PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04243
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 10 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van het voorarrest, wegens de navolgende feiten:
1 primair. de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van opzettelijk enig gebouw beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2 primair. medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
3 primair. diefstal door twee of meer verenigde personen;
4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij de leider van die organisatie was;
5 subsidiair. opzetheling;
6. medeplegen van opzetheling
en
opzetheling;
7. medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
8. opzetheling;
9. opzetheling;
10 subsidiair. medeplegen van opzetheling;
11 primair. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
12. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
13. medeplegen van opzetheling;
14. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Voorts heeft het hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard respectievelijk onttrokken aan het verkeer. Verder heeft het hof de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Mediahuis NL B.V. ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde toegewezen tot een bedrag van € 205.443,12. Daarbij heeft het hof voor hetzelfde bedrag aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals bepaald in het arrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/04189 en 22/04229. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.
II. Waar het in deze zaak om gaat
4. De onderhavige strafzaak tegen de verdachte vloeit voort uit twee politieonderzoeken: 13Puurs en 26Wheeling. Het onderzoek 13Puurs is aangevangen naar aanleiding van de brandstichting op 26 juni 2018 bij het gebouw van Mediahuis NL BV in Amsterdam (hierna: het Telegraafgebouw). Die brandstichting is gepleegd met een gestolen Volkswagen Caddy, gevuld met jerrycans met benzine, die op het Telegraafgebouw is ingereden en vervolgens in brand is gestoken. De feiten 1, 2 en 3 hebben betrekking op onderzoek 13Puurs.
5. De overige feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld komen voort uit het onderzoek 26Wheeling. Het onderzoek 26Wheeling is een onderzoek naar voertuigcriminaliteit.
6. Het eerste, het tweede en het vijfde cassatiemiddel komen op tegen de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 uit het onderzoek 13Puurs. Alvorens deze middelen te bespreken in de onderdelen IV tot en met VI, geef ik hieronder de bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen met betrekking tot die feiten weer. Daarna volgt in onderdeel VII het derde cassatiemiddel, dat klaagt over de bewezenverklaring van feit 4 uit het onderzoek 26Wheeling, en mijn bespreking daarvan. In VIII ga ik in op het vierde cassatiemiddel, dat ziet op de bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bepaalde duur van de gijzeling. Mijn conclusie rond ik in IX af met een slotsom.
III. De bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen van het hof in onderzoek 13Puurs
7. Ten laste van de verdachte is in het onderzoek 13Puurs bewezenverklaard dat hij:
“1. primair
op 26 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht, door de in de centrale toegangspui van het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (JMG), gevestigd aan de Basisweg 30 te Amsterdam, gereden gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof(benzine) in brand te steken, waardoor brand ontstond, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was
en
op 26 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een gebouw, te weten het gebouw (bedrijfspand) van/in gebruik bij de Telegraaf Media Group (TMG), gevestigd aan de Basisweg 30 te Amsterdam, opzettelijk heeft beschadigd, immers is verdachte of zijn mededader tweemaal opzettelijk met een gestolen personenauto (een witte Volkswagen Caddy), ingereden op de centrale toegangspui van voornoemd gebouw, waardoor de auto zich in het gebouw boorde, en heeft verdachte of zijn mededader de gestolen personenauto (Volkswagen Caddy), voorzien van jerrycans met brandbare vloeistof vervolgens in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemd gebouw en de zich daarin bevindende goederen, te duchten was;
2. primair
op 27 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door op de Noordkaperweg te Amsterdam een gestolen personenauto (een Audi RS5 met kenteken [kenteken 1] ), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof in brand te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, die zich op het moment van de brandstichting in de nabijheid van de plek waar de brandstichting plaatsvond, bevonden, te duchten was;
3. primair
op 22 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een auto, te weten een Volkswagen Caddy met originele kentekenplaten [kenteken 2] , heeft weggenomen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde.”
8. Het hof heeft ten aanzien van deze feiten het volgende vastgesteld en overwogen:
“13PUURS
Inleiding
Op 26 juni 2018 rijdt een Volkswagen Caddy, voorzien van het kenteken [kenteken 3] (hierna: de Caddy) tweemaal tegen de gevel van het Telegraafgebouw aan de Basisweg 30 te Amsterdam aan en door de centrale toegangspui (deels) naar binnen. Een man stapt uit de Caddy, opent de achterdeur van de auto en gooit iets in de Caddy naar binnen. Hierdoor vliegt de Caddy in brand. Als gevolg hiervan ontstaat forse schade. In de laadruimte van de Caddy ruikt de politie een benzinelucht en treft de politie tussen de brandresten 16 verschillende kunststofdelen aan, afkomstig van 16 verschillende jerrycans, met mogelijk een originele inhoud van 20 liter per jerrycan.
De Caddy is in de nacht van 21 juni 2018 op 22 juni 2018 gestolen vanaf de [a-straat] te Amsterdam en heeft als origineel kenteken [kenteken 2] . Op camerabeelden is te zien dat de Caddy kort voor de brand komt aanrijden over de Basisweg. Voor de Caddy rijdt een zwarte Audi RS5 met kenteken [kenteken 1] (hierna de Audi) die het fietspad oprijdt en daar met gedoofde lichten blijft staan. De Caddy komt ernaast staan. Er lijkt even contact te zijn tussen de beide bestuurders en daarna rijdt de Caddy het terrein van de Telegraaf op. Nadat de bestuurder van de Caddy de Caddy in brand steekt, rent hij naar de Audi en stapt in aan de passagierskant. De Audi rijdt vervolgens weg. De Audi wordt op 27 juni 201 8 rond 03:55 uur brandend aangetroffen op een parkeerplaats aan de Noordkaperweg in Amsterdam Noord. In de Audi vindt de politie (brandresten van) jerrycans met een indicatie voor de aanwezigheid van vluchtige ontbrandbare (vloei)stoffen. Op de parkeerplaats stonden meerdere voertuigen geparkeerd. De bus die naast de Audi stond heeft schade aan het rubber bij de deuren.
De verdenking
Aan de verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd het medeplegen van:
- diefstal van de Caddy (feit 3);
- opzettelijke brandstichting/veroorzaking van een ontploffing bij en/of vernieling van het Telegraafgebouw, met gemeen gevaar voor goederen (feit 1);
- het opzettelijk in brand steken van de Audi, met gemeen gevaar voor goederen (feit 2).
Standpunten Openbaar Ministerie en verdediging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft aan de hand van zijn schriftelijk requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle in onderzoek 13Puurs tenlastegelegde feiten.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uit het dossier volgende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd leiden tot de bewezenverklaring van voornoemde feiten. Nu vrijwel onmiddellijk nadat de dader in de Caddy brand sticht een explosie te zien is kan ook het bij feit 1 tenlastegelegde teweegbrengen van een ontploffing bewezen worden verklaard. Het alternatieve scenario dat door de verdediging is aangevoerd, dient als ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1,2 en 3 wegens gebrek aan direct bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten en daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 3 stelt de raadsvrouw zich primair op het standpunt dat de verdachte niet op de dag van de diefstal rondom het plaats delict is geweest nu aangever in de aangifte heeft verklaard dat zijn auto is weggenomen in de ochtend van 21 juni 2018. Het telefoonnummer dat bij de verdachte in gebruik was straalt echter in de nacht van 22 juni 2018 aan op een zendmast in de buurt van de [a-straat] , de straat waar de Caddy weggenomen zou zijn. Subsidiair, voor het geval dat uitgegaan wordt van de tweede verklaring van aangever waarin hij heeft verklaard dat hij zijn Caddy op 22 juni 2018 om 6:30 uur miste, stelt de verdediging zich op het standpunt dat betrokkenheid van de verdachte ook op basis van de overige bevindingen in het dossier niet kan worden vastgesteld. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw een alternatief scenario naar voren gebracht en een voorwaardelijk verzoek gedaan om een getuige te horen. Nu er verder geen direct bewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting van de Caddy bij het Telegraafgebouw heeft de raadsvrouw ook voor het eerste feit vrijspraak bepleit.
Redengevende feiten en omstandigheden
Het hof zal hierna de uit het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden met betrekking tot deze tenlastegelegde feiten gezamenlijk en zoveel als mogelijk in chronologische volgorde bespreken. Hierbij zal het hof eerst de huur door de verdachte bij Europcar van een Hyundai Kona, later omgeruild voor een Peugeot 208, bespreken, wegens de uiteen te zetten rol van deze voertuigen bij de tenlastegelegde feiten. Het hof merkt vooraf op dat veel redengevende feiten en omstandigheden voortkomen uit telecomgegevens. De verdachte heeft niet betwist dat hij de gebruiker is van de door de politie aan hem toegeschreven telefoonnummers. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachten de toeschrijving van telefoonnummers door de politie aan hen evenmin hebben betwist, met uitzondering van [betrokkene 1] . Het hof gaat dan ook uit van de toeschrijvingen van telefoonnummers door de politie en zal alleen ten aanzien van de toeschrijving aan [betrokkene 1] een bewijsmiddel opnemen.
21 en 22 juni 2018: huur van achtereenvolgens een Hyundai Kona en een Peugeot 208
Op 21 juni 2018 belt [betrokkene 2] met Europcar en stelt zich voor als de verdachte. Hij zegt dat hij een auto heeft gereserveerd voor die dag, een Volkswagen Polo, en vraagt of hij die ook krijgt. De medewerker van Europcar zegt dat het altijd een klasse is en dat hij alleen een Hyundai Kona heeft staan. Diezelfde dag rond 17:38 uur haalt de verdachte samen met een andere man een Hyundai Kona op, voorzien van kenteken [kenteken 4] (hierna: de Kona). De verdachte tekent een verhuurovereenkomst voor de periode tot 29 juni 2018.
Op 22 juni 2018 om 10:59 uur belt [betrokkene 2] met Europcar en stelt zich voor als de verdachte. Hij zegt dat hij niet tevreden is met de kleur van de auto die hij gisteren heeft opgehaald, een heel heftige kleur, en dat hij een andere auto wil. De kleur van de auto was ‘smurfenblauw’. De Kona wordt op 22 juni 2018 omgeruild voor een Peugeot 208 (hierna: de Peugeot). De Peugeot is op 28 juni 2018 door de verdachte ingeleverd.
De verdachte heeft een Volkswagen Polo. Deze Volkswagen Polo staat in de periode van 21 juni 2018 - 28 juni 2018 geparkeerd op de Burgemeester Hogguerstraat te Amsterdam en verplaatst zich sporadisch en alleen in de directe omgeving van die straat. Deze eigen Volkswagen Polo is in de periode van 16 juni tot en met 30 juni 201 8 enkel gebruikt op 16, 17, 18, 19, 28 en 29 juni 2018.
22 juni 2018: diefstal van de Caddy/route van Kona/gesprekken over omruilen van de Kona
De Caddy is op 22 juni 2018 rond 03:56 uur gestolen vanaf de [a-straat] te Amsterdam. De telefoon van de verdachte straalt die dag om 03:18 uur, een telefoonmast aan in de [a-straat] . De Kona wordt om 3:21 en om 03:56 uur bij de Cornelis Lelylaan (20 meter na Meer en Vaart) door een verkeerscamera geregistreerd. Dit is niet ver van de [a-straat] . Rond 03:56 uur verplaatst de Kona zich en wordt om 04:00 uur bij de Haarlemmerweg (ter hoogte van de Admiraal de Ruiterweg) in Amsterdam geregistreerd door een verkeerscamera. De telefoon van de verdachte straalt om 03:59 uur aan bij de Slotermeerlaan. Op dat tijdstip belt de verdachte naar [betrokkene 2] en vraagt hem: “kom naar blauwe zone, waar [betrokkene 3] altijd parkeert”, waarop [betrokkene 2] zegt dat hij er bijna is en de verdachte zegt dat hij [betrokkene 2] daar ziet. De telefoon van [betrokkene 2] straalt op het moment van dat telefoongesprek een zendmast op de Staalmeesterslaan in Amsterdam aan. De telefoon van de verdachte straalt om 04:07 uur aan bij de Koningsbergerstraat in Amsterdam. Ook de telefoon van [betrokkene 2] straalt daar aan om 04:07 uur. De route van de Kona komt niet overeen met de route die de verdachte volgens zijn telefoongegevens volgt. De route van de Kona past wel bij de route die de telefoon van [betrokkene 2] volgt.
Om 04:17 belt de verdachte met [betrokkene 4] . In dit gesprek zegt de verdachte dat hij er klaar mee is en dat hij morgen om 10 uur buiten moet zijn. [betrokkene 4] vraagt: “wat ga je doen om 10 uur? Europcar?”, waarop de verdachte zegt: “ja man, ik moet die shit regelen, brother”. Om 05:04 uur wordt de Kona geregistreerd op de Vialislocatie Basisweg. Dit is dicht bij de locatie van het Telegraafgebouw. De telefoon van de verdachte straalt dan zendmasten aan in de directe omgeving. In een telefoongesprek van 22 juni 2018 rond 16:26 uur tussen de verdachte en [betrokkene 4] vraagt de laatste of de verdachte de auto nog heeft omgeruild, waarop de verdachte antwoordt dat hij een Peugeot 208 heeft gekregen. De verdachte zegt: “voelt beter dan die ntv (...) Beter dan die blauwe. Gewoon nette auto.”
25 juni 2018: het ophalen van de Audi
Op 25 juni 2018 haalt [betrokkene 5] samen met [betrokkene 6] de Audi uit Breda op. [betrokkene 5] staat tijdens dit ophalen telefonisch in contact met [betrokkene 2] . Onder andere vraagt deze in een gesprek van 21:36 uur aan [betrokkene 5] : “staat je chickie daar nu?”, waarop [betrokkene 5] antwoordt: “nee man, wat voor auto hebben ze?” [betrokkene 2] zegt: “alleen die wat ik tegen je zei die moet je daar zoeken. (...) Die nummer die ik tegen je zei (...) niet naar die chappie toelopen ofzo ja”. Uit een gesprek van 22:57 uur tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 5] blijkt dat het gelukt is met de auto en dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] vertrekken. Om 23:30 uur belt [betrokkene 5] met [betrokkene 2] en zegt: “dit shit, hij valt uit steeds he. (...) Ik moest net de vluchtstrook uit en aan doen. Als er wat gebeurt dan laat ik die ding gewoon achter he.” Hierop antwoordt [betrokkene 2] : “ja (...) ga geen gekke riskies nemen.”
Tussen 25 juni 2018 te 22:23 uur en 26 juni 2018 te 03:49 uur: contacten en ontmoetingen van de verdachte en de medeverdachten
Op 25 juni 2018 om 22:23 uur wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 1] . Deze is met ‘ [betrokkene 7] ’ (fon) in Osdorp en kan nu naar de verdachte toekomen, die zegt: “is goed, zeg ik ben Argos.” De telefoon van [betrokkene 1] maakt dan gebruik van de Cell 1D Osdorpplein 408 te Amsterdam. Om 23:49 uur wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 7] . [betrokkene 7] maakte even daarvoor, om 23:33 uur, gebruik van de Cell ID in Valkenkamp te Maarsenbroek, van welke Cell ID ook [betrokkene 1] gebruik maakte. In het gesprek van 23:49 uur zegt [betrokkene 7] : “Jo, ik ben er man (...) zeg me gewoon wat ik moet doen man (...) ik sta hier gewoon, maar zeg me wat voor waggie. Ik sta in het midden (...).” Op dat moment maakt [betrokkene 7] gebruik van de Cell ID Beneluxlaan 8 te Utrecht. Om 23:57 wordt de verdachte weer gebeld door [betrokkene 7] . [betrokkene 7] zit op de Lutenseweg (fon.) tegenover […] . De verdachte geeft aan dat hij (een derde) daar in principe moet zijn. [betrokkene 7] ziet een Audi langsrijden. De verdachte zegt een A3, ja dat is hem.
Om 00:00 uur wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 7] . [betrokkene 7] geeft aan dat ze hem hebben, maar dat het hem niet was.
Om 00:54 uur stuurt [betrokkene 7] aan [betrokkene 6] een sms-bericht: “Hb m gevonde”.
Om 00:55 uur krijgt [betrokkene 7] een sms-bericht van [betrokkene 6] : “Ai Ewa blijf achter elkaar rijden hij voor jij achter”.
Om 00:55 uur stuurt [betrokkene 7] aan [betrokkene 6] een sms: “We zijn al houwma”
Om 00.55 uur krijgt [betrokkene 7] een sms van [betrokkene 6] : “Blijf met m anders aan de lijn als je m kan bereiken”.
Om 00:56 uur wordt [betrokkene 5] gebeld door [betrokkene 2] . [betrokkene 5] geeft aan dat hij in Osdorp is en dat [verdachte] (hof: de verdachte) weet waar. [betrokkene 5] zegt dat [betrokkene 2] hem ( [verdachte] ) moet zeggen waar hij me laatst had afgezet.
Om 01:03 uur wordt [betrokkene 5] gebeld door [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is bij [betrokkene 5] zijn waggie. [betrokkene 5] zegt dat hij eraan komt.
Om 01:04 uur wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 7] . Ze gaan elkaar ontmoeten in Osdorp. Rond 01:10 maken de telefoonnummers van de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] gebruik van de Cell ID Osdorpplein 408 te Amsterdam. Het telefoonnummer van [betrokkene 1] maakt, nadat dit op het hiervoor genoemde tijdstip rond 23:34 uur gebruik maakte van de Cell ID Valkenkamp te Maarssenbroek, voor het eerst om 01:36 uur weer gebruik van een Cell ID, namelijk de Cell ID Osdorpplein 408. De verdachte belt om 01:32 uur naar [betrokkene 7] en vraagt of die jongen hem nog wat had gegeven. [betrokkene 7] zegt van niet, waarop de verdachte zegt: “hij is het volgens mij vergeten”.
Om 3:01 uur zegt de verdachte in een telefoongesprek tegen [betrokkene 1] : “blijf paraat he, ik ben met een half uur ofzo is het klaar”. [betrokkene 1] vraagt of “het” nog doorgaat, waarop de verdachte “ja” zegt. Verder heeft de verdachte om 03:20 nog een telefoongesprek met [betrokkene 1] . De verdachte zegt dat hij “nu” naar [betrokkene 1] komt, maar die geeft aan dat hij liever naar de verdachte toekomt, hij gaat nu vertrekken. De verdachte zegt: “kom naar […] .” Tussen 03:24 uur en 04:25 uur maakt [betrokkene 1] geen gebruik meer van een Cell ID. Er vinden bij geen van de verdachten tijdens en rondom de brandstichting bij het Telegraafgebouw telefoongesprekken plaats. Wel stuurt [betrokkene 5] om 3:49 uur een sms-bericht naar [betrokkene 2] : “Yoo als je met die andere bent bel me ben spits gewoon.”
26 juni 2018: de brandstichting bij het Telegraafgebouw
Rond 03:53 uur is de Caddy op het Telegraaf gebouw ingereden en vervolgens in brand gestoken waarna de dader in de Audi is gestapt en de Audi is weggereden.
Uit de Vialis registratie blijkt dat de Audi om 03:57 uur, komende vanaf de afrit A10, de registratiepaal aan de Verlengde Stellingweg in Amsterdam Noord passeert. Deze locatie is hemelsbreed 50 meter van een parkeerplaats op de Noordkaperweg. Op 27 juni 2018 wordt de Audi op deze parkeerplaats rond 03:55 uur uitgebrand aangetroffen. Auto's die vanaf die kant naar het parkeerterrein op de Noordkaperweg rijden, zijn te zien op camerabeelden van een fitnesscentrum op de Noordkaperweg. Op die beelden is te zien dat om 03:58 uur een auto gelijkend op een Audi met verhoogde snelheid over de verkeersdrempel rijdt in de richting van de parkeerplaats aan de Noordkaperweg.
Om 03:59 uur is op de beelden van het fitnesscentrum te zien dat een donkerkleurige personenauto komt aanrijden en de Noordkaperweg inrijdt. Om 04:03 uur, is een personenauto te zien die de andere kant op rijdt. De contouren van de achterzijde, met name de achterlichten, doen de politie vermoeden dat het hier om een Peugeot type 208 gaat.
De door verdachte gehuurde Peugeot 208 wordt op 26 juni 201 8 om 04:11 uur geregistreerd door een verkeerscamera op de Cornelis Lelylaan. De reistijd met de auto vanaf de Noordkaperweg tot aan dat punt is ongeveer 8 minuten. De verdachte heeft erkend dat hij toen bij de Lelylaan was. Om 05:00:51 uur bekijkt [betrokkene 2] een artikel op internet: “at5n. Busje rijdt kantoorpand De Telegraaf binnen en vliegt in br”.
Tussen 18:30 uur en 19:35 uur vindt op een parkeerplaats in Amsterdam rondom de Peugeot een ontmoeting plaats tussen onder meer de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] . De verdachte en [betrokkene 2] vertrekken van die ontmoeting gezamenlijk in de Peugeot.
Vanaf 22:21:26 uur vindt het volgende Whatsappgesprek plaats tussen [betrokkene 7] (owner) en een NNman (X):
X: Niffo gaat t nog wat worden wella
X: Is toch niet soe moeilijk
X: K heb betaald
X: Is niet gratis
X: K koop voor je 100 liter ineen dag ghir betaal
X: Wollah die bwaarder zegt als k r vndg niet hb dan ben je faya
X: Morgen werkt ie nog
Owner: Ewa bro
Owner: Je hebt tog tege [betrokkene 8] hezegd....
26 en 27 juni 2018: (de aanloop naar) het in brand steken van de Audi
De Vialispaal van de Verlengde Stellingweg is de laatste registratiepaal die de Audi, op 26 juni 201 8 te 03:57 uur, passeert. Zoals al vermeld is dit hemelsbreed 50 meter van de parkeerplaats op de Noordkaperweg. Op 26 juni 2018 heeft de Audi op deze parkeerplaats gestaan. Op 27 juni 2018 rond 03:55 uur is de Audi hier brandend aangetroffen.
Op 26 juni 2018 om 18:04 uur spreken de verdachte en [betrokkene 1] telefonisch af elkaar zo te ontmoeten bij “Argos” (het hof begrijpt: tankstation Argos aan de Postjesweg te Amsterdam). Om 22:10 uur spreken zij af elkaar te ontmoeten in Osdorp. Om 23:31 uur heeft de verdachte telefonisch contact met [betrokkene 1] , die zegt: “euh, iemand voor je misschien man. (...) Hij komt over drie kwartier is hij hier”. De verdachte zegt dat hij net ook in Osdorp is en dat hij naar de buurt komt. De verdachte belt om 23:52 uur met [betrokkene 7] en zij spreken af elkaar over 10 minuten te ontmoeten. Op 27 juni 2018 om 00:41 uur belt de verdachte met [betrokkene 7] en vraagt of hij ‘ [betrokkene 8] ' nog heeft gesproken, waarop [betrokkene 7] antwoordt dat hij met hem is. De verdachte vraagt: “maar je hebt hem gesproken? Had ie gevraagd?“, waarop [betrokkene 7] antwoordt: “ja hij had met wat gevraagd maar ik weet niet man. Kijk als euh ik zelf denk het niet man. (...) maar euh kijk als je niemand kan vinden. Ik heb sowieso iemand.” [betrokkene 7] bevestigt op een vraag van de verdachte dat het voor die dag is. De verdachte vraagt: “maar heeft ie ze eigen vervoer?”, waarop [betrokkene 7] antwoordt van niet en vraagt of dat niet geregeld kan worden. Hierop zegt de verdachte: “euh ja anders kan ik iemand anders vragen begrijp je, als ik toch moet brengen. Dan heb ik ook iemand. Ik zoek eigenlijk iemand die eigen vervoer heeft.” [betrokkene 7] zegt dat hij terugbelt. Om 00:59 uur belt de verdachte met [betrokkene 7] . Deze heeft geen man met eigen vervoer. De verdachte laat dan wel weten of het nog nodig is. Om 02:26 uur wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 4] . De verdachte zegt: “ik ben even een half uurtje bezig, bel je ja. (...)”
Om 03:46 uur wordt de Peugeot door de verkeerscamera geregistreerd als deze vanaf de A10 de Verlengde Stellingweg oprijdt en vervolgens om 03:56 uur vanaf de Verlengde Stellingweg weer de A10 oprijdt. De verdachte heeft verklaard dat hij rond het tijdstip van de brand in de Audi samen met een ander bij de parkeerplaats op de Noordkaperweg aanwezig was. Om 04:10 uur belt de verdachte naar [betrokkene 4] , hij zegt dat hij bij de Vlugtlaan is en eten gaat halen en zo naar [betrokkene 4] komt.
Inbeslagname van de Peugeot en gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 9]
De Peugeot is, nadat deze door de verdachte was ingeleverd bij Europcar, op 29 juni 2018 door de politie in beslag genomen. De verdachte is hiervan op 29 juni 2018 door een medewerker van Europcar telefonisch op de hoogte gesteld.
Op 1 juli 2018 vindt omstreeks 14:49 uur het volgende telefoongesprek tussen [betrokkene 2] (N) en [betrokkene 9] (I) plaats:
“(...) N: Volgens mij wel. We waren druk bezig. Dinges, is faya (hof: er is iets ergs aan de hand) nu he. Voor ons. Voor mij en [verdachte]
I: Waarom nou weer
N: Euh waarom nou weer?
I: He?
N: Hoe ga ik het tegen je zeggen. Euh (tolk: heb je televisie gezien?)
I: Ja tuurlijk
N: (tolk: Dan moet je dat snappen).
I: Maar ja
N: Onze waggie is in beslag genomen.
I: Is een waggie in beslag?
N: Auto gehuurd en hij is in beslag genomen door skotoe.
I: Waarom?
N: Ik weet niet waarom he neef
I: Nee jo
N: Hij had hem ingeleverd, hadden ze hem in beslag genomen.
I: Fuckd up.
N: Ja man
(…)”
In de periode vanaf de brandstichting in het Telegraafgebouw tot aan dit gesprek domineerde deze brandstichting het nieuws op de televisie. De verdachte wordt door [betrokkene 2] ‘ [verdachte] ' genoemd.
Overwegingen van het hof
Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, overweegt het hof het volgende met betrekking tot de tenlastegelegde feiten.
Het hof gaat ervan uit dat de verdachte de Kona en vervolgens de Peugeot heeft gehuurd om deze te gebruiken bij het plegen van de tenlastegelegde feiten, meer in het bijzonder voor het plegen van de brandstichting bij het Telegraafgebouw en voor de ‘afwikkeling’ daarvan, bestaande uit het in brand steken van de Audi. Immers, de verdachte beschikte zelf over een Volkswagen Polo die hij ook dagelijks gebruikte. Het hof hecht geen geloof aan zijn verklaring dat hij in verband met het mooie weer een mooie, nieuwere auto wilde. Hierbij betrekt het hof dat [betrokkene 2] , namens de verdachte, bij Europcar aangeeft dat hij een Volkswagen Polo heeft gereserveerd en of hij die ook krijgt, een klasse auto die de verdachte zelf had. Het hof betrekt hierbij ook dat de verdachte de Kona wilde omruilen in verband met de kleur en gaat ervan uit dat de verdachte (bij nader inzien) de kleur van de Kona te opvallend vond om deze auto te gebruiken bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Dit vindt bevestiging in het telefoongesprek dat de verdachte voert met [betrokkene 4] in de middag van 22 juni 2018, waarbij de verdachte aangeeft dat de Peugeot waarover hij inmiddels beschikt “beter dan die blauwe” voelt. Tenslotte is van belang dat de Kona en de Peugeot zijn gehuurd voor de periode waarin de tenlastegelegde feiten hebben plaatsgevonden.
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dal de Caddy op 22 juni 2018 (en dus niet op 21 juni 2018) is gestolen. Uit de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte zich op die datum samen met [betrokkene 2] schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de Caddy. De verdachte en [betrokkene 2] hebben op 21 juni 2018 aan het einde van de middag de Kona samen opgehaald bij Europcar. Op 22 juni 201 8 rond 03:18 uur, dus een kleine 40 minuten voor de diefstal rond 03:56 uur, is de verdachte in de nabijheid van de [a-straat] , terwijl de Kona zich tussen 03:20 uur en 04:01 uur ook in de omgeving van de [a-straat] bevindt. Ongeveer 3 minuten na de diefstal belt de verdachte [betrokkene 2] om hem te ontmoeten bij ‘de blauwe zone’. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte na het wegnemen van de Caddy in deze auto rijdt en dat [betrokkene 2] in de Kona rijdt, waarna zij elkaar inderdaad rond 04:07 uur ontmoeten. Een klein uur later rijdt de verdachte weer in de Kona. Naar het oordeel van het hof heeft de diefstal van de Caddy in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.
Het hof voelt zich gesterkt in het oordeel dat de verdachte en [betrokkene 2] de Caddy hebben weggenomen, nu er kennelijk een verband is tussen de diefstal van de Caddy en de nog uit te voeren brandstichting bij het Telegraafgebouw, waarbij zij ook beiden in beeld zijn. Hierover overweegt het hof het volgende.
Op de vooravond van de brandstichting bij het Telegraafgebouw is de Audi die als eerste vluchtauto gebruikt is na de brandstichting bij het Telegraafgebouw door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] opgehaald uit Breda. [betrokkene 5] staat tijdens het ophalen van de Audi telefonisch in contact met [betrokkene 2] , die [betrokkene 5] instructies geeft. De verdachte heeft ondertussen een ontmoeting met [betrokkene 1] op het Osdorpplein in Amsterdam. Later wordt de verdachte gebeld door [betrokkene 7] , die zich samen met [betrokkene 1] in Utrecht bevindt en daar in opdracht van de verdachte iemand moet ontmoeten. [betrokkene 7] geeft een terugkoppeling aan de verdachte en staat verder in contact met [betrokkene 6] , tegen wie hij zegt dat hij “m” heeft gevonden en van wie hij te horen krijgt dat ze achter elkaar moeten blijven rijden, “hij” voor en [betrokkene 7] achter. Uit het latere gesprek tussen [betrokkene 7] en de NN-man leidt het hof, in de context van de onderzoeksbevindingen, af dat [betrokkene 7] in Utrecht een grote hoeveelheid benzine bij de NN-man heeft gehaald. Rond 01:10 uur, dus kort voor de brandstichting, ontmoeten de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 1] elkaar op het Osdorpplein. Naar het oordeel van het hof betreft hel hier, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, voorbereidingen voor de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Dit vindt bevestiging in het feit dat [betrokkene 2] om 05:00 uur, iets meer dan een uur na de brandstichting, een artikel hierover op internet bekijkt.
Uit het dossier volgt dat de door de verdachte gehuurde Peugeot is gebruikt als tweede vluchtauto bij de brandstichting. Dit blijkt eens te meer uit het latere gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] , waarin [betrokkene 2] zich zorgen maakt over zichzelf en de verdachte in relatie tot de brandstichting bij het Telegraafgebouw, dit in verband met de inbeslagname door de politie van “onze waggie”, te weten de gehuurde en door de verdachte teruggebrachte Peugeot. Het feit dat de Peugeot, anders dan de Audi, niet is geregisterd door de registratiepaal van Vialis aan de Verlengde Stellingweg in Amsterdam Noord, doet niet af aan de onderzoeksbevindingen die de Peugeot bij het parkeerterrein aan de Noordkaperweg plaatsen. Hierbij merkt het hof op dat uit het dossier blijkt dat niet alle kentekens door de registratiepalen van Vialis worden gesignaleerd en dat er diverse redenen zijn waarom kentekens worden gemist (ZD05, p. 146 - 148).
Het hof is van oordeel dat de verdachte bij de daadwerkelijke uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw betrokken is geweest. Daartoe acht het hof van belang dat de verdachte om 03:01 uur, dus kort voor de brandstichting, met [betrokkene 1] belt en tegen hem zegt dat hij paraat moet blijven en “ik ben met een halfuur of zo is het klaar” en bevestigt dat ‘het’ nog doorgaat. Om 03:20 belt de verdachte weer met [betrokkene 1] en spreekt af om hem te ontmoeten. Verder is van belang dat de verdachte zich om 04:11 uur in de Peugeot op de Cornelis Lelylaan bevindt, zo’n 8 minuten rijden vanaf de parkeerplek aan de Noordkaperweg, waar de als vluchtauto gebruikte Audi is achtergelaten en de inzittenden van de Audi zijn overgestapt in de Peugeot.
De betrokkenheid van de verdachte bij deze brandstichting blijkt eens te meer uit het feit dat hij later in de dag een ontmoeting heeft met andere personen die bij (de voorbereiding van) de brandstichting betrokken zijn geweest, waaronder [betrokkene 2] , en ook uit de rol van de verdachte bij het in brand steken van de Audi. Het hof concludeert uit de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden dat de verdachte via zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 7] iemand met eigen vervoer zocht om de Audi in brand te steken, dat hij wel iemand had gevonden om dit te doen maar dat deze niet over eigen vervoer beschikte en dat verdachte toen zelf met deze persoon naar de Audi is gereden om deze auto in brand te steken. Het kennelijke doel hiervan was om eventuele sporen die verband hielden met de brandstichting bij het Telegraafgebouw te vernietigen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Verder heeft de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander de Audi in brand gestoken.
Alternatief scenario met betrekking tot het in brand steken van de Audi/voorwaardelijk getuigenverzoek
De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof als alternatief scenario naar voren gebracht dat hij samen met een ander bij het parkeerterrein op de Noordkaperweg was om een donkere BMW X6 te stelen, die normaal gesproken op dit parkeerterrein stond. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring en verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. Verder overweegt het hof nog het volgende. Allereerst doet het moment waarop de verdachte zijn alternatieve scenario naar voren heeft gebracht, namelijk eerst tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechtbank op 9 maart 2020, nadat hij van het volledige dossier kennis had genomen, afbreuk aan de geloofwaardigheid van deze verklaring. De verdachte heeft verder niet willen verklaren met wie hij bij het parkeerterrein was. Ook heeft de verdachte wisselend verklaard. Bij de rechtbank heeft hij in eerste instantie verklaard dat het plan was om een BMW X6 te stelen die aan de Noordkaperweg stond, maar dat die diefstal niet is gelukt vanwege de brandende Audi. Deze BMW X6 stond volgens de verdachte op hetzelfde parkeerterrein, maar hij wist niet hoe ver van de brandende Audi en hij kon niet inschatten hoeveel parkeerplaatsen er zaten tussen de brandende Audi en de BMW X6. Geconfronteerd met het feit dat de politie van alle auto's die op de parkeerplaats stonden het kenteken heeft genoteerd en dat daar geen BMW bij was, heeft de verdachte verklaard dat de diefstal ook is mislukt omdat de BMW er niet stond. Verder heeft de verdachte verklaard: “ik heb gezegd dat ik niet kon zeggen hoe ver de BMW van de Audi stond. Ik heb niet gezegd dat de BMW er stond. Het klopt dat ik eigenlijk meteen had kunnen zeggen dat de BMW er niet stond en dat dat de reden was dat de diefstal niet is gelukt.” Ter terechtzitting in hoger beroep is betoogd dat deze weergave in het proces-verbaal van de zitting op een misverstand berust, dat eruit heeft bestaan dat de verdachte bij de rechtbank eerst de vraag is gesteld hoe ver de BMW van de brandende auto stond, waarop de verdachte uitging van de plek waar volgens hem de BMW zou moeten hebben gestaan, omdat hij daar altijd stond, alleen op die avond niet bleek te staan. Door de verdediging is er in eerste aanleg en in hoger beroep op gewezen dat er op 15 juni 2020, 18 juni 2020, medio juli 2022 en 9 oktober 2022 een BMW X6 met kenteken [kenteken 5] op het parkeerterrein aan de Noordkaperweg heeft gestaan, hetgeen het scenario van de verdachte aannemelijk zou maken. Het hof gaat ervan uit dat de weergave in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank een juiste is. Uit deze weergave blijkt dat de verdachte zijn verklaring heeft bijgesteld. Aanvankelijk heeft hij verklaard dat de diefstal is mislukt door de brandende Audi. Geconfronteerd met een onderzoeksbevinding die zich, zo begrijpt het hof uit het proces-verbaal van de rechtbank, nog niet in het dossier bevond en die inhield dat er op het moment dat de Audi in brand stond geen BMW op de parkeerplaats stond, heeft de verdachte zijn verklaring aangepast. Hij heeft toen verklaard dat de diefstal was mislukt omdat de BMW die er zou hebben moeten staan, er niet stond. Het hof hecht ook hierom geen geloof aan het naar voren gebrachte alternatieve scenario. Dat er op 15 juni 2020, bijna twee jaar na dato, en op latere data, wel een BMW X6 op de betreffende parkeerplaats stond maakt dit niet anders. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel alle overige feiten en omstandigheden die uit het dossier zijn gebleven. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
[…]
Eindconclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Verder heeft hij zich als medepleger schuldig gemaakt aan het onder 2 primair en 3 primair tenlastegelegde. Met betrekking tot het onder 1 primair eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde veroorzaken van een ontploffing is het hof, anders dan door het Openbaar Ministerie is betoogd, van oordeel dat met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ontploffing.”
IV. Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan (feit 3: medeplegen diefstal Volkswagen Caddy)
Het middel
9. Het eerste middel komt met de volgende drie deelklachten op tegen de bewezenverklaring van feit 3 (het medeplegen van de diefstal van een Volkswagen Caddy):
a) de vaststelling van het hof dat de Caddy op 22 juni 2018 en niet op 21 juni 2018 is gestolen, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, althans doordat het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging daaromtrent is afgeweken zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid;
b) de vaststelling van het hof dat de Caddy is gestolen rond 03:56 uur is onbegrijpelijk;
c) de bewezenverklaring is onvoldoende met redenen omkleed, omdat de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal niet genoegzaam uit de bewijsmiddelen kan volgen.
10. Voordat ik deze deelklachten achtereenvolgens bespreek, wijs ik op de daarvoor relevante bewijsmiddelen.
De relevante bewijsmiddelen
11. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tezamen met [betrokkene 2] de Caddy op 22 juni 2018 heeft gestolen. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden, voor zover hier relevant, daarover het volgende in:
“1. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, zakelijk weergegeven:
De kleur van de door mij gehuurde Hyundai Kona was ‘smurfenblauw’.
[…]
6. Een proces-verbaal van bevindingen aangifte diefstal [kenteken 2] van 17 september 2018, opgemaakt door de daartoe bevoegde rapporteur T-598, doorgenummerde pagina ZD 05 0157.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van de rapporteur:
Aanleiding:
Op dinsdag 26 juni 2018 is een Volkswagen Caddy (nader te noemen: Caddy) het Telegraaf gebouw aan de Basisweg 30 te Amsterdam ingereden. In de Caddy bevonden zich meerdere jerrycans met licht ontvlambare stof. Door de bestuurder van de Caddy is een ontsteker in de Caddy gegooid, waardoor een ontploffing en brand ontstond.
Uit onderzoek door het onderzoeksteam bleek het bovengenoemde voertuig voorzien te zijn van het volgende kenteken [kenteken 3] . Dit kenteken bleek illegaal gedupliceerd te zijn. Uit nader onderzoek door Forensische Opsporing bleek uit het VIN-nummer van de Volkswagen Caddy, dat het originele bijbehorende kenteken [kenteken 2] , betrof.”
[…]
10. Een proces-verbaal van bevindingen huur auto van 19 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant S-137, doorgenummerde pagina’s ZD 05 0090-0095.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
[…]
De auto is gehuurd vanaf 21 juni 2018 door een man genaamd:
Betrokkene:
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1993
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
[…]
Op deze dag heeft hij gehuurd een Hyundai KONA, kenteken [kenteken 4] . [verdachte] was bij het ophalen met een andere man. Op de bijgevoegde huurovereenkomst is te zien dat [verdachte] getekend heeft op 21 juni 2018 omstreeks 17.38 uur.
Op 22 juni 2018 belde de huurder dat hij een andere personenauto wilde. Op deze dag heeft hij de gehuurde auto omgeruild voor een Peugeot 208. kenteken [kenteken 6] . De sleutels zijn conform de afspraak op 29 juni 2018 voor 07:00 uur ingeleverd.
12. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten 648 en 667, doorgenummerde pagina’s ZD05 0077 0080.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisanten:
De eigenaar, [betrokkene 10] , had op 22 juni 2018 aangifte gedaan van de diefstal van de Volkswagen Caddy. [betrokkene 10] verklaarde dat de Volkswagen Caddy gestolen was tussen 21 juni 2018 omstreeks 23.00 uur en vrijdag 22 juni 2018 omstreeks 06.30 uur. De Volkswagen Caddy stond geparkeerd in de [a-straat] ter hoogte van perceel […] te Amsterdam.
Beelden [a-straat]
Naar aanleiding van de diefstal op de [a-straat] zijn middels een vordering de beelden opgevraagd van de woningbouwvereniging Ymere, welke aldaar camera’s heeft hangen op een pand. De beelden zijn gevorderd van vier verschillende camera’s die aan het pand hangen.
Tijdverschil beelden
De tijd op de beelden loopt 1 uur en 2 minuten achter op de daadwerkelijke tijd.
Bevindingen beelden
Uit de beelden blijkt dat er op 22 juni 2018 om 03.54 uur een Volkswagen Caddy op de [a-straat] rijdt en bij de kruising Osdorperban rechtsaf slaat en de Osdorperban op rijdt. De Volkswagen Caddy gaat bij de rotonde rechtsaf en rijdt dan de Baden Poweliweg op in de richting van de Ookmeerweg. De werkelijke tijd dat de Volkswagen Caddy in beeld komt is 03.56 uur gezien het tijdverschil.
13. Een proces-verbaal analyse onderzoeksgegevens van 30 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant T-737, doorgenummerde pagina’s ZD05 0173-0186.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
Subject
Bron
Tijd
Locatie
[verdachte]
Internet
03:18:57
[a-straat] Amsterdam
Hyundai Kona
Verkeerscamera
03:20:07
Meer en Vaart (Z; 50 m na Ookmeerweg/President Allendelaan)
Hyundai Kona
Verkeerscamera
03:21:47
Cornelis Lelylaan (O; 20 m na Meer en Vaart)
Diefstal Volkswagen Caddy
Camera
03:56
[a-straat] 19 Amsterdam
Hyundai Kona
Verkeerscamera
03:56:12
Cornelis Lelylaan (O; 20 m na Meer en Vaart)
[verdachte]
Gesprek-U
03:59:14
Slotermeerlaan 1 te Amsterdam
[betrokkene 2]
Gesprek-I
03:59:14
[verdachte]
Gesprek-U
03:59:37
Slotermeerlaan 1 te Amsterdam
[betrokkene 2]
Gesprek-I
03:59:37
Staalmeesterlaan 101 te Amsterdam
Hyundai Kona
Verkeerscamera
04:00:56
Haarlemmerweg (O; 200 m na A10 thv Adm. de Ruijterweg)
[verdachte]
Gesprek-U
04:07:28
Koningsbergerstraat 96 te Amsterdam
[betrokkene 2]
Gesprek-I
04:07:28
Koningsbergerstraat 96 te Amsterdam
[…]
03:59 uur belt [verdachte] met [betrokkene 2] . Er vindt geen telefoongesprek plaats, omdat de telefoon in gebruik bij [betrokkene 2] niet bereikbaar is.
03:59 uur belt [verdachte] met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] moet naar de blauwe zone komen waar ‘ [betrokkene 3] ’ altijd parkeert. [betrokkene 2] is er bijna.
Analyse
[verdachte] en [betrokkene 2] in nabijheid [a-straat]
Opvallend was dat de telefoon van [verdachte] om 03:18 uur gebruik maakt van Cell 1 [a-straat] te Amsterdam aanstraalde, alwaar de Volkswagen Caddy toen nog geparkeerd stond. Op grond van het uitgewerkte telefoongesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] om 03:59 uur bleek dat zij 3 minuten na de diefstal van de Volkswagen Caddy, kennelijk afgesproken hebben elkaar te zullen ontmoeten ‘bij de blauwe zone waar ‘ [betrokkene 3] ’ altijd parkeert’. Opmerkelijk was ook dat de Hyundai Kona, waarvan vastgesteld was dat deze op 22 juni 2018 waarschijnlijk in gebruik was van [verdachte] en [betrokkene 2] , zich tussen 03:20 uur en 04:01 uur niet ver van de [a-straat] bevond en zich rond 03:56 uur verplaatste, waarbij de auto om 03:56 en 04:00 uur geregistreerd werd door een verkeerscamera. De verkeerscamera om 04:00 uur (Haarlemmerweg) was kennelijk nabij de plek waar [verdachte] en [betrokkene 2] met elkaar hadden afgesproken, want om 04:07 uur maakten hun beider telefoons gebruik van dezelfde Cell ID, namelijk de Koningsbergerstraat te Amsterdam.
[betrokkene 2] in de Hyundai Kona
De aannemelijke route van de Hyundai Kona na de diefstal van de Volkswagen Caddy om 03:56 uur zou op basis van de verkeerscamera's zijn: Cornelis Lelylaan -> AIO West -> afrit SI03.
De Cell ID van de telefoon in gebruik bij [verdachte] (03:59 uur Slotermeerlaan 1 te Amsterdam) leek niet te passen binnen de aannemelijke route die de Hyundai Kona na het incident om 03:56 uur aflegde. Het is daarom goed mogelijk dat [verdachte] op dat moment in een ander voertuig reed. Uit het voornoemde telefoongesprek om 03:59 uur bleek ook dat [verdachte] en [betrokkene 2] op dat moment niet bij elkaar waren.
De Cell ID van de telefoon in gebruik bij [betrokkene 2] (03:59 uur Staalmeesterslaan te Amsterdam) – leek wel te passen binnen de aannemelijke route van de Hyundai Kona, waardoor het goed mogelijk was dat [betrokkene 2] op dat moment in de Hyundai Kona reed.
[…]
18. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt
door de daartoe bevoegde verbalisant R487, doorgenummerde pagina’s ZD05 0104-0105.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de bevindingen van voornoemde verbalisant:
[…] Reden hiertoe was het feit dat bij een aanslag op het gebouw van dagblad De Telegraaf op 26 juni 2018, gebruik was gemaakt van een Volkswagen Caddy voorzien van het kenteken [kenteken 3] en de daders hierna waren gevlucht in een Audi voorzien van het kenteken [kenteken 1] . […]
[…]
23. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 27 juni 2018, in de wettelijke vorm
opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten 648 en 667, doorgenummerde pagina’s
ZD 03 0016-0018.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Op 22 juni 2018 had [betrokkene 10] aangifte gedaan van diefstal van zijn voertuig. Volkswagen Caddy, voorzien van kenteken [kenteken 2] onder vermelding van het proces-verbaalnummer: 2018124628.
Op 26 juni 2018 is de gestolen Volkswagen Caddy van aangever [betrokkene 10] gebruikt bij het plegen van een aanslag op het bedrijfspand van de telegraaf. Naar aanleiding van dit incident hebben wij aangever [betrokkene 10] verhoord.
Op woensdag, 27 juni 2018, omstreeks 12:00 uur, hoorden wij in Amsterdam, als aangever de persoon:
Naam: [betrokkene 10]
[…]
Verklaring aangever
De aangever verklaarde aan ons:
“Op donderdag 21 juni 2018 omstreeks 22.00 uur heb ik mijn Volkswagen Caddy geparkeerd in de [a-straat] ter hoogte van perceel […] . Ik kwam toen samen met mijn neef bij mijn woning aan. Wij waren daarvoor op het Osdorpplein geweest en ik had de Volkswagen Caddy daar in de pareergarage geparkeerd. Mijn neef en ik zijn toen naar binnen gegaan en dezelfde avond omstreeks 23.00 uur ging mijn neef weg. Toen zagen wij beide de Volkswagen Caddy nog staan. De volgende dag, vrijdag 22 juni 201 8, omstreeks 06.30 uur zag ik dat de Volkswagen Caddy weg was.”
De bespreking van deelklacht a): de datum van de diefstal
12. Door de verdediging is in hoger beroep betoogd dat de Caddy is gestolen op 21 juni 2018 en niet op 22 juni 2018, en dat het dossier geen onderzoeksbevindingen bevat die de verdachte op 21 juni plaatsen in het gebied waar de Caddy is gestolen. De door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van 13 oktober 2022 voorgedragen en bij het proces-verbaal van die zitting gevoegde pleitnotities houden daarover het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“Feit 3 - diefstal Volkswagen Caddy
8. Met betrekking tot de diefstal dan wel subsidiair de heling van de Caddy, die gebruikt zou zijn bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw, het volgende. Cliënt heeft betrokkenheid bij dit feit ontkend.
9. Uit het dossier blijkt dat een Caddy op camerabeelden te zien is in de nacht van 22 juni 2018. Op de camerabeelden is niet te zien wat het kenteken van deze Caddy is. De stills van de camerabeelden laten uitsluitend de auto rijdend zien, waarbij ook de bestuurder van de auto niet te zien is. De Caddy verdwijnt uit beeld en wordt nergens meer gezien.
10. Cliënt zijn betrokkenheid bij dit feit wordt gebaseerd op historische gegevens van een telefoonnummer dat bij hem in gebruik zou zijn. Deze historische gegevens laten zien dat het gekoppelde telefoonnummer in de nacht van 22 juni 2018 uitstraalt bij een zendmast in de buurt van de [a-straat] , de straat waar de Caddy weggenomen zou zijn.
11. Uit de aangifte van aangever [betrokkene 10] , afgenomen op 22 juni 2018, zou echter blijken dat de Caddy een dag ervoor, op 21 juni 2018, in de ochtend is weggenomen. De aangever verklaart immers:
“Hij deed aangifte (...) dat plaatsvond (...) tussen woensdag 20 juni 2018 te 21:00 uur en donderdag 21 juni 2018 te 07:00 uur” en;
“op laatst genoemde dag, datum en tijdstip kwam ik weer terug bij de plaats waar ik mijn bestelauto had achtergelaten. (...) zag ik dat mijn bestelauto door onbekenden was weggenomen”
12. Een week later, op 27 juni 2018, verklaart aangever bij de politie dat hij zijn Volkswagen Caddy mist op 22 juni om 06:30 uur ‘s-ochtends. Waarom het verhoor van aangever in datum en tijd verschilt met zijn aangifte blijkt niet uit het dossier. Het is voor de verdediging evenwel van belang dat aangever in zijn aangifte verklaart dat zijn auto is weggenomen in de ochtend van 21 juni 2018.
13. Gelet op deze aangifte kan, ten aanzien van de diefstal van de Volkswagen Caddy, immers afgevraagd worden wat het uitstralen van cliënt zijn telefoon in de buurt van het plaats delict in de nacht van 22 juni 2018, bewijst alsmede of de Caddy die op de genoemde stills te zien is, de gestolen Caddy wel is. Gezien het feit dat op basis van het procesdossier niet eenduidig blijkt wanneer de Caddy precies is weggenomen, stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat integrale vrijspraak dient te volgen nu cliënt niet op de dag van de diefstal rondom het plaats delict geplaatst kan worden en daarmee zijn betrokkenheid bij feit 3 niet bewezen kan worden.”
13. Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat de Caddy is gestolen op 22 juni 2018 vanaf de [a-straat] te Amsterdam. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het bij de pleegdatum is uitgegaan van 22 juni in plaats van 21 juni. Dit klemt volgens de stellers van het middel temeer nu op de camerabeelden waarop een Caddy in de vroege ochtend van 22 juni 2018 is gesignaleerd noch het kenteken, noch de kleur van de Caddy zichtbaar was. Voorts wordt geklaagd dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dienaangaande.
14. Vooropgesteld zij dat de feitenrechter volgens vaste rechtspraak – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze weging van het bewijsmateriaal, alsook de feitelijke vaststellingen die de rechter daaraan verbindt, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Ook de motiveringsplicht van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Daarbij geldt onder meer dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt.
15. Het verweer van de verdediging ten aanzien van de pleegdatum van de diefstal stoelt in belangrijke mate op de omstandigheid dat de eigenaar van de Caddy in eerste instantie in zijn aangifte zou hebben verklaard dat de Caddy is gestolen in de nacht van 20 juni op 21 juni 2018. Vijf dagen later heeft hij verklaard dat de Caddy is gestolen in de nacht van 21 op 22 juni 2018. Het hof heeft die laatste verklaring tot het bewijs gebezigd (zie het hiervoor weergegeven bewijsmiddel 23) en is aldus uitgegaan van de lezing van de gebeurtenissen zoals daarin is geschetst, namelijk dat de Caddy is gestolen op 22 juni, en dus niet op 21 juni. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, gelet op de overige feiten en omstandigheden die het hof bij zijn oordeel heeft betrokken, zoals (i) de camerabeelden van de [a-straat] waarop te zien is dat eenzelfde Caddy in de vroege ochtend van 22 juni 2018 wegrijdt, (ii) de zendmastgegevens betreffende de verdachte en Daafy en (iii) de signalering van de door de verdachte gehuurde Hyundai Kona in de nabijheid van de [a-straat] op diezelfde dag en rond datzelfde tijdstip. Ook in het geval het betoog van de verdediging bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop de rechter in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv dient te responderen, ligt de verwerping daarvan naar ik meen voldoende besloten in die vaststellingen en overwegingen van het hof.
16. De eerste deelklacht treft geen doel.
De bespreking van deelklacht b): het tijdstip van de diefstal
17. Volgens deze deelklacht is de vaststelling van het hof dat de Caddy op 22 juni 2018 “rond 03:56 uur” is gestolen, onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van bewijsmiddel 12. Dit bewijsmiddel behelst een passage uit een proces-verbaal van 28 juni 2019 over camerabeelden die zijn gemaakt in de [a-straat] in de nacht van 21 op 22 juni 2019. Daarin wordt opgemerkt dat de tijd op de beelden “1 uur en 2 minuten” achterloopt op de daadwerkelijke tijd. De daaropvolgende beschrijving van de beelden houdt in dat om “03:54 uur” een Caddy op de [a-straat] rijdt en dat, gezien het tijdverschil, de werkelijke tijd waarop de Caddy in beeld komt 03:56 uur is. Om die passage is het de stellers van het middel te doen. Uitgaande van het tijdsverschil van 1 uur en 2 minuten zou de Caddy op basis van deze bevindingen in werkelijkheid pas rond 04:56 uur gestolen zijn. Tegen deze achtergrond is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel.
18. De bewijsvoering roept inderdaad vragen op over het tijdstip waarop de Caddy op de beelden te zien is; het middel klaagt daarover terecht. Ik meen echter dat zich hier een kennelijke misslag voordoet die zich leent voor een verbeterde lezing. Het bewuste proces-verbaal van 28 juni 2018, dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt, houdt namelijk onder meer het volgende in:
“Tijdverschil beelden
De tijd op de beelden loopt 1 uur en 2 minuten achter op de daadwerkelijke tijd.
Bevindingen beelden
Uit de beelden blijkt dat er op 22 juni 2018 om 02.54.58 uur een Volkswagen Caddy op de [a-straat] rijdt en bij de kruising Osdorperban rechts afslaat en de Osdorperban oprijdt. De Volkswagen Caddy gaat bij de rotonde rechtsaf en rijdt dan de Baden Powell weg op in de richting van de Ookmeerweg. De werkelijke tijd dat de Volkswagen Caddy in beeld komt is 03.56 uur gezien het tijdverschil.”
19. In het proces-verbaal is geverbaliseerd dat de Volkswagen Caddy om “02.54.58 uur” wordt gesignaleerd op de camerabeelden van de [a-straat] en dat de Caddy, gezien het tijdsverschil van de beelden van 1 uur en 2 minuten, in werkelijkheid daar om 03.56 uur moet worden geplaatst. Dit vindt bevestiging in de bij het proces-verbaal gevoegde stills van de camerabeelden van de Volkswagen Caddy. Op een van deze stills staat de tijdsindicatie van “02:54:51” zichtbaar vermeld. Het kan mijns inziens dan ook niet anders dan dat hier sprake is van een verschrijving (verrekening) van het hof bij het overnemen van de voor het bewijs redengevende onderdelen van dit proces-verbaal. Uitgaande van een verbeterde lezing van die kennelijke misslag komt de grondslag aan deelklacht b) te vervallen.
De bespreking van deelklacht c): de betrokkenheid van de verdachte
20. Onder deelklacht c) worden in de toelichting op het middel nog verscheidene bezwaren geformuleerd ten aanzien van de bewezenverklaarde betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de Caddy.
21. Die betrokkenheid heeft het hof – kort samengevat – op de volgende vaststellingen gebaseerd:
- de telefoon van de verdachte straalt op 22 juni om 03:18 uur een telefoonmast aan in de [a-straat] ;
- de door de verdachte gehuurde Hyundai Kona wordt om 03:21 uur en om 03:56 uur bij de Cornelis Lelylaan door een verkeerscamera geregistreerd, niet ver van de [a-straat] ;
- kort na de diefstal belt de verdachte uit naar [betrokkene 2] om hem te ontmoeten bij ‘de blauwe zone’;
- de telefoons van de verdachte en [betrokkene 2] stralen rond 04:07 uur dezelfde zendmast aan;
- om 05:04 uur wordt de Kona geregistreerd op de Vialislocatie Basisweg, terwijl de telefoon van de verdachte dan zendmasten aanstraalt in de directe omgeving.
De route die de Kona rijdt na de diefstal komt niet overeen met de route die de verdachte volgens de zendmastgegevens neemt, maar wel met de route die de telefoon van [betrokkene 2] volgt. Het hof leidt uit deze zendmastgegevens af dat de verdachte na het wegnemen van de Caddy in deze auto rijdt en dat [betrokkene 2] in de Kona rijdt, waarna zij elkaar rond 04:07 uur weer ontmoeten en de verdachte rond 05:04 uur weer in de Kona rijdt. Naar het oordeel van het hof volgt uit al het voorgaande dat de diefstal in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. In dat kader heeft het hof ook van betekenis geacht dat er kennelijk een verband is tussen de diefstal van de Caddy en de daaropvolgende brandstichting bij het Telegraafgebouw, waarbij de verdachte en [betrokkene 2] ook beiden in beeld zijn.
22. In hoger beroep is door de verdediging betoogd dat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal. Voormelde pleitnota van de raadsvrouw houdt daarover het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“15. Cliënt heeft verklaard dat het heel goed kan dat hij met zijn telefoon uitstraalt in de buurt van de [a-straat] . Hij komt immers vaker – ook s ’nachts – in Osdorp. En hoewel bepaalde omstandigheden verdacht kunnen lijken dient uw hof buiten redelijke twijfel vast te stellen dat het cliënt is geweest – al dan niet samen met medeverdachte [betrokkene 2] – die de Volkswagen Caddy heeft weggenomen. Zijn gegevens waaruit blijkt dat cliënt ergens in de buurt is geweest daarvoor genoeg? Is een video van een rijdende Volkwagen Caddy zonder vergelijkbaar kenteken en kleur daarvoor genoeg? De verdediging – maar ook opmerkelijk genoeg de rechtbank in haar vonnis bij een ander feit, meent van niet – immers komt zij in de zaak 26Wheeling onder feit 5 (diefstal BMW Alpina) tot een vrijspraak. Zo overweegt de rechtbank:
“Het aanstralen van een zendmast doorzijn (lees verdachte) telefoon in de buurt van de plek waar de auto is gestolen rondom het tijdstip van de diefstal, is onvoldoende om op grond daarvan te bewijzen dat hij de auto heeft weggenomen.”
16. Tevens volgt uit het procesdossier niet op welke locatie cliënt precies aanstraalt op de Call ID van de zendmast. Er wordt enkel gerelateerd dat cliënt: gebruik maakt van Cell ID [a-straat] te Amsterdam. De verdediging gaat ervan uit dat de zendmasten op de [a-straat] bedoeld worden met de aangestraalde zendmast(en). Uit een zoekslag op Google blijkt echter dat deze zendmasten ook de gehele Ookmeerweg en omringende wijk beslaan:
[A-G: op die plaats zijn twee screenshots van Cellmapper.net en een screenshot van antenneregister.nl weergegeven]
17. Het koppelen van cliënt aan de diefstal van de Volkswagen Caddy kan, gelet op voorgaande, in de visie van de verdediging niet zonder meer gebaseerd worden op het aanstralen van de zendmast. Deze zendmasten beslaan immers een groot gedeelte van Osdorp en tevens een gedeelte van de Ookmeerweg (drukke doorgaande weg die overgaat in de Cornelis Lelylaan). Uit het dossier wordt niet duidelijk waar cliënt op basis van deze zendmastgegevens precies wordt geplaatst. Cliënt heeft verklaard dat hij vaker in Osdorp komt, op grond van de uitstraallocaties van de zendmasten kan niet worden vastgesteld dat cliënt specifiek op de [a-straat] is geweest.
18. Uit het dossier blijkt voorts dat cliënt zich niet in de gehuurde Hyundai Kona bevond die avond, maar medeverdachte [betrokkene 2] wel. Tevens blijkt uit telefoongesprekken dat zij elkaar later op de avond willen ontmoeten in de ‘Blauwe Zone’. Deze ontmoeting lijkt ook plaats te hebben gevonden nu zij samen om 04:07 dezelfde zendmast aanstralen. De rechtbank concludeert op basis van deze gegevens dat verdachte niet in de Kona heeft gereden, om die reden dus in de Caddy heeft gereden en dat daarmee het bewijs is geleverd dat de Caddy door cliënt gestolen zou zijn.
19. De rechtbank redeneert met deze overweging naar een doel toe, een bewezenverklaring, zonder dat daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Wanneer er namelijk naar het gebruikte bewijs wordt gekeken, blijkt dat deze bestaat uit de volgende vaststellingen:
a. Cliënt zijn telefoon straalt uit in de buurt van de zendmast aan de [a-straat] ;
b. De Hyundai Kona is op verkeerscamera’s te zien in de buurt van Meer en Vaart/ Ookmeerweg;
c. Cliënt en [betrokkene 2] hebben een gesprek en spreken af elkaar te ontmoeten in de ‘blauwe zone’;
d. Cliënt en [betrokkene 2] stralen beiden dezelfde zendmast aan op de Koningsbergerstraat.
20. De verdediging vraagt zich af wat deze vaststellingen bewijzen ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat cliënt die avond in de buurt is geweest van de [a-straat] , cliënt heeft verklaard dat hij daar vaker komt. Uit de bewijsmiddelen kan tevens worden afgeleid dat de Kona te zien is op verkeerscamera’s bij Meer en Vaart en de Cornelis Lelylaan. Beide vaststellingen bewijzen op geen enkele wijze dat cliënt betrokkenheid heeft gehad bij het tenlastegelegde feit.
21. Nog los van het feit dat geenszins blijkt dat de Caddy die op de camerabeelden te zien, is ook daadwerkelijk de weggenomen Caddy is, er is immers geen kenteken te zien, maar zelfs in het scenario dat dit wel de Caddy zou zijn, komt ook niet naar voren wat er precies is gebeurd met die Volkswagen Caddy nadat deze op een camera is waargenomen. Waar zou cliënt heengereden zijn met deze auto? Als dat naar dezelfde plek is als waar hij en [betrokkene 2] elkaar ontmoeten, dan is het op zijn minst opmerkelijk te noemen dat deze Caddy op geen enkele Vialis camera geregistreerd staat, maar de Kona wel. De Caddy is alleen te zien op camerabeelden bij de rotonde, vanaf dat moment wordt de Caddy niet meer gezien of geregistreerd. Waar is de Caddy gebleven? Niet is vast komen te staan dat de Caddy ergens – zoals het verwijt tegen cliënt in elk zaaksdossier in 26Wheeling wel luidt – in een garagebox is ‘koud gezet’ noch is vast komen te staan dat cliënt op het kenteken van de Caddy heeft gezocht.
22. De rechtbank komt voorts tot de conclusie dat er sprake is geweest van medeplegen tussen [betrokkene 2] en cliënt. De rechtbank baseert deze bewezenverklaring op het onderlinge contact tussen [betrokkene 2] en cliënt en het huren van een Hyundai Kona. Het contact tussen cliënt en [betrokkene 2] bestaat, in de kern gezien, uit niks bijzonders. Er wordt uitsluitend afgesproken om elkaar ‘s-avonds ergens te ontmoeten. Cliënt verklaart ter terechtzitting in eerste aanleg ook dat hij en [betrokkene 2] daar hadden afgesproken ‘om te chillen’. De gesprekken tussen beiden gaan niet over het stelen van een voertuig, noch over enig ander strafbaar feit. Voor de kwalificatie medeplegen is nog altijd nodig dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, de vaststellingen die de rechtbank heeft gedaan, kunnen die conclusie naar de mening van de verdediging niet dragen.
23. Ten aanzien van de gehuurde Hyundai Kona het volgende. De rechtbank in eerste aanleg alsook het Openbaar Ministerie lijken te zinspelen op een scenario waarin de Hyundai Kona iets te maken heeft met de diefstal van de Volkswagen Caddy. Deze Hyundai is door [betrokkene 2] (vanwege de diefstal) op een later moment ingeruild. Deze vaststelling ondersteunt – volgens de rechtbank – de kwalificatie medeplegen. Maar zoals uit het procesdossier blijkt, geeft cliënt aan dat hij een auto heeft gehuurd omdat hij indruk wilde maken op anderen. En zoals ook blijkt uit het dossier wordt, direct na het huren van die Kona, op dezelfde dag bij het verhuurbedrijf aangegeven dat de kleur niet bevalt en verzocht om een andere auto. Het huren en vervolgens, vanwege de tegenvallende kleur inruilen, van deze auto heeft derhalve niks te maken met het plegen van een strafbaar feiten. Er is namelijk al reeds voor de vermeende diefstal van de Volkswagen Caddy, namelijk op de dag dat de auto is opgehaald bij de verhuurder (21 juni 2018), bij de verhuurder kenbaar gemaakt dat de kleur niet bevalt en de auto om die reden moet worden ingeruild. Het verhaal van cliënt waarin hij aangeeft dat de auto vanaf het begin niet beviel, is daarmee bevestigd.
24. Redengevend voor dat verhaal van cliënt zijn tevens de gesprekken die cliënt heeft met bijvoorbeeld medeverdachte [betrokkene 4] op 22 juni 2018. Ook in dat gesprek – en dus niet alleen in gesprekken met [betrokkene 2] – heeft cliënt het over het inruilen van de Kona. Cliënt benoemt ook daar weer expliciet dat de kleur van de Kona hem niet beviel en zegt dat de Peugeot die hij gekregen heeft voelt als een ‘nette, relaxte auto’.
25. Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor betrokkenheid van cliënt - al dan niet als medepleger - bij de diefstal van de Volkswagen Caddy. Tevens is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde heling van dat voertuig. Immers, zo heeft de verdediging betoogd en zal zij ook betogen bij de bespreking van feit 1: cliënt is op geen enkel moment in of nabij de Volkswagen Caddy geweest, zodat ook van heling geen sprake kan zijn.”
23. In de toelichting op het middel wordt, deels onder verwijzing naar de inhoud van deze pleitnotities, in de kern aangevoerd dat de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de Caddy, evenals het medeplegen met [betrokkene 2] , niet uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid.
24. Zo wordt geklaagd dat de vaststelling van het hof dat de verdachte op 22 juni rond 03:18 uur, dus een kleine 40 minuten voor de diefstal van de Caddy, “in de nabijheid van de [a-straat] ” is, onbegrijpelijk is. Voor zover deze nabijheid ‘eng’ moet worden uitgelegd, dat wil zeggen dat de verdachte zich in de [a-straat] bevond, kan dit volgens de stellers van het middel niet uit de zendmastgegevens volgen, omdat de aangestraalde zendmast op de [a-straat] ook de omliggende straten bestrijkt. Voor zover deze nabijheid ‘ruim’ uitgelegd dient te worden, namelijk dat de verdachte zich op dat tijdstip in de buurt van de [a-straat] bevond, ontbeert deze vaststelling de benodigde bewijskracht, zo concluderen de stellers van het middel. Ik zie dat anders. Naar het mij toeschijnt heeft het hof met die vaststelling niet iets anders bedoelen te zeggen dan dat de zendmastgegevens de verdachte rond 03:18 uur in de buurt van de [a-straat] plaatsen. Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat het hof die omstandigheid redengevend kon achten voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de Caddy, wanneer deze in samenhang wordt beschouwd met de overige vaststellingen die het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd. Evengoed kon het hof uit de hiervoor vermelde zendmastgegevens afleiden dat de verdachte na de diefstal met de Caddy is weggereden en [betrokkene 2] met de Hyundai Kona, en dat zij elkaar vervolgens om 04:07 uur weer hebben ontmoet (ik verwijs tevens naar bewijsmiddel 13). De subklacht dat het huren van de Kona door de verdachte niet uit de bewijsmiddelen kan volgen stuit af op de inhoud van de bewijsmiddelen 1 en 10. Al met al kan het geheel aan vaststellingen van het hof zijn oordeel dat de verdachte tezamen met [betrokkene 2] betrokken is geweest bij de diefstal voldoende dragen. Datzelfde geldt voor het bewezenverklaarde medeplegen. Voor zover door de stellers van het middel nog wordt betwist dat het door het hof gestelde verband tussen de gestolen Caddy en de aanslag op het Telegraafgebouw niet uit de bewijsvoering kan volgen, verwijs ik naar hetgeen in bewijsmiddel 6 is geverbaliseerd.
25. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
V. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan (feit 1: medeplegen brandstichting Telegraafgebouw)
Het middel
26. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard het medeplegen van brandstichting bij het Telegraafgebouw op 26 juni 2018. Het tweede middel komt bezien in samenhang met de toelichting op tegen deze bewezenverklaring en bevat de volgende deelklachten:
a) de bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd, omdat de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans omdat het hof in dat verband niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging;
b) het oordeel dat sprake is van medeplegen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat een gezamenlijke uitvoering niet volgt uit de bewijsmiddelen, althans omdat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging te dier zake.
De bespreking van deelklacht a): de betrokkenheid van de verdachte
27. In hoger beroep is de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting betwist. Daarover is in het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 oktober 2022 het volgende gerelateerd:
“De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij verklaart:
Ik heb geen betrokkenheid gehad bij de aanslag op het telegraafgebouw, zoals door het Openbaar Ministerie tenlastegelegd onder de eerste drie feiten. Ik ben geen medepleger of medeplichtige.
De voorzitter gaat over tot de bespreking van het politiedossier in verband met het onder 1 t/m 4
tenlastegelegde.
Op vragen van de voorzitter antwoordt de verdachte:
Ik ben niet betrokken bij de diefstal van de Volkswagen Caddy. Het zou heel goed kunnen dat ik in de buurt van de Caddy was, omdat ik daar bijna dagelijks kom om te eten. Ik kan mij niet meer herinneren wat ik daar op dat moment deed. Ik was daar niet om de Caddy te stelen en ik weet zeker dat ik niet in die Caddy heb gereden.
Ik was in de [a-straat] . Ik kan mij niet herinneren met welke auto ik daar was. Ook weet ik niet meer of ik alleen was of samen met iemand. Ik denk dat ik die ochtend in de auto rondjes heb gereden.
Ik heb de beelden van het Telegraafgebouw tijdens de zitting bij de rechtbank gezien. Zij hebben de beelden laten zien, ondanks dat ik zei dat ik niet degene ben op de beelden en ik de beelden daarom niet hoefde te bekijken.
Het klopt dat ik in die periode een Hyundai Kona heb gehuurd. Ik had een Volkswagen Polo uit 2004 en ik wilde een mooiere en nieuwe auto. Ik heb de Kona voor 7 dagen gehuurd, omdat ik geen geld had om de auto langer te huren. Ik heb de Kona gehuurd bij Europcar. De kleur van de door mij gehuurde Hyundai Kona was ‘smurfenblauw’. Ik vond dat een lelijke en opvallende kleur en heb de Hyundai Kona ingeruild. Ik ken geen andere auto met zo’n kleur. Je huurt bij Europcar een klasse en je weet dan niet van te voren wat je krijgt. Ik vermoed dat ik zelf rondjes heb gereden in die Hyundai.
Wat betreft de registratie van de door mij gehuurde Peugeot 208 op de Cornelis Lelylaan op 26 juni 2018 om 04:11 uur: ik weet niet wat ik daar deed. Ook weet ik niet met wie ik contact had die dag. Het klopt dat de rechtbank mij een telefoongesprek heeft voorgehouden. Ik kan mij niet herinneren of ik dat gesprek met [betrokkene 1] heb gevoerd.
Het gesprek dat u mij nu voorhoudt heeft mogelijk te maken met het stelen van een auto. Ik durf dat niet met zekerheid te zeggen. Ik heb niets met de aanslag te maken. Ik heb die mensen niet opgehaald en heb daar ook niet gereden. Ik weet ook niet wie die mensen zijn. De politie heeft de aannemelijke vluchtroute in kaart gebracht. De Peugeot is daar niet gezien, terwijl je een trajectcontrole niet kunt ontlopen.
Ik zag [betrokkene 2] bijna dagelijks, maar ik weet niet of ik die avond contact met hem heb gehad of dat we die avond samen waren.
Ik was rond het tijdstip van de brand in de Audi samen met een ander bij de parkeerplaats op de Noordkaperweg. Ik wil niet verklaren met wie ik daar toen was. Ik heb de Audi niet in de brand gestoken. Ik was daar om een BMW XS te stelen. Ik wist dat die BMW XS daar stond, omdat ik daar vaker langs ben gereden. Uit het dossier komt naar voren dat ik heel vaak in de nacht rondjes reed. Ik deed aan voertuigcriminaliteit. De BMW XS stond op een afgelegen plek dus dat was handig voor de diefstal. Ik had spullen bij me voor de diefstal van de auto. Ik heb mijn auto geparkeerd waar je de Noordkaperweg naar binnen rijdt en ben toen tussen de huizen door gaan lopen. Toen ik zag dat de Audi in brand stond ben ik gelijk weggegaan. Ik wilde geen 112 bellen, omdat ik daar om een andere reden was dan op familiebezoek. Bovendien had ik spullen bij me om de BMW XS te stelen. Ik wilde niet dat de politie mij met deze spullen zou zien. Ik ben weggegaan omdat ik wist dat de politie en de brandweer op de brand af zouden komen. Bij de rechtbank heb ik ook een verklaring hierover afgelegd.
In aanvulling hierop deelt de raadsvrouw mede:
De verklaring van mijn cliënt is niet goed in het proces-verbaal van de rechtbank opgenomen. Ik heb hier een plattegrond getekend. Mijn cliënt is vanaf de A10 aangereden en heeft de afslag genomen. Parallel aan de Noordkaperweg is hij bij de stoplichten naar links gegaan en daarna weer naar links. Daar heb je Fitness centrum Anytime met een grote parkeerplaats. Als je rechtdoor gaat, rijd je de woonwijk in. Op de Noordkaperweg heb je drie zijstraten. Hij heeft zijn auto in een van de zijstraten geparkeerd en is naar de Noordkaperweg gelopen. De route van mijn cliënt heb ik op de plattegrond in het groen getekend. Hij is vervolgens teruggelopen en/of gerend toen hij de Audi zag.
Voor wat betreft de camerabeelden bij Fitness centrum Anytime: de politie heeft geverbaliseerd dat het voertuig gelet op de contouren hiervan, mogelijk een Peugeot 208 betreft. Op de beelden is echter geen kenteken te zien.
De verdachte verklaart:
Ik ben gelijk weggegaan toen ik de Audi in brand zag staan. Op de Noordkaperweg zijn drie zijstraten. Ik heb de brand gezien vanaf de middelste straat.
Op advies van mijn advocaat heb ik gewacht tot de inhoudelijke behandeling alvorens hierover een verklaring af te leggen. De politie heeft niet alles geverbaliseerd. Er waren daar veel meer parkeerplaatsen. Er is door de politie alleen een stukje genoteerd.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte:
Uit de tapgesprekken (ZD06 0053) komt naar voren dat ik in die tijd om een Caddy heb gevraagd. Ik weet alleen niet meer waarom. Ik had ook andere auto’s nodig.
U houdt mij een gesprek voor met een onbekend gebleven man. Hij belde mij en gaf dan een kenteken van een auto door. Ik weet niet wat hij bedoelt met een facelift van een Range Rover die niet te koop stond. Hij gaf kentekens door omdat ik vermoed dat hij auto’s kon stelen en hij een koper nodig had, waar ik dan voor kon zorgen. Ik denk dat ik toen ook een koper voor de Caddy had. Ik heb wel eens eerder Caddy’s gehad en verkocht. Het gesprek dat ik op 22 juni 2018 om 04:17 met [betrokkene 4] heb gehad (ZD06 0031) ging over het ruilen van de Kona. U houdt mij voor dat dit gesprek heeft plaatsgevonden na de diefstal van de Caddy. Er was nergens een auto beschikbaar. Ik had bij Europcar ter plekke gevraagd of ruilen mogelijk was, maar dat was niet het geval. Daarna heeft [betrokkene 2] met Europcar gebeld. Hij heeft gebeld omdat ik aan het rijden was. Hij heeft mijn naam gebruikt, omdat de Kona op mijn naam is gehuurd. Het was niet mogelijk om de Kona op een andere naam te huren.
U houdt mij voor dat de Kona op 22 juni 2018 is geregistreerd bij de Basisweg, in de buurt van het Telegraafgebouw. Dit is geen vreemde route omdat ik destijds in [plaats] bij mijn neef sliep. Via die route kun je ook naar [plaats] rijden.
Ik kan mij niet meer goed herinneren waar het gesprek met [betrokkene 1] van 26 juni om 23:31 uur over ging. Ik vermoed dat ik iemand mee wilde nemen om de BMW XS te stelen.
Ik weet niet waar dat gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] van 1 juli 2018 (ZD05 0198) over ging en waarom hij aan [betrokkene 9] vraagt of hij het nieuws heeft gezien dat volgens u ging over de aanslag op het Telegraafgebouw.
Ik werd door [betrokkene 2] ‘ [verdachte] ’ genoemd.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte:
Ik ben meerdere keren op de Noordkaperweg geweest. De BMW XS stond daar bijna dagelijks. Op de plattegrond heb ik met ‘x’ aangegeven waar en hoever ik van de brandende Audi stond. Ik was die dag met de door mij gehuurde Peugeot. De BMW XS stond daar toen niet, ik weet niet meer welke auto ik voor de voorverkenningen heb gebruikt. Ik was daar met verschillende auto’s. Het kan ook zijn dat ik iemand heb gevraagd mij naar de Noordkaperweg te brengen. Ik wil niet verklaren met wie ik daar toen was.”
28. De tijdens die zitting door de raadsvrouw voorgedragen pleitnota houdt – voor zover hier van belang – het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“Feit 1 – brandstichting TMG-gebouw
58. Dan komt de verdediging nu toe aan de bespreking van het eerste feit, de vermeende brandstichting bij het Telegraafgebouw. Aan cliënt wordt primair het medeplegen van het tot ontploffing brengen van een Volkswagen Caddy, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten was verweten. Subsidiair wordt hem medeplichtigheid aan dat feit verweten alsmede alternatief cumulatief opzettelijk vernieling van een publiek toegankelijk gebouw.
59. De rechtbank heeft cliënt ten aanzien van feit 1 voor het medeplegen van de primaire variant alsmede de cumulatieve vernieling van een voor publiek toegankelijk gebouw veroordeeld. De verdediging meent echter dat cliënt van feit 1 integraal dient te worden vrijgesproken.
60. Zoals bij de inleiding van dit pleidooi reeds aangehaald, heeft de rechtbank cliënt zijn exacte vermeende rol niet vast kunnen stellen. De rechtbank overweegt dat het niet duidelijk is of cliënt in de Caddy heeft gereden maar overweegt ook niet is uitgesloten dat hij actief is geweest op de vooravond van de brandstichting bij de Telegraaf (25 juni 2018) en dat hij als bestuurder van de Peugeot 208 heeft gefungeerd op 26 juni 2018, de dag van de brandstichting. Deze Peugeot wordt immers, zo blijkt uit het dossier, ‘herkend’ op camerabeelden van ‘Anytime Fitness’. Cliënt kan op basis van onderhavig dossier aldus (volgens de rechtbank) op geen enkele plaats delict als pleger aangemerkt worden, maar wordt wel betrokkenheid verweten op grond van camerabeelden waarin een auto te zien is die hij heeft gehuurd dan wel door het bepalen van de locatie van de aan hem toegeschreven telefoon via zendmastgegevens.
61. De verdediging zal stapsgewijs de gebeurtenissen bespreken, beginnend bij de vooravond aan de brandstichting, gevolgd door de periode voor de brandstichting, het vermeend besturen van de Volkswagen Caddy en afsluitend met het vermeend besturen van een ‘tweede vluchtauto’.
De vooravond – 25 juni 2018
62. In het dossier bevindt zich een aantal sms-gesprekken en uitgewerkte belgesprekken tussen de medeverdachten. Uit die gesprekken meent het Openbaar Ministerie een ‘algemeen beeld’ te kunnen schetsen over de verhoudingen onderling.
63. Zo zouden medeverdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 5] de Audi RS5, die is gebruikt als vluchtauto na de brandstichting bij de Telegraaf, de avond ervoor (op 25 juni 2018) vanuit België naar Nederland hebben gereden. Niet blijkt dat cliënt bij het regelen van deze Audi RS5 of het vermeend overbrengen van deze Audi betrokkenheid heeft gehad. Noch blijkt dat cliënt die avond via sms of telefoon heeft gesproken met medeverdachte [betrokkene 6] of [betrokkene 5] . Het enige wat uit de communicatie tussen de verdachten onderling blijkt is dat zij elkaar na middennacht hebben ontmoet op het Osdorpplein.
64. Op basis van deze vaststellingen meent de verdediging dat het niet mogelijk is hieruit enige strafbare betrokkenheid van cliënt te destilleren.
Korte periode voor de brandstichting bij de Telegraaf
65. De rechtbank komt in haar vonnis tot de conclusie dat door het Openbaar Ministerie voldoende bewijs is geleverd dat cliënt, voorafgaand aan de brandstichting, contact heeft gehad met medeverdachte [betrokkene 1] . De rechtbank overweegt niet te kunnen duiden waarover dit gesprek en de samenhangende activiteiten zijn gegaan.
66. Het Openbaar Ministerie kleurt deze gesprekken in alsof deze iets te maken hebben met de brandstichting bij de Telegraaf. Doordat de rechtbank deze lezing in haar vonnis heeft gevolgd, heeft zij vast kunnen stellen dat ‘gelet op de rol van verdachte voorafgaand aan en na de brandstichting’, de activiteiten van cliënt iets te maken hebben met de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Over de rol van cliënt voorafgaand aan de brandstichting, te weten de diefstal van de Volkswagen Caddy en zijn rol bij het overbrengen van de Audi RS5, heeft de verdediging al bepleit dat deze rol op basis van het onderhavige dossier helemaal niet kan worden vastgesteld.
67. Ook de gesprekken die voorafgaand aan de brandstichting zijn gevoerd kunnen naar de mening van de verdediging niet worden geduid als berichten die op enigerlei wijze iets te maken hebben met de brandstichting bij de Telegraaf. Wanneer gekeken wordt naar de inhoud van die berichten, blijkt het volgende.
68. Rond 03:00 uur zegt cliënt tegen [betrokkene 1] dat hij ‘paraat moet blijven’ en dat ‘hij met een halfuur klaar is’. Waarop cliënt precies doelt is niet duidelijk, maar niet blijkt dat dit enige relatie heeft tot de brand bij de Telegraaf. Nu cliënt en [betrokkene 1] om 03:20 afspreken bij […], blijkt het bericht dat cliënt heeft verstuurd ook allerminst verdacht. De zinsnede ‘blijf paraat’ kan van alles betekenen. Cliënt vraagt kennelijk aan [betrokkene 1] om te blijven wachten waar hij is, kennelijk is dit in de buurt van […]. De reactie van [betrokkene 1] waarin hij vraagt ‘gaat het nog door’, kan dus ook slaan op het al dan niet doorgaan van hun afspraak bij […], welke blijkens het procesdossier daadwerkelijk plaatsvindt om 03:20:51 uur. In eerste aanleg is door het Openbaar Ministerie betoogd dat cliënt zou hebben aangegeven dat hij ‘er klaar voor is’ maar deze verdraaiing van hetgeen gezegd door cliënt is nergens op gebaseerd. Cliënt heeft nooit deze woorden uitgesproken, uit het procesdossier volgt dat cliënt heeft gezegd: “ik ben met een halfuur ofzo is het klaar”.
69. Dat dit een nachtelijk gesprek en afspraak betreft komt wellicht op u en mij over als ongebruikelijk, maar in de omgeving waarin cliënt zich bevindt, is dit heel normaal en kleurt dit zeker niet enige verdenking in. Immers volgt uit het procesdossier zelf:
“Gekeken naar de gehele periode van de historische verkeersgegevens blijkt het telefoonnummer +[telefoonnummer], naast overdag, ook meerdere malen actief in de nachtelijke uren en is het ook niet ongebruikelijk dat het toestel daarbinnen ook een langere periode niet actief is”
70. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het niet verdacht is dat het toestel van cliënt voor langere periode niet actief is noch dat het verdacht is dat deze actief is in de nachtelijke uren. Cliënt ontkent immers niet dat hij zich in die periode bezig heeft gehouden met de heling en diefstallen van auto’s, bovenstaande bevindingen kunnen daarom vanuit dat gegeven verklaard worden.
71. Over de bewijskracht van deze historische gegevens relateert de recherche:
“Betrokkenheid van de gebruiker van het telefoonnummer +[telefoonnummer] bij voorstaande gebeurtenissen is op basis van de historische verkeersgegevens niet aantoonbaar maar ook zeker niet uit te sluiten.”
72. Bovenstaande conclusie is voor deze zaak van grote betekenis. Want het zijn juist deze historische gegevens die volgens de rechtbank cliënt plaatsen op de plaatsen delict om cliënt vervolgens te veroordelen voor het feitencomplex als geheel. Die historische gegevens die volgens de recherche de betrokkenheid van cliënt niet aantoonbaar maken.
Bestuurder Volkswagen Caddy
73. De verdediging gaat verder in de tijd en komt bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg cliënt verdacht als pleger van het begaan van het eerste feit. De bestuurder van de Volkswagen Caddy is immers ‘klein’ en het kleding signalement zou overeenkomen. Dat daarbij uitsluitend communicatie is geweest tussen cliënt en medeverdachten, moet voor de rol van cliënt als pleger voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren.
74. Zoals door de verdediging al benoemd, de rechtbank gaat – terecht – niet mee in deze zeer magere bewijsconstructie. Hetgeen het Openbaar Ministerie ter zake het plegen van feit 1 naar voren brengt, is te weinig om te kunnen spreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging verzoekt uw hof om – net zoals de rechtbank – cliënt in ieder geval niet als pleger aan te merken. Daartoe is, zoals de rechtbank overweegt, te weinig bewijs voorhanden.
75. Het signalement van de bestuurder van de Volkswagen Caddy is niet dusdanig onderscheidend dat cliënt op basis daarvan kan worden aangemerkt bestuurder van de Caddy. Daarbij komt dat cliënt met zijn 1.82 niet klein te noemen is. Het dossier bevat ook geen enkele andere aanwijzing waarop cliënt als bestuurder van de Caddy kan worden aangemerkt. In tegendeel, er is geen DNA-spoor of ander forensisch bewijs aangetroffen in de Volkswagen Caddy. Redengevend daarbij is het aangetroffen oordopje in de Volkswagen Caddy. Dit oordopje staat niet op de lijst van goederen die aangever heeft opgegeven tijdens zijn verhoor. Dit betekent dat het oordopje na de diefstal in de auto terechtgekomen moet zijn en dus, vermoedelijk, van de dader van of de diefstal of de brandstichting is geweest. Desalniettemin blijkt dat er geen overeenkomsten werden gevonden tussen de bemonstering van het oordopje en het DNA profiel van mijn cliënt. Sterker nog: op een enkel onderzocht voorwerp uit de Volkswagen Caddy is het DNA van mijn cliënt aangetroffen. Nog een aanwijzing dat het niet cliënt is geweest die die avond de Caddy heeft bestuurd.
Tussenconclusie:
76. Maar waar de rechtbank wel komt tot enige betrokkenheid van cliënt bij dit feit, zal de verdediging uw hof verzoeken deze betrokkenheid – dus als medepleger of medeplichtige – niet aan te nemen. De rechtbank heeft cliënt zijn betrokkenheid gebaseerd op de vermeende betrokkenheid van cliënt bij het stelen van de Volkswagen Caddy, de brandstichting van de Audi RS5, zijn betrokkenheid voorafgaand aan de brandstichting en het beschikbaar stellen van de door hem gehuurde Peugeot 208 als vluchtauto. Ten aanzien van de eerste drie verwijten heeft de verdediging zich al uitgelaten, de betrokkenheid van cliënt daarbij blijkt geenszins. Deze feiten kunnen een bewezenverklaring van betrokkenheid bij feit 1 dus zeker niet kan dragen. Als uw hof niet kan vaststellen dat cliënt betrokken is geweest bij de diefstal van de Caddy noch als pleger/chauffeur van de Caddy kan aanmerken en evenmin betrokkenheid bij de brandstichting van de Audi kan vaststellen, wat blijft er dan over? Is cliënt de bestuurder van de tweede vluchtauto? Met betrekking tot de tweede vluchtauto brengt de verdediging het volgende naar voren.
Tweede vluchtauto – Peugeot 208
77. Cliënt wordt, zoals door het Openbaar Ministerie betoogd, voor de brandstichting van de Audi RS5 verantwoordelijk gehouden op basis van Vialis-registraties op het kenteken [kenteken 6] van de Peugeot 208. Zoals gezegd kan cliënt binnen het feitencomplex van feit 1 niet op een specifieke locatie geplaatst worden, maar wordt hij mogelijk als bestuurder van de tweede vluchtauto – en daarmee als medepleger – gezien. Deze aanname baseert het Openbaar Ministerie maar vooral de rechtbank op een mogelijke herkenning van het voertuig op de camerabeelden van de sportschool Anytime fitness aan de Noordkaperweg. Op deze camerabeelden is, in het donker, vaag een auto te zien. Er is geen kenteken of bestuurder zichtbaar, alleen de achterlichten zouden ‘gelijkenissen’ tonen met die van een Peugeot 208 en dus mogelijk de auto die door cliënt is gehuurd.
78. Daartegenover staat dat die Peugeot ( [kenteken 6] ) die avond niet is geregistreerd op de Vialis paal, waar deze Peugeot de dag erna wél wordt geregistreerd. Bovendien wordt de Peugeot met kenteken [kenteken 6] die avond in zijn geheel niet op een Vialis-camera geregistreerd. Ook de vermeende vluchtroute die door de Peugeot zou zijn afgelegd, kenmerkt zich in afwezigheid van Vialis-registraties. Daarbij is noemenswaardig dat uit het dossier blijkt dat de herkenningspercentages van de Vialis-registraties ten tijde van het delict ( 26 juni 2018) tussen de 90 en 100% zijn! De enige registratie van de Peugeot die avond is op de Cornelis Lelylaan om 04:11 uur. Ten aanzien van die ‘vluchtroute’ merkt de verdediging ook op dat de auto bij het volgen van die route, ook door de ring A10 trajectcontrole (80 km/u) moet zijn gereden; een traject waar door het cameratoezicht de Peugeot zonder twijfel moet zijn geregistreerd alsmede andere camera’s moet zijn gepasseerd, zoals de camera’s die ook in de Coentunnel hangen.
79. In het zaaksdossier wordt bij de Vialis registratie de kanttekening gemaakt dat uitsluitend de rechter rijbaan geregistreerd wordt en zodoende de auto langs de Vialis registratie kan rijden zonder daarop geregistreerd te worden. Met deze wijze van redeneren doet de recherche, maar ook het Openbaar Ministerie aan ‘cherry picking’.
80. Immers zo kan cliënt op deze wijze op elk plaats delict geplaatst worden. Op de foto is de auto van cliënt naar de mening van de verdediging niet te herkennen, deze is niet op de Vialis-registratie geregistreerd, maar toch is de door cliënt gehuurde auto daar geweest omdat de Vialis-registratie nu eenmaal niet elke auto registreert? Deze gedachtegang bevreemdt de verdediging gelet op het ontbreken van andere bewijsmiddelen voor betrokkenheid van cliënt bij het tenlastegelegde feit in deze rol. Bovendien is het vrij onlogisch dat in de visie van het OM de betreffende Peugeot in de nacht van 26 juni dan dus al dan niet expres voortdurend de gehele weg heen en terug op de linkerbaan gereden moet hebben om camera’s te ontlopen, (terwijl er ‘s nachts nauwelijks verkeer op de ring is) en de dag erna als de Audi in brand wordt gestoken blijkbaar deze noodzaak er niet was. Dit is volstrekt onlogisch en onaannemelijk. Aannemelijker is dat op basis van deze gegevens het een ander auto moet zijn die als tweede vluchtauto heeft gediend en daar zijn ook aanwijzingen voor te vinden.
81. Een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 7], wordt namelijk wel geregistreerd op de Vialis camera aan de Verlengde Stellingweg. De Golf passeert om 03:55:09 de camera, waarna de Audi RS5, twee minuten en 40 seconde later, om 03:57:49, de Vialis camera passeert. Uit het procesdossier volgt dat het onwaarschijnlijk is dat de auto die is vastgelegd op de camera’s van Anytime Fitness, de Volkswagen Golf is. Daartoe wordt aangevoerd dat dit niet ‘binnen het tijdsbestek’ van de registraties zou passen. Dit is een conclusie die de verdediging niet deelt. Is het zo onaannemelijk dat deze Golf na de Vialis-registratie, maar voor de camera bij Anytime Fitness, heeft gewacht totdat de Audi RS5 langskomt om deze auto vervolgens te volgen? De auto die wordt waargenomen op de camerabeelden kan juist wél de Volkswagen zijn, dit kenteken is geregistreerd op de Vialis-camera én op basis van het dossier wordt niet uitgesloten dat dit voertuig op de foto’s te zien is. Er wordt namelijk uitsluitend gerelateerd dat de contouren en de verlicht ‘niet geheel’ overeenkomen met die van een Volkswagen Golf, dus: er zijn wel degelijk overeenkomsten. Daarbij dient opgemerkt te worden dat dit voertuig blijkens het procesdossier staat geregistreerd als gestolen. Het is dus veel waarschijnlijker dat deze Volkswagen Golf de tweede vluchtauto is geweest.
82. Bovendien ligt het naar de mening van de verdediging in deze zaak wel in de lijn der verwachtingen dat een gestolen auto gebruikt wordt bij het plegen van strafbare feiten – zoals de Audi RS5 en de Volkswagen Caddy – in plaats van een Peugeot die notabene op eigen naam gehuurd is. Het onderzoek 26Wheeling gaat per slot van rekening in zijn geheel over voertuigcriminaliteit, waarbij auto’s en kentekenplaten gestolen worden teneinde daarmee strafbare feiten te plegen.
83. Het enige wat omtrent de Peugeot 208 van cliënt wel kan worden vastgesteld is dat deze die avond om 04:11 geregistreerd wordt via een Vialis-camera op de Cornelis Lelylaan, iets wat cliënt niet ontkent: daar komt hij wel vaker.
Geen betrokkenheid cliënt
84. Concluderend, op grond van al hetgeen door de verdediging naar voren gebracht kunnen de volgende conclusies getrokken worden. Er is geen direct bewijs voor betrokkenheid van cliënt bij de tenlastegelegde diefstal van de Volkswagen Caddy. Zijn betrokkenheid kan op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen – de historische gegevens en tapgesprekken met medeverdachte [betrokkene 2] – niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld zodat de verdediging uw hof heeft verzocht hem van feit 3 integraal vrij te spreken.
85. De verdediging heeft u tevens verzocht cliënt vrij te spreken van de aan hem onder feit 2 tenlastegelegde betrokkenheid – als pleger, medepleger of medeplichtige – bij de brandstichting van de Audi RS5. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat cliënt betrokkenheid daarbij heeft gehad. Immers kan op grond van de bewijsmiddelen, enkel worden vastgesteld dat de door cliënt gehuurde auto op twee momenten een Vialis-camera op de Verlengde Stellingweg passeert. Cliënt heeft zijn aanwezigheid daar verklaard door aan te geven dat hij daar was voor de (poging tot) diefstal van een BMW X6. Een verklaring die, zonder bewijs dat deze onaannemelijk is en rekening houdende met het feit dat deze BMW X6 zich thans nog steeds op het plaats delict bevindt – niet zomaar als leugenachtig of onwaar terzijde mag worden geschoven. Dat cliënt alvorens de Peugeot wordt vastgelegd op de Vialis camera, in een tapgesprek spreekt over het ‘regelen van iemand’ en hij daarna aangeeft – wanneer het over eigen vervoer gaat – ‘dat hij het ook zelf kan doen’, passen ook in het scenario dat hij daar was om een voertuig te stelen.
86. Ten aanzien van feit 1, betrokkenheid (al dan niet als medepleger of medeplichtige) bij de brandstichting van de Volkswagen Caddy bij het gebouw van de Telegraaf, heeft de verdediging u tevens verzocht te komen tot een integrale vrijspraak. Daartoe zijn verschillende argumenten aangevoerd. Onder meer is de verdediging uitvoerig ingegaan op cliënt zijn vermeende betrokkenheid in de dagen vooraf en direct na de brandstichting bij de Telegraaf alsmede het feit dat betrokkenheid van cliënt bij de aanslag zelf ook niet is vast komen te staan.
87. Tenslotte geef ik uw Hof in beraadslaging het volgende mee. In dit zeer uitgebreide onderzoek, waarin zo veel gesprekken voorhanden zijn gedurende een langer onderzoeksperiode welke gesprekken ook nog eens plaatsvonden in een tijd waarin met men zich nog ongezien waande (dat blijkt wel uit alle gesprekken waarin redelijk onversluierd over diefstallen van auto’s wordt gesproken) is géén enkel gesprek of bericht aangetroffen dat gaat over brandstichting dan wel een aanslag op de Telegraaf. Geen één!
88. Wat betreft de verdediging doet uitsluitend een integrale vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 3 binnen het onderzoek 13Puurs, recht aan de zaak en vooral aan de inhoud van het procesdossier en de gepresenteerde bewijsmiddelen.”
29. In weerwil van dit verweer heeft het hof geoordeeld dat de verdachte wel degelijk betrokken is geweest bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Blijkens de hiervoor onder III aangehaalde bewijsoverwegingen heeft het hof daarover het volgende vastgesteld en overwogen. Op 21 juni 2018 heeft de verdachte een Hyundai Kona gehuurd en opgehaald bij Europcar. De huurovereenkomst, die op zijn naam staat, loopt tot 29 juni 2018. Deze Kona heeft de verdachte gebruikt bij de diefstal van de Caddy in de vroege ochtend van 22 juni 2018, dezelfde Caddy waarmee uiteindelijk de brandstichting bij het Telegraafgebouw wordt gepleegd (ik verwijs naar de bespreking van het eerste middel). De Kona wordt later die dag, vanwege zijn opvallende blauwe kleur, omgeruild voor een Peugeot 208. Deze Peugeot is in de nasleep van de brandstichting als tweede vluchtauto gebruikt. De eerste vluchtauto is een Audi, die door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] op 25 juni 2018, de avond vóór de brandstichting is opgehaald uit Breda. Die avond heeft de verdachte om 23:49 uur telefonisch contact met [betrokkene 7] , die – net als [betrokkene 1] – blijkens telecomgegevens op dat moment in Utrecht is. Hij vraagt de verdachte wat hij moet doen. De verdachte geeft aan dat een derde daar moet zijn. [betrokkene 7] laat om 00:54 uur, inmiddels 26 juni 2018, aan [betrokkene 6] weten dat hij hem gevonden heeft. [betrokkene 6] zegt tegen [betrokkene 7] dat ze achter elkaar moeten blijven rijden. Uit een Whatsappgesprek dat [betrokkene 7] later heeft met een NNman blijkt dat deze NNman “100 liter” voor [betrokkene 7] had gekocht en nog wacht op betaling. Daaruit leidt het hof af dat [betrokkene 7] in de nacht van 25 op 26 juni 2018 in Utrecht een grote hoeveelheid benzine bij die NN-man heeft gehaald. De telecomgegevens tonen aan dat in diezelfde nacht de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 1] elkaar hebben ontmoet rond 01:10 uur op het Osdorpplein. Om 01:32 uur heeft de verdachte weer telefonisch contact met [betrokkene 7] en vraagt hij of “die jongen hem nog wat had gegeven”. Om 03:01 uur zegt de verdachte in een telefoongesprek tegen [betrokkene 1] : “blijf paraat he, ik ben met een half uur ofzo is het klaar”. [betrokkene 1] vraagt of “het” nog doorgaat, waarop de verdachte “ja” zegt. Verder heeft de verdachte om 03:20 uur nog een telefoongesprek met [betrokkene 1] . De verdachte zegt dat hij “nu” naar [betrokkene 1] komt, maar die geeft aan dat hij liever naar de verdachte toekomt, hij gaat nu vertrekken. De verdachte zegt: “kom naar […].” Om 03:53 uur rijdt de Caddy vervolgens op het Telegraafgebouw in en wordt deze in brand gestoken. De dader rijdt in de hiervoor genoemde Audi weg. Deze Audi passeert om 03:57 uur de registratiepaal aan de Verlengde Stellingweg in Amsterdam, zo’n 50 meter van een parkeerplaats op de Noordkaperweg. Op camerabeelden is te zien dat om 03:58 uur een auto gelijkend op een Audi in de richting van die parkeerplaats rijdt. Diezelfde beelden tonen aan dat om 03:59 uur een donkerkleurige personenauto de Noordkaperweg inrijdt en om 04:03 uur de andere kant oprijdt. De contouren van de achterzijde en de achterlichten van deze auto doen vermoeden dat het om een Peugeot 208 gaat. De door de verdachte gehuurde Peugeot wordt diezelfde ochtend om 04:11 uur geregistreerd op de Cornelis Lelylaan. Dat is zo’n 8 minuten reistijd vanaf de Noordkaperweg. De verdachte heeft erkend dat hij toen bij de Lelylaan was. Later die dag vindt tussen 18:30 uur en 19:35 uur op een parkeerplaats in Amsterdam rondom de Peugeot een ontmoeting plaats tussen onder meer de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] . De verdachte en [betrokkene 2] vertrekken daar gezamenlijk in de Peugeot. Diezelfde avond heeft de verdachte telefonisch contact met [betrokkene 7] . Daaruit blijkt dat de verdachte aan [betrokkene 7] vraagt of hij iemand kan vinden die zijn eigen vervoer heeft. Anders kan hij iemand anders vragen die hij zelf kan brengen. [betrokkene 7] belt even later terug en zegt dat hij geen man met eigen vervoer heeft. De verdachte geeft dan aan wel te laten weten of het nog nodig is. Een aantal uur later, om 03:46 uur op 27 juni 2018, wordt geregistreerd dat de Peugeot vanaf de A10 de Verlengde Stellingweg oprijdt en vervolgens om 03:56 uur vanaf de Verlengde Stellingweg weer de A10 oprijdt. Rond 03:55 uur wordt de Audi op de parkeerplaats de Noordkaperweg uitgebrand aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij rond het tijdstip van de brand in de Audi samen met een ander bij de parkeerplaats op de Noordkaperweg aanwezig was. Het hof concludeert hieruit dat de verdachte iemand met eigen vervoer zocht om de Audi in brand te steken, dat hij wel iemand had gevonden om dit te doen maar dat deze niet over eigen vervoer beschikte en dat verdachte toen zelf met deze persoon naar de Audi is gereden om deze auto in brand te steken. Op 29 juni 2018 wordt de Peugeot door de politie inbeslaggenomen. Deze inbeslagname wordt besproken in een telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] op 1 juli 2018. In dat gesprek geeft [betrokkene 2] aan dat er iets ergs aan de hand is voor hem en de verdachte. Hij refereert aan wat er op de televisie te zien is. In die periode was de brandstichting bij het Telegraafgebouw volop in het nieuws.
30. Het hof maakt uit het voorgaande op dat de verdachte betrokken is geweest bij de daadwerkelijke uitvoering van de brandstichting bij het Telegraafgebouw. Daartoe acht het hof van belang dat de verdachte kort voor de brandstichting met [betrokkene 1] belt en tegen hem zegt dat hij paraat moet blijven, hij “met een halfuur of zo” klaar is en “het” nog doorgaat, en dat hij daarna [betrokkene 1] weer belt en afspreekt om hem te ontmoeten. Verder heeft het hof meegewogen dat de verdachte zich om 04:11 uur in de Peugeot op de Cornelis Lelylaan bevindt, zo'n 8 minuten rijden vanaf de parkeerplek aan de Noordkaperweg, waar de als vluchtauto gebruikte Audi is achtergelaten en de inzittenden van de Audi zijn overgestapt in de Peugeot. Volgens het hof blijkt de betrokkenheid van de verdachte ook uit het feit dat hij later op de dag een ontmoeting heeft met andere personen die bij (de voorbereiding van) de brandstichting betrokken zijn geweest en ook uit de rol van de verdachte bij het in brand steken van de Audi.
31. De stellers van het middel onderscheiden in de bewijsconstructie van het hof de volgende vijf omstandigheden waarop de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting zou berusten:
a) contact van de verdachte met Nejjai over door die [betrokkene 7] in Utrecht op te halen benzine;
b) de link met de Caddy;
c) de link met de Peugeot;
d) dat [betrokkene 2] zich na de inbeslagname van de Peugeot zorgen maakt over zichzelf en de verdachte in relatie tot de brandstichting;
e) de woorden van de verdachte tegen [betrokkene 1] dat hij “paraat moet blijven” en “ik ben met een half uur of zo is het klaar” en dat “het” nog doorgaat.
32. Ten aanzien van elk van die omstandigheden wordt in de toelichting op het middel betwist dat de vaststellingen van het hof daaromtrent uit de bewijsmiddelen volgen, dan wel voldoende bewijskracht hebben ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting. Sommige van deze bezwaren zijn nogal feitelijk van aard en vormen in de kern een herhaling van het bewijsverweer dat in hoger beroep is gevoerd. Met verwijzing naar randnummer 14 memoreer ik dat de weging van het bewijsmateriaal, alsook de feitelijke vaststellingen die de rechter daaraan verbindt, in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.
33. De stellers van het middel gaan in de toelichting op het middel allereerst in op het telefonisch contact van de verdachte met [betrokkene 7] in de nacht van 25 op 26 juni 2018 (omstandigheid a)). Het hof neemt aan dat [betrokkene 7] toen in opdracht van de verdachte benzine in Utrecht heeft gehaald bij de NN-man. Volgens de stellers van het middel volgt dat niet uit de bewijsmiddelen en is het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. In de kern wordt betoogd dat niet vaststaat dat het gesprek over de ‘liter’ tussen [betrokkene 7] en de NN-man betrekking heeft op de man die [betrokkene 7] volgens de verdachte zou ontmoeten. Daarover klaagt het middel mijns inziens tevergeefs. De gevolgtrekking van het hof komt mij, gelet op de vaststellingen van het hof dat [betrokkene 7] in opdracht van de verdachte – luttele uren vóór de brandstichting – in Utrecht iemand heeft ontmoet en samen met hem naar Osdorp rijdt, waar even later alle betrokkenen bij de brandstichting elkaar ontmoeten en dat [betrokkene 7] een dag later via Whatsapp contact heeft over de betaling van een ‘liter’, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor. En zelfs als dat anders zou zijn, meen ik dat dit op zichzelf nog niet afbreuk hoeft te doen aan de betrokkenheid van de verdachte bij de brandstichting bij het Telegraafgebouw zoals door het hof is bewezenverklaard. Het hof heeft die betrokkenheid immers ook doen steunen op andere omstandigheden.
34. Een van die overige omstandigheden is de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de Caddy (omstandigheid b)). De stellers van het middel menen op de gronden die in het eerste middel zijn weergegeven, dat de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal en het verband tussen deze Caddy en de bewezenverklaarde brandstichting niet genoegzaam uit de bewijsvoering kunnen volgen. Om de redenen als vermeld bij de bespreking van dit middel treffen deze klachten naar mijn inzicht geen doel.
35. Dat brengt mij bij de door de stellers van het middel onderscheiden omstandigheden c) en d): de huur en het gebruik van de Peugeot en het telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 9] over de inbeslagname van de Peugeot. Ik begin met die laatste omstandigheid. De stellers van het middel leiden uit het feit dat [betrokkene 2] in dit telefoongesprek desgevraagd aangeeft niet te weten waarom de Peugeot inbeslaggenomen is af, dat [betrokkene 2] en [betrokkene 9] de inbeslagname van de Peugeot niet “relateren” aan iets concreets en dat aldus een connectie met de brandstichting ontbreekt. In weerwil van het middel lees ik een dergelijke connectie wel degelijk terug in dit gesprek. Uit de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof volgt immers dat [betrokkene 2] de inbeslagname van de Peugeot relateert aan wat er op die dagen op televisie te zien was. De uitleg die het hof daaraan geeft, namelijk dat [betrokkene 2] daarbij doelde op de brandstichting bij het Telegraafgebouw, komt mij niet onbegrijpelijk voor.
36. Ten aanzien van het gebruik van de Peugeot bestrijden de stellers van het middel voorts de vaststelling van het hof dat de auto die volgens camerabeelden op 26 juni 2018 om 04:03 uur de andere kant oprijdt vanaf de Noordkaperweg, gezien de contouren en de achterlichten, vermoedelijk een Peugeot 208 is. Gesteld wordt dat het hier enkel gaat om een vermoeden en dat de bewijsvoering op dit punt daarom onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Daarin volg ik de stellers van het middel niet. Gelet op het feit dat deze op een Peugeot 208 gelijkende auto te zien is in nabijheid van de plek waar de eerste vluchtauto (de Audi) kort daarvoor in brand is gestoken, alsmede het feit dat om 04:11 uur de door de verdachte gehuurde Peugeot wordt geregistreerd op de Cornelis Lelylaan, hetgeen acht minuten rijden is vanaf de Noordkaperweg, is de door het hof aan deze camerabeelden toegekende bewijswaarde niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd. Datzelfde geldt voor de conclusie die het hof aan deze onderzoeksbevindingen verbindt, namelijk dat de Peugeot bij het parkeerterrein aan de Noordkaperweg kan worden geplaatst. Voor zover de stellers van het middel, onder verwijzing naar het door de verdediging gevoerde verweer hieromtrent (randnummers 77-80 van de pleitnota in hoger beroep; zie hiervoor onder randnummer 28), menen dat het hof heeft nagelaten daarop te responderen, acht ik voor de verwerping daarvan voldoende grondslag te vinden in de bewijsmiddelen en de overwegingen van het hof daaromtrent. Daarbij merk ik op dat de motiveringsplicht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
37. Evengoed kan de bewijsvoering de door de stellers van het middel betwiste overweging van het hof dat de verdachte de Peugeot heeft gehuurd om deze te gebruiken bij onder meer het plegen van de brandstichting bij het Telegraafgebouw en de afwikkeling daarvan dragen. Zoals het hof heeft vastgesteld is de Peugeot voor een periode gelijk aan de bewezenverklaarde gedragingen gehuurd en is deze als tweede vluchtauto gebruikt na de gepleegde brandstichting. De Peugeot was aldus instrumenteel voor de uitvoering van het gehele plan, en het gebruik daarvan staat, anders dan de stellers van het middel betogen, dan ook wel degelijk in verband met de brandstichting. Dat de Peugeot niet bij de feitelijke uitvoering van de brandstichting zelf is gebruikt, maakt dat niet anders.
38. Tot slot de door de stellers van het middel genoemde omstandigheid e): het telefoongesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 26 juni 2018 om 03:01 uur. In dat gesprek zegt de verdachte tegen [betrokkene 1] : “blijf paraat he, ik ben met een half uur ofzo is het klaar”. [betrokkene 1] vraagt of “het” nog doorgaat, waarop de verdachte “ja” zegt. De stellers van het middel merken op dat in dit gesprek met geen woord wordt gerept over de brandstichting en dat het gesprek ook zou kunnen zien op de afspraak die de verdachte later met [betrokkene 1] om 03:20 uur in een telefoongesprek maakt bij ‘[…]’. Volgens de stellers van het middel heeft het hof in het midden gelaten welke betekenis het aan deze multi-interpretabele uitlatingen van de verdachte toekent. Daarover klaagt het middel mijns inziens eveneens tevergeefs. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsvoering maak ik op dat deze uitlatingen van de verdachte volgens het hof een belastende strekking hebben. Een dergelijke lezing van deze uitlatingen, inhoudende dat deze betrekking hebben op de geplande brandstichting, deel ik met het hof, gelet op het tijdstip van deze uitlatingen – een klein uur vóórdat de brandstichting plaatsvindt – en dit bezien in samenhang met het geheel aan ’s hofs vaststellingen.
39. Alles overziend meen ik dat de bewezenverklaring van feit 1, voor zover het gaat om de betrokkenheid van de verdachte daarbij, voldoende met redenen is omkleed. Ook in het licht van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv is dat oordeel voldoende gemotiveerd. De eerste deelklacht faalt.
De bespreking van deelklacht b): medeplegen
40. Het tweede middel richt daarnaast met deelklacht b) zijn pijlen op het bewezenverklaarde medeplegen.
41. In hoger beroep is door de verdediging subsidiair het standpunt ingenomen dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt. Meergenoemde pleitnota houdt daarover het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“Subsidiair – deelnemingsvorm feit 1 en 2
97. De verdediging wenst zich als subsidiair standpunt tevens uit te laten over de kwalificatie waartoe uw hof bij een eventuele bewezenverklaring van feit 1 zou moeten komen. Naar de mening van de verdediging kan op basis van het procesdossier niet vastgesteld worden dat cliënt een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde feiten zodat cliënt naast pleger ook niet als medepleger aangemerkt kan worden en hij daardoor vrijgesproken dient te worden van het onder feit 1, feit 1 cumulatief/alternatief, feit primair ten laste gelegde.
98. Naar bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de kwalificatie medeplegen noodzakelijk dat er tussen beiden verdachten sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De Hoge Raad overweegt:
“In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECL1:NL:HR:2O11:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:A09905, NJ 2004/443). In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.”
(…)
“De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van “in vereniging” – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.”
(...)
“Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.”
(…)
“Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven”
Feit 1
99. Gelet op de inhoud van het procesdossier kan naar de mening van de verdediging niet worden bewezen dat cliënt ten aanzien van feit 1 als medepleger kan worden aangemerkt.
100. Zoals de verdediging bij pleidooi heeft betoogd is de rol van cliënt niet geheel duidelijk noch blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Zo blijkt niet dat er een onderlinge taakverdeling is afgesproken of dat er met het oog op het plegen van een strafbaar feit intensief is samengewerkt tussen cliënt en zijn mede verdachten. Uit de getapte telefoongesprekken of onderschepte berichten blijkt niet, op geen enkel moment, dat er onderling contact is geweest over een aanslag op de Telegraaf of over brandstichtingen in zijn algeheel. Iets wat ten aanzien van de zaaksdossiers uit 26Wheeling wél geldt. Laatstgenoemd onderzoek is immers doorspekt van communicatie omtrent het plegen van strafbare feiten.
101. Mocht uw hof al enig strafbaar feit bewezen verklaren, zoals het leveren van vluchtauto’s hetgeen gezien de verdenkingen in Wheeling zijn ‘core business’ lijkt te zijn, dan kan enkel een veroordeling volgen voor het medeplichtig zijn aan de brandstichting bij de Telegraaf. Uitgaande van een bewezenverklaring voor het subsidiair tenlastegelegde dient, wat de verdediging betreft, vrijspraak te volgen voor het eerste en het derde gedachtestreepje nu op basis van het procesdossier deze handelingen niet bewezen kunnen worden verklaard.
102. Ten aanzien van de alternatief/cumulatief verweten vernieling geldt, met eenzelfde motivering als onder punt 99, dat cliënt wat de verdediging betreft niet als medepleger kan worden aangemerkt. Uitgaande van een bewezenverklaring voor het alternatief/cumulatief subsidiair tenlastegelegde, dient tevens vrijspraak te volgen van het eerste en derde gedachtestreepje nu op basis van het procesdossier deze handelingen niet bewezen kunnen worden verklaard.”
42. Het hof heeft, onder verwijzing naar zijn daaraan voorafgaande vaststellingen en overwegingen omtrent de betrokkenheid van de verdachte inzake de brandstichting bij het Telegraafgebouw, overwogen dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan deze brandstichting en dat derhalve sprake is van medeplegen.
43. Het middel behelst de klacht dat het daarin besloten liggende oordeel over de gezamenlijke uitvoering onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is. Volgens de stellers van het middel kan uit de bewijsvoering niet volgen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot de brandstichting, noch dat de verdachte daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. In het verlengde daarvan wordt gesteld dat de gedragingen van de verdachte eerder met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en dat het oordeel van het hof in zoverre getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
44. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte, samen met de andere betrokkenen, zowel (direct) voorafgaand aan de brandstichting als na afloop daarvan, handelingen heeft gepleegd ter voorbereiding en afwikkeling van dat feit. Het oordeel van het hof dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking de brandstichting heeft gepleegd kan ik tegen die achtergrond goed plaatsen. Daarbij merk ik op dat, anders dan het middel kennelijk voorstaat, deze voor medeplegen vereiste samenwerking ook besloten kan liggen in de omstandigheid dat is samengewerkt in het kader van een voorafgaand, met het desbetreffende feit samenhangend feit. In weerwil van het middel vermag ik niet in te zien waarom de gedragingen van de verdachte eerder met medeplichtigheid dan met medeplegen in verband moeten worden gebracht. Ik leid uit de bewijsvoering af dat de verdachte van begin tot eind intensief betrokken was bij de planning en uitvoering van de brandstichting en daarin op momenten ook een leidende rol heeft gehad. Uit de in de bewijsvoering opgenomen telefoongesprekken blijkt immers dat de verdachte meermaals – al dan niet desgevraagd – instructies geeft aan de overige betrokkenen. Het kennelijke oordeel van het hof dat zich hier geen grensgeval voordoet waarin het nader had moeten motiveren waarom de gedragingen van de verdachte in dit geval als medeplegen en niet als medeplichtigheid moeten worden aangemerkt, getuigt mijns inziens dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde naar mijn inzicht geen nadere motivering, nu van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dienaangaande, gelet op hetgeen ter terechtzitting is voorgedragen, bezwaarlijk sprake is.
45. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
VI. Het vijfde cassatiemiddel en de bespreking daarvan (feit 2: brandstichting Audi)
46. Het vijfde middel bevat de klacht dat de bewijsvoering van feit 2 niet redengevend is en/of de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed.
47. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 primair bewezenverklaard dat hij:
“op 27 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door op de Noordkaperweg te Amsterdam een gestolen personenauto (een Audi RS5 met kenteken [kenteken 1]), voorzien van jerrycans gevuld met brandbare vloeistof in brand te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, die zich op het moment van de brandstichting in de nabijheid van de plek waar de brandstichting plaatsvond, bevonden, te duchten was;”
48. In de toelichting op het middel wordt de stelling geponeerd dat de bewezenverklaring van de brandstichting van de Audi in beslissende mate berust op de bewezenverklaring van feit 1 (de brandstichting bij het Telegraafgebouw), nu het zwaartepunt van de bewijsvoering te dezen in de veronderstelling van het hof ligt dat de verdachte er belang bij had om de Audi in brand te steken, namelijk om eventuele sporen die verband hielden met de brandstichting bij het Telegraafgebouw te vernietigen. Gelet op die samenhang zou, in het geval het tweede middel – dat gericht is tegen de bewezenverklaring van feit 1 – gegrond wordt bevonden, de grondslag aan de bewijsvoering van feit 2 komen te ontvallen en dientengevolge de bewezenverklaring van feit 2 eveneens onvoldoende met redenen zijn omkleed.
49. Deze klacht stuit in deze conclusie reeds af op de grond dat het tweede middel naar mijn inzicht niet tot vernietiging van de bewezenverklaring van feit 1 leidt. Het middel faalt derhalve.
VII. Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan (feit 4: deelneming criminele organisatie)
Het middel
50. Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 4 (onderzoek 26Wheeling). Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat het oogmerk van de criminele organisatie ook gericht was op het plegen van misdrijven “ter voorbereiding van opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben”, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of onbegrijpelijk is, als gevolg waarvan de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
De bewezenverklaring en bewijsoverwegingen van het hof
51. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Zaandam en/of Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen (als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en
- het plegen van opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en
- valsheid in geschrift en/of opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift en/of opzettelijk een vals of vervalst geschrift afleveren en/of voorhanden hebben (met betrekking tot valse en/of vervalste kentekenplaten (als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht)
- ter voorbereiding van opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben, zulks terwijl hij, verdachte, leider van die organisatie was;”
52. Het hof heeft hierover het volgende overwogen (met weglating van de voetnoten):
“Feit 4: criminele organisatie
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven, ook niet wanneer het gaat om misdrijven van uiteenlopende aard. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Volgt daarentegen uit de bewijsvoering slechts dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan een criminele organisatie op.
Bestaan criminele organisatie
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte tenlastegelegde periode (van 1 december 2017 tot en met 8 april 2019), sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, die tot oogmerk had het plegen van diefstallen, heling en valsheid in geschrift. De verdachte speelde in die organisatie een cruciale rol. Het hof wijst er daarbij allereerst op dat, zoals hierboven uiteengezet, de verdachte in de periode van 13 maart 2018 tot en met 2 februari 2019 drie keer een voertuig heeft gestolen en zes keer een voertuig heeft geheeld. De verdachte opereerde daarbij niet alleen. Ook [betrokkene 11], [betrokkene 2] , [betrokkene 7] en [betrokkene 12] waren hierbij naar het oordeel van het hof op zodanige wijze betrokken, dat zij als deelnemer in de criminele organisatie kunnen worden aangemerkt, met de verdachte als leider. Ter toelichting merkt het hof in dat verband het volgende op.
Uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gestolen en geheelde voertuigen stalde in garageboxen in Amersfoort, Amstelveen en Zaandam en dat kentekenplaten van de voertuigen werden vervangen door gestolen dan wel vervalste kentekenplaten. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg erkend dat hij kentekenplaten verving.
De verdachte huurde de garageboxen van [betrokkene 11]. Het hof stelt vast dat [betrokkene 11] bij de verhuur een katvanger heeft gebruikt. Uit het gebruik van die katvanger leidt het hof af dat hij wist dat de verdachte de boxen ging gebruiken voor criminele activiteiten en [betrokkene 11] om die reden wilde verhullen dat hij degene was die de boxen (onder)verhuurde. De wetenschap van [betrokkene 11] dat de boxen werden gebruikt voor criminele activiteiten blijkt ook uit door [betrokkene 11] met [betrokkene 7] gevoerde WhatsApp-gesprekken in augustus en september 2018 en april 2019. Die gesprekken gaan over criminele activiteiten met betrekking tot voertuigen, zo concludeert het hof. Het opzet van [betrokkene 11] op het deelnemen aan de criminele organisatie is daarmee voldoende gebleken. Wetenschap van concrete misdrijven van de organisatie is immers niet vereist. Verder is evenmin vereist dat [betrokkene 11] zelf heeft deelgenomen aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht om als deelnemer te kunnen worden aangemerkt.
Uit de gesprekken tussen [betrokkene 7] en de verdachte leidt het hof af dat [betrokkene 7] het vertrouwen genoot van de verdachte en dat hij op de hoogte was van de activiteiten van de verdachte op het gebied van het helen en stelen van voertuigen en het stallen in boxen. In dit verband zijn van belang de telefonische gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 7] op 19 juli 2018, 20 juli 2018, 23 juli 2018, 14 augustus 2018, 19 augustus 2018 en 3 november 2018 en gesprekken op 27 oktober 2018, 17 februari 2019 en 1 maart 2019 tussen de verdachte en [betrokkene 7] (en een onbekende man) in de VW Polo van de verdachte. In die gesprekken doet [betrokkene 7] bijvoorbeeld suggesties over te stelen auto’s en levert op die manier een bijdrage aan de criminele activiteiten van de organisatie. Uit zijn rol bij het regelen van de boxen blijkt dat het niet alleen bij gesprekken is gebleven. Het hof acht de rol van [betrokkene 7] , mede gelet op de relatief lange duur dat hij in beeld komt, van voldoende gewicht om hem als deelnemer aan de criminele organisatie aan te merken.
Ook [betrokkene 2] kan als deelnemer aan die organisatie worden aangemerkt. Hij is betrokken bij twee criminele feiten die zien op het oogmerk van de organisatie. Hij heeft namelijk twee opzethelingen van voertuigen gepleegd, waarbij hij heeft samengewerkt met de verdachte. Daarnaast gaat [betrokkene 2] met de verdachte mee naar verschillende boxen waar gestolen auto’s in staan, zoals bij de hiervoor genoemde opzethelingen. Hij plaats ook zelf triggers bij de boxen.
Het hof merkt verder [betrokkene 12] aan als deelnemer aan deze criminele organisatie. Hij heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan opzetheling van een voertuig, waarbij hij heeft samengewerkt met de verdachte. [betrokkene 12] heeft daarmee bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Hoewel deze feiten in een relatief korte periode zijn gepleegd, vindt het hof de rol van [betrokkene 12] wel groot en duurzaam genoeg om hem als deelnemer aan de organisatie aan te merken. Voor zijn opzet op het deelnemen aan de criminele organisatie is van belang dat hij wist dat de verdachte zich structureel bezig hield met voertuigcriminaliteit: niet alleen was de verdachte betrokken bij de door [betrokkene 12] verrichte handelingen met de voertuigen, ook wist [betrokkene 12] dat de verdachte de beschikking had over garageboxen en dat daarin de gestolen voertuigen werden gestald.
Het beeld dat uit het dossier en uit de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep oprijst is dat de verdachte zich fulltime bezig hield met voertuigcriminaliteit. Bij die bezigheden heeft hij stelselmatig andere mensen betrokken, waarbij ook sprake was van een zekere rolverdeling.
Leidende rol
Dat de verdachte de leider van de organisatie was, volgt allereerst uit zijn actieve deelname bij de feiten. Hij had een voortrekkersrol. Uit de gesprekken die hij in het kader van de feiten voert, volgt verder dat hij veelal een coördinerende rol had bij de uitvoering van de feiten.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat hij contact had met alle deelnemers van de organisatie. Zijn leiderschap volgt ook uit het naar voren schuiven van [betrokkene 7] als tussenpersoon tussen hem en [betrokkene 11] bij het huren van de garageboxen.
Oogmerk
Uit de voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van voertuigencriminaliteit: het stelen en helen van voertuigen en, door het plaatsen van gestolen of valste kentekens op die voertuigen, valsheid in geschrift.
Ruimere bewezenverklaring van het oogmerk van de organisatie dan door de rechtbank
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bewijsmiddelen dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op misdrijven ter voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Redengevende feiten en omstandigheden
Het hof verwijst voor het oogmerk van de organisatie met betrekking tot de voorbereiding van opzettelijke brandstichting en ontploffing allereerst naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 (onderzoek 13 Puurs). Het hof acht bewezen dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting bij het Telegraafgebouw door het in brand steken van de Caddy die door de pui van dit gebouw naar binnen is gereden. In dit verband is van belang dat ook [betrokkene 2] een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan cruciale onderdelen van de voorbereiding. Hij was betrokken bij de diefstal van de Caddy en het naar Amsterdam loodsen van de Audi/vluchtauto. Die Audi RS5 was kort voor de brandstichting naar Amsterdam overgebracht en [betrokkene 2] was als coördinator degene die liet weten waar de Audi RS5 naar toe moest. In dit verband is ook het gesprek dat [betrokkene 2] op 1 juli 2018 voert met Iliass [betrokkene 9] van belang. [betrokkene 2] zegt: ‘Onze waggie is in beslag genomen’ en ‘Auto gehuurd’ en ‘hij is in beslag genomen door skotoe’. [betrokkene 2] heeft het in dit gesprek over de door de verdachte gehuurde Peugeot 208, die op 28 juni 2018 door de verdachte was ingeleverd en daarna door de politie in beslag is genomen. Dat [betrokkene 2] het heeft over ‘onze waggie’ en kennelijk door de verdachte op de hoogte was gebracht over de inbeslagname, is illustratief voor de nauwe samenwerking tussen [betrokkene 2] en de verdachte.
Het hof verwijst voorts naar feit 7. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een jerrycan met benzine, een aansteker en een Seat Leon ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk brand te stichten. [betrokkene 2] heeft daarbij belangrijke ondersteunende handelingen verricht. Hij is aanwezig in de garagebox op het moment dat de verdachte uit de garagebox vertrekt om de (geheelde) Seat Leon in Woerden af te leveren en hij haalt de verdachte vervolgens in Woerden op.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij (naar het hof begrijpt als steler/heler) op zoek was naar snelle auto's waarmee zijn afnemers bijvoorbeeld ramkraken konden plegen. Het hof begrijpt de verklaring van de verdachte aldus dat er (gestolen) auto’s werden geleverd aan criminelen die daarmee (zware) strafbare feiten gingen plegen. Dat dit gebeurde in een georganiseerd verband blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Dat deze gestolen auto’s konden worden geleverd voorzien van een aansteker en een jerrycan met benzine, zodat daarmee de auto in brand kon worden gestoken en eventuele sporen konden worden gewist blijkt uit eerder genoemd PGP- gesprek van 28 januari 2018 tussen een zekere ‘King Kong’ en de verdachte.
Het hof wijst verder op het volgende. Tijdens een observatie op 24 en 25 april 2018 wordt de verdachte gezien met een zwarte jerrycan. Hij was op dat moment bij de garage aan de Rietzorgerstraat in Amersfoort, alwaar de (geheelde) BMW van feit 5 stond geparkeerd. De door de verdachte geheelde BMW (feit 10) wordt op 21 september 2018 door de verdachte uit de garagebox in Amstelveen gereden en op de Lindenlaan achtergelaten. Kort daarna betreedt de verdachte de garagebox met in zijn hand een witte jerrycan met licht gele vloeistof, welke jerrycan hij in de garagebox achterlaat. In de BMW die door de verdachte in Amsterdam is gestolen (feit 11) is tijdens een inkijk op 26 september 2018 in de garagebox aan de Lindenlaan in Amstelveen achter de bestuurderstoel een jerrycan aangetroffen. De politie constateerde dat de jerrycan naar benzine rook.
In de stukken wordt verder nog melding gemaakt van een gestolen Volkswagen Caddy die op 26 september 2018 door de politie in Amsterdam wordt aangetroffen. In het middenconsole lag een rode aansteker. Achter de bestuurdersstoel lag een jerrycan met een gele vloeistof die naar brandstof rook. Op de aansteker en de (valse) kentekenplaat aan de voorzijde van de Volkswagen Golf is DNA van de verdachte aangetroffen. Bovendien worden op 8 april 2019 in de garagebox aan de Lindenlaan in Amstelveen vier jerrycans aangetroffen, waarvan twee voorzien waren van een gele vloeistof. Ook hieruit blijkt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op misdrijven ter voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen door het leveren van (gestolen) auto's voorzien van aansteker en een jerrycan met benzine.”
De bespreking van het middel
53. Het middel brengt verschillende klachten naar voren die alle betrekking hebben op het oordeel van het hof dat het oogmerk van de criminele organisatie ook gericht was op misdrijven ter voorbereiding van brandstichting. In de kern houden deze klachten in dat het hof heeft verzuimd vast te stellen waaruit dat oogmerk kan volgen. Voorts heeft het hof bij zijn oordeelsvorming ten onrechte niet betrokken de in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemde factoren die van belang zijn bij het vaststellen van het oogmerk van de criminele organisatie, zo menen de stellers van het middel.
54. In zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof gemotiveerd uiteengezet zijn oordeel dat de verdachte in een periode van nagenoeg anderhalf jaar als leider betrokken was bij een criminele organisatie die gericht was op het plegen van voertuigcriminaliteit. Geheelde auto’s werden in georganiseerd verband geleverd aan criminelen die er strafbare feiten mee wilden plegen. De verdachte hield zich fulltime bezig met deze voertuigcriminaliteit en betrok stelselmatig andere mensen bij de uitvoering daarvan, waarbij ook sprake was van een zekere rolverdeling. Uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de auto’s konden worden geleverd inclusief een aansteker en een jerrycan met benzine. Volgens het hof strekte het oogmerk van de criminele organisatie zich daarmee ook uit tot misdrijven ter voorbereiding van brandstichting. Bij dat oordeel heeft het hof verder het volgende in aanmerking genomen:
(i) het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde in het onderzoek 13Puurs, en in het bijzonder de brandstichting bij het Telegraafgebouw en het in brand steken van de Audi die toen als vluchtauto is gebruikt, waaraan ook [betrokkene 2] een belangrijke bijdrage heeft geleverd;
(ii) het onder 7 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde medeplegen van voorbereiding van brandstichting, erin bestaande dat de verdachte een jerrycan met benzine, een aansteker en een geheelde Seat Leon voorhanden heeft gehad, zulks met ondersteuning van [betrokkene 2] ;
(iii) een onderschept PGP-gesprek tussen een zekere ‘King Kong’ en de verdachte, waarin de verdachte overleg heeft over het leveren van een auto met een jerrycan en aansteker;
(iv) er meerdere gestolen auto’s zijn aangetroffen met jerrycans met daarin een op benzine gelijkende vloeistof, feiten waarmee de verdachte via observaties dan wel via DNA-sporen in verband wordt gebracht.
55. De stellers van het middel betwisten dat uit deze omstandigheden het genoemde oogmerk kan volgen. Ten aanzien van punt (i) herhalen zij allereerst de bezwaren zoals geformuleerd in het eerste en het tweede middel. Om de redenen die ik bij de bespreking van die middelen uiteengezet heb, treft de desbetreffende deelklacht geen doel. Voorts menen de stellers van het middel dat de bewezenverklaring van feit 2 (het in brand steken van de Audi) niet kan bijdragen aan het oogmerk van de criminele organisatie, omdat het hof in dat verband geen betrokkenheid van anderen heeft vastgesteld. In dezelfde zin wordt betoogd dat het oogmerk evenmin uit de bewezenverklaring van feit 7 kan volgen (punt (ii)), omdat het hof niet heeft vastgesteld dat [betrokkene 2] wetenschap had van de jerrycan in de Seat Leon. Een en ander komt volgens de stellers van het middel erop neer dat het hof het oogmerk van de organisatie op het voorbereiden van brandstichting steeds enkel heeft gegrond op gedragingen van de verdachte en daarmee de organisatie wat betreft het vereiste oogmerk heeft gereduceerd tot de persoon van de verdachte. Voor zover in ’s hofs oordeel besloten ligt dat voor het bewijs van het oogmerk van een criminele organisatie niet méér is vereist dan dat één van de deelnemers van deze organisatie dit oogmerk heeft, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de stellers van het middel.
56. Een dergelijke opvatting lees ik echter niet terug in de overwegingen van het hof. Uit die overwegingen komt het beeld naar voren dat de verdachte zich op grote schaal bezighield met het leveren van geheelde auto’s aan criminelen en daarbij ook de optie aanbood om de auto’s inclusief benzine en een aansteker te leveren. Het leveren van spullen bestemd tot het plegen van brandstichting maakte aldus deel uit van het verdienmodel van de organisatie. De verdachte werd in het leveren van deze diensten ondersteund door meerdere betrokkenen. Deze ondersteunende handelingen liepen uiteen van het helen en klaarmaken van de auto’s, tot het huren van garageboxen waar de auto’s werden gestald en het plaatsen van zogenoemde triggers bij de garageboxen. Dat uit de bewijsvoering niet volgt dat die betrokkenen telkens actieve handelingen hebben gepleegd ten aanzien van de geleverde jerrycans en aanstekers of daarvan op hoogte waren, doet voor het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk niet ter zake. Het gaat immers niet om het oogmerk van de individuele deelnemers, maar om dat van de criminele organisatie, en evenmin is vereist dat elke deelnemer (hetzelfde) opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven. ’s Hofs oordeel dat het oogmerk van de organisatie tevens was gericht op het plegen van misdrijven ter voorbereiding van brandstichting geeft in zoverre dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook bezien in het licht van het in de rechtspraak van de Hoge Raad uiteengezette relevante toetsingskader. Het hof heeft, blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen, immers betekenis toegekend aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd en heeft, door onder andere stil te staan bij de toepasselijke rolverdeling, tevens tot uitdrukking gebracht dat de samenwerking een zeker planmatig en gestructureerd karakter had.
57. Het middel faalt.
VIII. Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan (duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel)
58. Het vierde middel klaagt dat het hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr ten onrechte de duur van de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste 365 dagen.
59. De bestreden beslissing van het hof luidt als volgt:
“Vordering van de benadeelde partij Mediahuis NL B.V.
[…]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Mediahuis NL B.V., ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 205.443,12 (tweehonderdvijfduizend vierhonderddrieënveertig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.”
60. Op grond van art. 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling die kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij ingevolge art. 60a Sr geldt dat ook in geval van samenloop de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in art. 24c lid 3 Sr bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden.
61. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde pleegdatum bij feit 1 (primair) 26 juni 2018 is, had het hof de toenmalige wijziging van art. 88 (oud) Sr per 1 januari 2020, merkwaardigerwijs inhoudend dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan – hetgeen uiteraard gunstiger is voor de verdachte dan 365 dagen – in de onderhavige zaak in acht moeten nemen. Het middel klaagt daarover terecht. Naar het mij voorkomt kan de Hoge Raad de maximumduur van de bedoelde gijzeling in de onderhavige zaak zelf bepalen op 360 dagen.
IX. Slotsom
62. Het vierde middel is terecht voorgesteld. De overige middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
63. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Nu de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
64. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
65. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en voor zover in het kader van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Bij bericht van 30 april 2024 heeft D.W.E. Sternfeld meegedeeld zich te hebben onttrokken als advocaat van de verdachte. Deze bewezenverklaringen steunen op een 32-tal bewijsmiddelen, opgenomen in een bijlage bij het arrest. Ik acht het niet nodig al deze bewijsmiddelen integraal in deze conclusie weer te geven en zal bij de bespreking van het daarvoor in aanmerking komend middel de desbetreffende bewijsmiddelen aanhalen voor zover althans van belang. Uit oogpunt van privacy, heb ik de verdere persoonsgegevens hier weggelaten. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma. Onderzoek 13Puurs, Zaaksdossier 05, p. 0077-0080. Zie over de vensters die de Hoge Raad in de papieren muur heeft aangebracht: A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 256 e.v. Zie het arrest, met name bladen 10, 11 en 14. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma (rov. 3.8.4). HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964 en 1966, NJ 2014/514, m.nt Mevis; HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:241, NJ 2019/73, m.nt. Mevis; HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1049 en 1050. Zie daarvoor de aanvullende schriftuur. De stellers van het middel doelen op het volgende beoordelingskader, uiteengezet in de arresten van HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. Jörg. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat voor het bewijs van het bestanddeel “oogmerk” onder meer betekenis zal kunnen toekomen “aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.” HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. Jörg. Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. Jörg. Vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498. Zie ook mijn conclusie van 29 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:286 (randnummers 6-13, waarin ik uitgebreider op dit punt inga.