PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02072
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 31 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 1000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van één jaar.
2. Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend, waarin drie middelen van cassatie worden voorgesteld.
3. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.
De bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat:
“hij op 16 juni 2019 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Europaweg (N206) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:
hij, verdachte aldaar,
- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het besturen van zijn motorrijtuig, en
- niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden en vervolgens
- op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en vervolgens
- in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende auto (Fiat 500), waardoor anderen te weten de bestuurder (genaamd 1) [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en een passagier van die Fiat 2) [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan te weten ad 1) een kniefractuur en breuk van de (rechter) hiel en een breuk van twee voetbeenderen en ad 2) een sleutelbeenfractuur en meerdere huiddefecten op borstkas”
De bewijsvoering van het hof
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“I.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - (blz. 10)
als verklaring van de verdachte
Op zondag 16 juni 2019 omstreeks 17.30 uur reed ik als bestuurder van mijn personenauto met kenteken [kenteken 1] over de N206 richting Leiden. Ik reed denk ik 30 km per uur. Het was druk. Het volgende wat ik weet is dat ik wakker werd van een klap. Ik zag dat ik tegen een andere auto was aan gereden.
2.
Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-3.. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 14)
als verklaring van [getuige]
Op zondag (het hof begrijpt: 16 juni 2019) omstreeks 17.15 uur reed ik in mijn auto over de N206 vanuit de richting Leiden. Ter hoogte van hectometerpaaltje 10.0 zag ik links voor me vanuit tegengestelde richting een zwarte Mercedes aankomen vanuit de richting Zoetermeer. Deze auto viel me op omdat hij van zijn rijbaan afweek. De weg heeft daar een flauwe bocht maar ik zag dat het voertuig rechtdoor reed en niet de kromming van de weg volgde. Meteen daarna hoorde ik een klap. Ik schat dat ik en mijn voorliggers zo'n 45 km per uur reden. Voor mij reed een politiebusje. Het aangereden voertuig was een witte Fiat 500.Er stapte een man uit aan de bestuurderskant en twee meiden aan de bijrijderskant.
3.
Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Den Haag d.d. 25 augustus 2019, met nr. PL1500-2019163451-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik reed in een opvallend politievoertuig over de Europaweg (het hof begrijpt:: de N206) gaande in de richting van de Hofvlietweg te Leiden met een geschatte snelheid van 40 tot 60 kilometer per uur. Het was druk op de weg in beide richtingen. Direct voor mij reed een witte Fiat 500 met een tussenafstand van vijf meter. Ik zag dat er een zwarte Mercedes uit tegenovergestelde richting in een rechte lijn in de richting van de voorzijde van de Fiat reed.. Ik zag dat de Mercedes zijn baan had verlaten en over de dubbele doorgetrokken strepen reed. Ik zag dat de Mercedes in een rechte lijn op de Fiat afreed zonder snelheid te minderen. Ik zag dat de Mercedes frontaal tegen de voorzijde van de Fiat botste.
4 .
Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer van de politie Eenheid Den Haag d.d. 16 juni 2019, onder nummer PL1500-2019163451-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - (blz. 18)
als verklaring van [slachtoffer 1]:
Ik reed op zondag 16 juni 2019 om 17.39 uur op de Europaweg te Leiden als bestuurder van een witte Fiat.
Het was in een flauwe bocht. Ik denk dat ik 50 a 60 km per uur reed. Ik zag de auto en gelijk was de aanrijding. Hij kwam uit het niets en ineens op onze rijbaan waardoor hij frontaal op mij reed.
Ik ben gewond geraakt. Mijn dochter [slachtoffer 2] had haar sleutelbeen gebroken.
5.
Een verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse van Politie Eenheid Den Haag d.d. 25 augustus 2019 nr. 2019163451. Dit proces-verbaal houdt in -zaklelijk weergegeven-
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
De Provincialeweg N206 bestaat ter hoogte van hectometerpaal 10.0 uit één rijbaan, verdeeld in (afgezien van een hier niet relevante doelgroep-rijstrook) twee rijsroken. De twee rijstroken waren middels een dubbel doorgetrokken streep verdeeld. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 km per uur.
De bij het ongeval betrokken Mercedes [kenteken 1] vertoonde geen gebreken en/of bijzonderheden welke mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Hetzelfde geldt voor de bij het ongeval betrokken Fiat 500 [kenteken 2].
6.
Een geschrift, inhoudende een letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 1], d.d. 6 augustus 2019, opgemaakt en ondertekend door K. van den Hondel, forensisch arts KNMG, GGD Hollands Midden, als bijlage opgenomen bij proces-verbaal met nummer PL 1500-2019163451 (blz. 47) .
Er was sprake van een breuk van de rechter knie waarvoor een operatie plaatsvond op 20-06-2019. Tevens een breuk van de rechter hiel en twee voetbeenderen (waar de enkel op steunt) die met gips behandeld zijn.
7.
Een geschrift, inhoudende een letseIbeschrijving betreffende [slachtoffer 2], d.d. 23 augustus 2019, opgemaakt en ondertekend door M. Khargi, forensisch arts KNMG, GGD Hollands Midden, als bijlage opgenomen bij proces-verbaal met nummer PL 1500-2019163451 (blz. 49).
Bij onderzoek werd het volgende letsel vastgesteld:
een sleutelbeenbreuk rechts en meerdere huiddefecten (krassen/schrammen) op de borstkas in een patroon passend bij het dragen van de gordel. De verwachte genezingsduur is zes weken.”
6. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“Nadere bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld zich niet te kunnen verenigen met het appel van de officier van justitie en zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, evenals in eerste aanleg, van de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gedragen, nu niet kan worden vastgesteld waarom hij op de andere weghelft is geraakt en er aldus onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het aannemen van schuld in voornoemde zin: een enkel moment van afwezigheid is immers onvoldoende om te concluderen dat de verdachte met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid heeft gehandeld, zo stelt de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Voor beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachte als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) van dien aard zijn dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, komt het aan op het geheel van diens gedragingen, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat de verdachte met zijn auto op een tweebaansweg, de Provincialeweg N206 (de Europaweg), reed waar het op dat moment vrij druk was voor het verkeer op de beide weghelften. De auto’s op de weg uit de tegemoetkomende richting van waar de verdachte reed, reden op dat moment met een snelheid van tussen de 40 en 60 km/u, met soms slechts 5 meter tussenruimte. De verdachte reed naar eigen zeggen op dat moment ten minste 30 km/u. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte in een flauwe bocht niet zijn rijrichting behouden en is hij, in plaats van met de bocht mee te rijden, rechtdoor gereden en heeft hij vervolgens de dubbele doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto overschreden en is hij met onverminderde snelheid door blijven rijden om vervolgens frontaal met een tegenligger in botsing te komen.
Dit verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aldus aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.
De verdachte heeft gesteld dat hij niet weet hoe het komt dat hij op de andere weghelft is geraakt en in frontale botsing met een tegenligger is gekomen; in dat licht heeft zijn raadsman aangevoerd dat er sprake is geweest van een enkel moment van afwezigheid. Het hof leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden evenwel af dat de verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment afwezig (en aldus onvoorzichtig en onoplettend) is geweest. Ook overigens acht het hof op basis van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, niet aannemelijk dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer heeft gedragen, waardoor het onderhavige verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten.”
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
7. Het eerste middel keert zich met drie deelklachten tegen het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994.
Het juridisch kader
8. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:
“Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
9. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan in cassatie slechts worden onderzocht of schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994 uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn namelijk verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.
10. Van belang voor de beoordeling van de onderhavige zaak is dat een momentane onoplettendheid op zichzelf nog geen schuld in de zin van art. 6 WVW hoeft op te leveren. Ik verwijs daarvoor naar HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544, NJ 2008/440 en de doorwrochte conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga, die aan dit arrest voorafgaat. Voorts verdient opmerking dat uit bepaalde omstandigheden die aannemelijk zijn geworden – bijvoorbeeld wanneer de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde – kan volgen dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.
11. De onderhavige zaak vertoont veel gelijkenis met HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge, waar de verdachte op een tweebaansweg met een snelheid van ongeveer 80 km per uur in een flauwe bocht plotseling en zonder enige aanleiding op de andere weghelft terechtkwam en in botsing kwam met een op die andere weghelft rijdende tegenligger. Zodanig verkeersgedrag kan volgens de Hoge Raad in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan verdachtes schuld in de zin van art. 6 WVW 1998 te wijten is. Tot eenzelfde oordeel kwam de Hoge Raad in zijn arrest van 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32, waarbij een bestuurder met ongeveer 80 kilometer per uur een dubbel doorgetrokken streep op de as van een tweebaansweg met zijn gehele auto had overschreden en met de voorzijde van zijn auto in botsing was gekomen met een tegenligger.
De bespreking van het eerste cassatiemiddel
12. Het middel valt uiteen in twee deelklachten, die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen. Volgens de eerste deelklacht is de overweging van het hof dat de verdachte “langere tijd dan een enkel kort moment afwezig (en aldus onvoorzichtig en onoplettend) is geweest”, innerlijk tegenstrijdig met de uit de bewijsvoering blijkende omstandigheid dat de afstand tussen de beide in tegengestelde richting rijdende auto’s erg kort was. In de toelichting op het middel wordt nog gesteld dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden afgeleid dat er bijzonder weinig tijd zat tussen het door de verdachte van rijbaan afwijken en het ongeluk. De tweede deelklacht houdt in dat de bewijsvoering zonder nadere motivering, die ontbreekt, de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van de verdachte niet kan dragen.
13. Ik meen dat geen van beide deelklachten doel treft. Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk vastgesteld dat: (i) het vrij druk was op beide weghelften; (ii) de auto’s uit de tegemoetkomende richting met een snelheid van tussen de 40 en 60 km/u reden, met soms slechts 5 meter tussenruimte; (iii) de verdachte naar eigen zeggen op dat moment ten minste 30 km/u reed; (iv) de verdachte onder deze omstandigheden in een flauwe bocht niet zijn rijrichting heeft behouden en in plaats van met de bocht mee te rijden, rechtdoor is gereden; (v) hij een dubbel doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto heeft overschreden; (vi) hij met onverminderde snelheid door is blijven rijden; en (vi) vervolgens frontaal met een tegenligger in botsing is gekomen.
14. Gelet op deze vaststellingen en de hierboven aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad is het tweeledig bestreden oordeel van het hof dat de verdachte “langere tijd dan een enkel kort moment afwezig (en aldus onvoorzichtig en onoplettend) is geweest” niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het ongeval plaatsvond in de namiddag van een dag in de maand juni en de twee bij het ongeval betrokken auto’s geen gebreken en/of bijzonderheden vertoonden die (mogelijk) van invloed zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval, en uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het (uit)zicht ter plaatse voor de verdachte niet goed was en/of dat het wegdek in slechte staat van onderhoud verkeerde. Van de gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake.
15. Het eerste middel faalt in beide onderdelen.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
16. Het middel komt met twee deelklachten op tegen de bewezenverklaring van de onderscheiden letsels bij de slachtoffers. Volgens de steller van het middel heeft het hof ontoereikend gemotiveerd dat het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en heeft het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk geoordeeld dat het slachtoffer [slachtoffer 2] zodanig letsel is toegebracht dat daaruit verhindering van de normale bezigheden is ontstaan.
Het juridisch kader
17. De beantwoording van de vraag wat onder “zwaar lichamelijk letsel” als bedoeld in art. 6 WVW 1994 wordt verstaan is in beginsel overgelaten aan de rechtspraktijk. Art. 6 WVW 1994 bevat geen definitie van dit begrip en art. 82 Sr is niet van toepassing op de WVW 1994. In het arrest van 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0495, NJ 2001/329 heeft de Hoge Raad in verband met art. 6 WVW 1994 overwogen dat lichamelijk letsel als zwaar is te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid..
18. In het overzichtsarrest over zwaar lichamelijk letsel van 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. Wolswijk onderstreept de Hoge Raad, dat in lijn met de wetsgeschiedenis in de rechtspraak van de Hoge Raad is vooropgesteld dat art. 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten de door de Hoge Raad genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad overweegt in dit overzichtsarrest verder dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, als algemene gezichtspunten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel worden aangemerkt. De beoordeling kan, aldus de Hoge Raad, ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd, terwijl bij een veelvoud van verwondingen in voorkomende gevallen de beoordeling kan worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. Indien sprake is van een zodanige (bot)fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan, in relatie tot de hier genoemde alsook andersoortige vormen van letsel, relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Het oordeel van de feitenrechter dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. De cassatierechter zal slechts ingrijpen als uit de bestreden beslissing onvoldoende blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
19. Onder ‘normale bezigheden’ als bedoeld in het kader van art. 6 WVW 1994 dienen te worden verstaan bezigheden die kunnen worden aangemerkt als ambts- of beroepsbezigheden of bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn, zodat bijvoorbeeld vrijwilligerswerk ook onder deze bepaling valt.Voor de beoordeling van ‘tijdelijkheid’ van de ziekte of verhindering wordt volgens Damen in de rechtspraak uitgegaan van een criterium van vier weken. Verhindering is een begrip dat subjectief dient te worden ingevuld: of daarvan sprake is hangt af van de reguliere bezigheden van het slachtoffer.
20. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad komt naar voren dat de aard van het letsel en de (te verwachten) genezingsduur van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Die daadwerkelijke tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden, moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid. In zijn arrest van 29 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4827 nam de Hoge Raad tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden aan, daar het slachtoffer aangezichtskneuzingen en een gekneusde pols had opgelopen en naar verwachting vier weken arbeidsongeschikt was. Met betrekking tot een breuk in de achtervoet met daarbij een geschatte genezingsduur van een half jaar, oordeelde HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:AU1959, NJ 2006/105 dat uit de aard van het letsel en de geschatte duur van de genezing door het hof kon worden afgeleid dat het letsel een zodanige verstoring van het lichamelijk functioneren van het slachtoffer had teweeggebracht dat sprake was van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Blijkens HR 11 oktober 2005, VR 2006/133 kan uit de vaststelling van pijn of verwondingen niet zonder meer worden afgeleid dat het slachtoffer tijdelijk ziek is geweest of verhinderd is geweest in de normale bezigheden.
De bespreking van het tweede cassatiemiddel
21. Het hof heeft aan de hand van bewijsmiddel 6 vastgesteld dat [slachtoffer 1] als gevolg van het ongeval een breuk van de rechterknie en een breuk van de rechterhiel en twee voetbeenderen heeft bekomen. Bovendien is medisch ingrijpen noodzakelijk gebleken; [slachtoffer 1] is immers aan zijn gebroken rechterknie geopereerd, en de breuk van zijn hiel en voetbeenderen is met gips behandeld. Gelet op de hoeveelheid letsels, de aard daarvan en de aard en noodzaak van het medisch ingrijpen, acht ik het oordeel van het hof dat aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht toereikend gemotiveerd.
22. Voorts heeft het hof op grond van bewijsmiddel 7 vastgesteld dat slachtoffer [slachtoffer 2] (onder meer) een sleutelbeenbreuk heeft opgelopen, waarbij als verwachte genezingsduur is uitgegaan van zes weken. In het licht van de aard van het letsel, de botfractuur en de te verwachten genezingsduur van zes weken, heeft het hof naar mijn inzicht kunnen oordelen, zoals is bewezenverklaard, dat [slachtoffer 2] zodanig letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte verhindering of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan. Dat oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
23. Het middel faalt in beide onderdelen.
Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
24. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.
25. Namens de verdachte is op 7 juni 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 september 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden, die geldt in zaken waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of niet het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, met ruim zeven maanden overschreden. Inmiddels is ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. Dit dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.
26. Het derde middel slaagt.
Slotsom
27. Het eerste en tweede middel falen in al hun onderdelen. Het derde middel is terecht voorgesteld.
28. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook om die reden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Ook dit dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.
29. Overige gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde geldboete betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
De rechtbank heeft de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken. Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. Keijzer (rov. 2.5). HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge (rov. 3.5). Zie onder meer ook HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:128 (rov. 2.3) en HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:129, NJ 2021/90, m.nt. Vellinga (rov. 3.3). Zie voorts de conclusies van mijn ambtgenoten Harteveld en Frielink van respectievelijk 16 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:375 en 11 juni 2024; ECLI:NL:PHR:2024:632 waarin eveneens uitgebreid op dit thema wordt ingegaan. Zie bijv. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252, m.nt. Knigge en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4835, NJ 2013/32. Vgl. ook HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8889 en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:108; de Hoge Raad liet daar de veroordelingen voor het veroorzaken van een verkeersongeval door schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 door op de andere weghelft te belanden in stand en deed de zaak af met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Zie ook HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969, NJ 2021/20 (rov. 2.3). HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. Wolswijk (rov. 2.6); HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969, NJ 2021/20 (rov. 2.3). HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. Wolswijk (rov. 2.8). HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9370, NJ 2001/162 (rov. 3.4-3.5); HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5693 (rov. 3.3). HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:303. Zie A.H.J.M. Damen, in: T&C Strafrecht, art. 6 Wegenverkeerswet 1994, aant. 10d (online, actueel tot en met 19 maart 2024). Zie ook HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2001:AA9370, NJ 2001/162. In die zaak volgde uit de bewijsmiddelen dat het letsel bestond uit bloeduitstortingen, een mogelijke fractuur van het sprongbeen en bandscheuren aan een voet. De Hoge Raad oordeelde dat uit deze bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat uit het letsel daadwerkelijk tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden was ontstaan. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.3). HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.5.2)