ECLI:NL:PHR:2024:83

ECLI:NL:PHR:2024:83, Parket bij de Hoge Raad, 23-01-2024, 22/00231

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 23-01-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/00231
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:466
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005289

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling wegens ontuchtige handelingen (waaronder het seksueel binnendringen) bij een meisje van 15 jaar oud (art. 245 Sr). Het eerste cassatiemiddel klaagt terecht over het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Er is een tekortkoming in de wijze waarop het geldende beoordelingskader door het hof is toegepast, maar volgens de AG ontbreekt in dit geval belang bij cassatie. Het tweede middel richt zich tegen de door het hof op 1 maart 2016 bepaalde aanvangsdatum van de wettelijke rente betreffende de vordering immateriële schade benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Ook dat middel is volgens de AG terecht voorgesteld. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de zaak zelf af te doen door die aanvangsdatum op 1 april 2016 te bepalen, en verder te doen wat nodig is, en het cassatieberoep voor het overige te verwerpen.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00231

Zitting 23 januari 2024

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 20 januari 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Verder heeft het hof de ingediende vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot vergoeding van immateriële schade integraal toegewezen voor een bedrag van € 2.500,00,- en daarnaast aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van deze wettelijke rente is door het hof bepaald op 1 maart 2016. Het cassatieberoep richt zich onder meer tegen deze laatste beslissing.

Namens de verdachte heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan

Het middel

3. Het eerste middel keert zich met een tweetal deelklachten tegen het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Allereerst wordt aangevoerd dat het hof bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn het juiste toetsingskader heeft miskend, nu het hof het tijdsverloop van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet afzonderlijk van elkaar heeft onderzocht. Ten tweede zou het oordeel van het hof om te volstaan met die enkele constatering ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de mate van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en voorts niet heeft geoordeeld dat daarmee slechts sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn.

Het juridisch kader

4. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak in feitelijke aanleg binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

5. Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Voor het volstaan met dat oordeel kan onder meer aanleiding bestaan als sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep, en de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen.

6. Van belang is voorts dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

De bespreking van het middel

7. Blijkens het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 6 januari 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier relevant, het volgende in:

“49. Tenslotte is in eerste aanleg de redelijke termijn overschreden, maar niet in hoger beroep. Desondanks zijn dit feiten die dateren uit 2016, oftewel 5,5 jaar geleden. Wellicht dat hier toch rekening mee kan worden gehouden.”

8. Het hof heeft voor zover hier van belang het volgende in het bestreden arrest overwogen:

“Strafmotivering

[…]

Daarnaast stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, nu de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een termijn van twee jaren is afgerond. Gelet op de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, waardoor de totale procedure niet meer dan vier jaren in beslag heeft genomen, zal het hof echter volstaan met het constatering van de overschrijding in eerste aanleg, zonder hier gevolgen aan te verbinden voor het bepalen van de hoogte van de straf.

Het hof is van oordeel dat - ook met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst hiervan. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende - en geboden reactie vormt. Nu uit het procesdossier niet volgt dat de verdachte uit hoofde van de onderhavige strafzaak voorlopige hechtenis heeft ondergaan, geldt geen aftrek van voorarrest op de voet van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.”

9. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in verband met deze zaak niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad betekent dit, dat de behandeling van de zaak door de feitenrechter dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Ter beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen die in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moeten daartoe blijkens het hier vooropgestelde juridisch kader het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Door enkel te oordelen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet binnen een termijn van twee jaren is afgerond, maar dat door de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep de totale procedure niet meer dan vier jaren in beslag heeft genomen, heeft het hof het geldende toetsingskader niet volledig toegepast. Niet heeft het hof namelijk vastgesteld hoe groot die termijnoverschrijding in eerste aanleg naar zijn berekening is geweest en of deze als ‘beperkt’ kan worden aangemerkt. Het hof heeft die in het beoordelingskader gelegen stap overgeslagen en oordeelt direct dat de totale procedure niet meer dan vier jaren in beslag heeft genomen, zodat het zal volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

10. De vraag is of deze onvolkomenheid in de uitspraak van het hof tot cassatie moet leiden. Ik neig ernaar deze vraag in het onderhavige geval ontkennend te beantwoorden. Indien het toetsingskader door het hof geheel en al was geëxpliciteerd en doorlopen, zou dat, neem ik aan, hebben geleid tot het oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 1,5 maand is overschreden. Gelet op deze beperkte overschrijding en de vaststelling van het hof dat gelet op de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep de totale procedure niet meer dan vier jaren in beslag heeft genomen, ontgaat mij het belang bij cassatie op dit onderdeel, waarbij ik er op attendeer dat ook in de schriftuur zo’n belang niet tot uitdrukking wordt gebracht.

11. Het middel is naar het mij toeschijnt tevergeefs voorgesteld.

Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan

Het middel

12. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de begindatum van de bewezenverklaarde periode, te weten 1 maart 2016, althans dat het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente op onbegrijpelijke en ontoereikende gronden op 1 maart 2016 heeft bepaald.

De bewezenverklaring en bewijsmiddelen

13. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 augustus 2016 te [plaats] en [plaats] met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten

- het plaatsen van zijn penis in de mond en vagina van die [benadeelde] en

- het tongzoenen met die [benadeelde] en

- het betasten van de borsten en vagina van die [benadeelde] .”

14. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juni 2016 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 18 e.v.):

als de op 6 juni 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] en haar echtgenoot:

Wij willen aangifte doen van het feit dat onze dochter [benadeelde] afspreekt met een man. Hij heet [verdachte] , hij woont in […]. [benadeelde] had contact met (zijn stiefdochter) [betrokkene 2] . Zij zijn verliefd op elkaar. Het contact tussen [benadeelde] en [betrokkene 2] gaat via [verdachte] . Vader en dochter hebben hetzelfde Facebook profiel. [verdachte] en [benadeelde] hebben seks met elkaar gehad. [benadeelde] heeft het ook over pijpen en sperma en dat zij dat bij [verdachte] moet doen om contact te leggen met [betrokkene 2] . Dat gebeurt dan bij een buurvrouw in huis en die legt handdoeken voor hen klaar.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 april 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 24 e.v.):

als de op 4 april 2018 afgelegde verklaring van [benadeelde] , geboren op 3 januari 2001 te 's-Gravenhage:

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord getuige

V: Hoe is het wel gegaan?

A: Hij had een stiefdochter. We hadden elkaar leren kennen op school en ik was verliefd geworden.

V: Wie bedoel je met hij?

A : [verdachte] .

V: En hoe heet zijn stiefdochter?

A: [betrokkene 2] . [verdachte] zei tegen mij dat hij kon regelen dat ik haar kon zien. We hadden afgesproken bij zijn buurvrouw in een andere flat. Hij zei dat hij wist dat ik verliefd was op [betrokkene 2] en dat hij wel iets kon regelen, maar dat ik dan dingen moest doen.

V: Wat moest je met hem doen?

A: Rare dingen.

V: Wat zijn rare dingen?

A: Seks.

V: Hoe kwam jij daar dan bij die buurvrouw?

A: Hij had mij geappt. Hij had haar drugs gegeven, zij was drugsverslaafd. Dit had hij gedaan zodat wij in haar huis mochten afspreken. Zij was in de slaapkamer.

V: Waar woont die buurvrouw?

A: In […]. [verdachte] had tegen mij gezegd die flat achter de tramhalte.

V: Hoe heet die buurvrouw?

A: [betrokkene 3] , ik weet dat ze nu is overleden.

V: Wanneer was die eerste ontmoeting?

A: In maart 2016.

V: Waar was je toen met hem?

A: In de woonkamer op de bank.

V: En toen?

A: Hij zei dat ik bepaalde dingen moest doen maar ik stemde daar niet mee in.

V: Hoe ging het verder?

A: Ik wilde er niet op ingaan en vroeg waar [betrokkene 2] bleef. Vanaf toen ging hij me zoenen.

V: Waar zoende hij jou?

A: Op mijn mond.

V: Hoe zoende hij jou op je mond?

A: Echt met zijn tong.

V: Wat vond je daarvan?

A: Vies.

V: Hoe reageerde je daar op?

A: Ik trok mijn hoofd terug maar toen zoende hij me weer. Hij zei: "Ik heb een stijve, wat moet ik doen." En toen heeft hij mijn hoofd gepakt en heeft hij dat dinges in mijn hoofd gezet.

V: Hoe ging dat dan precies?

A: Hij pakte met zijn hand mijn. achterhoofd en duwde mijn hoofd naar zijn piemel.

V: Wat gebeurde er dan toen hij jouw hoofd naar zijn piemel duwde?

A: Ik ben er in mee gegaan. Zijn piemel was gewoon in mijn mond en hij bewoog mijn hoofd met zijn hand.

V: Hoe lang duurde dat?

A: Drie minuten of zo.

V: Is hij toen ook klaargekomen?

A: Ja, in mijn keel.

V: Hoe ging het daarna verder?

A: [verdachte] appte mij ongeveer twee dagen later met: "Wanneer zie ik je weer?" Hij gaf ook de telefoon aan [betrokkene 2] zodat ik met haar kon spreken. Haar telefoon was afgepakt dus ik was blij dat ik haar even sprak.

V: En wat gebeurde er tijdens de afspraken daarna?

A: Hij belde me ook heel vaak.

V: Hoe hadden jullie afgesproken?

A: [betrokkene 3] was thuis en zat op de bank. Hij vertelde dat [betrokkene 3] het bed had opgemaakt en vroeg of ik meeging naar de slaapkamer.

V: Wat gebeurde er toen dan?

A: Hij ging me zoenen en hij kwam half op mij liggen. Hij bleef me zoenen en ging aan mijn borsten en in mijn broek voelen.

V: Raakte hij je aan boven de kleding of onder de kleding?

A: Borsten over mijn kleding en daar gewoon echt daar.

V: Wat bedoel je met daar?

A: Aan mijn vagina.

V: Wat gebeurde er?

A: Seks.

V: Wat versta jij onder seks?

A: Dat zijn piemel in mijn vagina ging.

V: Hoe was hij bezig?

A: Hij had mijn benen vast, ik lag voor hem. Hij ging heen en weer.

V: Hebben jullie het veilig gedaan?

A: Nee, hij was in me klaargekomen. Hij heeft me toen € 20,— gegeven voor de morning after pil.

V: Hoe vaak is dit gebeurd?

A: Ik denk tien keer pijpen en seks zes keer ongeveer.

V: Waar gebeurde dat?

A: Alle keren bij [betrokkene 3] thuis. Eén keer was het in een kantoor in [plaats] .

V: In welke periode hebben deze incidenten plaatsgevonden?

A: Ik denk vier maanden.

V: Hoe lang ging het door met [verdachte] ?

A: Tot augustus 2016.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2016084198-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 51):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik heb op 4 april 2018 een getuigenverklaring opgenomen van [benadeelde] waarbij zij verklaarde seks te hebben gehad in de woning van een buurvrouw van de verdachte. Deze vrouw zou [betrokkene 3] heten, inmiddels zijn overleden en woonachtig zijn in [plaats] , achter de tramhalte. De verdachte zou drugs aan deze [betrokkene 3] geven.

Ik heb gezocht binnen het politiesysteem. Ik trof enkele registraties aan waarbij een [betrokkene 3] , woonachtig te [plaats] , voorkwam in combinatie met 'overlast drugs'. Ik zag dat deze persoon betrof:

[…] [betrokkene 3]

Ik zag dat de flat waarin [betrokkene 3] woonachtig was geweest direct achter de tramhalte was gevestigd. De […]dreef is op ongeveer 500 meter afstand van de […]straat, alwaar de verdachte woonachtig was.

4. Een geschrift, zijnde de uitwerking van chatgesprekken tussen een telefoonaccount op naam van de verdachte en een telefoonaccount op naam van [benadeelde] . Deze chatgesprekken houden onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz 99 e.v.):

[benadeelde] = [benadeelde]

[verdachte] = [verdachte]

Gesprek van 17 mei 2016

[benadeelde] : Want me coach leg (ik, A-G, begrijp: let) ook op mij deze week

[verdachte] : Oké. Niemand zeggen dat wij contact hebben ook [betrokkene 2] niet ze doet echt raar.

[benadeelde] : Is goed.

[verdachte] : Wat is er gebeurd? Ze is jaloers denk ik. Ik mis jou.

[benadeelde] : Awh ik u ook. Misschien heeft ze deze berichten gelezen dat ze daarom boos is.

[verdachte] : Kan je maandag komen om 11 uur.

[benadeelde] : Ja is goed.

[verdachte] : Love you.

[benadeelde] : Love you too.

Gesprek van 22 mei 2016

[benadeelde] : Ik moet met [betrokkene 2] praten.

[verdachte] : Ik regel wel wat.

[benadeelde] : Oké.

[verdachte] : Zie ik je morgen.

[benadeelde] : Ja.

[verdachte] : Oké 11 uur.

[benadeelde] : Ik kan niet zo lang want m'n vader komt me om half drie van school halen. Moet naar ziekenhuis want m'n rug is gekneusd.

Gesprek van 23 mei 2016

[benadeelde] : Weet u wat het is ik ben niet meer die [benadeelde] die hele tijd achter d'r bil aanloopt. Ik heb nu van ai als je wilt blijven dan blijf je zo niet ga maar weg.

[verdachte] : Ja. Dat is zo. Maar ik wil wel achter jouw bil lopen want zijn mooie houvast. Oké. Dus ook al laat je [betrokkene 2] maar mij laat je niet. En je weet ik hou van jou.

Gesprek van 24 mei 2016

[verdachte] : Ga je zaterdag mee. Op [betrokkene 2] optreden.

[benadeelde] : Is goed. Ik meld wel als ik mag.

[verdachte] : Oké is goed. Gaan we morgen ook iets doen. Happy ending.

[benadeelde] : Ik kan niet. M'n rug en nek.

Gesprek van 2 juni 2016

[verdachte] : [betrokkene 2] heeft ons verraden.

[benadeelde] : Wat verraden.

[verdachte] : Dat we mekaar zien.

Gesprek van 3 juni 2016

[verdachte] : Wil eerlijk tegen jou zijn. Ze heeft verteld dat ik jou geld gaf.

[benadeelde] : Pff waarom is zij zo.

[verdachte] : Ik zei al ze is jaloers.

Het arrest van het hof voor zover hier van belang

15. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is evenwel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid integraal voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof verstaat de vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade aldus dat deze strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezen verklaarde.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] .

[…]

BESLISSING

Het hof:

[…]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

[…]

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2016.”

Het juridisch kader

16. Allereerst wijs ik op de volgende wettelijke bepalingen:

Art. 6:83, aanhef en onder b, BW

"Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

[...]

b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad [en] niet terstond wordt nagekomen;”

Art. 6:119, eerste lid, BW:

“1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.”

Art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW:

“1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]

b. Indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;”

Art. 6:162, eerste lid, BW:

“1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.”

17. Voor de beoordeling van het middel is verder van belang de uitspraak van de Hoge Raad van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918:

“4.3 De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. Deze schade kan onder meer bestaan uit immateriële schade, dat wil zeggen ander nadeel dat op grond van artikel 106 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor vergoeding in aanmerking komt. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverwegingen 2.4.1, 2.4.4 en 2.5).

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij […] immateriële schade heeft geleden door het onder 4.2.1 genoemde bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de periode van 26 november 2008 tot en met 24 maart 2015. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 20.000 en daarbij bepaald dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2015 tot de algehele voldoening. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 24 maart 2015 moet worden aangemerkt als de datum waarop de immateriële schade is ingetreden.

Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 4.3 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de aard van de schade en de – in de vaststellingen van het hof besloten liggende – omstandigheid dat de schade is geleden door het geheel van de bewezenverklaarde gedragingen die tot 24 maart 2015 stelselmatig hebben plaatsgevonden over een zeer lange periode.”

De bespreking van het middel

18. Ik stel voorop dat in cassatie niet wordt betwist dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Evenmin wordt de omvang van het door het hof bepaalde en toegekende schadebedrag van € 2.500,00 ter discussie gesteld.

19. In de schriftuur wordt ter zake enkel geklaagd over de in het bestreden arrest bepaalde aanvangsdatum van de wettelijke rente betreffende het toegewezen bedrag van de vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Aangevoerd wordt in dat verband dat (i) uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid wanneer de bewezenverklaarde gedragingen precies hebben plaatsgevonden, (ii) de wettelijke rente op grond van art. 6:83, aanhef en onder b, BW eerst is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad is ingetreden en (iii) uit de arresten van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:445 kan worden afgeleid dat het bepalen van de aanvangsdatum van de wettelijke rente op de einddatum van de bewezenverklaarde periode onjuist is, althans dat het hof in de onderhavige zaak ontoereikend heeft gemotiveerd waarom reeds die begindatum de datum constitueert waarop de schade is ingetreden en de wettelijke rente aanvangt.

20. Vooreerst merk ik op dat de vordering van de benadeelde partij in het strafproces een vordering naar burgerlijk recht is, die strekt tot vergoeding van de schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks heeft geleden, dat wil zeggen dat de schade in voldoende verband moet staan met het bewezenverklaarde handelen. Daaruit vloeit voort dat de omvang van de immateriële schade eveneens wordt vastgesteld volgens de criteria van het civiele recht.

21. Uit art. 6:162, eerste lid, BW, art. 6:119, eerste lid, BW en art. 6:83, aanhef en onderdeel b, BW volgt in onderling verband beschouwd dat de wettelijke rente – indien door de benadeelde partij gevorderd – over het te betalen immateriële schadebedrag gerekend wordt tot de door het strafbare feit toegebrachte schade waarvoor de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Voorts kan uit het arrest van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918, waarin de Hoge Raad naar art. 6:83, aanhef en onder b, BW verwijst, worden opgemaakt dat de wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening, vanaf het moment waarop – in het strafrecht: blijkens de bewijsmiddelen – de schade is ingetreden (hier kortheidshalve verder de aanvangsdatum van de wettelijke rente te noemen).

22. Maar waar ligt dat moment? Als het gaat om een levensdelict dat op een bepaalde dag is begaan, is het vaststellen van de aanvangsdatum van de wettelijke rente natuurlijk niet zo moeilijk. Als het echter gaat om zedendelicten die een lange periode bestrijken, wordt het lastig, en al helemaal als een inmiddels meerderjarig slachtoffer moet putten uit herinneringen over het eerste begin dat in de vroege jeugdjaren is gelegen en mitsdien niet met precisie kan worden aangegeven wanneer de bewezenverklaarde gedragingen toentertijd zijn begaan. In het, ook in de schriftuur aangehaalde, arrest van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:918 deed zich zo’n (zeden)zaak voor. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde partij immateriële schade had geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de periode van 26 november 2008 tot en met 24 maart 2015. Vervolgens wees het hof de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 20.000 en bepaalde daarbij dat dit bedrag werd vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2015 tot de algehele voldoening. Daarmee had het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 24 maart 2015 moest worden aangemerkt als de datum waarop de immateriële schade was ingetreden. Namens de benadeelde partij werd een cassatiemiddel ingediend dat tegen dat oordeel opkwam. De klacht hield in dat het hof de wettelijke rente niet had laten ingaan vanaf de datum waarop de bewezenverklaarde periode aanving of een ander, vóór die einddatum gelegen moment. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest, beschrijft mijn ambtgenoot Keulen de problematiek die zoal kan kleven aan het vaststellen van de aanvangsdatum van de wettelijke rente.Hij merkt op (in zijn randnummer 56), dat in een geval als toen aan de orde was een eerdere ingangsdatum van de wettelijke rente zich moeilijk kan verhouden tot een bewijsmotivering waaruit niet duidelijk blijkt wanneer de bewezenverklaarde gedragingen precies zijn gepleegd. Zijn slotsom luidt dat het hof niet van een verkeerde rechtsopvatting was uitgegaan door als ingangsdatum de einddatum van de bewezenverklaarde periode te nemen. Volgens Keulen is de strafrechter niet gehouden om, bij een feitencomplex als in die zaak – waarin het misbruik in een periode van ongeveer zes jaren en vier maanden had plaatsgevonden, op momenten die in aantal en (een enkele uitzondering daargelaten) in tijd niet exact waren vastgesteld – één of meer ingangsdata te kiezen die (deels) liggen vóór het moment waarop de bewezenverklaarde periode eindigt. Dat standpunt onderschrijf ik geheel. De Hoge Raad volgde de conclusie van Keulen en overwoog dat het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en evenmin onbegrijpelijk was, in aanmerking genomen de aard van de schade en de – in de vaststellingen van het hof besloten liggende – omstandigheid dat de schade was geleden door het geheel van de bewezenverklaarde gedragingen die tot 24 maart 2015 stelselmatig hadden plaatsgevonden over een zeer lange periode.

23. Het komt mij voor dat, anders dan de steller van het middel lijkt te menen, uit dit arrest niet kan worden afgeleid dat de feitenrechter de aanvangsdatum van de wettelijke rente in voorkomende gevallen nimmer op een eerder moment in de bewezenverklaarde periode kan bepalen. Een opvatting waar de steller van het middel kennelijk vanuit gaat, verdraagt zich niet met de hierboven weergegeven BW-bepalingen en het hierboven aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad. Wel zal dan uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken dat de bewezenverklaarde gedragingen vanaf dát moment zijn te situeren en de daaruit geleden immateriële schade (dus) vanaf dát moment is ingetreden. Als aan die voorwaarde(n) is voldaan, kan de wettelijke rente door de strafrechter ook worden bepaald vanaf het moment van de schade-toebrengende gebeurtenis als die gelegen is aan het begin van (respectievelijk een ander tijdstip in) de bewezenverklaarde periode.

24. In de onderhavige zaak speelt de problematiek zoals door Keulen in diens zaak geschetst, niet in die mate. Er zijn belangrijke verschillen. Zo (a) is de voorliggende pleegperiode, die van 1 maart 2016 tot en met 31 augustus 2016 loopt, betrekkelijk kort te noemen, (b) was [benadeelde] (de benadeelde partij) destijds vijftien jaar oud (zodat kan worden aangenomen dat zij al een goed besef van tijd en plaats had) en (c) blijkt uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [benadeelde] dat de bewezenverklaarde gedragingen een aanvang namen in maart 2016 (bewijsmiddel 2).

25. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het hof in ieder geval niet van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door de aanvangsdatum van de wettelijke rente te bepalen op een eerdere datum dan de einddatum van de bewezenverklaarde pleegperiode. Ik heb daarbij het oog op zowel de (toegewezen) vordering van de benadeelde partij, als op de (opgelegde) schadevergoedingsmaatregel.

26. De crux zit in de vraag of het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Die vraag heeft niet alleen betrekking op de civiele vordering van de benadeelde partij, maar ook op schadevergoedingsmaatregel als strafrechtelijke sanctie, omdat ook daarvoor geldt dat het schadebedrag, waartoe de wettelijke rente behoort, naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek geldende criteria dient te worden berekend (zie mijn voetnoot 6).

27. Het hof heeft namelijk niet uitgelegd op welke grond de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade berust. De rechtbank heeft in haar vonnis van 9 september 2020 nog wel expliciet overwogen dat de schade vanaf 1 maart 2016 is ontstaan. Hoewel dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet door de verdediging is betwist, heeft de steller van het middel wel een punt met de deelklacht dat niet duidelijk is waarom de aanvangsdatum van de wettelijke rente door het hof is bepaald op 1 maart 2016. Die datum kan immers niet uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen blijken. [benadeelde] heeft in dit verband enkel verklaard dat de bewezenverklaarde gedragingen een aanvang namen in maart 2016. Dat sluit eind maart als aanvangsdatum niet uit. Ik wijs er daarbij op dat [benadeelde] ook heeft verklaard (bewijsmiddel 2), dat zij denkt dat de incidenten zich hebben voorgedaan in een periode van vier maanden en dat het doorging tot augustus 2016. Dat duidt eerder op een aanvangsdatum gelegen aan het eind van de maand maart dan aan het eerste begin daarvan. De overige bewijsmiddelen wijzen evenmin op 1 maart 2016.

28. Ik meen dan ook – met betrekking tot zowel de (toegewezen) vordering van de benadeelde partij, als de (opgelegde) schadevergoedingsmaatregel – dat het oordeel van het hof dat de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 maart 2016 kan worden bepaald, niet zonder meer begrijpelijk is, nu niet op een deugdelijke grond door het hof is vastgesteld dat op die datum de door de benadeelde partij geleden schade is ingetreden.

29. Opnieuw rijst de vraag of cassatie in beeld komt. Ook in het kader van dit tweede middel wordt in de schriftuur niet uiteengezet welk belang de verdachte daarbij zou hebben. Als het de steller van het middel er slechts om gaat dat terugwijzing naar het hof in het voordeel van de verdachte hem een maand rentevergoeding kan schelen, geef ik de Hoge Raad in overweging te bezien of hij zelf de zaak op dit onderdeel kan afdoen door de bestreden aanvangsdatum (ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel) te bepalen op 1 april 2016.

Slotsom

30. Het eerste cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. Het tweede cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

31. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie zal worden overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet meer binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen. Dit dient, denk ik, te leiden tot strafvermindering, mocht de Hoge Raad tot het oordeel komen dat er in cassatie ruimte is de zaak zelf af te doen.

32. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade is bepaald op 1 maart 2016 en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, hetgeen met zich kan brengen dat de uitspraak van het hof ook dient te worden vernietigd wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf ter vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie o.m.: HR 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197, NJ 2021/70; en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis. In het daaropvolgende randnummer verzoekt de raadsvrouw het hof “met al deze omstandigheden rekening te houden bij het bepalen welke straf in dit geval passend zou zijn”, waarbij zij ook het oog heeft op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals diens strafblad (“dat niet wijst op iets met zeden”) en de grote zorgen binnen diens gezin. De verdachte is in deze zaak op 25 juli 2018 voor het eerst als verdachte verhoord. Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 9 september 2020. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga (rov. 2.3.1). Zie art. 6:95-6:110 BW en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga. De benadeelde partij moet wel ook deze wettelijke rente gevorderd hebben. Wat betreft de schadevergoedingsmaatregel ligt dat (uiteraard) anders. Het staat de strafrechter immers vrij al dan niet een schadevergoedingsmaatregel op te leggen, en als hij deze maatregel oplegt berekent hij het schadebedrag, waartoe dan ook de wettelijke rente behoort, naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek geldende criteria. Zie wat betreft de vordering van de benadeelde partij HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga (rov. 2.5) en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, en aangaande de schadevergoedingsmaatregel bijvoorbeeld HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, NJ 2014/400, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362. In de randnummers 37 en 45-55 gaat Keulen uitgebreid in op de vraag of en, zo ja, in hoeverre de rechter vrijheid heeft bij het bepalen van de aanvangstermijn van de wettelijke rente over een door de strafrechter toegewezen vordering tot vergoeding van geleden schade. Vgl. ook de, eveneens in de schriftuur aangehaalde, conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens vóór HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:445 (HR: art. 81 RO), waarin zij eveneens verwijst naar de genoemde conclusie van Keulen. In die zin ook: S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Kluwer 1998, p. 308-309.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?