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van het opgeven van onjuiste/onvolledige gegevens aan de Belastingdienst. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het doen plegen van valsheid in geschrift. Het vierde middel klaagt over het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn in feitelijke aanleg is overschreden. Geen van de middelen slaagt volgens de AG. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

31. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:

Ik was niet de houder van de bankrekening in Luxemburg, maar ik had een volmacht van de directie van [bedrijf 3] en kon via die weg over de bankrekening beschikken (p. 36).

32. Een geschrift, zijnde een afschrift van een e-mailwisseling van de verdachte d.d. 27 maart 2007, inhoudende (bijlage D-016 2/3, ordner 6 “Documenten D-001 t/m D-100”, p. 1591):

[bedrijf 3] is een vennootschap van mijzelf (als gevolg waarvan er de facto eigenlijk niets verandert; ik ‘hang’ alleen privé-eigendom in een ‘corporate’ jasje).

33. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2022 verklaard – zakelijk weergegeven –:

Omdat ik in 2008 en 2009 deels in Portugal ingezetene was en soms een hele tijd niet in Nederland was had ik met [betrokkene 6] en [betrokkene 8] afgesproken dat post van de gemeente Amsterdam naar het [bedrijf 14] kon, zodat het goed zou aankomen. Zodoende is het adres van het [bedrijf 14] in Amsterdam geregistreerd. Als daar een brief binnenkomt en er staat niet op voor wie die is, dan komt die brief nooit aan. Van [betrokkene 6] mocht ik zijn naam gebruiken, zodat de post in ieder geval aan zou komen. De brief van 1 oktober 2010 kwam daar dus aan, ging naar [betrokkene 6], die in Portugal woonde, en kwam met een enorme vertraging uiteindelijk bij mij. De brief ging over [bedrijf 3] en daar had ik me over te ontfermen.

34. Een proces-verbaal van ambtshandeling van de Belastingdienst/FIOD, met nr. 48616, AH-48, d.d. 11 januari 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (Ordner 2 “AH”, p. 385 t/m 397):

Uit het onderzoek tot op heden komt naar voren dat [verdachte] het “brein achter de schermen” is van [bedrijf 3] Ltd: de feitelijke leiding van [bedrijf 3] Ltd is in handen van [verdachte]. Dit betekent dat [bedrijf 3] Ltd zowel op grond van artikel 4 van de AWR als voor de toepassing van de BRK moet worden beschouwd als inwoner van Nederland omdat haar feitelijke leiding in Nederland is gelegen.

De feiten en omstandigheden waarin naar voren komt dat [verdachte] de feitelijk leidinggevende is van voormelde vennootschap zijn onder andere:

- 1. [betrokkene 6] bewaart het toonderaandeel van [bedrijf 3] Ltd ten behoeve van [verdachte]. Laatstgenoemde is de ultimate beneficial owner (verder: UBO) van [bedrijf 3] Ltd.;

- 2. [verdachte] bepaalt waar de bankrekening van [bedrijf 3] Ltd wordt geopend (Luxemburg), hij heeft een volmacht voor het verrichten van handelingen met betrekking tot deze Luxemburgse bankrekening en hij handelt ook daadwerkelijk;

- 3. [verdachte] bepaalt in welke vennootschap, [bedrijf 2] of [bedrijf 3] Ltd, de omzet neerslaat;

- 4. [bedrijf 13] trust te [plaats], de formele directeur/bestuurder van [bedrijf 3] Ltd handelt niet zonder toestemming van [verdachte].

[bedrijf 3] Ltd. is dan ook binnenlands belastingplichtig.

35. Een proces-verbaal van verhoor van een getuige d.d. 21 mei 2012 van de Belastingdienst/FIOD met nr. G09-01. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (Ordner 5 “VD (concept) GET p. 1459-1469):

Als de op 21 mei 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

[verdachte] heeft mij ergens in 2008 gevraagd of ik één aandeel aan toonder betreffende [bedrijf 3] voor hem wilde bewaren. Ik heb dit aandeel per koerier; rechtstreeks uit [plaats], ontvangen. Ik heb dit aandeel niet gekocht, niet geleend en geen rechten in dit kader uitgeoefend. Ik heb dit aandeel enkel voor [verdachte] bewaard. Ik heb [verdachte] wel gevraagd wat ik met dit aandeel moest doen, ‘bewaren’ zei hij. [verdachte] heeft me verteld dat [bedrijf 3] eigenaar was van een pand, meer weet ik niet. De brief van de Belastingdienst heb ik één op één doorgeven aan [verdachte] omdat het zijn verantwoordelijkheid is. Ik ben geen UBO van [bedrijf 3], ik ben er altijd vanuit gegaan dat [verdachte] UBO was van [bedrijf 3]. Ik wist verder niets van de mogelijke belastingplicht van [bedrijf 3] in Nederland. Het aandeel aan toonder dat ik van [bedrijf 3] heb, zegt in dit kader niets. Zo’n aandeel aan toonder krijgt volgens het Burgerlijk Wetboek van de Antillen pas waarde bij uitoefening van de rechten, dit heb ik zoals ik u net heb verteld nooit gedaan. Ik heb enkel dit aandeel bewaard voor [verdachte] op zijn verzoek (p. 1461-1462).”

37. Het hof heeft ten aanzien van feit 4 het volgende vastgesteld en overwogen:

“Op 1 oktober 2010 heeft [betrokkene 7] van de Belastingdienst Limburg schriftelijk vragen gesteld aan [bedrijf 3] in verband met het bezit van onroerend goed in Nederland. In de brief staat dat [betrokkene 7] ervan uit gaat dat “u in het buitenland bent gevestigd”. [betrokkene 1] heeft de vragen beantwoord bij een brief van 19 januari 2011. [betrokkene 1] heeft namens de verdachte en [betrokkene 6] medegedeeld dat, voor zover hen bekend, [bedrijf 3] in het buitenland is gevestigd en materieel is gevestigd op [plaats], aangezien daar het trustkantoor dat als directeur optreedt, gevestigd is.

[betrokkene 1] heeft voornoemde brief in conceptvorm aan de verdachte voorgelegd ter beoordeling. De verdachte heeft vervolgens deze brief geredigeerd, in die zin dat hij de brief op enkele punten heeft aangevuld. Zo heeft hij na de zin dat [bedrijf 3] inderdaad in het buitenland is gevestigd ingevoegd “Inderdaad, op Anguilla, maar materieel op [plaats], want daar zit het trust kantoor dat als directeur optreedt”. Ook heeft de verdachte aangevuld dat [betrokkene 6] in Portugal woont. Deze aanvullingen zijn door [betrokkene 1] overgenomen in de brief zoals die naar de Belastingdienst is verzonden.

Uit een e-mailwisseling tussen [betrokkene 7] en [betrokkene 1] blijkt dat [betrokkene 1] door de verdachte is geïnformeerd dat [betrokkene 6] aandeelhouder van [bedrijf 3] is.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat [bedrijf 1] er altijd van uit is gegaan dat het als bestuurder van [bedrijf 3] aangestelde trustkantoor op [plaats] de feitelijke beslissingen nam over wat er met [bedrijf 3] gebeurde en dat [bedrijf 3] enkel het pand aan het [adres] exploiteerde. De informatie op basis waarvan [bedrijf 1] ervan uitging dat [bedrijf 3] buitenlands belastingplichtig was, kwam van de verdachte. De informatie dat de verdachte de UBO van [bedrijf 3] was, dat de verdachte heeft bepaald in welk land de bankrekening van [bedrijf 3] werd geopend en dat het trustkantoor op [plaats] dat formeel de directie voerde zonder (instemming van) de verdachte niets deed, was bij [bedrijf 1] niet bekend. Dit heeft [betrokkene 1] eerst vernomen nadat hij in 2012 de verklaringen van de verdachte daarover bij de FIOD heeft gelezen.

Het hof gaat ervan uit dat de feitelijke leiding van [bedrijf 3] van meet af aan en bij voortduring in handen van de verdachte was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat het trustkantoor op [plaats] dat formeel, als bestuurder/directeur optrad – geen (doorslaggevende) beslissingen over [bedrijf 3] nam en dat als het inhoudelijk ergens over ging, hij altijd om de hoek kwam kijken. Ook neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ‘ultimate, beneficial owner’ (UBO) van [bedrijf 3] was en dat de verdachte de Luxemburgse bankrekening voor [bedrijf 3] heeft geopend en hij over die rekening kon beschikken. Hoewel [betrokkene 6] het enige toonderaandeel van [bedrijf 3] in bewaring had en daarmee formeel zeggenschap had binnen [bedrijf 3], had [betrokkene 6] materieel gezien geen zeggenschap. Deze verhoudingen binnen [bedrijf 3] komen ook tot uitdrukking in een e-mail van de verdachte uit 2007 waarin hij schrijft: “[bedrijf 3] is een vennootschap van mijzelf (als gevolg waarvan er de facto niets verandert; ik ‘hang’ alleen privé-eigendom in een ‘corporate’ jasje)”. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook nog verklaard dat het adres op de brief van 1 oktober 2010 een postadres van het World Fashion Centre ([bedrijf 14]) betrof. De reden dat [betrokkene 6] op de brief stond is dat de verdachte hem als contactpersoon had opgegeven omdat de post in het [bedrijf 14]-gebouw anders bij de hoofdingang ‘zou blijven steken’.

Het hof gaat er voorts van uit dat de verdachte ten tijde van het in handen hebben van de feitelijke leiding van [bedrijf 3] in Nederland woonachtig was. Daarmee was [bedrijf 3] naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld in Nederland gevestigd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte steeds als binnenlands belastingplichtige aangifte IB heeft gedaan en zichzelf kennelijk beschouwde als inwoner van Nederland. Dat de verdachte in (een deel van) die periode veelvuldig in Portugal, en ook op [plaats] verbleef doet daaraan niet af. Overigens stond de verdachte ten tijde van de brief van 19 januari 2011 al geruime tijd ingeschreven als woonachtig in Nederland.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het hof op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdachte, [betrokkene 1] van onjuiste en onvolledige informatie heeft voorzien en [betrokkene 1]'s concept niet heeft gecorrigeerd, maar heeft aangevuld en juist heeft benadrukt dat [bedrijf 3] materieel in het buitenland is gevestigd. Ook heeft hij doen voorkomen dat [betrokkene 6] materieel zeggenschap had binnen [bedrijf 3] en heeft hij aangevuld dat [betrokkene 6] in het buitenland woonachtig is. Daarmee is naar het oordeel van het hof de brief van 19 januari 2011 van [bedrijf 3] aan de Belastingdienst vals. Deze brief is naar de Belastingdienst gestuurd en met de informatie uit deze brief is de Belastingdienst er ten onrechte van uitgegaan dat [bedrijf 3] buitenlands belastingplichtig was.

De verdachte heeft nog gesteld dat [betrokkene 1] op het moment van het sturen van de brief wist van het bestaan van [bedrijf 3] en dat de verdachte – zo begrijpt het hof – erop mocht vertrouwen dat zijn belastingadviseur de Belastingdienst correct zou informeren. Uit het dossier blijkt evenwel dat [betrokkene 1] enkel op de hoogte was van het door [bedrijf 3] exploiteren van het pand aan het [adres], en dat hij door de verdachte zelf niet volledig geïnformeerd is omtrent [bedrijf 3]. Zo heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij ervan uit ging dat het trustkantoor op [plaats] de directie voerde en wist hij niet dat de verdachte de UBO van [bedrijf 3] was.

Het hof is gelet op al het vorengaande van oordeel dat de verdachte de brief van 19 januari 2011 opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid heeft doen opmaken.”

De bespreking van het middel

38. Het middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, komt met verschillende bewijsklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte het geschrift valselijk heeft doen opmaken. Dit bewezenverklaarde feit ziet op een brief van 19 januari 2011 die belastingadviseur [betrokkene 1] van [bedrijf 1] namens de verdachte en [betrokkene 6] (aandeelhouder van [bedrijf 3]) heeft verstuurd aan de Belastingdienst over de belastingplicht van [bedrijf 3]. Volgens het hof heeft de verdachte in strijd met de waarheid in die brief doen of laten vermelden dat [bedrijf 3] materieel gevestigd is in [plaats], omdat daar het trustkantoor is gevestigd dat als directeur optreedt, en aldus in het buitenland is gevestigd, alsook dat [betrokkene 6], die in Portugal woont, zich abusievelijk niet zou hebben gerealiseerd dat de heffing van vennootschapsbelasting over de baten van [bedrijf 3] is toegewezen aan Nederland. In werkelijkheid lag de feitelijke leiding van [bedrijf 3] volgens het hof in de handen van de verdachte, die destijds in Nederland woonachtig was, hetgeen meebrengt dat [bedrijf 3] naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld in Nederland was gevestigd. Met zijn aanvullingen in de conceptbrief van [betrokkene 1] heeft de verdachte juist benadrukt dat [bedrijf 3] materieel in het buitenland was gevestigd en dat [betrokkene 6] materieel zeggenschap had binnen [bedrijf 3]. Daarmee is de brief van 19 januari 2011 vals, zo oordeelt het hof.

39. Ook in de toelichting op dit middel wordt een groot aantal (feitelijke) vaststellingen van het hof betwist. In de kern bestrijdt het middel de vaststellingen van het hof dat:

- de informatie op basis waarvan [bedrijf 1] ervan uitging dat [bedrijf 3] buitenlands belastingplichtig was van de verdachte kwam;

- de informatie die de verdachte aan [bedrijf 1] heeft gegeven onjuist is;

- [betrokkene 1] niet wist dat [bedrijf 3] eigenlijk binnenlands belastingplichtig is.

Met verwijzing naar randnummer 22 memoreer ik dat deze vaststellingen in cassatie niet op juistheid, maar enkel op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.

40. Ten aanzien van het eerste en het tweede gedachtestreepje wordt aangevoerd dat de verdachte slechts “feitelijke, met de vennootschappelijke rechtsorde en de economische werkelijkheid overeenkomende informatie” aan [betrokkene 1] heeft verstrekt en nooit fiscaalrechtelijke informatie. Evenmin heeft de verdachte deze feitelijke informatie fiscaalrechtelijk geduid, aldus de steller van het middel.

41. Uit de vaststellingen van het hof komt het volgende naar voren. Op 1 oktober 2010 heeft [betrokkene 7] ‘van’ de Belastingdienst vragen gesteld aan [bedrijf 3] over onroerend goed in Nederland. In die brief staat dat [betrokkene 7] ervan uitgaat dat “u in het buitenland bent gevestigd”. [betrokkene 1] heeft, bij voormelde brief van 19 januari 2011, namens de verdachte en [betrokkene 6] hierop geantwoord dat, voor zover hem bekend, [bedrijf 3] in het buitenland is gevestigd en materieel in [plaats], aangezien daar het trustkantoor dat als directeur optreedt gevestigd is. In de conceptversie van deze brief heeft de verdachte ten aanzien van de vestigingsplaats van [bedrijf 3] het volgende ingevoegd: “Inderdaad, op Anguilla, materieel op [plaats], want daar zit het trustkantoor dat als directeur optreedt”. Ook heeft de verdachte aangevuld dat [betrokkene 6] in Portugal woont. De brief is met deze aanvullingen door [betrokkene 1] naar de Belastingdienst verstuurd.

42. Uit het vorengaande volgt dat de verdachte de brief aan de Belastingdienst heeft aangevuld, in die zin dat [bedrijf 3] materieel wordt aangestuurd door het trustkantoor in [plaats] (zie hiervoor de bewijsmiddelen 20 en 21). ’s Hofs vaststelling dat de informatie, op basis waarvan [bedrijf 1] ervan uitging dat [bedrijf 3] buitenlands belastingplichtig was, van de verdachte kwam lijkt mij daarmee alleszins begrijpelijk.

43. Evengoed kan ik de vaststelling van het hof volgen dat deze informatie onjuist was, omdat de feitelijke leiding over [bedrijf 3] in werkelijkheid bij voortduring in handen van de verdachte lag. Het hof heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van de verdachte dat het trustkantoor in [plaats] formeel als directeur optrad en geen (doorslaggevende) beslissingen over [bedrijf 3] nam, en dat hij altijd om de hoek kwam kijken als het inhoudelijk ergens over ging. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte UBO van [bedrijf 3] was en hij de Luxemburgse bankrekening van [bedrijf 3] heeft geopend en over die rekening kon beschikken. Voorts heeft het hof hierbij betrokken dat [betrokkene 6], hoewel hij het enige toonderaandeel van [bedrijf 3] in bewaring had en daarmee formeel zeggenschap had binnen [bedrijf 3], materieel gezien geen zeggenschap toekwam. In dat kader wordt door het hof verwezen naar een e-mail van de verdachte uit 2007, waarin hij schrijft: “[bedrijf 3] is een vennootschap van mijzelf (als gevolg waarvan er de facto niets verandert; ik ‘hang’ alleen privé-eigendom in een ‘corporate’ jasje)”. Gelet hierop, en in het licht van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen waaraan het hof voormelde vaststellingen heeft ontleend, treft de stelling in de toelichting op het middel dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat het trustkantoor alleen “formeel de directie voerde” geen doel.

44. Aan het voorgaande doet niet af het in hoger beroep gevoerde – en in cassatie herhaalde – verweer dat de verdachte erop mocht vertrouwen dat zijn belastingadviseur [betrokkene 1] de Belastingdienst correct zou informeren. Het hof heeft dit beroep van de verdediging op de hiervoor meergenoemde adviseursjurisprudentie verworpen en daartoe overwogen dat de informatie op basis waarvan [bedrijf 1] ervan uitging dat [bedrijf 3] buitenlands belastingplichtig was van de verdachte kwam en dat [betrokkene 1], blijkens zijn verklaring, er altijd vanuit is gegaan dat het trustkantoor in [plaats] de feitelijke beslissingen nam en dat [bedrijf 3] enkel het pand aan het [adres] in Amsterdam exploiteerde. Voorts heeft het hof meegewogen dat bij [bedrijf 1] niet bekend was dat de verdachte de UBO van [bedrijf 3] was en ook niet ervan op de hoogte was dat de verdachte had bepaald in welk land de bankrekening van [bedrijf 3] werd geopend en het trustkantoor zonder (instemming van) de verdachte niets deed. Anders dan de steller van het middel meent, is dit wel degelijk relevant voor de vraag of de verdachte vertrouwen kon ontlenen aan het advies van [betrokkene 1], nu het hof mede op grond van die omstandigheden heeft vastgesteld dat de feitelijke leiding van [bedrijf 3] bij de verdachte lag. De hierboven door mij (in randnummer 39) achter het derde gedachtestreepje genoemde vaststelling van het hof dat [betrokkene 1] niet wist dat de [bedrijf 3] eigenlijk binnenlands belastingplichtig is, komt mij, tegen deze achtergrond, niet onbegrijpelijk voor. Dat [betrokkene 1] beter had moeten weten en had moeten doorvragen, zoals de steller van het middel betoogt, doet naar mijn mening hier niet ter zake. Dit doet immers niet af aan het feit dat de verdachte [betrokkene 1] van onjuiste en onvolledige informatie heeft voorzien door te stellen dat [bedrijf 3] materieel werd aangestuurd door het trustkantoor in [plaats], terwijl hij [bedrijf 3] als een vennootschap van hemzelf beschouwde en zelf ook heeft erkend dat hij alle belangrijke beslissingen nam en dat trustkantoren “nooit zelf doorslaggevende beslissingen” maken. Het hof heeft in zijn overwegingen voldoende tot uitdrukking gebracht zijn niet onbegrijpelijk oordeel dat de verdachte geen beroep kan doen op de adviseursjurisprudentie en er sprake is van opzet aan de zijde van de verdachte op het valselijk doen opmaken van de brief aan de Belastingdienst.

45. Tot slot noem ik nog de in de toelichting op het middel vermelde klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is in het licht van de vrijspraak van het hof voor feit 5 (opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift betreffende een aangiftebiljet van [bedrijf 3]), omdat zich daar “exact hetzelfde” heeft voorgedaan. Die klacht faalt reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien de vrijspraak voor feit 5 berust op het feit dat de tenlastegelegde valsheid volgens het hof niet stond vermeld op het betreffende (voorgedrukte) aangiftebiljet.

46. Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.

IV. Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan

Het middel

47. Het vierde en laatste middel heeft betrekking op de beslissing van het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.

De bestreden beslissing van het hof

48. Het hof heeft het volgende overwogen:

Redelijke termijn

Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Door de FIOD zijn op 11 april 2012, in navolging van het onderzoek door de Belastingdienst, doorzoekingen in de woning en op de werkplek van de verdachte uitgevoerd. Het hof zal deze datum dan ook aanmerken als het moment waarop de redelijke termijn een aanvang heeft genomen.

Door de rechtbank is op 27 juni 2017 vonnis gewezen. Dit maakt dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 3 jaar is overschreden.

Op 11 juli 2017 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Het hof wijst arrest op 21 april 2022. Dit maakt dat de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 2 jaar en 9 maanden is overschreden.

Nu het hof zal overgaan tot de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf zal worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en dat daarmee een inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.”

De bespreking van het middel

49. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, en zonder nadere onderbouwing of motivering, heeft geoordeeld dat kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden, nu sprake is van de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. De steller van het middel meent dat de regel dat een termijnoverschrijding wordt gecompenseerd door strafvermindering ook heeft te gelden voor het geval een voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, des te meer in een zaak als deze, waarin sprake is van een aanzienlijke termijnoverschrijding.

50. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het de rechter vrijstaat om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM indien het gaat om een geheel voorwaardelijke straf. Gelet hierop geeft de beslissing van het hof om geen strafvermindering toe te passen, op de grond dat het een geheel voorwaardelijke straf oplegt aan de verdachte, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

51. Het middel faalt.

V. Slotsom

52. De cassatiemiddelen falen en kunnen naar mijn inzicht worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

53. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 6 mei 2022. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. In het licht van de geheel voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, meen ik dat de Hoge Raad kan volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

54. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2024/2005 Viditax (FutD) 2024090303 FutD 2024-1889
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?